Chapter 12
Zoodra Sancho hem zag rollen, liet hij zich schielijk weer uit zijn boom neerglijden en kwam toe op zijn heer, die uiterst bedaard van Rocinante was gestegen en zich over den gevelden spiegelridder neerboog. Hij gespte hem den helmband los, om hem lucht te verschaffen en te zien, of hij wis en wezenlijk dood was, en aanschouwde nu tot zijne allerovergrootste verbazing het aangezicht van--van den heer Sanson Carrasco, denzelfden, van wien hij zijn fraaien helm ten geschenke had gekregen.
"Sancho!" riep hij, "Sancho Panza, kom hier en zie met eigen oogen, welke kunstenarijen die snoode toovenaars aanwenden, om mijn zinnen te verbijsteren en mij geheel op 't dwaalspoor te brengen."
Sancho kwam reeds aansjokken en zette het bij dien toeroep op een drafje. Bij 't zien van het bleeke aangezicht van Carrasco sloeg hij van louter verbaasdheid een kruis en spoorde zijn heer aan, om den gevallene maar zonder omslag het zwaard tusschen de tanden in te boren en zoodoende aan die verfoeielijke tooverij op eens een einde te maken.
"Dat zou zoo verkeerd niet wezen," zeide Don Quichot en trok zijn zwaard, om Sancho's raad onverwijld op te volgen. Evenwel werd hem dat nog bijtijds belet, daar de schildknaap van den gevallene, hoewel thans zonder zijn groot neuswerk, op een drafje kwam aanloopen en al van verre bad en smeekte, dat men zijn armen heer toch sparen mocht.
"Kijk wel toe, gestrenge heer!" lamenteerde hij. "Die man daar aan uwe voeten is wis en vast Sanson Carrasco, uw goede vriend, en ik ben zijn alleronderdanigste knecht en dienaar."
"Maar waar heb je dan je neus gelaten?" vroeg Sancho Panza, als ten toppunt van verbazing, toen hij dat schrikbarend uitsteeksel niet meer ontdekte.
"Dien heb ik hier in mijn zak," antwoordde de knaap en haalde een ding van beschilderd bordpapier voor den dag.
"Wat is dat?" schreeuwde Sancho, toen hij den vreemde nu eens goed had aangekeken. "Waarachtig, 't is Tomé Cecial, mijn naaste buurman!"
"Geen mensch anders, mijn oude vriend Sancho Panza," zei de ander; "en als ge een weinigje geduld hebt, wil ik je van haver tot gort vertellen, hoe en waartoe ik hierheen ben gekomen. Verzoek uwen dapperen heer echter eerst, dat hij den armen spiegelridder geen kwaad doet; want het is wezenlijk de heer Sanson Carrasco, zijn oude vriend."
Intusschen was de spiegelridder weer tot bezinning gekomen; en zoodra Don Quichot dat bemerkte, hield hij hem de punt van zijn zwaard voor het gezicht en sprak:
"Gij zijt een kind des doods, zoo gij niet oogenblikkelijk erkent, dat mijne hooge gebiedster Dulcinea van Toboso de uwe, Casildea van Vandalia, in schoonheid ver overtreft."
"Dat erken ik! Dat erken ik!" riep de spiegelridder, die in zijn hulpeloozen toestand natuurlijk niet zeer op zijn gemak was. "Casildea is niet waard, uwe Dulcinea de schoenriemen los te binden. Laat mij in 's Hemels naam maar opstaan, gestrenge heer!"
"Erken eerst nog, dat gij nu en nooit mij, Don Quichot van La Mancha, den Ridder van de Droevige Figuur, in tweegevecht hebt overwonnen, en, hoewel gij in uitzien veel op Sanson Carrasco gelijkt, toch niet die, maar een heel ander zijt."
"Dat erken ik! Dat erken ik!" riep de spiegelridder nogmaals in zijn doodelijken angst. "Ik beken alles, wat gij wilt, als gij mij maar eerst laat opstaan en mijne gekneusde ledematen wrijven, die van den val deerlijk geleden hebben."
