Don Quichot van La Mancha

Chapter 14

Chapter 143,933 wordsPublic domain

Intusschen kwam Don Quichot met opgeslagen vizier nader, en zoodra hij eene beweging maakte, om van Rocinante te stijgen, kwam Sancho toe, om hem den stijgbeugel te houden. Ongelukkig echter raakte Sancho met den eenen voet in den strik van zijn pakzadel vast, tuimelde voorover en lag languit op den grond, zonder den gevangen voet uit den strik los te kunnen krijgen. Don Quichot, die alleen oogen voor de schoone dame had, werd van dit ongeluk volstrekt niets gewaar en, daar hij nooit afstapte, zonder zich door zijn schildknaap den beugel te laten houden, meende hij, dat Sancho nu ook reeds bij de hand was, om zich van zijn plicht te kwijten. Zonder toe te zien, beurde hij zich zijwaarts van het paard en tuimelde nu plotseling rammelend en kletterend naast Sancho op den grond neer.

De ridder schaamde zich geducht, dat hij juist op zulk een oogenblik en voor zulke toeschouwers te vallen was gekomen, en mompelde de vreeselijkste verwenschingen tegen den onschuldigen schildknaap, die nog altijd aan zijn in den strik gevangen been lag te trekken. De hertog gaf nu echter aan zijne jagers een wenk, den ridder en zijn dienaar te hulp te komen, en Don Quichot kwam dus weer overeind. Hij had een zwaren val gedaan; maar toch kwam hij hinkend aan, om, zoo goed het maar gaan wou, den hertog en zijne gemalin te begroeten en zijne knie voor beiden te buigen. Dit liet de hertog echter niet toe, maar hij sprong zelf van het paard, omarmde Don Quichot en zeide tot hem:

"Het doet mij hartelijk leed, heer Ridder van de Droevige Figuur, dat uw eerste aankomst op mijn gebied van zulk een kleinen tegenspoed moest vergezeld gaan. Evenwel moet men zich troosten, daar de onhandigheid dier knapen zelfs nog wel eens grooter ongelukken veroorzaakt."

"Doorluchtige vorst," antwoordde Don Quichot op deze vriendelijke toespraak, "ik kan dit ongeluk niet meer als een ongeluk beschouwen, nu gij mij op zoo minzame wijze hebt weten te troosten. Schoon 't is waar, die verwenschte schildknaap weet beter zijn tong los te laten en domme dingen uit te brengen, dan behoorlijk, zooals het betaamt, den stijgbeugel te houden. Maar in welken staat ik ook verkeeren mag, te paard of te voet, vallend of staand, zittend of liggend, overal en te allen tijde zal ik u ten dienst staan en uwer verhevene gemalin als toonbeeld van schoonheid en lieftalligheid mijne hulde in alle nederigheid toebrengen."

"Stil, stil, heer ridder van La Mancha!" riep de hertog. "Wie de edele jonkvrouwe van Toboso tot gebiederes heeft, mag andere schoonheden en lieftalligheden niet zoo roemen."

Gedurende dit gesprek had Sancho Panza zich eindelijk losgewrongen en trad haastig toe.

"Dat is waar," zeide hij, "en ik kan bekrachtigen, dat mijne genadige jonkvrouw Dulcinea van Toboso eene ware schoonheid is; doch met dat al moet ik erkennen, dat mevrouw de hertogin voor haar in schoonheid en lieftalligheid volstrekt niet onderdoet."

"Doorluchtige vrouw," keerde Don Quichot zich tot de hertogin, "uwe hoogheid mag vrij gelooven, dat nu en nooit, zoolang de wereld staat, een dolend ridder een babbelzieker, praatachtiger en onbeschaamder rekel tot schildknaap gehad heeft, dan ik hier, zooals blijken zal, als uwe hoogheid zich ons gezelschap eenigen tijd laat welgevallen."

"De goede Sancho moet werkelijk een oolijke guit zijn," antwoordde de hertogin, "en dat verblijdt mij, omdat ik er uit opmaak, dat hij geest en verstand heeft en niet tot de vervelende domkoppen behoort."

"In allen gevalle zal hij een onthaal vinden, dat hem geen reden tot klagen geeft," voegde de hertog er bij.

Inmiddels had Sancho zijn ezel weer bestegen, terwijl Don Quichot op Rocinante zich aan de zijde der hertogin hield en zich met haar in een leerzaam en onderhoudend gesprek verdiepte.

HOOFDSTUK XIX.

