Don Quichot van La Mancha

Chapter 11

Chapter 114,052 wordsPublic domain

"Wel drommel en geen einde!" riep Sancho met geveinsde verwondering. "Is het mogelijk, dat gij drie zulke juweeltjes van paarden voor muilezels en uw hooge gebiederes voor eene boerin aanziet? De rossen zijn spierwit, als versch gevallen sneeuw; en mijn naam mag geen Sancho Panza wezen, als 't niet waarempel waar is."

"Ik zeg je evenwel," riep de ridder, "dat het drie ezelinnen en drie boerenmeiden zijn, zoo waar als ik op Rocinante en jij op je grauwtje zit."

"Zwijg stil, ridder, zwijg stil, genadige heer, en kijk beter uit de oogen," zei Sancho. "Daar komt uwe dame al aan; rijd haar te gemoet en betoon haar de verschuldigde achting en eerbied."

En zonder af te wachten, wat zijn heer doen zou, reed hij vooruit, om de drie boerinnen te begroeten. Hij liet zich van zijn ezeltje glijden, greep het paard van de zoogenaamde Dulcinea bij den teugel, viel op beide knieën neer en sprak:

"Hooge en doorluchtige prinses, keizerinne der schoonheid, wilt gij zoo goed wezen en uwen getrouwen ridder ontvangen, die daar, door uw aanblik betooverd, als versteend staat en door uwe tegenwoordigheid totaal is beteuterd? Ik ben Sancho Panza, de schildknaap, maar hij is de wijdvermaarde en hoogbefaamde held Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur."

Gedurende Sancho's deftige toespraak was ook Don Quichot naast zijn schildknaap neergeknield en staarde verbaasd en verbijsterd de schoone aan, die door zijn dienaar als prinses en keizerin werd aangesproken. Daar hij nog altijd niets dan eene heel gewone en daarbij nog vrij leelijke boerenmeid met platten neus en een mond als een bakoven kon zien, geraakte hij zoo van streek, dat hij buiten staat was ook maar een enkel woord over de lippen te brengen.

De boerinnen waren intusschen niet minder verlegen dan hij zelf. Eene heele poos keken zij verbaasd op de knielende helden neer en wisten niet, wat van Sancho's zotte toespraak te denken, totdat eindelijk de vermeende Dulcinea het woord nam en vrij kribbig en boos riep:

"Loopt naar de maan en laat ons 't pad vrij! Wat hebben wij noodig met al die malligheden!"

"O, bekoorlijke prinses en gebiederesse van Toboso," antwoordde Sancho Panza, "wordt dan uw steenen hart niet verweekt door het leed van den ridder aan uwe voeten?"

"Laat ons met vree, leelijke kerels!" schreeuwden de meiden. "Wij doen geen mensch wat; wat heb je dan ons overlast aan te doen?"

"Sancho Panza, sta op!" beval Don Quichot op bedrukten toon. "Ik zie wel, dat weer een ongelukkig gesternte boven mijn hoofd staat en dat de bron van mijn lijden nog niet is opgedroogd. Gij echter, aanbiddelijke Dulcinea, die, gelijk ik nu wel zie, door een snooden toovenaar van uwe verrukkelijke schoonheid en aanminnigheid werdt beroofd, buig u neder tot mij, verkwik en laaf mij door een zoeten straal uit uwe oogen, en zie uit deze mijne kniebuiging, dat ik u ten eeuwigen dage als mijne hooge gebiederesse vereeren zal."

"Die smerige ouwe vent is gek!" riep de meid, terwijl zij Sancho de teugels van haar muilezel met geweld uit de handen rukte. "Laat los, leelijke dikzak, en houd ons niet langer op met je dol gezanik."