Don Quichot stak thans bevredigd zijn zwaard op en hielp den overwonnen ridder op de been. Beschaamd en neerslachtig trok deze met zijn schildknaap zijns weegs; maar Don Quichot en Sancho Panza vervolgden met fiere harten hun tocht, en de Ridder van de Droevige Figuur bleef onverzettelijk bij zijne meening, dat hij een vijand had geveld, dien een vijandig gezind toovenaar naderhand, om den overwinnaar te ergeren en den overwonnene te redden, in den persoon van Sanson Carrasco had veranderd.
Dit was echter, gelijk wij uit goede bron weten, in geenen deele het geval. De overwonnen dolende ridder was wel waarlijk Sanson Carrasco, die uitgetrokken was om Don Quichot van zijne dwaasheid te genezen. In de verwachting, dat het hem niet zwaar zou vallen den dolenden ridder te overwinnen, had hij dien tot een nieuwen tocht aangespoord en besloten Don Quichot, als hij hem meester was geworden, te gelasten stilletjes naar zijn dorp terug te keeren en dat in de eerste twee jaren niet weder te verlaten.
Nu echter was dat anders uitgevallen. In plaats van victorie te kraaien, moest Sanson Carrasco met hangende pootjes aftrekken. Hij peinsde op wraak; maar Don Quichot was blij en welgemoed en had den overwonnene spoedig weer vergeten.
HOOFDSTUK XVII.
HET AVONTUUR MET DE LEEUWEN EN ANDERE WONDERLIJKE GESCHIEDENISSEN.
Den grooten weg volgende, haalde Don Quichot een goed gekleed, oudachtig heer in, met wien hij zich, daar hij in alles, wat niet met die dwaasheid van het dolend ridderschap in verband stond, een hoogst beschaafd en verstandig man was, op recht aangename wijze wist te onderhouden. Hij geraakte zóo met hem in 't gesprek verdiept, dat Sancho Panza, die den helm zijns meesters aan zijn zadelknop droeg, zich ongemerkt van zijne zijde verwijderen en bij eenige herders vervoegen kon, die op een naburig veld hunne schapen weidden. Hij wilde wat melk van hen vragen, waarop hij ontzettend belust was.
Nog was Sancho bij de herders, toen Don Quichot toevallig opkeek en eene kar in het oog kreeg, die, met vele bonte vaantjes en wimpels versierd, regelrecht op hem toekwam. Daar hij terstond een nieuw avontuur vermoedde, riep hij met luider stemme aan Sancho om zijn helm.
De schildknaap vernam het dringend roepen van zijn heer juist op het oogenblik, toen hij van de herders een paar vette, weeke kaasjes had gekocht. Inderhaast wist hij niet, waar hij die bergen zou, en daar hij ze reeds betaald had, wilde hij ze toch liefst niet in den steek laten. In deze verlegenheid viel zijn oog op den helm, die hem op eens op een gelukkigen inval bracht. Hij stopte de kaasjes in zijns meesters ijzeren hoofddeksel en kwam nu haastig aandraven, om te vernemen, wat Don Quichot van hem verlangde.
"Geef mij mijn helm, Sancho!" riep de dolende ridder vol ongeduld. "Mijn helm hier! Haast u, want nu staat ons een avontuur te wachten, waarvan het late nageslacht nog gewagen zal."
Driftig rukte hij Sancho, die nog geen tijd gehad had, om zijne kaasjes in veiligheid te brengen, den helm uit de hand en drukte dien, zonder te bemerken, dat er iets in was, stevig op zijn hoofd. Daar nu de kaas nog versch was en door de zwaarte van den ijzeren helm niet weinig geperst werd, zoo begon natuurlijk de vettige melkpap al spoedig over Don Quichots haar, gezicht en baard neer te druppelen en 't hem niet weinig lastig te maken.
