Chapter 19
"Mijne genadige heerschappen," sprak hij eindelijk, voor den hertog en de hertogin eerbiedig de knie buigend, "daar ben ik weerom. Het stadhouderen heeft mij in veel opzichten niet recht willen bevallen, en dus vond ik maar beter dat te laten varen; voordat het mij liet varen. Arm ging ik heen, arm keer ik terug, en ik heb niets verloren, dan bijna mijn klein beetje verstand. Ik heb als rechter gezeten, heb processen uitgewezen, en ben daarbij bijkans van honger omgekomen, omdat die wijze dokter Recio uit Tirteafuera dat voor gezond voor mij hield. Bij nacht en ontijd overvielen de vijanden ons, en schoon mijne onderdanen zeiden, dat ik die door mijn heldenmoed weer verjaagd had, zoo weet ik dat toch wel beter en mijne arme ribben kunnen er een droevig klaaglied van zingen. Gisterenmorgen verliet ik het eiland, viel in een diepen, donkeren afgrond, stond uren lang den vreeselijksten doodsangst uit, en zou zoo zeker als wat zijn omgekomen, als mij niet mijn dappere meester tot hulp en troost was toegezonden.--Zoo is 't met mij gegaan, heer hertog, en eerbiedig leg ik de van u verkregen waardigheid hier weer voor uwe voeten neer. Van mijne hoogte afdalend, keer ik weer in den dienst van mijn ouden heer terug, waar 'k mij althans zat mag eten, wat voor een hongerigen mensch een uitstekend en zeer aangenaam medicijn is."
"Het bedroeft mij diep in de ziel, Sancho Panza," sprak de hertog, "dat gij 't regeeren zoo schielijk moe zijt geworden. In allen gevalle wil ik er op bedacht zijn, u een anderen, minder bezwaarlijken, maar des te voordeeliger post aan te wijzen, en ik hoop, dat gij alsdan met uwe doorgestane moeielijkheden en gevaren geheel verzoend zult zijn."
Sancho Panza boog zich, zonder antwoord te geven, en de hertogin gaf orders, dat de arme schildknaap als een prins verpleegd en verzorgd zou worden, daar men hem maar al te goed kon aanzien, hoe bitter hij door zijne kwelgeesten, den lijfarts en den hofmeester, geleden had.
HOOFDSTUK XXIII.
DON QUICHOT VERLAAT HET KASTEEL VAN DEN HERTOG EN KOMT TE BARCELONA.
De edele ridder van den leeuw of van de droevige figuur werd het luie leven op het slot nu zoetjes aan toch moe en verzocht dus den hertog vergunning, om afscheid te nemen en zijn tocht te vervolgen. Deze vergunning werd hem verleend, schoon eerst nadat de hertog en ook zijne gemalin al hunne welsprekendheid verspild hadden, om hem tot langer blijven te bewegen. Hij nam afscheid van het doorluchtig paar en ging den volgenden morgen al voor dag en dauw weder op reis. Langzaam stapte Rocinante met hem voort, en Sancho sjokte op zijn grauwtje vergenoegd bij hem aan. De ezel was van een welgevulden knapzak voorzien, en in Sancho's zak stak eene beurs met twee honderd goudguldens, die hem op bevel des hertogs ten geschenke waren medegegeven. Geen wonder derhalve, dat Sancho vergenoegd was, want zulk een voor hem schier onmetelijken rijkdom had hij zijn leven lang nog niet bezeten.
Nadat de beide dolende helden den halven dag door dik en dun waren voortgereden, bereikten zij een bosch, dat eenigszins bezijden den weg lag, en hier zag de ridder zich eensklaps in een net van groene draden verstrikt, die tusschen de boomen van den eenen stam tot den anderen waren uitgespannen.
