Chapter 13
"De hemel behoede u, gij pronk en sieraad van de dolende ridderschap!" riep Sancho Panza hem na. "Daal neer, gij hoofd van ijzer, hart van staal en arm van metaal! Moogt gij behouden het daglicht weer aanschouwen, waarvan gij daar in den afgrond niet heel veel te zien zult krijgen."
Onderwijl schreeuwde Don Quichot voortdurend, dat zij nog maar meer touw zouden vieren, tot in 't eind het geluid zijner stem niet langer tot hen opstijgen kon. Ten laatste liep de lijn echter toch ten einde, en nu wachtten zij een half uur, voordat zij haar weder optrokken. Toen zij hiermee begonnen, scheen zij hun echter zoo licht en onbezwaard toe, dat zij vreezen moesten, dat Don Quichot zich had losgemaakt en in de diepte was achtergebleven, wat Sancho tranen met tuiten deed schreien en zich al zijn best reppen, om toch maar spoedig zeker te zijn van de zaak. Op eens echter, toen reeds tachtig vaam van de lijn was ingehaald, voelden zij een zwaren last en bemerkten al spoedig, dat Don Quichot tegen vermoeden toch nog aan het touw hing. Zij trokken en trokken met al hunne kracht, en vol blijdschap riep Sancho naar beneden:
"Welkom, welkom, gestrenge heer! Wij waren al bang, dat wij uw edel aangezicht nooit meer aanschouwen zouden."
Don Quichot antwoordde niet op dezen vriendelijken toeroep, en toen zij hem eindelijk goed en wel boven hadden, zagen zij, dat zijne oogen gesloten waren en dat hij in vasten slaap lag. Zij legden hem op den grond, bevrijdden hem van zijne banden en hoopten, dat hij nu vanzelf wel weer wakker zou worden. Dit gebeurde echter niet, en zij moesten hem lang knijpen en schudden, rollen en omkeeren, voordat hij ten laatste weer tot bezinning kwam, de oogen opsloeg, zich rekte en strekte en in alles deed als iemand, die uit eene zwaren droom ontwaakt. Verschrikt keek hij rond en eene rilling liep hem over de leden, toen hij zich weder op de bovenwereld verplaatst en den blauwen hemel boven zijn hoofd zag.
"O, mijne vrienden," sprak hij op klagenden toon, "waarom hebt gij mij aan den zoetsten toestand ontrukt, waarin ik ooit in mijn leven heb mogen verkeeren? Een hemelsch aanminnig gezicht heb ik aanschouwd, en nu eerst zie ik in, dat alle genietingen van dit ondermaansche slechts nesterijen en kinderspel zijn, dat zij verdwijnen als een schaduw, en verwelken gelijk de bloemen des velds."
"Maar, sakkerloot, heer, wat hebt gij dan daar wel in die hel te zien gekregen?" vroeg Sancho.
"Eene hel noemt gij dat?" riep Don Quichot. "O, noem het niet zoo; 't is de schoonste plaats, die op aarde te vinden is. Luister toe, wat ik zal vertellen."
"Ja, naderhand met alle genoegen," antwoordde Sancho Panza; "maar nu blaf ik van honger en moet eerst mijne arme maag wat tevredenstellen."
Don Quichot zeide hier niets tegen en begon, nadat hij zichzelf ook door een hartig maal gesterkt had, het verhaal van zijne avonturen in de onderaardsche grot.
"Ongeveer twaalf vaam diep in de kloof opent zich rechts een gewelf, als eene hal, waar wel eene groote koets met zes paarden zou kunnen keeren. Door eenige spleten, die tot de oppervlakte der aarde reiken, dringt daar een flauw en schemerachtig licht in door.
"Dit gewelf ontdekte ik, toen ik het hangen en bongelen aan de lijn al moe was, waarom ik besloot er binnen te treden en er eene korte poos te rusten. Ik riep u toe, dat gij met het vieren van het touw moest ophouden; maar daar gij mij niet scheent te verstaan, rolde ik het touw, al naarmate dat mij nakwam, tot een tros op en ging toen daarop zitten, om mij in gepeins te verdiepen. Ik overlegde, hoe ik het aanvangen moest, om de diepte van den afgrond te bereiken, daar ik nu niemand meer had, die mij neerlaten kon, en onder dat denken overviel mij op eens de diepste slaap. Het duurde evenwel niet lang, of ik ontwaakte weer en bevond mij op eene groote weide, schooner en liefelijker, dan ik ooit nog met mijne oogen had aanschouwd. Ik dacht te droomen en betastte hoofd, borst en handen, om mij van mijn wakenden toestand ten volle te overtuigen. Uit alle teekens maakte ik op, dat werkelijk de slaap van mij geweken was, en dat geen droom, geen phantasie, geen drogbeeld van het verhitte bloed mij misleidde.