"Sancho," riep hij ontsteld, "Sancho, wat is dat hier? 't Is, alsof mij de hersenen gaan smelten, of 't mij schemerachtig voor de oogen wordt, of 't gulle zweet mij van alle kanten uitbreekt. Geef mij wat, om mij af te drogen, want die bijtende zweetdroppels zullen mij anders stekeblind maken."
Zonder een woord te zeggen, reikte Sancho den ridder een vuilen, vettigen doek toe en was in zijn hart maar blij, dat Don Quichot in zijn ongeduld den eigenlijken aard van dat lastig zweet niet nader onderzocht.
De ridder merkte intusschen toch onraad en nam, na zich zoo wat afgeveegd te hebben, den helm af, om zijn zweetenden schedel eens te betasten. En toen hij nu aan zijne vingers dat witte kaasdeeg zag en daaraan rook, begreep hij 't gansche geval en maakte zich. ontzettend driftig.
"Schandelijke, verraderlijke, laaghartige en arglistige knaap," barstte hij los, "'t is kaas, wat gij daarin gestopt hebt! Kaas, bij het leven en de schoonheid mijner hooge dame Dulcinea van Toboso!"
Ofschoon Sancho Panza eerst geducht schrikte, herstelde hij zich toch spoedig en kreeg zijne gewone onbeschaamdheid terug.
"Ei, als 't werkelijk kaas is, edele heer," sprak hij, "geef die mij dan, want op kaas ben ik dol. Schoon neen, de duivel mag haar eten, want die alleen kan ze daarin getooverd hebben. Gij zult toch niet gelooven, edele ridder, dat ik ooit de stoutheid zou hebben, uw helm te verontreinigen? De hemel moge mij voor zulke heiligschennis behoeden! Misschien vervolgt mij en u een snoode toovenaar, die de kaas er alleen indeed om u te vertoornen en mij daardoor een dracht slagen te bezorgen. Maar ik ben zeker, dat hem ditmaal zijne list niet gelukken zal, want mijn edele heer is veel te verstandig, om niet in te zien, dat ik de kaas, als ik die namelijk gehad had, honderdmaal liever in mijn maag dan in uw helm zou hebben geborgen."
"Dat komt mij wel waarschijnlijk voor," zeide Don Quichot, nu weer ten volle tevredengesteld.
Zonder zich aan het verwonderd gezicht te storen van den heer die hem gezelschap hield, reinigde hij zich ten volle van de vettige brij, zette toen zijn helm weer op, stond overeind in de beugels, keek naar zijn zwaard, velde de lans en riep vol kamplust en moed: "Kome nu, wie wil! Hier sta ik en voel de kracht in mij, om het zelfs tegen den baarlijken duivel op te nemen."
Onderwijl naderde de met vaantjes versierde kar, en het bleek nu, dat daar niemand bij was dan de voerman met zijne muilezels en een man, die op het voorste bankje zat. Don Quichot plaatste zich toen midden in den weg en vroeg:
"Wie zijt gij, menschen? Waar gaat gij heen? Wat voor een wagen is dat? Wat hebt gij daarin? En wat moeten die vlaggetjes daar beduiden?"
"Heer," antwoordde de voerman, "die kar is mijn eigendom, en er zijn twee geweldige leeuwen in, die de stadhouder van Oran aan zijne majesteit den koning ten geschenke zendt. Die vaantjes beduiden alleen, dat de inhoud der kar 's konings eigendom is."
"Zijn de leeuwen groot en sterk?" vroeg Don Quichot.
"Zeker, edele heer!" antwoordde de man. "Ze zijn grooter en sterker dan er ooit nog uit Afrika naar Spanje zijn gekomen. Ik heb al veel leeuwen gezien, maar huns gelijken nog niet. Hier in het voorste hok zit de leeuw en in dat andere de leeuwin. Ze zijn nu ontzettend hongerig, daar ze vandaag nog geen voêr hebben gehad, en ik verzoek dus, dat de heeren uit den weg gaan en ons doorlaten, zoodat wij spoedig naar eene plaats komen, waar vleesch is te krijgen."