Sancho Panza week op zij, en de boerendeernen zetten het nu dadelijk op een draf. Zij waren echter niet ver, of daar kwam Dulcinea's ezel te struikelen en wierp zijne berijdster af. Don Quichot schoot dadelijk toe, om haar weer op de been te helpen; doch voordat hij nog bij haar kwam, was zij weer opgesprongen, nam een aanloop, zette hare vuisten op de achterschonken van haar rijdier, zat met een wip weer in den zadel en galoppeerde voort, zonder ook maar eens naar den verbaasden ridder om te zien. De dolende held tuurde haar na, tot zij uit zijn gezicht verdwenen was, en keerde zich toen tot Sancho, met de woorden:

"Wat zegt gij nu, mijn schildknaap? Ziet gij nu, hoe erg ik door de toovenaars gehaat en vervolgd word? Zij hebben mij het onschuldig genot ontroofd van mijne aangebedene in den vollen glans harer schoonheid te zien, en haar tot mijne kwelling in een gemeene boerenmeid veranderd."

"Ja, ja, 't zijn rekels, 't zijn schobbejakken, al die toovenaars!" riep Sancho uit. "Maar tob daar maar niet over, gestrenge heer; want 'k weet wel vast, dat de deugd en dapperheid bij slot van rekening over alle boosheid triomfeeren moeten."

Don Quichot antwoordde hier niet op, maar besteeg weer zijn Rocinante en de schildknaap zijn grauwtje, en zoo sukkelden beiden den weg naar de wereldberoemde stad Saragossa op. Voordat zij die bereikten, moesten zij echter nog velerlei wonderbaarlijke avonturen beleven, waarvan wij niet verzuimen mogen het trouw en waarachtig relaas te laten volgen.

HOOFDSTUK XVI.

DE KAR DES DOODS EN DE RIDDER MET DE SPIEGELS.

Terwijl Don Quichot in diep gepeins zijn weg vervolgde, keek Sancho Panza, over 't gelukken van zijne list in zijn vuistje lachend, vroolijk rond en ontdekte een wagen, die met allerlei vreemde gedaanten en personages beladen was. Hij maakte Don Quichot daar opmerkzaam op, en beiden staarden het wonderlijk schouwspel verbaasd aan.

De voerman van den wagen was een schrikbarende duivel, en de wagen zelf was open en onbedekt. Binnenin zat de dood in levenden lijve en met een menschelijk aangezicht. Naast hem vertoonde zich een engel met bont beschilderde vleugels. Verder stond daar een keizer met zijn gouden kroon op het hoofd, en aan de voeten des doods zat god Cupido met boog, koker en pijlen. Buitendien waren nog een ridder in blank harnas en eene menigte andere personen in verschillende drachten en met allerlei tronies en gezichten op den wagen te zien.

Hoewel eerst een weinig ontsteld, kreeg de Ridder van de Droevige Figuur toch spoedig zijne gewone bedaardheid weer en geloofde, dat daar een nieuw avontuur in aantocht was. In deze meening stelde hij zich dicht voor de kar in postuur en riep met dreigende stem:

"Voerman of duivel, of wat gij wezen moogt, zeg mij onverwijld, wie gij zijt en wat vreemd volk gij daar bij u hebt?"

"Och, waarde heer," antwoordde de duivel zeer onderdanig, "anders niet dan arme komedianten, die in het kleine dorp ginder achter den heuvel eene voorstelling van de hofhouding des doods willen geven. Om tijd te sparen en terstond na onze aankomst het spel te kunnen beginnen, hebben we ons maar vooraf verkleed. Deze knaap hier speelt voor dood, die voor engel, die voor soldaat, die voor keizer en ik zelf voor duivel. Zoo is het gelegen met het geval, en als gij nog meer wilt weten, vraag dan maar vrij; daar een duivel alles moet weten, kan ik u wis voldoend bescheid geven."

"Neen, neen, ik weet al genoeg," sprak Don Quichot. "Toen ik uwe kar zag, meende ik, dat ik eenig avontuur zou moeten bestaan; maar ik merk nu wel anders. Trekt in vrede, goede lui, houdt uwe vertooning en bedenkt eens, of gij niet 't een of ander voor mij te doen weet. Van harte gaarne wil ik u van dienst wezen, want als kind ben ik al een groot vriend van zulke mommespelen geweest."

