Don Quichot van La Mancha

Chapter 16

Chapter 164,126 wordsPublic domain

"Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho," sprak Trifaldin, de stalmeester. "'t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar 't is eene eerlijke en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen kunnen."

"Nu welaan, dan ben ik bereid," zeide Sancho, niet zonder eene zachte trilling in zijne stem.

"Waarlijk," sprak Don Quichot, "ik kan mij niet herinneren, mijn schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens, ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder vier oogen te zeggen."

Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen en sprak:

"Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend, want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch."

"Zoo waar ik leef, heer, 't is een onverstandig ding, dat gij daar van mij vergt," antwoordde Sancho. "Hoe kunt gij verlangen, dat ik mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder hoog noodig zal hebben! Waarachtig, 't is, alsof ge niet goed bij uw hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlug en handig van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate tevreden zult wezen."

"Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen," antwoordde Don Quichot. "Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd, dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek."

Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen worden.

"Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho," zeide Don Quichot. "Wij moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt."

"Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst," sprak de schildknaap, "Als ik achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt."

Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had, hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een Romeinschen triumphator moet voorstellen.

Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige verlichting zou aanbrengen.

Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje goed verzorgen.

"Lafhartige kerel!" riep Don Quichot hem hierop toe, "staat gij dan al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt."

Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor, en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op 'tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen hem na:

"God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van 't gezicht! Houd u vast, Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken op den grond komen."

Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg.

"Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer," vroeg hij, "dat wij alles verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu toch al zoo hoog in de lucht vliegen? 't Is net, alsof ze nog dicht om ons toe stonden."

"Breek daar uw hoofd niet mee," antwoordde de ridder. "Daar deze luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt, zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet, nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. 't Is waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen. Onderdruk uwe vrees dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind is ons gunstig en blaast ons frisch in den rug."

"Ja, dat is zoo," erkende Sancho; "ik voel zoo'n koelte in mijn zij, alsof 'k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg."

Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren 't een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan te versterken.

Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene poos het woord weer en zeide tegen Sancho: "wij moeten nu spoedig de tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. 't Is leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van dat gebied te houden, dat wij niet verbranden."

Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die, aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even gemakkelijk waren uit te dooven.

"Ik laat mij villen," zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam bespeurde, "als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en 't zou wel goed wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte we eigenlijk zijn."

"Doe dat vooral niet!" waarschuwde Don Quichot. "Denk aan de historie, die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij, zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering, en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde, wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de maan geweest, dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen, als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden mijlen achter den rug hebben."

"Hoe het daarmee is, weet ik niet," bromde Sancho Panza; "maar wel weet ik, dat jonkvrouw Magalona, als ze 't hier op mijne plaats kon uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest."

Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters, de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in onmacht lagen.

Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een groot blad wit perkament hing. Hij ging daarop toe en ontdekte op het perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud:

"De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft, zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars."

Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een groen grasperk lagen uitgestrekt.

"Op, op, doorluchtige heer!" riep hij, de rechterhand des hertogs grijpend en duchtig schuddend. "Op, heer, en wees goedsmoeds! Het avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben, gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen zien kunt."

De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was, dien het aardrijk nog ooit had gedragen.

Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg, en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was op 't zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaard kwam aansuizen en brandend op de aarde was neergevallen.

De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo was overgekomen.

"Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw," antwoordde Sancho. "Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen, vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken; maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was, lichtte ik den doek toch zoo'n beetje op en keek door de opening bij mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt gij opmaken, tot wat hoogte wij 't al gebracht hadden."

"Maar, vriend Sancho," zei de hertogin met een ernstig gezicht, schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, "als de aarde u maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde bedekt hebben?"

"Dat zou men wel haast zoo zeggen," antwoordde Sancho; "maar toch stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal."

"Sancho, dat is niet mogelijk," verklaarde de hertogin. "Als men maar een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien."

"Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet redetwisten," antwoordde de schildknaap; "maar bij dit alles moet gij toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in 't spel kwam, dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot, als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou 't geval, dat wij in de buurt van het zevengesternte kwamen, en daar ik in mijne jeugd geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven geitjes toe te spreken. 't Hing er maar van af, of ik kans zou zien, om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om, zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al dien tusschentijd een poot verzet had."

"Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u den tijd gekort?" vroeg de hertog.

"Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben, niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn, konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf, wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft."

"Daar kan men licht de proef van nemen," zeide Sancho Panza met onverzettelijke onbeschaamdheid. "Men heeft mij maar te vragen, hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden, maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit."

"Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig," zeide de hertogin.

"Goed," antwoordde Sancho. "Twee er van zijn groen, twee rozerood, twee hemelsblauw en een is bontgevlekt."

"Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn," zeide de hertogin. "Bij ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in die kleuren gezien."

"Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat," meende Sancho.

"Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok gezien?" vroeg de hertogin.

"Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken."

Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt stadhouderschap moest aanvaarden.

HOOFDSTUK XXI.

SANCHO PANZA OP HET EILAND BARATARIA.

Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag, korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart, Sancho Panza roepen en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den Meiregen.

Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte, en zeide: "Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zou ik dat liever nemen, dan het grootste eiland van den aardbodem."

"Vriend Sancho," antwoordde de hertog, "gij weet wel, dat ik zoo hoog in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven: een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken."

"Nu, komaan," sprak Sancho, "om uwe doorluchtigheid pleizier te doen, wil ik dan zoo'n stadhouder worden; 't is anders niet eerzucht, die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap eigenlijk smaakt."

"Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd van uw leven alle tien vingers naar likken," meende de hertog. "Geen heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort."

Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen, en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste verwachtingen opvatte.

En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China had willen ruilen.

Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria was; en alhoewel Sancho nog over geen water was gekomen, zoo nam hij die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd niet mee.

Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde, en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in zijne volle waardigheid den volke te vertoonen.

De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden, niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen, bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde, sprak hem aan als volgt:

"Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te verheugen of wel te beklagen hebben."

"Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer huishofmeester," antwoordde de nieuwe stadhouder. "Ik wil haar beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf weten, of 't lachen of huilen wil."

Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar, die hij in de hand hield, als snijder deed kennen.

"Heer stadhouder," begon deze laatste, "ik en die boer hier komen om eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene muts voor hem te maken. Ik bekeek het laken van alle kanten, keerde 't om en om, berekende de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: "Ja, dat zou ik wel kunnen."

"Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij mij, of 't niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken.

"Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we 't eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of 't hem heel en gaaf, zooals 't geweest is, teruggeven."

"En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?" keerde Sancho zich tot het boertje. "Is alles zoo, als de snijder zegt?"

"Ja, daar kan ik niets tegen zeggen," antwoordde de man. "Maar laat u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft."

De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes, die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken.

"Hier is," zeide hij, "wat die man van mij verlangde, en 'k mag hier door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van 't laken voor mij heb gehouden."

Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje stil na en sprak toen:

"Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: "De snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.""