"Nadat ik mij ten volle van mijn waken overtuigd had, keek ik rond en viel mij een prachtig koninklijk paleis in het oog, welks dak en wanden uit glinsterende kristallen schenen te bestaan. De vleugeldeuren vlogen open, en nu trad een eerwaardig, met een lang slepend gewaad bekleed grijsaard te voorschijn. Hij kwam op mij toe, groette mij heel vriendelijk, sprak mij aan en vroeg, of hij mij de wonderen van het betooverde paleis mocht vertoonen. Ik boog mij dankbaar ten teeken van toestemming en volgde hem in het slot. Door wijde portalen gingen wij, door lange gangen en onmetelijk groote zalen. Overal, waar wij kwamen, stonden prachtige monumenten uit goud en diamanten, en op ieder prijkte een kristallen standbeeld van meer dan levensgrootte. Het waren de grafsteden der overleden dolende ridders, die zich door deugd en dapperheid beroemd gemaakt hebben, en de standbeelden stelden hen voor, gelijk zij er bij hun leven hadden uitgezien. Daar zag ik Amadis van Gallië, en Roland, en Durandarte, den spiegel der ridderschap, en nog vele, vele anderen, welker namen ik niet weet op te noemen. Toen ik mij met het aanzien dezer helden lang genoeg verkwikt had, bracht de grijsaard mij in een heerlijken lusthof, waaruit mij de geur der kostelijkste bloemen en gewassen tegensloeg en die met allerlei kunstwerken, beelden, grotten en fonteinen koninklijk versierd was. En hier zag ik iets, dat mijn geheele ziel in zoete verrukking bracht, namelijk ik zag mijne doorluchtige gebiedster, de aanminnige jonkvrouwe Dulcinea van Toboso. In een eenvoudig gewaad, als herderin gekleed en begeleid door twee gesluierde hofdames, verlustigde zij zich in de lanen van den betooverenden lusthof, lachte en schertste en deed nu en dan sprongen, die mij door hunne hoogte verbaasd deden staan.
"De grijsaard sprak mij aan en zeide: "Zie, in zulke nederige en armoedige gedaante wandelt uwe schoone thans op aarde rond. Maar wees getroost! Een booze toovenaar heeft haar slechts voor korten tijd veranderd, en eens zult gij haar in de volle glorie harer verheven schoonheid aanschouwen. Opdat gij zien moogt, wat glans haar dan omstralen zal, wil ik u hare beeltenis toonen, gelijk die hare natuurlijke gedaante volkomen waar en getrouw teruggeeft."
"Hij wenkte met den vinger, en oogenblikkelijk verdween het omhulsel der herderin, en Dulcinea zelve stond van aanminnigheid stralende voor mij. Hare schoonheid overweldigde mij dusdanig, dat ik een luiden kreet van verrukking uitstiet en daarop onmachtig neerstortte.
"Wat verder met mij gebeurde, weet ik niet. Ik kwam eerst weer tot bezinning, toen gij mij met geweld aan mijne zoete droomen ontruktet."
"Neen, dat is te wonderbaarlijk, om waar te kunnen wezen!" riep Sancho Panza uit. "Gij moet noodzakelijk gedroomd hebben, of een of ander booze toovenaar heeft u dolle kluchten vertoond om uwe ziel te verstrikken en u naar den afgrond des verderfs te lokken."
"Spreek niet zoo, Sancho," zeide Don Quichot. "Alles, wat ik gezien heb, heb ik met gezonde, wakende zinnen gezien. De tijd zal nog eens openbaar maken, dat ik geen tittel of jota bezijden de waarheid sprak."
Onderwijl bestegen zij hunne dieren weder, keerden de wondergrot den rug toe en gingen hun nachtverblijf zoeken in eene herberg, waar dienzelfden avond eene poppencomedie zou worden vertoond. De directeur van het spel, een reizend genie, bood Don Quichot en zijn twee geleiders plaatsen aan, kreeg zijn geld daarvoor, en liet hierop het gordijn naar boven gaan.