Terwijl Don Quichot zulke goelijke en vriendelijke woorden sprak, wilde het toeval, dat de paljas van het gezelschap, die wat achter was gebleven, aankwam. Hij was als hansworst gekleed, met belletjes behangen en had op het hoofd een zotskap en in de hand een stok, aan 't eind waarvan drie groote, met erwten gevulde koeblazen hingen. Zoodra hij Don Quichot te zien kreeg, begon hij zijn stok te zwaaien, met de blazen te rammelen, te springen en cabriolen te maken, zoodat al zijne belletjes rinkelden. Dat geraas en het vreemd uitzien van den paljas brachten Rocinante zoo van streek, dat hij het gebit tusschen de tanden nam en, wat de ridder ook trok en riep, in suizenden galop over de vlakte voortstoof. Ziende, hoe zijn heer zoo gevaar liep van zandruiter te worden, sprong nu Sancho Panza van zijn grauwtje en liep achter den ridder aan, om hem bijstand te verleenen. Voordat hij hem bereikte, was het ongeluk al gebeurd. Don Quichot lag zoo lang als hij was op den grond, en Rocinante lag naast hem.

Zoodra echter Sancho Panza van zijn ezel was gestapt, sprong de paljas op grauwtje en sloeg het met zijne rammelende blazen om de ooren. 't Geduldige beest, door dat nooit gehoorde geraas verschrikt, zette het nu op een loopen en holde regelrecht op het dorp aan, waar de komedianten hunne voorstelling wilden geven.

Sancho zag zijn ezel wegloopen, maar zag ook te gelijk den benauwden toestand, waarin zijn heer verkeerde, en wist dus eerst niet, naar wat kant hij zich keeren zou. Na kort beraad besloot hij echter, als trouw en eerlijk schildknaap, eerst zijn heer te hulp te springen, niettegenstaande hem telkens een steek door 't hart ging, als hij dien verwenschten hansworst zijn stok om de ooren van zijn arme grauwtje zag zwaaien. Hij wou liever, dat al die slagen hemzelf troffen, dan dat zijn lief ezeltje ook maar een haartje in zijn staart gekrenkt werd.

In woede en vertwijfeling over den ongelukkigen staat van zijn lieveling naderde hij Don Quichot, die vrij leelijk toegetakeld was, en hielp hem weer op de been en boven op zijn Rocinante.

"De duivel heeft mijn ezel gehaald, edele heer," zeide hij toen.

"Welke duivel dan?" vroeg de dolende ridder.

"De duivel met blazen," antwoordde Sancho. "Daar gaat hij met hem aan den haal."

"Dan wil ik hem weer veroveren, al zou ik hem uit den afgrond van de hel halen," riep Don Quichot. "Volg mij, Sancho! De wagen rijdt langzaam en de muilezels, die hem trekken, zullen u 't verlies van uw ezel vergoeden."

"Laat dat maar rusten, heer," zeide Sancho. "Naar ik zie, heeft de duivel mijn grauwtje al losgelaten, en 't komt op een drafje weer naar ons toe."

"Toch moet zijn lijden gewroken worden," verklaarde Don Quichot, "en voor de ondeugendheid van den hansworst moet het gansche gezelschap boeten."

"Heer!" riep Sancho Panza, "zet u die gedachten in 's hemels naam uit het hoofd en laat u niet in met potsenmakers, die overal in hooge gunst en gratie staan."

"En toch zullen zij hunne verdiende tuchtiging ontvangen," sprak de ridder.

Met deze woorden keerde hij zich naar den wagen, die al dicht bij het dorp was, en riep met daverende stem: "Halt, halt! Wacht wat, menschen, en 'k wil u toonen, hoe men een ezel behandelt, waarop de schildknaap van een dolenden ridder rijdt!"