WAT RIDDER EN SCHILDKNAAP OP HET SLOT AL BELEVEN.

Terwijl de hertogin zich met Don Quichot onderhield en soms over Sancho Panza's kluchtige invallen lachte, reed de hertog in vollen ren vooruit, om aan al zijne dienaren voor te schrijven, op wat wijze de dolende ridder moest ontvangen worden. Toen deze dus met de hertogin voor de slotpoort aankwam, werd hij daar door twee rijk gekleede stalknechts opgewacht, die hem van het paard hielpen en hem in 't oor fluisterden, dat hij niet verzuimen mocht, de hertogin bij het afstijgen behulpzaam te zijn.

Don Quichot trad op de hooge dame toe, die nochtans weigerde, andere hulp dan van haren gemaal aan te nemen. De hertog maakte aan dezen twist een einde door zelf te komen en zijne gemalin de hand te reiken.

Zoodra nu het gezelschap het binnenhof betrad, kwamen twee jonge hofdames te voorschijn, die den ridder een grooten scharlakenrooden mantel over de schouders wierpen. Op hetzelfde oogenblik vertoonden zich alle toegangen en portalen van het slot met dienaren opgevuld, die de bloem en den roem der dolende ridderschap met een daverend Vivat! welkom heetten. Te gelijk goten zij een geurigen regen van welriekende wateren over Don Quichot, den hertog en de hertogin uit, waarover de eerste zich niet weinig verwonderde.

Nu trok men het slot zelf binnen, waar Don Quichot in eene zaal werd geleid, die met de kostbaarste tapijten van zijde en goudlaken belegd was. Hier werd hij door zes edelknapen van zijne zwaarste wapenstukken bevrijd en van kleederen voorzien, die hem op bevel des hertogs werden aangeboden. Vervolgens omgordde hij zich met een zwaard, wierp zijn scharlaken mantel om, zette eene groene zijden muts op en begaf zich in eene groote zaal, waar eene menigte staatsiedames hem met zilveren bekkens tot handenwassching wachtten. Terwijl hij dit deed, verscheen de hofmeester met twaalf edelknapen, om hem naar de tafel te geleiden, waar de hooge heerschappen hem reeds wachtten. Don Quichot werd in het midden genomen en in eene zaal geleid, waar allerprachtigst, schoon slechts voor vier personen, gedekt was. De hertog, de hertogin en een hooge geestelijke kwamen den gast te gemoet en verwelkomden hem. Onder duizend ceremonies en plichtplegingen werd hij naar de tafel geleid en moest, niettegenstaande zijn weigeren, de eerste plaats daaraan innemen. De geestelijke zette zich tegenover hem, terwijl gastheer en gastvrouw hem in hun midden namen.

Sancho Panza, die bij alles tegenwoordig was, stond versteld en verbaasd over al de eer, die hier zijn meester werd bewezen, en kwam nu tot het vaste besluit, om dien ook verder op zijne avontuurlijke tochten getrouwelijk te volgen.

Gedurende den maaltijd vroeg de hertogin met belangstelling, hoe de jongste berichten van jonkvrouwe Dulcinea van Toboso luidden en of de ridder haar in den laatsten tijd ook weer eenige reuzen of gevangen helden had toegezonden.

"Neen, genadige vrouw," antwoordde Don Quichot; "mijn ongelukkig gesternte belette mij dat. Ik heb wel reuzen, ridders en roovers overwonnen,--maar hoe hadden die de volschoone jonkvrouwe kunnen vinden, nu zij door een afschuwelijken toovenaar in eene gemeene boerin veranderd werd?"

"Ei, ik vind haar toch nog 't bekoorlijkst schepsel, dat maar ergens te vinden is," zeide Sancho Panza, zich voorbarig in het gesprek mengende, "en wat springen aangaat, is zij den besten koordedanser de baas. Zij wipt op haar muilezel, alsof die niet hooger dan een kat was."

"Hebt gij haar ook in haar onbetooverden staat gezien?" vroeg de hertog.

"Natuurlijk," antwoordde Sancho Panza. "Ik ben immers de man geweest, die hare betoovering het allereerst in den neus kreeg."

Toen de geestelijke zooveel over roovers, reuzen en betooveringen hoorde spreken, kwam hij vanzelf op de gedachte, dat het Don Quichot van La Mancha moest zijn, met wien hij hier aan ééne tafel zat. Op zijne navraag vernemende, dat zijn vermoeden gegrond was, gaf hij zich veel moeite, om Don Quichot van zijne onzinnige inbeelding terug te brengen. Tegen verwachting werd hij door den ridder zoo duchtig afgezouten, dat hij doodstil zweeg en gedurende den ganschen maaltijd geen mond meer tot spreken opendeed.