"Sancho," sprak hij tot zijn schildknaap, "het zou mij verwonderen, als ons hier in dit woud niet weer een der zeldzaamste avonturen wachtte. Zeker willen de boosaardige toovenaars, die mij onophoudelijk plagen en vervolgen, mijne reis door dit net ophouden. Doch dit zal hun niet gelukken! Al waren deze draden ook, niet uit boomwol, maar uit ijzer, staal, graniet of diamant geweven, toch zou ik ze als spinrag doorhakken, voordat men drie tellen kon."
Bij deze woorden trok hij zijn zwaard en spoorde Rocinante aan, om te doen, gelijk hij gezegd had, doch werd daarin verhinderd, daar eenige mannen van wild en woest uitzien van achter de boomen voor den dag sprongen en zich op hem en op Sancho wierpen, beiden de wapens afnamen en hierop het grauwtje zoo zorgvuldig doorzochten en uitplunderden, dat in den knapzak geen enkel kruimeltje meer overbleef. Een geluk voor Sancho was het, dat de roovers niet aan het onderzoeken van zijn persoon dachten, daar in dat geval zijne goedgespekte beurs voorzeker liefhebbers en een anderen bezitter gevonden had.
Terwijl de roovers nog bij den ezel bezig waren, en Don Quichot de plundering met bedroefde oogen aankeek, kwam de hoofdman van de bende aanrijden. Hij was een man op het oog over de dertig, kloek van gestalte, vurig van blik en van een fier, ridderlijk voorkomen. Op een wenk van hem staakten de roovers hun werk, en hijzelf naderde hierop den edelen ridder Don Quichot, die bedroefd en nadenkend tegen een boom stond te leunen.
"Wees niet zoo bedrukt, man," sprak hij den dolenden held aan. "Gij zijt niet in de handen van bloeddorstige duivels gevallen, en zoolang ik Roque Guinart heet, zal uw persoon geen leed geschieden."
"Ik ben niet bedrukt uit vrees, dappere rooverhoofdman," antwoordde Don Quichot. "Mij grieft alleen, dat ik door een onverhoedschen aanval verrast en van het paard geworpen werd, daar ik als dolend ridder toch had moeten vooruitzien, dat in dit woud gevaarlijke roofridders huizen. Had ik maar eene minuut tijd tot bezinning gehad, dan zou de overwinning u niet zoo licht zijn gevallen, want weet, dat gij met Don Quichot van La Mancha spreekt, met den ridder van den leeuw, van wiens daden de gansche aardbol weet te gewagen."
"Ha, gij zijt dus de beroemde dolende ridder, over wien men thans overal hoort spreken?" zei de rooverhoofdman, die zich van die ontmoeting met Don Quichot veel pret beloofde. "Nu, dan hoop ik, dat gij eenige dagen als gast bij mij vertoeven zult, en ik beloof dan, u zoo eerbiedig te zullen doen behandelen, als een ridder van uwe vermaardheid met recht verwachten mag."
Don Quichot boog bij die vleiende woorden zeer beleefd en gaf zijne bereidwilligheid te kennen, om eenigen tijd in het gezelschap van den rooverhoofdman door te brengen.
"Waarheen wildet gij eigenlijk, toen mijn volk u aanhield?" vroeg Roque Guinart.
"Naar Barcelona, naar het stierengevecht," antwoordde Don Quichot.
De rooverhoofdman scheen nu op eens op een inval te komen. Hij trad op zij en schreef een briefje aan een vriend in Barcelona, waarin hij dezen bericht gaf, dat Don Quichot bij hem was de zotste, kluchtigste personage, die men in heel Spanje vinden kon. Hij wilde hem over eenige dagen naar Barcelona brengen, en zorg dragen, dat hij daar in volle wapenrusting, op Rocinante zijn strijdros gezeten en in gezelschap van Sancho Panza, zijn schildknaap, aankwam. Hij, de vriend, moest zijne bekenden daar vooraf van verwittigen en zou zich met den wonderlijken ridder zeker kostelijk kunnen vermaken.