Don Quichot was met zulke gezonde longen begaafd, dat het volkje op de kar hem van woord tot woord verstond en zonder veel moeite zijn voornemen begreep. Meteen was dus de dood van de kar; duivel, engel en keizer sprongen hem vlug achterna, en ook de overige gedaanten draalden niet dat voorbeeld te volgen. Allen raapten nu steenen van den grond op, gingen in eene gesloten rij staan en wachtten zoo manmoedig den ridder af, om hem met een hagelbui van steenen te ontvangen.

Toen onze held de dreigende houding der vijanden en hunne armen tot den worp opgeheven zag, hield hij Rocinante staande en overlegde, op wat wijze hij die rij met het geringste gevaar voor zichzelf aanvallen en overhoop werpen zou. Terwijl hij dienaangaande nog in 't onzekere was, kwam Sancho Panza nader en riep hem vol schrik toe:

"Heer, ik zeg, dat het roekeloos en dwaas zijn zou, tegen zulk eene legermacht op te rukken. Bedenk, dat men tegen een keisteenenregen weinig uitrichten kan, en dat het doldriest zou zijn, een krijgsheer aan te tasten, dat dood en keizer tot aanvoerders heeft en waarin engel en duivel meevechten. En mocht dit alles u nog niet afschrikken, bedenk dan toch, dat onder die gansche bende, al heeft ze koningen en keizers, toch geen enkel dolend ridder is."

"Dat is waar, Sancho," antwoordde Don Quichot. "Ge hebt daar het rechte punt getroffen, 't eenige, dat mij bewegen kan, van mijn voornemen af te zien. Ik mag mijn goed zwaard tegen niemand ontblooten, die niet werkelijk tot ridder is geslagen. Maar gij, Sancho, zoo gij wraak wilt nemen voor de beschimping, uw ezel aangedaan, draal dan niet en wees verzekerd, dat ik u met nuttige raadgevingen en wenken ter zijde zal staan."

"Neen, edele heer, ik wil het maar liever blauwblauw laten; gedane dingen nemen toch geen keer," verklaarde de schildknaap. "Als ik mijn grauwtje maar weerom krijg, wil ik er verder geen water om vuil maken."

"Welaan dan, Sancho," sprak de ridder, "indien dit werkelijk uw vast besluit is, willen wij die akelige schimmen en spooksels dan maar laten loopen en avonturen opzoeken, waarbij meer roem en eer is te behalen. Pak uw ezel bij den teugel: daar komt hij al vroolijk aandraven."

Sancho ving zijn grauwtje op. Don Quichot wierp Rocinante om, en de opgejaagde zwerm komedianten keerde naar de verlaten kar terug.

Den nacht, die op dezen dag volgde, brachten onze twee helden onder eenige lommerrijke boomen door. Zij zadelden af, verteerden hun avondkost uit den knapzak van den ezel, strekten zich toen, Don Quichot onder een eik, Sancho Panza onder een kurkboom, uit en waren spoedig in slaap.

Een tijdlang snurkten beiden rustig en ongestoord; doch op eens rees Don Quichot overeind en keek rond. Hij had een ongewoon gerucht vernomen en ontdekte nu twee mannen te paard, van wie de een juist uit den zadel steeg en zeide: "Neem onze dieren de teugels af en laat ze grazen. Deze plaats schijnt rijkelijk met gras gezegend, en de stilte en eenzaamheid hier passen goed voor mijne rustzoekende gedachten."

Na deze woorden wierp de nieuwe aankomeling zich op den grond, en zijne wapens maakten zulk een gedreun en gekletter, dat Don Quichot terstond begreep, dat hij hier een echten dolenden ridder voor zich had. Hij schudde Sancho bij den arm en kreeg hem, schoon niet zonder moeite, wakker.

"Sancho, vriend Sancho," fluisterde hij, "een avontuur is nabij."