Toen nu de tijd kwam, dat men van tafel opstaan zou, traden vier jonkvrouwen in het vertrek. De eene droeg een zilveren waschbekken, de andere een zilveren lampetkan, de derde twee handdoeken van het fijnste en witste linnen, en de vierde een groot stuk welriekende Italiaansche zeep. De jonge dame met het bekken trad vooruit en hield dat Don Quichot, alsof dat vanzelf sprak, onder den baard. De ridder vond dit wel wat vreemd, doch deed zulks niet blijken, maar stak zonder omstandigheden zijn baard in het water, in de meening, dat het daar ter plaatse zeker gebruik moest zijn, zich na den maaltijd in plaats van de handen het baardhaar te wasschen.

Thans kwam de dame met de zilveren kan, goot het water daaruit over 's ridders baard uit en trad toen achteruit, om voor hare gezellin plaats te maken, wier blanke hand hem het gansche gezicht met zeep inwreef.

Don Quichot liet zich alles welgevallen en sloot zijne oogen, om daar niet van het bijtend zeepsop in te krijgen. De hertog en de hertogin hielden zich doodbedaard en wachtten den afloop dier kluchtige waschpartij rustig af.

Toen nu de dame met de zeep Don Quichots rimpelige tronie met een vinger dikke laag schuim overdekt had, hield zij zich, alsof er geen water meer was, en verzocht hare vriendin met de kan, schielijk nog wat te halen, om den edelen ridder niet te lang daar zoo ingezeept te laten zitten.

De dame ging en Don Quichot bleef in de potsierlijkste positie, die men zich voorstellen kan, stijf en onbeweeglijk als een paal op zijn stoel zitten. Al de aanwezigen staarden hem aan, en nu zij hem daar zoo zagen met zijn langen, bruinen, mageren hals, met gesloten oogen en wit bepleisterd gezicht, moesten zij zich geweld aandoen, om niet in luid lachen uit te barsten.

Nadat de klucht lang genoeg geduurd had, kwam de jonge dame met de schenkkan terug, goot een stroom water over 's ridders mager gezicht uit en waschte dat, tot het laatste spatje zeep was verdwenen. Daarop kwam de dame met de handdoeken aan de beurt, maakte eene eerbiedige buiging voor den natten held en droogde hem heel handig en sierlijk af. Toen dit verricht was, wilden alle vier de zaal verlaten; doch de hertog riep haar nog bij de deur terug.

Hij had zich met dat kluchtig tooneel, waarvan hij volstrekt niets geweten had, evengoed als al de anderen verlustigd, maar wilde niet, dat de ridder merken zou, dat men hem voor den gek had gehouden.

"Komt," zeide hij tot de dames, "komt en wascht nu mij ook, maar zorgt, dat er niet weer gebrek aan water is."

De ondeugende meisjes begrepen dadelijk, wat de hertog wou, en maakten dus geen zwarigheid, om aan zijn verlangen te voldoen. Zij naderden zeepten hem met de grootste handigheid in, wieschen hem, droogden hem af en behandelden hem in alles, gelijk zij den ridder gedaan hadden, behalve dat zij daar nu niet de helft van den tijd toe besteedden.

Sancho Panza had deze vreemde ceremonie met groote oogen aangezien.

"Waarachtig," mompelde hij, "'k wou, dat het hier te lande gebruik was, ook schildknapen den baard te wasschen, en nog liever had ik, dat men zijn baard meteen kon afgeschoren krijgen, want de mijne wordt al schrikbarend lang."

"Wat mompelt gij daar, Sancho?" vroeg de hertogin, die merkte, dat hij iets op het hart had.

Sancho zeide het haar.

"Dan kunt gij geholpen worden," antwoordde de spotachtige dame. "Mijne hofjuffers zullen u afzeepen en u des noods tot over de ooren in het zeepsop steken. Hofmeester, draag gij zorg, dat de schildknaap van onzen edelen gast naar zijn wensch bediend wordt."

De huishofmeester boog zich en verliet met Sancho Panza het vertrek, terwijl Don Quichot nog met den hertog en de hertogin aan tafel bleef zitten en hen druk over het lief en leed der dolende ridderschap en over de schoonheid zijner doorluchtige dame Dulcinea van Toboso onderhield.