De hoofdman verzegelde dit briefje en gaf het aan een van zijn volk over met last, om het onverwijld naar Barcelona over te brengen. Hierop keerde hij zich weder tot zijn gast en liet zich in een gesprek met hem in, dat hem al zeer spoedig van des edelen ridders volslagen verstandsverbijstering overtuigde.
Drie dagen en drie nachten bleef Don Quichot bij Roque Guinart te gast, en de hoofdman had al dien tijd overvloedig stof tot lachen. Toen hij den dolenden ridder eindelijk moe werd en ook de dag naderde, waarop Don Quichot in Barcelona moest verschijnen, ging hij met dezen op weg en bracht hem en den schildknaap tot dicht onder de muren van de stad. Hier nam hij afscheid en gaf den held aan zijn noodlot en aan de handen zijner vrienden over, die hij wel wist, dat hem zeer spoedig opsporen zouden. Terwijl hij naar het gebergte terugkeerde, naderden ridder en schildknaap de poort der stad en reden dood op hun gemak de eerste de beste straat op, over wier fraaiheid zij zich niet weinig verwonderden.
Toen zij nu de huizen en de golvende volksmenigte met verbaasde oogen aanstaarden, kwam eensklaps een rijk gekleed man met eenige volgelingen op hen toe, bleef voor Don Quichot staan en riep met alle teekenen van de grootste blijdschap:
"Ha, welkom, welkom in onze goede stad, gij pronkstuk en kompas van heel de dolende ridderschap! Welkom, edele held Don Quichot! Wees gegroet en bewonderd door een vurigen bewonderaar van uwe ongehoorde dapperheid!"
Bij deze woorden van den onbekende maakten deze en zijn geleide eene behendige zwenking en brachten zoo Don Quichot in hun midden. Deze wendde zich koelbloedig tot Sancho Panza en zeide: "Zie nu, mijn vriend, hoe wijd de faam van mijn heldenmoed zich verbreid heeft; want deze lieden hebben ons op het eerste gezicht herkend, ofschoon zij ons nooit te voren kunnen gezien hebben."
Intusschen kwam de onbekende nog nader en noodigde Don Quichot beleefd uit, hem in zijne woning te volgen. "Ga met ons, genadige heer!" sprak hij. "Wij zijn allen uwe dienaren en de beste vrienden van Roque Guinart, die ons van uwe aankomst verwittigd heeft."
"Gij zijt een zoo beleefd man, heer ridder," antwoordde Don Quichot, "dat ik uwe heusche uitnoodiging onmogelijk afslaan kan. Breng mij, waarheen gij wilt; ik zal geen anderen wil hebben dan den uwen."
De vreemde boog diep en bracht zijn paard aan zijne zijde. Terwijl zij nu langzaam door het gewemel der straten voortdrongen, wilde het ongeluk, dat twee ondeugende straatbengels hun in den weg kwamen en met onzen Don Quichot en zijn schildknaap wakker den draak begonnen te steken. Een hunner lichtte Grauwtjes, de ander den staart van Rocinante op, waarna beiden daar met goochelaarsvlugheid een handvol stekelachtige distels onder wisten te schuiven. Zoodra de arme dieren nu deze vreemde sporen voelden, trokken zij hunne staarten vast aan het lijf en verergerden daardoor hunne pijn zoozeer, dat zij als dol en razend heen en weer sprongen en eindelijk hunne toch al niet bijster zadelvaste berijders hals over kop in het stof wierpen. Don Quichot richtte zich beschaamd en hevig verstoord op, om Rocinante van de oorzaak zijner kwelling te bevrijden, en riep Sancho Panza toe, met zijn ezeltje hetzelfde te doen. Hierop bestegen zij hunne kleppers weder en keken naar de jonge deugnieten, die hun die poets gespeeld hadden, om. De ondeugende bengels hadden zich echter lang geborgen, zoodat Don Quichot zonder hen gekastijd te hebben zijn weg vervolgen moest. Weldra kwam hij met zijn begeleider in diens huis, waar hij terstond bij zijne intrede door de talrijke dienaren met luide juichkreten en eene ruischende muziek werd verwelkomd, al 't geen den goeden ridder in niet geringe mate streelde en met aangename aandoeningen vervulde.