"De hemel geve, dat het wat goeds is," antwoordde de schildknaap en wreef zich de oogen uit. "Waar is het dan?"

"Kijk dien kant uit, vriend," antwoordde Don Quichot. "Gij zult een dolenden ridder, als ik ben, ontdekken, die zoo even van zijn strijdros steeg en zich onder het kletteren zijner wapenrusting op de aarde uitstrekte."

"Ja, waarachtig, ik zie hem," verzekerde Sancho Panza. "Wat zullen wij met hem aanvangen?"

Op dit oogenblik richtte de vreemde ridder, die dat gefluister vermoedelijk vernomen had, zich op en vroeg barsch: "Wie is daar? Wie spreekt daar? Behoort gij tot het getal der vergenoegden of tot het getal der mistroostigen?"

"Wij behooren tot de mistroostigen," antwoordde Don Quichot.

"Welaan, komt dan hier, opdat wij elkaar nader leeren kennen," sprak de vreemde ridder.

Terstond stond Don Quichot op en naderde met Sancho den onbekende, die zich van het gras half oprichtte en onzen ridder uitnoodigde, aan zijne zijde plaats te nemen. Sancho Panza vervoegde zich intusschen bij den wapendrager van den vreemden dolenden ridder, en zij evenals de ridders begonnen elkaar nu hunne ontmoetingen en avonturen te vertellen. Na voor zijn collega een waar klaaglied te hebben aangeheven, begon Sancho Panza dit onderhoud echter al spoedig moe te worden en verlangde, daar hij onderwijl al weer honger had gekregen, uitermate zeer naar eenige gezonde hartsterking voor de maag.

"De tong kleeft mij aan 't gehemelte," zuchtte hij.

"Daar weet ik goeden raad voor," zeide zijn collega. "Ik heb een kostelijk middel tegen honger en dorst aan den zadelknop van mijn paard hangen."

Met deze woorden stond hij op, en kwam al spoedig terug met een grooten, goed gevulden wijnzak en eene pastei, die wel een halve el hoog en breed was.

"Ei, ei, maat, ben je van zoo'n teerkost voorzien?" vroeg Sancho en likte zich al de lippen.

"Wel wis en zeker," antwoordde de vreemde schildknaap. "Denkt ge, dat ik mijn zwaren dienst heb aangenomen, om van water en brood te leven? 't Mocht wat! Ik eet en drink er zoo goed van, als menig generaal niet. Maar tast toe en laat je niet lang noodigen."

Sancho liet ééne uitnoodiging genoeg zijn en at zonder er onnutte woorden bij te verliezen. In den donker stopte hij brokken zoo groot als een vuist in den mond. Toen hij zijn bekomst had, tastte hij naar den wijnzak, en men zou liegen, als men den dorstigen knaap nazei, dat hij de opening daarvan korter dan een kwartier achtereen aan den mond hield. Toen hij met slokken ophield, boog hij het hoofd op zij, haalde diep adem en zeide:

"Hoor, ondeugend schermpje, ik wil gehangen worden, als deze wijn niet uit een klooster gestolen is."

De vreemde lachte, zonder te antwoorden, en de beide kameraads praatten en dronken, totdat eindelijk de slaap hun de zware oogleden toedrukte.

Terwijl zij in vrede rustten, verhaalde de vreemde ridder aan onzen Don Quichot, dat zijne hooge en edele uitverkorene Casildea van Vandalia werd geheeten, en dat zij onvergelijkelijk zoowel in schoonheid als in voornaamheid was.

"Voor kort," zeide hij, "heeft zij mij opgedragen, alle provinciën van Spanje te doorkruisen en iederen dolenden ridder tot de bekentenis te dwingen, dat zij de aanminnigste schoonheid is, die ooit door de zon beschenen werd. Ik deed volgens haar bevel en wierp menigen ridder in het stof neder; maar waarop ik het meest trotsch ben, is een kamp met den beroemden ridder Don Quichot van La Mancha. Ook hem overwon ik in tweegevecht en dwong ik tot de verklaring, dat mijne gebiedster Casildea schooner is, dan de zijne, die Dulcinea heet."