Nog waren zij levendig in gesprek, toen zij op eens luide stemmen en een groot geschreeuw in het paleis hoorden. Zij luisterden, en de hertog wilde reeds buiten gaan, om naar de oorzaak van dat rumoer te vernemen, toen op eens Sancho Panza in een wonderlijken toestand en zeer verschrikt kwam binnenstuiven. Hij had een ouden schuurlap als een servet voor en een talrijke troep keukenjongens en ander volk volgde hem op de hielen. Een van dezen droeg eene tobbe met vuil spoelwater en een ander had een groot stuk grove zeep. in de hand. Deze beiden wilden den ontstelden schildknaap te lijf en deden al hun best, om hem te wasschen en zijn baard in te zeepen.

"Wat moet dat beduiden, menschen?" vroeg de hertogin. "Wat hebt gij met dezen braven man voor? Weet gij niet, dat mijn gemaal voornemens is, hem tot de waardigheid van stadhouder te verheffen?"

"Mevrouw," antwoordde de keukenjongen, "wij wilden den heer eenvoudig wasschen, gelijk hier te lande gebruik is en zooals hij zelf verlangd heeft."

"Ja zeker heb ik!" riep Sancho Panza hevig vergramd; "maar ik wil, dat dit met schoone doeken en niet met oude schuurlappen gebeurt. Wie mij met zulke instrumenten aankomt, heeft te wachten, dat ik hem den schedel insla."

De hertogin vond Sancho Panza's gramstorigheid en heel zijn uitzien zoo kluchtig, dat zij 't wel van lachen uitschateren moest. De hertog daarentegen zette een zeer ernstig gezicht en hield zich, alsof hij die plagerij ten strengste afkeurde.

"Gij zijt schandelijk lomp en vlegelachtig geweest," wendde hij zich tot den dartelen troep, "en ik vertrouw, dat zulke dingen niet weer zullen gebeuren. Neemt den heer Sancho die vodden af en maakt, dat gij wegkomt. Ik waarschuw u, dat gij den schildknaap van dezen dapperen dolenden ridder niet weder reden tot klachten en ontevredenheid geeft."

De knapen meenden, dat hun meester ernstig boos was, ofschoon hij zich alleen zoo hield, om ridder en knecht in den waan te houden, dat hij hen werkelijk voor dolende helden aanzag. Zij namen den schildknaap de schuurlappen af en dropen stilletjes af, terwijl Sancho den hertog te voet viel en hem met een vloed van woorden voor zijne welwillende bescherming dankzeide.

Thans stond men van tafel op en Don Quichot verwijderde zich, om in zijn koel vertrek een korte middagrust te nemen. De hertog nam intusschen maatregelen, dat Don Quichot voortdurend als een echt dolend ridder behandeld werd, en stelde zich daar niet weinig pret en vroolijkheid van voor.

Weinig dagen later wenschte de hertog eene groote jachtpartij te houden, en nadat zijne dienaren van al, wat zij te doen zouden hebben, nauwkeurig onderricht waren, werden Don Quichot en zijn schildknaap van een geheel nieuwe jachtkleedij voorzien. Sancho trok die aan en was er zeer in zijn schik mee; maar Don Quichot weigerde zulks, zeggende, dat hij zichzelf in geen opzicht vertroetelen mocht en dus liever zijne zware wapenrusting wilde aanhouden. Hij reed op Rocinante en Sancho Panza in zijn nieuw pak op zijn ezel, niettegenstaande hem een paard uit des hertogs stallen was aangeboden. Dat hij van zijn geliefd grauwtje scheiden zou, was immers wat al te veel van hem gevergd.

De jachthorens schalden en op hun roepstem verscheen de hertogin, als eene koningin uitgedost. Don Quichot reed aan hare zijde en hield uit pure ridderlijkheid den teugel van haar telganger vast, ofschoon de hertog dit niet toelaten wou, wat hem eene bijna al te groote beleefdheid en hoffelijkheid toescheen.

Na een korten rit kwamen zij aan eene tusschen bergen ingesloten woudstreek, die rondom door jagers was afgezet en waar de jacht zou gehouden worden. Deze begon met groot alarm, met geschreeuw en geklapper. De honden blaften en huilden, de horens klonken en 't was een leven en een rumoer, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan. De hertogin steeg van haar paard en vatte, met eene korte jachtspies gewapend, post op eene plaats, waar gewoonlijk wilde zwijnen plachten uit te breken. De hertog en zijn gast volgden haar voorbeeld en dekten haar aan weerszijden. Sancho Panza bleef op eenigen afstand achter hen op zijn grauwtje zitten, dat hij uit vrees voor mogelijk gevaar niet durfde verlaten.