Don Quichot staarde met verwondering op de poppen, die, door onzichtbare draden bestuurd, zich op de natuurlijkste wijze bewogen.
Met gespannen aandacht volgde hij den loop der voorstelling, die hoofdzakelijk in een gevecht tusschen Christenen en Mooren bestond. De Christenen werden verslagen en de Mooren vervolgden hunne vluchtende vijanden tot onder de torens van eene versterkte stad.
Toen Don Quichot zag, dat de Heidenen hier nog eens een aanval op de arme Christenen deden, steeg het bloed hem naar her hoofd en oordeelde hij het niet meer dan billijk, dat hij de zwakkere partij te hulp kwam.
"Houdt op! Houdt op!" riep hij, driftig opspringend, het Heidensche poppenvolk toe. "Vervolgt mijne geloofsbroeders niet langer, of gij krijgt het met mij te doen."
Onder deze haastig uitgestooten woorden trok hij zijn zwaard, was met een wip op het kleine tooneel en begon met ongehoorde woede op de onschuldige poppen in te houwen. Sommige trapte hij als een pannekoek plat, andere sloeg hij den kop af, nog andere verminkte hij op deerlijke manier, kortom, hij zou een gruwelijk bloedbad hebben aangericht, indien de poppen, in plaats van leder en werk, van vleesch en bloed waren geweest.
Bij het zien van deze verwoesting schoot de ontstelde tooneeldirecteur toe, viel den verbolgen ridder te voet en smeekte hem met tranen in de oogen, zijne arme levenlooze schepsels toch te sparen. Don Quichot evenwel luisterde daar niet naar, en zou den armen poppenman zelven het hoofd hebben afgeslagen, indien deze zich niet met alle snelheid uit de voeten had gemaakt.
De slagen des ridders vielen als hagelsteenen bij eene donderbui.
In minder dan een kwartier tijds had hij het gansche tooneel tot splinters geslagen, al de toeschouwers, die hem voor razend en dol hielden, op de vlucht gejaagd, en zelfs Sancho Panza tot de stomme bekentenis genoodzaakt, dat zijn meester wel al veel gekke dingen had vertoond, maar nooit nog zoo'n gek stuk, als nu dit hier.
Eerst toen het Heidensche leger de volle neerlaag had geleden, kwam Don Quichot eenigszins tot bedaren, leunde hijgend op zijn zwaard en zei: "Nu mocht ik nog wel eens iemand hooren zeggen, dat een dolend ridder een onnut ding in de wereld is! Was ik hier niet gekomen, dan was een gansch Christenleger vernietigd geweest, terwijl nu de snoode Heidenen tot den laatsten man toe verslagen liggen. En daarom zeg ik: eere, lof, roem en glorie der dolende ridderschap!"
"Ja, ja, dat is goed en wel," riep de poppenman, die zich nu ook weer kwam vertoonen: "maar in allen gevalle moet gij mij de schade betalen, die gij mij moedwillig hebt toegevoegd."
"Wat dan betalen?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Wat heb ik u dan bedorven?"
"Hoe! dat weet gij niet?" vroeg meester Pedro, de eigenaar van het poppenspel. "Ziet gij dan niet het armzalig overschot van mijne poppen, die gij met uw zwaard in gruizels en splinters hebt geslagen?"
"Poppen?" vroeg Don Quichot. "Poppen heb ik vernield? Ja, waarlijk, het zijn poppen, en geen menschen van vleesch en bloed. Daar ziet men weer, hoe ik door die snoode toovenaars vervolgd word! Zij verblindden mijn oog, zoodat ik de poppen voor levende menschen moest aanzien, en dat ik alles, wat gespeeld werd, voor echte werkelijkheid hield. Maar wat te doen? Daar ik nu eens uit dwaling zoo groote schade aangericht heb, is het ook mijn plicht, die ten volle te vergoeden, en ik zal dus mijzelf tot alle kosten veroordeelen. Overleg, meester Pedro, welke som u als schadeloosstelling toekomt, en laat u die door mijn schildknaap Sancho Panza uitbetalen."
Meester Pedro boog dankend voor den grootmoedigen ridder, die nu niet weinig beschaamd zijn slaapkamer opzocht. Sancho Panza echter moest de beurs trekken en voor de dwaasheden van zijn heer eene aanzienlijke som betalen.
HOOFDSTUK XVIII.
DE BETOOVERDE BOOT EN DE SCHOONE JAGERES.