"Ik voor zoo'n paar ellendige leeuwen uit den weg gaan?" vroeg Don Quichot met minachting. "Zie mij aan, of ik de man daarnaar ben! Gauw afgestapt, goede man, en de hokken geopend, zoodat de beestjes naar buiten kunnen komen! Hier midden op het open veld wil ik met hen vechten en hun toonen, wie Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is. Kom af, zeg ik, en voor den dag met de twee, in spijt van al de toovenaars, die ze mij zeker in den weg hebben gezonden."
De vreemde heer zag Don Quichot met groote oogen aan en meende zeker, dat het hem eensklaps in het hoofd was geslagen. In zijn bitteren angst en benauwdheid wendde Sancho Panza zich tot hem en smeekte hem in roerende bewoordingen althans eene poging te doen, om den ridder van zijne roekelooze onderneming terug te houden.
"Ik bid u in Gods naam," smeekte hij, "maak toch, dat mijn meester zich niet met dat wilde gedierte inlaat, dat ons zeker in stukken zal scheuren."
"Maar wil uw heer dan wezenlijk die dieren bevechten?" vroeg de vreemde. "Is hij dan geheel razend en dol?"
"Dol en razend niet, maar zoo moedig, dat er geen houden aan is," verzekerde Sancho.
"Nu, dan wil ik mijn best doen, om ongelukken voor te komen," zeide de vreemde en keerde zich tot Don Quichot, die den leeuwenhoeder nog altijd drong de hokken te openen en de dieren vrij te laten.
"Heer dolend ridder," sprak hij tot Don Quichot, "voor zoover mij bekend is, moeten alle helden slechts zulke avonturen bestaan, die hun kans laten op levensbehoud. Door zich met andere dingen in te laten verraden zij meer dwaasheid dan kracht en verdienen geen lof, maar berisping. Laat dus, bid ik u, deze leeuwen met rust; zij komen aan zijne majesteit den koning toe en worden niet ongestraft aangeroerd."
"Mijn beste heer," antwoordde Don Quichot, "bemoei gij u met uwe hazen en patrijzen en laat mij mijn werk doen, gelijk dat mij goeddunkt. De kamp met deze leeuwen behoort daartoe, en ik verzoek u, dat gij u daar niet verder mee bemoeit."
De heer zweeg, daar hij begreep, dat zijn spreken toch niet baatte, terwijl Don Quichot zich opnieuw tot den leeuwenhoeder wendde en sprak:
"Gij schandelijke en plichtvergeten dienaar! als gij niet op staanden voet gehoorzaamt, zweer ik, dat ik u met deze lans aan uw hok vast zal nagelen."
Nu de man zag, dat het den geharnasten ridder ernst was, durfde hij zich niet langer verzetten en zeide: "Ieder hier tegenwoordig kan getuigen, dat ik alleen door geweld ben gedwongen geworden de kooi der leeuwen te openen en het eigendom des konings op het spel te zetten. Alle schade en alle onheil, dat daaruit ontstaan kan, gaat mij niet aan, maar alles moet naar billijkheid en recht op rekening van dezen ridder komen. Maakt plaats, mijne heeren, bergt u, voordat ik de grendels openschuif."
"Heer," keerde de voerman zich thans tot Don Quichot, "vergun althans, dat ik mijne muilezels afspan en in veiligheid breng. Als de leeuwen mijne dieren ombrengen, ben ik voor altijd mijne kostwinning kwijt."
"Gij zijt een dom mensch," riep de ridder verstoord. "Denkt gij, dat ik aan de leeuwen tijd zal laten, om uwe dieren aan te vallen? Mijnentwege doe echter, wat gij wilt; maar gij zult zien, dat gij nutteloos werk gedaan hebt."
Niettegenstaande deze verzekering spande de man in aller ijl zijn trekvee af, en gedurende dien tijd trachtte de vreemde heer den ridder nogmaals tot andere gedachten te brengen. Deze bleef echter onverzettelijk bij zijn opzet volharden.