Don Quichots gastheer heette Don Antonio Moreno en was een rijk en aanzienlijk man. Zoodra hij den held onder zijn dak zag, was hij er op bedacht, diens dwaasheden aan den dag te brengen, zonder dat de leeuwenridder er iets van merkte; want zijn gast te krenken of zeer te doen, was in geenen deele zijne bedoeling.
Vooreerst leidde hij hem aan tafel en onderhield zich met hem op eene wijze, die, zonder hem te beleedigen, voor al de gasten uiterst vermakelijk was, en daarop ging hij met hem in een afgelegen vertrek, waarin niets dan een tafel van jaspis stond, die door een voetstuk van dezelfde stof werd gedragen. Op die tafel stond een reusachtig menschenhoofd van metaal, waarop Don Moreno zijn gast al dadelijk opmerkzaam maakte.
"Dit hoofd, heer," sprak hij, "is vervaardigd door een der grootste toovenaars, die ooit op aarde bestaan hebben. Het bezit de eigenschap van op iedere vraag, die men het in het oor zegt, te antwoorden, en het doet mij leed, dat ik u hier niet oogenblikkelijk van overtuigen kan. Maar 't is vandaag Vrijdag en juist op dezen dag is het hoofd stom. Morgen echter, zoo gij dat goedvindt, zullen wij er de proef van nemen en zult gij zien, dat ik de volle waarheid heb gesproken."
Don Quichot was over deze begaafdheid van een levenloozen metalen kop zoo zeer verwonderd, dat hij zijn gastheer bezwaarlijk gelooven kon. Daar de proef op de som echter zoo spoedig geleverd zou worden, gaf hij zijne ongeloovigheid niet te kennen, maar dankte Don Moreno, dat die hem met zulk een merkwaardig tooverwerk had bekendgemaakt. Zij verlieten het vertrek en keerden naar het overige gezelschap terug, dat zich onderwijl met Sancho Panza's grappen en kluchtige vertellingen niet weinig vermaakt had.
Tegen den avond werd een wandelritje gedaan. Don Quichot was niet gewapend, maar droeg over zijne gewone kleeding een wijden zwaren mantel van donkere stof, die hem niet weinig zweetdroppels afperste. Ook bereed hij heden niet zijn Rocinante, maar een fraai, kloek muildier, dat bijzonder net en sierlijk was opgetuigd. Toen men hem den mantel omwierp, spelde men hem, zonder dat hij er iets van merkte, een blad perkament op den rug, waarop met groote letters geschreven stond: "Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha."
Toen men nu de straten doorreed, trok dat groote plakkaat natuurlijk ieders oogen tot zich. De menschen lazen hardop: "Dit is de ridder Don Quichot van La Mancha!" En Don Quichot, die dit hoorde, verwonderde zich zeer, dat iedereen hem zoo goed kende en bij zijn naam wist te noemen. Verbaasd wendde hij zich tot Don Moreno, die aan zijne zijde reed, en sprak:
"Wat is het toch aangenaam een dolend ridder te zijn, en in alle hoeken en einden der aarde bekend en beroemd te worden! Zie maar, beste heer, tot zelfs de dartele straatjeugd in deze stad kent mijn persoon en moet zeker ook met mijne roemrijke daden bekend wezen."
"Natuurlijk, en dat is ook geen wonder," antwoordde Don Moreno hoogst ernstig, schoon hij moeite had zijn lachlust te onderdrukken. "Gelijk het vuur niet verborgen en onderdrukt worden kan, zoo blinkt en schittert ook de verdienste, welke de man zich door heldenmoed en dapperheid verworven heeft."
Intusschen werd het gedrang om Don Quichot heen toch zoo erg, dat men hem het plakkaat heimelijk weer afnemen en naar huis terugkeeren moest. Daar was een prachtige avondmaaltijd aangericht, en tot diep in den nacht vermaakte de ridder met zijn dolle, dwaze en ongerijmde redeneeringen het gansche gezelschap.