Den volgende morgen zetten Don Quichot en Sancho Panza, na van hun reisgenoot tot zoover, den vreemden heer, vriendschappelijk afscheid te hebben genomen, hun tocht verder voort. Zij kwamen aan de rivier de Ebro, welks helder doorzichtig water den dolenden leeuwenridder uitstekend behaagde. Hij reed langzaam langs den oever voort, deed Sancho al de schoonheden van het landschap opmerken en zweeg eerst stil, toen hij op eens eene kleine boot bemerkte, die dicht aan den stroom aan een boomstam vastlag en noch riemen, noch zeil, noch ander scheepstuig bevatte. Hij keek rechts en links uit, en toen hij nergens een mensch ontdekte, steeg hij van Rocinante en beval Sancho insgelijks van zijn grauwtje te komen en beide dieren ergens in de nabijheid aan een boom vast te binden. Sancho Panza vroeg, wat dan gebeuren zou, en kreeg tot antwoord:
"Weet, dat deze boot mij oproept en mij uitnoodigt haar te bestijgen en met haar mee te varen, om een of anderen in nood zijnden ridder of verongelukte jonkvrouw te hulp te komen. Bind dus de dieren vast en kom mee, want, zoo waar ik leef, ik wil de tot mij gekomen roepstem volgen en mij zonder schroom in deze bark inschepen."
"Heer," antwoordde Sancho Panza, "ik laat mij hangen, als dat niet weer een nieuwe gekheid van u is. De boot is volstrekt niet betooverd, maar komt zeker aan den een of anderen visscher in dezen omtrek toe, waar men de beste visschen van de wereld kan vangen. Niettegenstaande dit is het mijn plicht u te volgen, en ik zal dus maar weer gehoorzamen, gestrenge heer."
Zoo sprak Sancho en bond de dieren vast.
"Wat moet ik nu verder doen?" vroeg hij.
"In de boot stappen," antwoordde Don Quichot; "als wij daarin zitten, snijden wij het touw door, dat haar vasthoudt, en geven ons aan ons lot over."
Met deze woorden sprong hij er zelf in en Sancho volgde hem gewillig. Het touw werd doorgesneden en de boot gleed langzaam van den oever weg. Pas echter waren zij tien passen van den oever, of Sancho Panza begon als een popelblad te trillen en erg bang voor zijn eigen dierbaar ik te worden. Zijn angst nam toe, toen hij zijn ezeltje hoorde balken en Rocinantes bewegingen zag, om zich los te rukken en zijn meester te volgen.
"Heer droevige ridder," zei hij, "hoor maar, hoe jammerlijk mijn grauwtje schreeuwt en hoe Rocinante staat te trippelen om ons na te loopen. Die arme, arme schepsels! Ze zullen ons misschien nooit weer te zien krijgen."
Bij deze woorden begon hij zoo hard te huilen en te krijten, dat Don Quichot ernstig boos werd.
"Gij onnoozele hals, waar zijt gij dan toch eigenlijk bang voor?" riep hij verstoord. "Waarom zet ge zoo'n keel op? Wie vervolgt u? Wie heeft kwaad tegen ons in den zin? Houd den mond, kerel, of wees verzekerd, dat ik je een stoot geef en hals over kop in 't water doe tuimelen."
Daar Sancho wist, waartoe zijn heer in zijne drift in staat was, hield hij op met huilen, droogde zijne tranen en vertrok geen gezicht meer.
Intusschen dreef de boot in het midden van den stroom voort en streek, door den lichten golfslag voortgestuwd, met snelle vaart langs de oevers. Op eens ontdekte Don Quichot eenige groote drijvende watermolens, die in het midden van de rivier lagen, en pas had hij die in het oog gekregen, of hij riep driftig uit:
"Ziedaar, vriend! daar is de stad of de burgt, waar de benarde ridder op mij wacht, of eene gevangen jonkvrouw naar verlossing uit de dikke kerkerwanden hijgt."
"Wat drommel, ziet ge daar weer, gestrenge heer?" riep Sancho Panza verdrietig. "Een toovenaar moet u opnieuw de oogen verblinden, want die dingen daar op het water zijn eenvoudig een paar molens, waarin koren wordt gemalen."
"Zwijg, Sancho!" bulderde Don Quichot. "Al lijken het op het oog ook al molens, toch zijn ze dat niet, en ik weet zeer goed, hoe het daarmee gelegen is."