Toen onze Don Quichot den boschridder, dien hij in zijn gansche leven nog niet gezien had, aldus hoorde spreken, ontbrandde hij in geweldigen toorn, sprong op en riep:

"Gij liegt, snoode en schandelijke ridder! Want weet, ik ben het, dien gij noemt, ik ben Don Quichot van La Mancha, bijgenaamd de Ridder van de Droevige Figuur. Kom op ten strijde, zoo gij moed daartoe hebt."

De boschridder antwoordde zeer koelbloedig: "Dus zijt gij Don Quichot? Nu, dan moet wel de een of andere schelm zich voor u hebben uitgegeven, dien ik in de meening, dat gij zelf voor mij stondt, in het zand wierp. Dat schaadt evenwel niet, daar ik nu inhalen kan, wat ik toen verzuimde. Wacht nu echter den dag af, daar 't geen gebruik is, dat edele ridders hunne wapenfeiten in den donker volbrengen als roovers en gauwdieven. Over dag wil ik u staan, te voet en te paard, met zwaard en met lans."

"Goed, daar ben ik tevreden mee, en ik stel voor, dat wij onze schildknapen wekken, zoodat zij tegen zonsopgang onze paarden getuigd en gezadeld hebben."

Zij gingen naar de plaats, waar de twee in slaap lagen, wekten hen en bevalen hun, al het noodige tot den voorgenomen kamp gereed te maken. Sancho schrikte niet weinig, daar hij voor het leven en de gezondheid van zijn heer bijzonder bezorgd was. Nochtans waagde hij geen woord van tegenspraak, maar ging in stilte zijn werk verrichten. De andere schildknaap volgde zijn voorbeeld.

"Hoor, broeder," sprak hij tot Sancho, "als onze meesters aan het vechten zijn, mogen wij de handen niet stil in den schoot leggen, maar moeten elkaar ook eens duchtig op 't jak zitten."

"Dat reken ik heelemaal onnoodig," antwoordde Sancho Panza. "Ook heb ik nog nooit gehoord, dat schildknapen van dolende ridders zich met de zaken van hunne meesters bemoeiden, en buitendien ben ik niet eens een zwaard rijk."

"O, dat doet er niet toe," zeide de ander. "Wij vullen een paar linnen zakjes met keisteentjes en slaan elkaar daar zoo lang mee om de ooren, tot een van ons op den grond ligt."

"Kijk, bij mijns vaders baard, dat zou een groote gekheid wezen!" riep Sancho. "Neen, ik ben er niet op gesteld, dat men mij kop en schonken bont en blauw beukt."

"En toch moeten wij op zijn minst een half uurtje lang samen vechten," zei de vreemde schildknaap; "en als ge niet wilt, dan zal ik je zoo lang om de ooren slaan, tot ge wel weerom slaat."

"O," riep Sancho, die nu boos werd, "als ge me zoo aankomt, zal ik een knuppel pakken en je afranselen, tot je geen raad meer weet. Volg mijn raad en zet je die vechterijen uit de malle hersens. Zoo niet, dan zeg ik je, dat al 't ongeluk, dat er uit ontstaat, op je eigen rekening komt."

"Goed, goed," bromde de ander; "'t wordt gauw dag, en dan zullen we wel nader zien."

Onderwijl begonnen de vogeltjes op de takken rond te huppelen en hunne fijne stemmetjes te laten hooren; het morgenrood verguldde den hemel en de dauw viel in flonkerende parels op bloem en kruid neer. Nauwelijks echter liet het licht van den dag de voorwerpen duidelijk onderscheiden, of Sancho Panza zag een ding, dat hem allen moed uit het harte dreef en hem eene rilling over den rug joeg. En dat ding was--de neus van zijn collega, den vreemden schildknaap.

