Chapter 15
Toen verscheen een derde kar, waarin een vierkante, pootige kerel met een bruin, verweerd en brutaal gezicht was gezeten, die, evenals de vorigen, onder 't voorbijrijden opstond en met rauwe, schorre en heesche stem uitschreeuwde, dat hij was de wijdbefaamde toovenaar Arcalaüs, de doodvijand van Amadis van Gallië.
Op korten afstand van ons gezelschap hielden de drie karren stil; 't merg en been verscheurend piepen en gillen hield op en, in plaats daarvan, lieten zich de smeltende tonen eener uitermate liefelijke muziek hooren, wat Sancho Panza al dadelijk voor een gunstig voorteeken hield. Een weinig moed krijgende, richtte hij zich op en zeide tot de hertogin:
"Waar ze zulke deuntjes spelen, kan geen gevaar wezen, hoogedele doorluchtige mevrouwe!"
"En ook niet, waar zooveel licht en helderheid is," gaf de hertogin hem glimlachend tot bescheid.
De muziek klonk nader en nader, en Don Quichot zag nu een kar aankomen, die van buiten geheel den vorm van een Romeinsche triomfkar had. Zij werd getrokken door zes grauwe muildieren, die met sneeuwwitte dekken van het fijnste lijnwaad behangen waren. Op elk dier zat eene in het wit gekleede gestalte met een fakkel in de hand; doch op een troon op de kar zelve vertoonde zich eene dame, in een langen golvenden sluier van zilverstof gehuld, waarop een tallooze menigte gouden sterretjes flonkerden. Het gelaat der dame was ook wel door een sluier bedekt, maar deze was zoo fijn en doorzichtig, dat men door de plooien heen een zeer schoon jonkvrouwelijk gelaat kon ontdekken.
Naast de dame vertoonde zich eene gestalte in een mantel, die haar van 't hoofd tot de voeten reikte, terwijl een zwarte sluier haar gelaat aan het oog onttrok.
Langzaam kwam die kar op Don Quichot en het verdere gezelschap toe, dat haar met nieuwsgierigheid en de uiterste spanning opwachtte. Tegenover onzen held hield zij stil; de muziek verstomde en de mannelijke gedaante richtte zich langzaam op. Den zwarten sluier opslaande, liet zij een ontvleesden schedel met ledige oogholten zien, zoodat men den dood in eigen persoon meende te aanschouwen.
Don Quichot schrikte, Sancho werd doodsbleek en zelfs de hertog en de hertogin staarden met angst en ontzetting de vreemde huiveringwekkende gedaante aan, die nu met holle, gesmoorde stem de woorden liet hooren:
"Ik ben Montesinos en kom in het gevolg der aanminnigheid en schoonheid, om den edelen ridder Don Quichot te verkondigen, dat zijne hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso kan onttooverd worden, indien Sancho Panza, zijn schildknaap, zichzelf drie duizend en drie honderd slagen op zijn breeden rug toetelt. En dan moeten die slagen zóó zijn, dat zij wezenlijk pijn, builen en striemen veroorzaken."
"Lieve hemeltje, dan zou de heele historie op mijn armen rug neerkomen!" riep Sancho Panza. "Niet drie duizend slagen wil ik mijzelf geven, niet drie honderd, niet eens drie! Wat heeft mijn rug met de betooverde Dulcinea uitstaande? Loop heen! Als meester Montesinos er geen ander middeltje op weet uit te vinden, dan moet de schoone jonkvrouw vooreerst nog maar wat betooverd blijven."
"Hoor me zoo'n ondankbaren schelm en deugniet eens!" riep Don Quichot verontwaardigd. "Wacht, man! ik wil je naakt aan een boom binden, en daar zult ge niet drie duizend drie honderd, maar zes duizend zes honderd zoo wichtige en klappende slagen toegeteld krijgen, dat men ze drie duizend en drie honderd buksschoten ver hooren kan. Zwijg stil, zeg ik, of ik ruk je dadelijk de zwarte ziel uit het lijf."
"Bedaar, edele ridder!" sprak Montesinos met holle stem. "De slagen, die de wakkere Sancho Panza doorstaan moet, mogen niet opgedrongen worden, maar hij moet ze zich zelf geheel vrijwillig toebrengen, en hij heeft vrijheid, om ze op verschillende tijden geheel naar eigen goeddunken door te staan. Mocht het zijne verkiezing wezen, ze van eene vreemde hand te ontvangen, dan zal het getal tot op de helft verminderd worden, ofschoon onder voorwaarde, dat de zweep door eene niet te zwakke vuist worde gevoerd."
"Dat alles is goed en wel," riep Sancho, "maar ik laat mij noch door mijn eigen noch door vreemde vuist afrossen, en wil mijn heer zijne Dulcinea onttooverd hebben, laat hem haar dan zelf onttooveren en zijne magere schouders zoo bont en blauw slaan, als hij maar verkiest. Ik voor mijn part zal zoo gek niet wezen, om tegen mijn eigen vleesch te woeden."