Tegen den volgenden dag, wanneer het betooverd menschenhoofd zijne kunsten vertoonen moest, had Don Moreno verschillende bevriende families genoodigd. Daar was niemand onder, die iets van het eigenlijke geheim van dat hoofd wist, dan twee jonge ridders, aan wie Don Moreno het ontdekt had. Het was een kunstwerk, dat van een vindingrijkheid en vernuft getuigde, die ieder versteld deden staan.
De eerste, die het oor van het hoofd naderde, was Don Moreno zelf. Met zachte stem, maar toch zoo luid, dat ieder zijne woorden verstaan kon, vroeg hij: "Kunt gij mij ook zeggen, hoofd, met welke gedachte ik mij op dit oogenblik bezighoud?"
Het hoofd, zonder de lippen te bewegen, antwoordde met heldere stem: "Over gedachten oordeel en spreek ik niet."
De toehoorders waren ten toppunt van verbazing, te meer daar zij overtuigd waren, dat in het gansche vertrek of althans in de nabijheid van de tafel geen menschelijk wezen was, dat had kunnen antwoorden.
"Kunt gij mij eenige personen noemen, die zich in dit vertrek bevinden?" vroeg Don Moreno weder.
"Gij en uwe vrouw zijn hier," sprak het hoofd met dezelfde duidelijkheid; "buitendien zijn twee vrienden met hunne echtgenooten tegenwoordig, verder de bij uitnemendheid beroemde ridder Don Quichot van La Mancha, en eindelijk nog Sancho Panza, zijn trouwe schildknaap."
De bewondering der toeschouwers maakte voor schrik en ontzetting plaats, die enkelen de haren te berge deed rijzen. Don Moreno trad nu echter achteruit en zeide: "De hier door mij genomen proeven overtuigen zeker iedereen, dat de toovenaar, wien ik dit hoofd afkocht, mij niet heeft bedrogen. Wie nog lust heeft, eene vraag te doen, trede nader."
Oogenblikkelijk trad eene jonge vrouw op het hoofd toe en vroeg: "Wat moet ik doen, om recht schoon te worden?"
"Wees goed en deugdzaam," luidde het antwoord.
De dame trad terug, en een jong man richtte tot het wonderhoofd de vraag: "Wie ben ik?"
"Dat weet gij zelf!" werd hem geantwoord.
"Dat is waar," sprak de ridder; "maar wilt gij mij niet zeggen, of gij mij kent?"
"Ik ken u," antwoordde het hoofd; "gij zijt Don Pedro Noviz."
"Goed, goed; meer verlang ik niet te hooren," riep de jonge man en scheen niets van het geval te begrijpen.
"Zeg, hoofd, welke wenschen voedt mijn zoon?" vroeg een oud-achtig ridder, die insgelijks was toegetreden.
"Ik oordeel eigenlijk niet over wenschen," klonk de stem uit het hoofd; "alleen kan ik u zeggen, dat uw zoon u wenscht te begraven."
"Dat kan ik zelf wel zoo wat half begrijpen!" zeide de oude ridder wrevelig. "Maar genoeg, genoeg; ik vraag niet meer."
Don Moreno's vrouw trad nu toe en zeide: "Ik wensch niets anders te weten, dan of ik mijn edelen echtgenoot nog recht vele jaren zal mogen bezitten?"
"Dat zult gij," antwoordde het hoofd. "Uw gemaal zal nog jaren lang leven, want hij is gezond, matig en deugdzaam."
"En hoor dan nu mijne drie vragen, wijs hoofd!" vroeg eindelijk Don Quichot. "Kunt gij mij ook zeggen, of het waarheid of een droom was, wat mij in de grot van Montesinos is overkomen?--Kan ik mij op Sancho Panza's zelfkastijding gerust verlaten?--En eindelijk, zal mijne edele gebiederes Dulcinea ooit onttooverd worden?"