"Wilt gij niet getuige zijn van den kamp, dien ik hier op het open veld beginnen zal, spoor dan uw schimmel aan en maak u uit de voeten," zeide hij.
Thans deed ook nog Sancho Panza een goed woord en smeekte met tranen in de oogen zijn meester, toch van zijn voornemen af te zien.
"Dit avontuur is zoo vreeselijk," zei hij, "dat al, wat wij reeds beleefd hebben, er maar kinderspel bij was. Hier is geen tooverij of hekserij in 't spel, maar alles is wis en wezenlijk ernst. Ik heb tusschen de ijzeren tralies door in 't hok gekeken en daar de klauwen van den leeuw gezien, die ontzettend lang en breed zijn. 't Is een dier, zoo groot als een berg, heer."
"Uwe benauwdheid zal het nog grooter maken dan de halve wereld," zei Don Quichot. "Maak maar, dat ge weg komt, Sancho! Mocht ik bij den zwaren strijd, die mij te wachten staat, het leven laten, spoed u dan naar mijne gebiedster Dulcinea van Toboso en maak haar bekend met mijn dood."
Na deze woorden begrepen allen, dat met Don Quichot niets meer was aan te vangen en dat men hem stil zijn gang moest laten gaan. Zoo dreef dan de voerman zijne muilezels op zij, bracht de vreemde heer zijn schimmel in veiligheid en zorgde Sancho Panza, dat hij met zijn grauwtje op eerbiedigen afstand kwam. En toen gebood de ridder op dreigenden toon, dat men de hokken zou openen.
Ziende, dat alle menschen en dieren buiten gevaar waren, bracht de leeuwenhoeder Don Quichot nogmaals onder het oog, welk eene roekelooze onderneming hij voorhad, en waarschuwde hem ernstig zich toch niet zoo moedwillig in gevaar te begeven. Don Quichot luisterde daar echter niet naar. Terwijl de man talmde en nog steeds tijd zocht te winnen, overlegde hij, of het niet beter zou zijn, den kamp te voet, in plaats van te paard te beginnen, en besloot eindelijk tot het eerste, omdat hij vreesde, dat Rocinante bij het zien van het vreeselijk roofdier schuw en wild zou worden. Hij sprong dus van het paard, wierp zijne lans op den grond, dekte zijne borst met het schild, trad met ontbloot zwaard voor de deur van het hok en beval zijne ziel Dulcinea van Toboso aan.
Toen de leeuwenhoeder nu zag, dat Don Quichot ten volle bedaard en beraden was, en dat hij hem dus wel zijn zin diende te geven, rukte hij de deur van het eerste hok, waarin de leeuw zat, wagenwijd open. De leeuw, werkelijk een dier van buitengewone grootte en schrikinboezemende gestalte, keerde zich om in zijn kooi, schoof zijn voorpooten vooruit en rekte zich. Daarop ontsloot hij zijn ontzettenden muil, spalkte dien wijd open en gaapte zeer majestueus. Vervolgens stak hij de bloedroode tong uit, likte zich de oogen, trad met langzamen tred vooruit, stak zijn geweldigen kop buiten het hok, liet zijne gloeiende oogen naar alle zijden rondrollen en nam eene houding aan, die iedereen met ontzetting zou vervuld hebben. Don Quichot week echter niet terug, maar nam het vreeselijk dier kalm en bedaard op en wenschte zelfs, dat het dadelijk van den wagen springen en den kamp met hem beginnen mocht.
Na echter het landschap en zijn uitdager eene poos bedaard te hebben aangekeken, schudde de leeuw langzaam zijn kop en--draaide zich om, Don Quichot den rug toekeerend. Met de grootste onverschilligheid strekte hij zich vervolgens op de planken uit en scheen zich om niets ter wereld meer te bekommeren.