Nauwelijks hadden allen op die wijze hunne posten ingenomen, of zij zagen een zwijn aankomen, dat, door de honden opgejaagd, grimmig zijne slagtanden wette en de schuimvlokken uit zijn wijden muil liet vliegen. Zoodra Don Quichot het ontdekte, greep hij zijn schild vaster, tastte naar zijn zwaard en trad een weinig vooruit, om het getergde dier te ontvangen. Datzelfde deed de hertog, daar hij zijn jachtspies vaster omklemde, en de hertogin volgde hem moedig op den voet. Sancho alleen werd door schrik overmeesterd bij 't zien van het geweldig everzwijn.

Vol angst liet hij zijn grauwtje in den steek, ging op den loop en deed zijn uiterste best, om een steeneik te beklimmen en zich tusschen de takken te bergen. Dat gelukte hem echter niet. Toen hij ongeveer de helft van de hoogte bereikt had en naar een tak greep, om nog hooger te komen, brak die tak tot zijn schrik rits af, en onze arme Sancho tuimelde met een luiden schreeuw naar beneden. Onder het vallen raakte hij met zijne kleeren aan een anderen tak vast en bleef, zonder dat hij den grond kon bereiken in de lucht hangen. Zijn jachtkleed scheurde en hij verkeerde in doodelijken angst, dat de ever hem pakken zou. Dus zette hij een geduchte keel op en brulde zoo ontzettend, dat ieder die hem hoorde en niet zag, in de verbeelding moest komen, dat een of ander wild beest hem reeds in zijne klauwen had.

Onderwijl werd het wilde zwijn geveld, en Don Quichot keek naar zijn schildknaap om, ten einde hem zoo noodig te hulp te snellen. Hij kwam op zijn gehuil af en zag hem, met het hoofd naar beneden, de beenen in de lucht, aan den stam van den eik spartelen, terwijl onder hem, aan den voet des booms, de ezel stond, die zijn meester, naar 't scheen, in de ure van nood niet verlaten wilde.

Terstond snelde Don Quichot toe en hielp den luchtspringer weer op de been. Bij het zien van zijn gescheurd kleed wrong de schildknaap de handen, huilde bittere tranen en wilde van de troostwoorden, welke zijn heer hem toesprak, volstrekt niets hooren.

Intusschen werd het gedoode everzwijn op een pakezel geladen en in een groote jachttent gebracht, die midden in het bosch opgeslagen en waar men met de toebereiding van een kostelijken maaltijd bezig was. Men ging aan tafel en hield tot het vallen van den avond vroolijk feest.

Toen de sterren aan den hemel stonden, verlieten allen de tent en trokken het bosch in, om naar de netten te zien, waarin het wild gevangen werd gehouden. De nacht was donker en alleen de sterren gaven een zwak en onzeker licht.

Op eens scheen het gansche bosch aan alle kanten in lichtelaaie vlam te staan en te gelijk schetterden rondom tallooze horens en trompetten, alsof een geheel leger ruiterij door het woud trok.

De glans van het vuur, verblindde de oogen en het schallend geluid der blaasinstrumenten verdoofde de ooren der omstanders, en allen schrikten, toen zich onder al dat rumoer nu ook een gillend krijgsgeschrei mengde alsof twee vijandelijke legers tegen elkaar oprukten. De trompetten schetterden, de klarinetten krijschten, de trommen roffelden, de pauken donderden, de fluiten gilden, en dat alles gelijktijdig en met zoo doordringend geweld en zoo aanhoudend, dat men wel op staanden voet met doofheid had willen geslagen zijn.

De hertog scheen ten hoogste verbaasd, de hertogin schrikte, Don Quichot verwonderde zich en Sancho had wel van angst in den grond willen zinken.

Op eens echter verstomde dat schrikbarend leven, eene diepe stilte volgde, en te gelijk naderde een ruiter in de dracht van den baardigen Satan, die, in plaats van op een trompet, op een grooten, vreemd gevormden Tritonshoren blies en daar akelig gillende, snerpende tonen uit te voorschijn bracht.

"Wie zijt gij, vriend?" vroeg de hertog den ruiter. "Waar wilt gij naar toe, en welke legerbenden zijn het, die daar door het bosch trekken?"