Die was van buitensporige grootte, gebogen als een vogelsneb, met wratten en puisten bezaaid en vertoonde alle kleurschakeeringen van het zachte rozerood tot het donkerst purper toe. Sancho Panza kreeg zoo'n schrik van dien neus, dat hij in stilte besloot, zich liever tweehonderd oorvijgen te getroosten, dan zich met zulk een vogelverschrikker in een gevecht in te laten.

Intusschen nam ook Don Quichot zijn tegenstander op, die een stevig, gezet en grof gespierd man was. Over zijn harnas droeg hij een wapenrok van 't fijnste goudlaken, die van onder tot boven met kleine halvemaanvormige spiegeltjes was bezet, wat bij iedere beweging eene zeer aardige vertooning maakte. Van zijn helm hing een zware pluimbos neer, en zijne lans, die tegen een boom geleund stond, was buitengewoon dik en lang en met een lange stalen punt gewapend.

Uit dit alles maakte Don Quichot op, dat hij eene kloeke tegenpartij had te bekampen; doch zijn bekende en beproefde heldenmoed geraakte daardoor geen oogenblik aan het wankelen. Veeleer daagde hij hem, zonder nog zijn door het vizier van den helm bedekt aangezicht gezien te hebben, op staanden voet ten kampstrijd uit, en beide ridders bestegen onmiddellijk hunne rossen.

Om de vereischte ruimte tot kampplaats te winnen, maakte Don Quichot eene korte wending met zijn paard, en de spiegelridder volgde zijn voorbeeld. Terstond daarop stonden zij tegen elkaar over en sloegen, als om afscheid van de wereld te nemen, nog eens een blik in het rond. Nu kreeg Don Quichot ook den vervaarlijken neus van den vreemden schildknaap in het oog en verwonderde zich er niet minder over dan Sancho, die op ditzelfde oogenblik kwam aanloopen, om zijn meester eene dringende bede in het oor te fluisteren.

"Heer ridder," zei hij, "ik bid u in 's hemels naam mij op gindschen kurkboom te helpen, omdat ik daar uit de hoogte het vreeselijk slagveld veel beter zal kunnen overzien."

"Hoor, Sancho," antwoordde Don Quichot, "ik vrees, dat gij enkel en alleen zoo hoogop wilt, om uw armzalig lijf in veiligheid te brengen."

"Nu, nu, om de waarheid te zeggen, wil ik wel bekennen, dat ik wat bang voor dat gruwelijk neuswerk ben," betuigde de knaap. "Dat jaagt mij zoo'n schrik aan, dat ik 't er onmogelijk dicht bij uithouden kan."

"Ja, ja, die neus is een afgrijselijk ding," zei Don Quichot, "en maak dus maar gauw, dat ge naar boven komt."

Terwijl Don Quichot zijn schildknaap een handje hielp, om op een tak te komen, spoorde de spiegelridder zijn ros aan, om zijn vijand met knaap en al overhoop te rennen. Daar nu evenwel zijn hengst een knol van de gemeenste soort was, bleef die midden in zijn vaart staan en kuchte en hijgde zoo erbarmelijk, dat men wel bijkans medelijden moest krijgen met het arme beest, dat van lamlendigheid haast niet op zijne vier pooten kon blijven staan.

Don Quichot had intusschen zijn knaap in veiligheid gebracht en, door zulk een verraderlijk gedrag in blakende grimmigheid ontstoken, gaf hij Rocinante nu met zooveel geweld de sporen, dat hij in vollen galop op den nu roerloos wachtenden spiegelridder instoof. In het midden van de baan bereikte hij dien en trof hem met zijne lans zoo geweldig in de zijde, dat de snoode man in den zadel waggelde en ruggelings over zijn paard heen ter aarde tuimelde. De bons, dien hij kreeg, was zoo geducht, dat hij stokstijf bleef liggen en Don Quichot zelf geloofde, dat hij zoo dood als een pier was.