Op dit woord rees nu eensklaps de vrouwelijke gedaante, die naast Montesinos zat, overeind, sloeg haar doorzichtigen sluier op en zag den weerspannigen schildknaap met een van verontwaardiging vlammenden blik aan.
"Nietswaardige," riep zij; "man, met uw steenen hart en ziel van graniet, wat groote dingen verlangt men dan van u, dat gij u verstout, op zulk een toon te spreken? Indien u bevolen werd, van een hoogen toren te springen, of gesmolten lood door te slikken en met bloote voeten een half uur ver over gloeiende ijzeren platen te gaan, dan zou ik niets zeggen, zoo gij dat weigerdet; maar om een paar ellendige zweepslagen zoo'n leven te maken, dat noem ik boosaardig en slecht. Roert u dan mijne bloeiende jeugd en mijne betooverde schoonheid niet? Moet ik altijd en eeuwig als een gemeene boerendeerne omdolen, terwijl ik toch de schoonste prinses op aarde ben? Schaam u, flauwe lafaard! Schaam u en laat mij niet van hier weggaan zonder den troost, dat gij u tot mijne onttoovering aan eene lichte boete wilt onderwerpen. En zoo mijn beden en tranen u niet vermurwen, laat u dan bewegen door de ellendigheid van uwen heer, die van verdriet en hartzeer zal wegkwijnen, zoo gij niet tot een besluit komt, den schildknaap eens zoo beroemden helds waardig."
"Neen, zoo gek ben ik niet," bromde Sancho. "Om een ander wil ik mijn eigen vleesch niet mishandelen."
"Vriend Sancho," sprak nu de hertog, die door het lijden der schoone dame en het ongeluk van den ridder ten diepste geroerd scheen, "vriend Sancho, 't is wel waar, dat ik u een stadhouderschap beloofd heb, maar ik moet u nu ronduit en stellig verklaren, dat daar niets van komen kan, als gij u zoo halsstarrig en onhandelbaar betoont. Wat zouden mijne onderdanen op het eiland, dat voor u bestemd was, denken, als ik hun zulk een gruwzamen en hardvochtigen tiran op den hals zond? Neen, neen, Sancho! Gij moet of uit liefde tot uwen heer u die slagen getroosten, of ge zult het uw leven lang niet tot stadhouder brengen."
"Ei, ei, niet zoo haastig, doorluchtige heer!" antwoordde Sancho op vrij wat onderdaniger toon; "men dient zich op zoo'n ding toch wel eens te beslapen. Gun mij twee dagen tijd en dan wil ik u nader bescheid geven."
"Dat gaat niet aan!" sprak Montesinos met akelig holle stem. "Hier op staanden voet en binnen vijf minuten moet alles beslist zijn. Ja of neen--wat zegt gij?"
"Zeg ja, beste Sancho!" fluisterde de hertogin den schildknaap toe, die besluiteloos stond, als een ezel tusschen twee bossen hooi. "Zeg ja, en toon u daardoor dankbaar voor al de goedheid en liefde, die uw dappere heer u tot hiertoe betoond heeft. Zeg ja, en wees niet bang voor zoo'n beetje pijn."
"Nu, welaan dan," zei Sancho eindelijk; "daar gij allen mij zoo dringt, wil ik die vracht van drie duizend drie honderd in 's hemels naam maar op mij nemen. Doch 't is onder voorwaarde, dat ik ze mijzelf toetellen mag, wanneer en zoo veel of zoo weinig, als mij op een keer goeddunkt. Daartegenover beloof ik, dat ik mijn best zal doen om zoo gauw mogelijk schoone lei te krijgen en jonkvrouwe Dulcinea van hare betoovering te verlossen."
"Dat is voldoende," riep Montesinos.
En zoodra hij dat woord over de lippen had, nam de liefelijke muziek van fluiten, harpen en horens weer een aanvang, terwijl Don Quichot, verrukt over zijne opoffering, zijn trouwen schildknaap om den hals viel en hem onder heete tranen op voorhoofd en wangen kuste. De hertog, de hertogin en alle verdere tegenwoordigen gaven insgelijks hunne voldoening en tevredenheid te kennen, en toen de kar zich weer in beweging stelde, boog Dulcinea eerbiedig het hoofd voor de hertogin en wierp Sancho Panza een allerliefst kushandje toe.
Sancho zelf voelde zich een oogenblik volkomen gelukkig, doch had twee minuten later al weer bitter berouw, dat hij zoo gek geweest was, dat zware pak van drie duizend drie honderd slagen op zich te nemen.
Onderwijl begon het in het oosten te schemeren, en allen keerden naar het slot terug, om na de vermoeienissen der jacht en na al die spannende ontmoetingen een verkwikkenden slaap te genieten. De hertog en de hertogin waren meer dan ooit in hun voornemen versterkt, om met Don Quichot en zijn schildknaap nog allerlei kluchten en dwaasheden te vertoonen, en stelden zich daar onbegrijpelijk veel pret en genoegen van voor.