Intusschen werd de boot door den stroom met snelheid op de molens aangedreven. De molenaars, die haar zagen aankomen en vreesden, dat zij tusschen de schepraderen mocht geraken, schoten ijlings in menigte toe en grepen naar lange stokken, om haar tegen te houden. Don Quichot zag hen, en daar zij er in hunne met meel bestoven werkpakken vrij wonderlijk uitzagen, meende hij dadelijk, hen voor tegen hem uitgezonden vijandige geesten en spookgedaanten te moeten houden.
"Stommerikken!" schreeuwden intusschen de molenaarsknechts; "waar wilt gij dan toch naar toe? Wilt ge hier met geweld verzuipen of door de molenraden verpletterd worden?"
"Ziet gij wel, Sancho," sprak Don Quichot vol zelfvoldoening, "ziet gij wel, dat wij nu de plaats bereiken, waar als gewoonlijk de sterkte van mijn arm moet blijken? Zie, wat een menigte schelmen en spitsboeven op ons aankomen! Zie, wat leelijke bekken ze trekken, die monsters, die spookgedrochten! Maar wacht, ik zal hen wel tot hun plicht brengen of anders van het aardrijk verdelgen."
En zich in de boot hoog oprichtend, begon hij het molenaarsvolk met harde woorden te bedreigen.
"O gij vuig, ontaard en nietswaardig volk," schreeuwde hij hun toe, "laat zonder verwijl de gevangenen vrij, die gij in uw ellendig kasteel houdt opgesloten, van wat stand, rang en geslacht ze dan ook zijn mogen. Weet, dat ik Don Quichot van La Mancha ben, de dolende leeuwenridder en de beschermer en 't schild van alle ellendigen en onderdrukten."
Met deze woorden trok hij zijn zwaard en schermde er wild mee in de lucht rond. De molenaars hoorden zijn geschreeuw wel, maar konden er geen woord van verstaan en hielden zich met hunne stokken gereed, om de boot tegen te houden, die reeds in de strooming geraakte, die met vreeselijke snelheid op de molenraden toeschoot.
Bij het zien van het gevaar wierp Sancho Panza zich vol angst op de knieën neer. Don Quichot daarentegen hieuw met zijn zwaard op de stokken der molenaars in en bewerkte daardoor, dat de boot, in plaats van tegengehouden te worden, omsloeg en alle twee, ridder en knecht, hals over kop in het water tuimelden. Nu kon Don Quichot wel zwemmen als een eend; doch al zijne bekwaamheid zou hem in zijn tegenwoordigen toestand en bij de zwaarte zijner wapenrusting niets gebaat hebben, indien de molenaars hem niet waren te hulp gesprongen. Zij haalden hem en Sancho uit het water en sleepten hen zoo nat als gewasschen poedels op het droge.
Onderwijl kwamen ook de visschers, wien de boot toebehoorde, toe en begonnen, toen zij deze door de molenraden verbrijzeld vonden, een leven als een oordeel te maken. Zij verlangden van Don Quichot, dat die haar betalen en hun alle schade vergoeden zou.
De nu anders een bitter droevig figuur makende, druipnatte ridder, die zijne koelbloedigheid geen oogenblik verloren had, zeide met de grootste bedaardheid, dat hij met genoegen de boot betalen zou, mits men onverwijld de personen wilde in vrijheid stellen, welke men in het slot gevangen hield.
"Welke gevangenen en wat kasteel meent gij dan?" vroeg een van de molenaarsknechts. "Moeten wij u dan de menschen uitleveren, die ons hier koren te malen brengen, domme vent?"
Don Quichot stond eene poos als voor 't hoofd geslagen. "Genoeg!" mompelde hij eindelijk in zijn baard. "Genoeg; 't zou dwaasheid zijn, hier verstandige woorden te verspillen. Zooveel merk ik wel al, dat twee booze toovenaars elkaar hier moeten hebben tegengewerkt. De een zond mij de boot toe, de ander gooide haar omver. Daar viel niets tegen te doen, en ik moet mij wel onderwerpen."
En zich naar de molens toekeerend, riep hij met luider stemme: "Arme menschen en ongelukkige vrienden, die daar in een donkeren kerker wegkwijnen moet, schrijft het aan mijn boos gesternte en aan kwaadwillige toovenaars toe, dat ik u niet kan helpen en redden. Een ander ridder moet komen en u bijstaan, daar ik tegen onzichtbare en bovenaardsche wezens niet vermag te kampen."