"Ik ben de Duivel en zoek den dolenden ridder Don Quichot van La Mancha," antwoordde de ruiter met een stem, die allen omstanders door merg en been ging. "Het leger, dat daar in aantocht is, bestaat uit zes scharen beroemde toovenaars, die op een triomfkar de onvergelijkelijk schoone Dulcinea van Toboso medevoeren. Zij nadert betooverd onder geleide van den grijsaard uit de grot van Montesinos, die den edelen Don Quichot de wijze zal mededeelen, waarop hij de hooge prinses Dulcinea onttooveren kan."

"En al zijt gij tienmaal de Duivel, gelijk uw uitzien verraadt, zoo vrees ik u toch niet," riep onze dolende ridder. "Zie op en zie in den man, die hier staat, den onverschrokken Don Quichot van La Mancha voor u."

"Welaan, als gij zelf de persoon zijt, dien gij noemt," antwoordde de Duivel, "wacht dan hier de aankomst af van den grijzen Montesinos en van de dame, welke men Dulcinea van Toboso noemt."

Met deze woorden blies hij op zijn reusachtigen horen, wierp zijn paard om en stoof, zonder des ridders antwoord af te wachten, in vliegenden galop voort.

Allen verwonderden zich over deze boodschap, maar vooral Don Quichot, wien zij dan ook het meest aanging.

"Denkt gij de toovenaars, Montesinos en Dulcinea hier werkelijk af te wachten?" vroeg de hertog den held, die in diepe gedachten stond.

"Stellig!" verklaarde Don Quichot met vaste stem. "Onversaagd en onverschrokken wil ik hier wachten, al mocht ook de gansche hel met al hare duivels tegen mij in aantocht zijn."

"En ik wil bij u blijven, heer", zeide Sancho Panza, terwijl hij, als bescherming zoekend, zich dicht aan hem drong.

Onderwijl was het weer donker geworden en begonnen tallooze lichtjes zich door het bosch te bewegen. Zij flikkerden hier en schemerden daar: men had ze voor groote huppelende dwaallichtjes kunnen houden. Toen echter volgde een gerucht en geraas, dat hooren en zien deed vergaan, en te gelijk scheen dieper in het bosch een hevig gevecht te beginnen. Van alle kanten dreunde het dof gedonder van zwaar geschut en het onophoudelijk knetteren van duizend en nog eens duizend musketten en geweren. Van dichtbij en uit de verte klonk het geschreeuw der strijdenden, de luide toeroep der aanvoerders, het gekerm en gekreun der gewonden en stervenden.

De trompetten, de horens, de fluiten, de trommen mengden zich daartusschen en veroorzaakten in verband met het kraken en knetteren van grof geschut en klein geweer een zoo schrikbarend en alle zinnen verbijsterend spektakel, dat Don Quichot al zijn vaak beproefden moed bijeenrapen moest, om niet het veld te ruimen. De arme Sancho was tegen al die verschrikkingen niet opgewassen. Half zinneloos van angst en schrik viel hij op den grond en begroef zijn gezicht in de wijde plooien van het kleed der hertogin, die terstond beval, dat men hem opnemen en een koud-waterbad zou toedienen. Dit gebeurde, en toen de schildknaap weer tot bezinning kwam, was reeds eene kar genaderd, welker knarsende wielen een scherp piepend, krijschend en gierend geluid voortbrachten, dat alle gehoorvliezen verscheuren moest. Vier goed gemeste, plompe stieren, met zwarte kleeden behangen, trokken haar. Aan hunne horens waren dikke, brandende harsfakkels vastgebonden, en op de kar zelve was een hooge zetel aangebracht, waarop een grijsaard van eerbiedwekkend voorkomen troonde, van wiens kin een lange, sneeuwwitte baard in dichte lokken tot over den gordel neergolfde. Een wijde mantel van zwarte stof omkleedde zijne forsche ledematen, en twee kleine duiveltjes, zoo verfoeilijk leelijk, dat Sancho Panza er voor wegkroop, begeleidden hem en waren nagenoeg evenzoo gekleed als hij zelf. Toen die kar tegenover Don Quichot stilhield, rees de daarin zittende grijsaard van zijne kussens overeind en riep met luider stemme: "Ik ben de wijze Lirgandeo!"

Hierop reed die eerste kar door en een ander grijsaard volgde, die bekend maakte, dat hij de wijze Alquife was.