"Jaag hem op!" riep Don Quichot den leeuwenhoeder toe. "Stoot, sla, schop, terg en sar hem, tot hij uit zijn hok komt."
"Ja, ja, dat zal ik wel uit mijn hersens laten," riep de man. "Als ik hem aanraakte, zou hij mij allereerst beetpakken, en dat is een ding, waarvoor ik hartelijk bedank. Vergenoeg u met wat gij gedaan hebt, heer ridder, en wees verzekerd, dat het meer is, dan één menschenkind u zou durven nadoen. Stel u niet voor de tweede maal bloot en bedenk, dat gij alles gedaan hebt, wat men van een held kan verlangen. De deur staat open, de leeuw is uitgedaagd, gij staat tot den kamp bereid. Wil uw vijand niet vechten, dan is aan hem de schande en oneer en aan u de zege en de roem."
"Dat is waar!" riep Don Quichot uit. "Sluit de deur weer toe, vriend, en geef mij de getuigenis, dat ik werkelijk alles gedaan heb, wat mij geoorloofd was. Gij hebt den leeuw de deur opengezet; ik heb hem opgewacht, maar hij is niet gekomen; eindelijk heb ik nog een poos gewacht, en hij is weer niet verschenen, maar is naar den versten hoek van zijn kooi gekropen en heeft zich daar lafhartig neergelegd. Meer is niet noodig, om mijne dapperheid in vollen glans te vertoonen, en gij moogt dus vrij de deur sluiten, terwijl ik onze gevluchte vrienden wil terugroepen, opdat zij uit uw mond het verhaal van mijne daden hooren."
De wachter sloot het hok weer toe, en Don Quichot bond den doek, waarmee hij de kaas van zijn gezicht had gewischt, aan zijne lans, om daarmee de anderen terug te roepen. Te gelijk verhief hij zijne stem en riep: "Sancho! Sancho!" dat het wijd over het veld klonk.
Sancho Panza vernam dien roep, keerde zich om, zag het witte vaantje en zei: "Ik laat mij levend villen, als mijn heer de wilde beesten niet overwonnen heeft; want zie, hij wenkt ons en zijn vaan wappert in den wind."
Ook de anderen zagen het gegeven teeken, en hunne harten, die tot nog toe met angst vervuld waren geweest, werden gerust. Zij keerden naar de kar terug en waren zeer verlangend, de toedracht en den afloop van den gewaagden kamp te vernemen.
"Span uwe muilezels weer voor," riep Don Quichot den voerman toe; "span ze voor en vervolg ongehinderd uwe reis. En gij, Sancho, geef den leeuwenhoeder twee goudguldens tot vergoeding omdat hij zich zoo lang heeft opgehouden."
"Die goudguldens wil ik hem wel geven," antwoordde de schildknaap; "doch zeg mij eerst, wat er van de leeuwen geworden is. Zijn ze al dood, of hebben ze er 't leven afgebracht?"
"Wend u tot dezen man," sprak Don Quichot met trotschheid; "hij zal u berichten, hoe de zaak is afgeloopen."
Sancho talmde hier dan ook niet mee, en de leeuwenhoeder vertelde uitvoerig de geheele geschiedenis en kon niet genoeg roemen, hoe uitstekend dapper en heldhaftig de ridder zich in dit geval gedragen had. De leeuw scheen reeds bij zijne eerste verschijning door schrik aangetast en was, in plaats van den aangeboden kamp aan te nemen, lafhartig naar den versten hoek van zijn hok teruggeweken; en daar hij, de leeuwenhoeder, den dapperen Don Quichot nu gezegd had, dat het roekeloos zou zijn, den leeuw nog verder te tergen, had de ridder, hoewel ongaarne, hem eindelijk vrijheid gegeven de deur van het hok weer dicht te doen.
"Wat zegt gij daarvan, Sancho?" vroeg Don Quichot vol fierheid. "Daar ziet gij nu uit, dat alle betooveringen tegen ware dapperheid en echten heldenmoed geen zier kunnen uitrichten."
