Don Quichot van La Mancha

Chapter 4

Chapter 44,011 wordsPublic domain

Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug, want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen, daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in den stal bracht.

Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezel meer hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op, die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.

In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed, waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.

Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig, dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd, dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam, trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg, slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles gebeurde met zoo blinden ijver en dolle drift, dat geen een er ook maar een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.

Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep met donderende stem: "Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!"

De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard, trok hem daarbij en hield niet op te roepen: "Achting en ontzag voor de hooge overheid!"

Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had, geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: "De deuren toe! Alle deuren in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is een mensch vermoord."

Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.

Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot bewustzijn en riep klagend: "Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij, Sancho Panza?"

"'t Mocht wat, slapen!" bromde de schildknaap. "Ik wou maar, dat ik sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan."

"Neen, gij vergist u, vriend!" antwoordde Don Quichot. "Wij zijn in een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen, kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen."

"Ik heb er nog erger van gelust," zeide Sancho Panza; "mij hebben vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden, daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt, altijd dubbel en dwars mijn part."

"Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?" vroeg de ridder meelijdig.

"Bont en blauw geslagen hebben ze me!" antwoordde Sancho Panza op grimmigen toon. "Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!"

"Wees maar bedaard, vriend!" troostte Don Quichot; "ik zal u den kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds alle pijnen en smarten wegneemt."

Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: "Nu, hoe gaat het je, goede vriend?"

"Ik zou toch wat beleefder spreken," antwoordde Don Quichot op hoogen toon. "Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?"

Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lamp en wierp haar Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en pruttelend heen.

"Ei," sprak Sancho Panza, "als dat geen lomperd is, dan laat ik mij hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof 't maar een aardigheid was."

"Ja, ja," kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed; "maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier, om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze pijnen verzachten zal."

Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.

"Wie gij ook zijn moogt, waarde heer," zeide hij, "bezorg ons een weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder, dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een betooverden Moor op zijn bed."

De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht, dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem geducht aan het zweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de hoop, dat hij, in 't bezit van dit middel, in 't vervolg alle kampen, tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten, geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.

Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder, altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel droppeltje in.

Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten en tot bedaren te brengen.

"Hoor, Sancho," zeide hij, "ik geloof, dat de schuld alleen daaraan ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen maar een ridder helpen."

"Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien dan?" schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.

Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.

Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maar zoo flauw, slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.

Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.

"Heer slotvoogd," sprak hij, "gij hebt mij vele en belangrijke diensten bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand, hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij mijne riddereer zij 't gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik u volkomen voldoening heb verschaft."

"Mijn beste heer ridder," antwoordde de waard doodbedaard, "uwe gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en 't is daarom, dat ik u met alle beleefdheid verzoek."

"Wat!" schreeuwde Don Quichot, "'t was dus een ellendige herberg, waarin ik overnacht heb?"

"Eene herberg, ja," antwoordde de waard; "doch niet eene ellendige, maar eene zeer voorname."

"Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd heb," antwoordde Don Quichot. "Voor 't overige zult gij maar best doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in eenige herberg ook maar een penning betaald heeft."

"Dat gaat mij niets aan!" riep de waard driftig. "Betaal uwe schuld en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of 'k zal weten, wat me te doen staat, zotte kerel!"

"O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!" schreeuwde Don Quichot; "gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen."

En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.

De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat, als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld van zijn heer en toonbeeld volgen.

De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien; hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een kwartpenning betalen zou.

Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren komen pleisteren. 't Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in de hoogte te gooien, zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek in de pan 't onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.

Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis, om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op- en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt, en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen, indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet zoo sterk was geweest.

Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden, dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en den waard geen penning betaald had.

De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel en dwars betaald gekregen had.

HOOFDSTUK VIII.

DON QUICHOT EN DE SCHAPENKUDDEN, MET NOG ANDERE AVONTUREN.

Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:

"Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten kunnen geweest zijn."

De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder geen woord.

Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.

"Hoor, Sancho," sprak hij, "dit is de dag, dien de hemel tot mijn geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk, Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet haar opstijgen."

"Dan moeten er twee legers zijn," zeide Sancho. "Daar van gindschen kant komt eene tweede stofwolk op."

Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren; want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen, gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd, maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.

"Wat te beginnen?" riep Don Quichot, zich in den zadel vastzettende. "Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte mouw, die koning is van de Garamanten."

Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste dingen voor.

"Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?" vroeg Sancho Panza eindelijk.

"Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een goed christen is geworden."

"Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk," zeide Sancho. "Als 't van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij maar kunnen."

"Gij hebt het rechte inzicht, vriend," antwoordde Don Quichot; "maar wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste en dapperste ridders van beide legers bekendmaken."

Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles, wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende stem zijne inlichtingen te geven.

"Die ridder daar met de gele wapens," begon hij, "die een gekroonden leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw, groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op donkerbruin veld met het opschrift "Miauw!" ter eere van zijne dame, die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië."

Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en 't zou vermoeien die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde vetgemeste hamels was.

"Loop naar den drommel, heer!" barstte hij op eens los. "Ik zie noch reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn oog reikt."

"Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?" antwoordde Don Quichot. "Hoort gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren der trompetten en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?"

"Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!" verzekerde Sancho, en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen, en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.

"Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand," zeide hij met fierheid. "Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de overwinning zal met mij zijn."