"Van die grot zwijg ik," antwoordde het hoofd. "Met Sancho Panza's geeseling zal het langzaam vooruitgaan; maar eindelijk zal de aanminnige Dulcinea van Toboso u toch in haar vollen glans weer verschijnen."
"Verder verlang ik niets te weten," zeide Don Quichot en trad terug. "Maar gij, Sancho Panza, wilt gij het hoofd niet eene vraag voorleggen?"
"Ei, te vragen had ik genoeg, maar ik wil 't kort maken," zei Sancho. "Hoor dan eens, heer kopstuk! Zal ik het nog weer eens tot een stadhouderschap brengen, of zal ik schildknaap blijven? En dan nog--zal ik ooit vrouw en kinderen weerzien?"
"Stadhouder of regent zult ge in uw eigen huis zijn, waar ge ook vrouw en kinderen weerziet, als ge daarheen terugkeert. Voor 't overige zult ge ophouden schildknaap te blijven, zoodra gij het dienen van een heer hebt opgegeven."
Hiermede eindigden de vragen en antwoorden, en allen, tot op Sancho na, waren verbaasd over het wonderbare en de wijsheid van dat hoofd. Sancho daarentegen bromde wat in zijn baard, daar de verkregen antwoorden maar half naar zijn zin waren geweest.
Voordat wij verder gaan, moeten wij hier het wonder van dat sprekend hoofd verklaren.
Het blad en de voet van de tafel namelijk waren van hout, waaraan men door beschildering en verlakking het aanzien van jaspis had weten te geven. Het hoofd was hol en hol waren ook de voet en het blad van de tafel, in welk laatste het hoofd zoo kunstig ingezet was, dat men geen teeken van verbinding bemerken kon. De voet van de tafel stond in verband met de keel en de borst van het hoofd, en dit alles weer met een vertrekje, dat onder de kamer met het hoofd was gelegen. Door de holte van voet, tafel, keel en borst liep eene zeer kunstig aangebrachte blikken buis of pijp, die voor niemand zichtbaar was en zich tot diep in het benedenvertrekje uitstrekte. Hier nu stond de persoon, die de antwoorden had te geven. Om de gedane vragen te verstaan legde hij zijn oor aan de opening van de buis, en hij antwoordde door zelf in de buis te spreken.
Een neef van Moreno had zich, na nauwkeurig van alles onderricht te zijn, met de rol van het orakel belast en die, gelijk wij gezien hebben, uitmuntend volgehouden.
Verscheiden dagen verliepen. Don Quichot werd steeds zeer voorkomend behandeld en voelde zich volmaakt tevreden en gelukkig. De kleine, onschuldige parten, die men hem speelde, bemerkte hij niet, daar Don Moreno met scherp oog over hem waakte en zorgde, dat niemand hem te na kwam.
Daar gebeurde het op een morgen, dat hij met Sancho Panza in volledige wapenrusting een ritje langs de haven deed en hier een ridder ontmoette, die, evenals hij, van top tot teen gewapend was en eene zilveren maan als wapenteeken op zijn schild droeg. Deze vreemde ridder reed recht op Don Quichot toe en zeide, genaderd zijnde, met ridderlijke hoffelijkheid:
"Doorluchtige, glansrijke en wijd en zijd vermaarde Don Quichot van La Mancha, zie in mij den ridder van de zilveren maan, wiens faam denkelijk ook reeds tot uwe ooren is doorgedrongen. Ik ben gekomen, om met u te kampen en de sterkte van uw arm te ondervinden, daar ik u tot de bekentenis wil dwingen, dat mijne dame schooner en edeler dan Dulcinea van Toboso is. Erkent gij dit vrijwillig, dan moogt gij ongehinderd uws weegs trekken en voor ditmaal den dood ontgaan; zoo niet, gord u aan ten strijde, en de hemel doe de waarheid zegepralen. Ben ik overwinnaar, zoo verlang ik niets anders van u, dan dat gij voor een jaar uwe wapens nederlegt, uwe avontuurlijke tochten staakt en u naar huis begeeft, om in rust en vrede verpoozing te vinden. Ontwapent gij mij, dan zij mijn leven aan uw goeddunken overgelaten, mijne wapens mogen uw buit zijn, en de roem mijner daden zal dienen, om den uwen te verhoogen en ten top te voeren. Overleg, of gij met deze voorwaarden tevreden zijt, en antwoord zonder lang dralen, want heden nog wil ik uw lot en het mijne beslist weten."