Sancho haalde stilzwijgend de schouders op en stopte den leeuwenhoeder de twee goudguldens in de hand, waarna deze laatste beloofde de koenheid van Don Quichot overal te zullen uitbazuinen en zelfs te zorgen, dat die zijne majesteit den koning ter oore kwam.
"Goed, dat moogt gij doen," sprak Don Quichot; "en als de koning u naar mijn naam mocht vragen, kunt gij antwoorden, dat het de "leeuwenridder" is, die de stoute daad gewaagd heeft. Voortaan namelijk wil ik, een overoud heilig gebruik volgend, dezen bijnaam voeren en daarentegen dien van "Ridder van de Droevige Figuur" afleggen. Dat hebben vóór mij reeds vele dolende helden gedaan, en ik wil hun doorluchtig voorbeeld volgen."
De kar reed nu weg en Don Quichot vervolgde met zijn klein gezelschap den vroeger ingeslagen weg naar Saragossa.
Het duurde nu niet lang, of zij kwamen eene beroemde grot, het zoogenaamde hol van Montesinos, voorbij, waarvan allerlei wonderbare dingen verteld worden, en de vreemde heer maakte daar Don Quichot opmerkzaam op. Terstond betoonde deze grooten lust het inwendige te bezien; doch de vreemde ried hem dit af, omdat men er niet anders in kon komen, dan door zich aan lange touwen in de diepte te laten neerzakken.
"En al zou ik er voor in de hel komen, toch moet ik de grot bezien," verklaarde Don Quichot en reed regelrecht op het naaste dorp aan, om daar te overnachten en zich van de vereischte touwen en strikken te voorzien. Hij kocht daarvan tot eene lengte van honderd vaam, en begaf zich den anderen dag met den vreemden heer en met Sancho Panza naar de gevaarlijke plaats.
Na den middag te twee uren kwamen zij daar aan en vonden den toegang tot de grot vrij breed, ruim en slechts weinig door doornen en ander struikgewas bedekt en verdonkerd. Zij stegen af, en Don Quichot werd vast en stevig aan een touw gebonden, om zonder verwijl in de diepte te worden neergelaten.
"Heer," zeide Sancho Panza, terwijl zij daarmee bezig waren, "heer, bezin, eer gij begint, en bedenk nog eens goed, wat gij doet. Nog niemand heeft het eind van de spelonk bereikt, en niemand dwingt u zulk een gevaarvol stuk te ondernemen. Blijf stilletjes hier boven en neem goeden raad van mij aan."
"Houd den mond, Sancho, en bind maar de touwen vast," antwoordde Don Quichot op deze welgemeende waarschuwing. "Juist zulk eene onderneming, die nog niemand gelukt is, past voor mij."
De schildknaap zweeg en liet verdrietig de lip hangen. Toen nu echter Don Quichot stevig was vastgebonden, knielde hij neder, riep de krachtdadige bescherming van zijne Dulcinea in en naderde toen den afgrond, waarin hij zich wilde laten neerzakken. Voordat hij aan den rand kwam, moest hij echter met zijn zwaard zich een weg door het struikgewas banen, dat voor den ingang der grot welig was opgeschoten. Het door het kraken en breken der takken veroorzaakte gerucht joeg eene ontzettende menigte raven, kraaien, uilen en vleermuizen op, die tot hiertoe in ongestoorde rust in de grot genesteld hadden, en zij stoven met zooveel geweld op Don Quichot los, dat die daardoor overhoop werd geworpen en zoo lang als hij was op den grond kwam te liggen.
Ieder ander, dan onze onverschrokken ridder, zou deze omstandigheid als een noodlottig voorteeken hebben beschouwd; doch hem versterkte zij slechts in zijn heldhaftig voornemen. Toen al dat fladderend roofgedierte zich een uitweg had gebaand, sprong hij in den afgrond neer; de vreemde heer en Sancho Panza vierden langzaam de lijn, en Don Quichot verdween aldra in de donkere, gapende diepte.