Hierop keerde hij zich tot de visschers, betaalde hun vijftig realen voor de verongelukte boot en sprak tot Sancho: "Nog één tocht, als deze hier, mijn vriend, en we zullen van al ons reisgeld geen penning meer overhouden."
De molenaars en de visschers hielden Don Quichot en zijn schildknaap voor niet wijs en gingen hoofdschuddend heen; doch onze beiden keerden met een bedrukt hart naar hunne dieren terug, bestegen die en reden weg van de rivier, die hun zooveel onheil had berokkend.
Sancho Panza, inwendig boos om dat onvrijwillig bad en nog veel meer boos, dat hij zooveel geld voor die ellendige boot had moeten betalen, besloot heimelijk, bij de eerste gelegenheid zijn heer te verlaten en tot zijne vrouw Teresa terug te keeren. Het noodlot beschikte dat echter anders en verhinderde hem, zich aan zulk eene snoode trouweloosheid schuldig te maken.
Den volgenden dag, juist toen onze beide helden uit een boschje op een groene dalvlakte kwamen, ontdekte Don Quichot op een afstand eenige lieden, welke hij bij scherper toezien voor valkenjagers hield. Wat naderbij gekomen, onderscheidde hij midden onder hen eene schoone dame op een sneeuwwitten telganger met groen tuig en een met zilver beslagen vrouwenzadel. Die dame droeg een prachtig groen jachtkleed en hield op hare linkerhand een valk, waaruit Don Quichot opmaakte, dat zij eene hoogadellijke vrouwe en de gebiedster van heel dat jachtgevolg moest zijn, 't geen dan ook werkelijk het geval was.
"Hoor, Sancho," sprak hij, na het schitterend gezelschap een poosje te hebben opgenomen, "rijd heen naar de schoone dame op dat witte jachtros, breng haar mijn groet over en zeg haar, dat ik, Don Quichot van La Mancha, de leeuwenridder, haar de handen kus en vergunning vraag, om haar mijne eerbiedige opwachting te maken."
"Die boodschap wil ik wel overbrengen," zeide Sancho, zette zijn grauwtje de hakken in de zijden, draafde heen en was spoedig op de plaats, waar de schoone jageres met haar gevolg stilhield. Hier steeg hij af, boog zijne knie voor haar en sprak aldus:
"Wonderschoone en glansrijke Dona, de ridder, dien gij daar in de verte ziet, is mijn heer, de leeuwenridder Don Quichot van La Mancha, en ik ben zijn schildknaap, Sancho Panza met name. Gezegde leeuwenridder, die vroeger de Ridder van de Droevige Figuur heette, zendt mij tot u, om u vergunning te vragen, dat hij komen en u alle mogelijke onderdanigheid betoonen mag, hetwelk hij als eene bijzondere gunst en gratie zou beschouwen."
De dame zag glimlachend op den knielenden schildknaap neer en antwoordde: "Gij hebt uwe boodschap uitmuntend overgebracht, en zoo uw heer werkelijk de wijdvermaarde dolende ridder Don Quichot is, van wiens ongehoorde daden ik al zooveel heb vernomen, dan zal hij mij en mijn gemaal op ons landgoed welkom zijn. Maar sta op! Het betaamt mij niet, een zoo dapperen schildknaap zoo lang aan mijne voeten te laten neerknielen."
Door de minzaamheid en genade der hooge dame geheel verrukt, stond Sancho op, boog tot den grond en keerde hoogstvoldaan tot zijnen heer terug, die de vriendelijke uitnoodiging met innig genoegen vernam. Hij zette zich eerst behoorlijk in den zadel terecht, trad vast in de stijgbeugels, schoof het vizier van zijn helm op, gaf Rocinante de sporen en zette het toen in galop, om der hertogin de genadige handen te kussen.
Deze had inmiddels haar gemaal laten roepen en dien de door Sancho Panza overgebrachte boodschap medegedeeld. De hertog lachte daar hartelijk over en, daar hij werkelijk reeds veel van den dwazen ridder gehoord had, zag hij dien met brandend verlangen te gemoet en verheugde zich op eene persoonlijke kennismaking, waarvan hij zich allerlei kluchten en grappen beloofde. Hij kwam met zijne gemalin overeen, dat zij zich geheel naar de luimen van den kluchtigen heer schikken, hem gedurende zijn verblijf in alles als dolend ridder behandelen en alle ceremonies in acht nemen zouden, waarvan in de oude ridderboeken te lezen staat.