Don Quichot voelde zich door deze aanmatigende taal des ridders van de zilveren maan ten ergste beleedigd, en op kalmen, maar vasten en ernstigen toon antwoordde hij:
"Heer ridder van de zilveren maan, van wiens daden ik nog geen woord vernomen heb, ik neem uwe uitdaging en uwe voorwaarden aan. Neem uwe plaats in, waar gij wilt! Ik zal hetzelfde doen, en dan mag in Sint Pieters naam de kamp beginnen."
Terwijl de beide ridders hunne plaatsen innamen, naderde Don Moreno met verscheiden vrienden en vroeg, om welke reden de tweekamp wezen zou. De ridder van de zilveren maan verklaarde hem dat, en wijl Don Moreno dadelijk eenige guiterij vermoedde en geen groot gevaar voor zijn gast vreesde, liet hij de zaak haar vrijen loop.
"Daar er geen ander middel bestaat, toont dan in 's hemelsnaam wat gij kunt, mijne heeren!" zeide hij glimlachend. "Ik zal mij, met uw goedvinden, tot kamprechter opwerpen."
De beide ridders dankten Don Moreno en maakten zich tot den aanval gereed. Don Quichot riep de bescherming van zijne Dulcinea in, en nam hierop nog een weinig meer veld, daar hij zag, dat zijne tegenpartij datzelfde deed. Hierop wendden beiden hunne rossen en stormden met geweld op elkaar in.
Daar nu het paard van den ridder der zilveren maan veel flinker en lichter ter been was, dan de stijve, half lamme Rocinante, bereikte de ridder Don Quichot, voordat deze een derde van de renbaan had doorloopen, en trof hem met zoo vreeselijk geweld, dat ruiter en ros in een ommezien over elkaar heen tuimelden en zich lagen te wentelen in het stof. Terstond boog nu de ridder van de maan zich over Don Quichot heen, zette hem zijne lans op de borst en sprak:
"Gij zijt overwonnen, ridder, en moet sterven, indien gij de voorwaarden van onzen kamp niet dadelijk aanneemt."
Hoewel bitter gekneusd en bijna van zijne zinnen beroofd, bracht Don Quichot toch, zij 't al met zwakke en trillende stem, de koene woorden uit: "In spijt van uwe lans beweer ik, dat Dulcinea van Toboso de schitterendste schoonheid op den wijden aardbodem is, niettegenstaande ik van mijzelven erkennen wil, dat mijne zwakheid en mijn ongeluk mij verhinderd hebben, deze waarheid zegevierend staande te houden. Grijp dan nu uwe lans, ridder, en beroof mij van mijn leven, gelijk gij mij reeds mijn eer en mijn roem ontnomen hebt."
"Dat zij verre van mij," antwoordde de ridder van de zilveren maan. "Leve jonkvrouwe Dulcinea van Toboso, en moge zij ten eeuwigen dage als roem en bloem der schoonheid en volmaaktheid gehuldigd worden. Ik voor mijn deel ben ten volle tevredengesteld, wanneer gij u voor een jaar naar uwe woonplaats wilt terugbegeven en van uw avontuurlijk leven afzien."
"Welaan, dat wil ik beloven, omdat het niet tot nadeel van mijne verheven gebiederesse strekt," antwoordde Don Quichot al kreunend en zuchtend. "Ik wil dat beloven, en als een trouw, eerlijk en braaf ridder mijn woord in alles gestand blijven."