Tot opheldering van het pas beschreven avontuur hebben wij alleen maar te zeggen, dat de geheele comedie volgens de beschikking van den hertog zoo was opgevoerd. Montesinos was de hofmeester van het slot, Dulcinea een knappe jonge page geweest, terwijl de verschillende talrijke dienaren des hertogs als toovenaars en duivels hadden moeten optreden.
HOOFDSTUK XX.
HET AVONTUUR MET HET HOUTEN PAARD.
Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was, antwoordde Sancho toestemmend.
"En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?" vroeg zij verder.
"Wel, hier met mijn hand," antwoordde hij.
"Ei," sprak de hertogin, "dan zijn de slagen zeker wat heel zacht uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden."
"Nu, als 't knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe, zooals 't hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als 't niet te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven--schoon 'k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als 't vel van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn plan niet."
"Goed, goed!" zei de dame lachend; "ge zult morgen eene roe hebben, die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen."
Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden.
Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen, gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat, als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed zou zijn weggekropen.
Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat zij ruischend op den grond nasleepten. Die mannen sloegen op trommen, die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange, sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten allen in de grootste verbazing.
Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd.
"Doorluchtigste heer en hooge gebieder," begon hij met eene stem, die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne breede borst kwam, "mijn naam is Trifaldin met den witten baard, en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik, om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen, of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen."
"Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard," antwoordde de hertog, "wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres, de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijen van snoode toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig alle bescherming en bijstand mag hopen."
Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten tijd daarna verschenen twaalf in 't zwart gekleede dames in den tuin en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den sleep nadroegen.
In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging, om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan fijne vrouwenstem de volgende woorden:
"Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen schildknaap Sancho Panza bij zich heeft."
"Hier is Sancho Panza," riep deze, nu weer moedig voor den dag springend, "en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert, betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid, ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen."
Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide:
"Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van uw ongeluk vernemen."
De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; doch hij liet dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar leed mee te deelen.
Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken.
Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren, dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog en de hertogin zich verschrikt afwendden.
"Zie, heer ridder," sprak gravin Trifaldi, "zóó heeft die kwaadaardige booswicht Malambruno ons toegetakeld. 't Was ons allen veel liever geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van uwe dapperheid gevonden wordt."
"Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken," antwoordde Don Quichot. "Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen oogenblikkelijk vervuld worden!"
"Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat," sprak de gravin, "is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel, moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken, die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk, die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet, en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht, alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste en beste dier van de wereld. In een ommezien brengt het zijn berijder in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel, dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers afslijt. Voor 't overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang, dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden, waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed."
"Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat," zei Sancho, "heb ik zelf een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen."
Allen lachten over Sancho Panza's dwaze aanmerking, en de gravin ging voort:
"Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden."
"Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?" vroeg Sancho.
"Niet meer dan twee," antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne Trifaldi geheeten: "Één in den zadel en de ander achterop."
"Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft," vroeg Sancho Panza. "Weet gij mij dat ook te zeggen?"
"Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of Orelia, maar 't is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen schepsel ter wereld wordt overtroffen."
"Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed," verklaarde Sancho. "Maar waar is de toom of halster, waardoor 't geregeerd wordt?"
"Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is," antwoordde de gravin Trifaldi. "Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait, gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer, houdt rechts of links, of rechtuit."
"Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en 'k ben verlangend, het eens te zien," zei Sancho. "Als men zich evenwel verbeeldt, dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik, die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen, voor zoo'n reisje bedank ik!"
"Weest gerust, mijne heeren en dames!" zeide Don Quichot, die elk woord van zijn schildknaap verstaan had. "Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig, ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen."
"Geduld, edele ridder, nog korten tijd," zeide de gravin Trifaldi. "Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige erkentelijkheid verschuldigd zijn."
Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde, met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond, en een hunner sprak met machtige stem: "Wie moed voelt, die bestijge den Gevleugelden Krukhout."
"Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen," verklaarde Sancho op stelligen toon.
"Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt," ging de met klimop bekleede man voort, "een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder heeft niets te doen, dan aan de kruk te draaien, die aan den hals van het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make, moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken, dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt."
Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich met tranen in de oogen tot den ridder en sprak:
"Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt."
"Dat zal geschieden, edele vrouwe," antwoordde Don Quichot, "dat zal geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen."
"Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer," zeide Sancho Panza. "Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op mijn eigen grauwtje doen."
"Sancho Panza," sprak hierop de hertog op bestraffende toon, "zoo gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet, dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat ik zeg ernstig gemeend is."
"Goed, goed, doorluchtige heer," zeide Sancho, op wien het beloofde stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. "Ik ben een arme schildknaap en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen, laat mij een doek voor de oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag."