Chapter 10
"In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad meer met hem wist.
"De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.
"Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af te vaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.
"De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel.
"Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.
"De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.
"Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hier wel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.
""Beschik vrij over mij," zeide hij tot den waanzinnige. "Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen medemenschen van dienst te zijn."
"Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid schreeuwend: "Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?"
""Ik ben het, lieve broeder," antwoordde de candidaat; "ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade is verleend."
""Ei, ge weet niet, wat ge zegt," schreeuwde de gek den candidaat toe. "Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen."
""O, dat heeft geen nood," riep de candidaat lachend. "Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden."
""Jij volkomen bij je verstand?" riep de gek. "Jij gezond? Loop heen! De tijd zal 't gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo'n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die drie jaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen."
"De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:
""Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt."
""Ei, wat ge zegt!" riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. "Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als 't mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u van hier weghalen."
"De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen.
"Dit is mijne geschiedenis," zeide de barbier; "en de toepassing kan ieder licht zelf maken."
"O baardschrabber, o baardschrabber!" riep Don Quichot uit, "meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal."
Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het 't best oordeelden, maar stilletjes weer op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, en deden dat dan ook.
Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.
Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco's fijn plan niets wisten, waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen.
Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze was met roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen.
Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.
HOOFDSTUK XV.
DON QUICHOT ZOEKT ZIJNE HOOGE GEBIEDERES DULCINEA VAN TOBOSO OP.
Toen de dolende ridder en zijn wakkere schildknaap het open veld bereikt hadden, snoof en brieschte Rocinante luid en begon ook het grauwtje uit volle keel zijn welluidend Yah in de lucht te brullen. Beiden zagen deze omstandigheid voor een zeer gunstig voorteeken aan en hunne harten klopten van blijdschap, nu ze zich de daden voorstelden, die zij in 't vervolg zeker bedrijven, en den onvergankelijken roem, dien zij daarvoor inoogsten zouden.
"Sancho Panza," sprak Don Quichot, toen zij eene poos zwijgend zij aan zij hadden voortgedraafd, "Sancho Panza, de avond valt en het zal donkerder worden, dan wij wenschen, voordat wij Toboso bereiken, dat ik in allen gevalle bezoeken moet. Daar, waar Dulcinea leeft en ademt, wil ik haar zegen afsmeeken, naardien ik overtuigd ben, dat ik daardoor ieder avontuur gelukkig zal te boven komen. Niets, moet gij weten, maakt de dolende ridders gelukkiger en dapperder, dan dat zij van de genade en de bescherming hunner meesteressen verzekerd zijn."
"Daar wil ik niets tegen zeggen, gestrenge heer," antwoordde Sancho Panza, die wist, wat hij van Dulcinea te denken had; "maar toch kan 't u nog wel wat moeite kosten, Dulcinea te spreken te krijgen en eene geschikte plaats te vinden, waar gij den zegen van de hooge dame ontvangen kunt. Ik vrees, dat ze u dien over de schutting of door een gat in den muur zal moeten geven."
"De schutting, Sancho?" vroeg Don Quichot verwonderd. "Zijt gij dan blind geweest, of hebt ge uwe oogen niet gebruikt? Wat gij voor een schutting aanzaagt, was zeker eene rij van trotsche galerijen, gangen en booggewelven, zooals men die altijd bij rijke koninklijke paleizen heeft."
"Nu, dan weet ik het niet," verklaarde Sancho. "Voor zoover mij voorstaat, was 't een gewoone schutting, en nog wel in niet al te besten staat, want ik meende er vrij wat scheuren, spleten en gaten in te zien."
"Dat mag wezen, hoe 't wil," zeide Don Quichot een weinig verdrietig; "maar toch zullen wij haar een bezoek brengen. Als ik haar maar te zien krijgt, raakt het mij weinig, of over eene schutting, of door een raam, of door een traliehek de straal van haar oog op mij valt en mijne ziel verlicht. Een blik van haar zal mij bezielen en wel zoo geweldig, dat ik onvergelijkelijk moet worden in deugd en in dapperheid."
Sancho Panza schudde het hoofd, zonder op deze hoogdravende taal iets te antwoorden, en zwijgend vervolgden ridder en knaap nu voortaan hun weg. Het zal tegen middernacht hebben geloopen, toen zij, bij een heuvel neerdalende, Toboso bereikten. In het dorp heerschte de diepste rust; want natuurlijk lagen al de bewoners te bed en rustten in de armen van de slaap. De maan stond aan den hemel, en de nacht was dus niet zoo donker, als Sancho Panza gewenscht had. 't Zou hem liever geweest zijn, dat geen sterretje aan den hemel had geblonken, daar de donkerheid hem dan tot verontschuldiging voor zijne onwetendheid kon hebben gediend. Hij had, gelijk wij weten, Toboso nog met geen voet betreden, hoewel hij den bedrogen ridder duizend dingen van Dulcinea en zijne boodschap aan haar had weten op de mouw te spelden.
Zooals gezegd is, lagen de bewoners van het dorp nog in den diepsten slaap, en men vernam niets dan het blaffen van honden, dat den ridder hoogst onaangenaam in de ooren klonk, terwijl het den vreesachtigen schildknaap niet minder beangstigde. Toen het blaffen niet ophield, voegden zich daar nog andere tonen bij: ezels balkten, varkens knorden, paarden snoven, katten miauwden, wat alles in de stilte van den nacht duidelijker dan ooit hoorbaar was. Don Quichot behaagde dat volstrekt niet, daar hij al die geluiden voor slechte voorteekens hield, hoewel hij er niets van zei, maar stil aan Sancho Panza's zijde doorreed. Eindelijk brak hij het lange stilzwijgen af en sprak:
"Sancho, breng mij naar het paleis mijner gebiedster. Misschien wil een gelukkig toeval, dat wij haar wakende vinden."
"Maar naar wat paleis moet ik u dan brengen, edele heer?" riep Sancho verlegen uit. "Hier heeft men geen paleizen en, zooals ik u al zei, uwe Dulcinea woont in een ellendig klein kot van een huisje."
"Gij vergist u zeker, vriend," beweerde Don Quichot. "Waarschijnlijk had mijne edele gebiedster zich toen maar in een zijvleugel van haar vorstelijk paleis afgezonderd, gelijk hooge dames wel eens meer de stilte en eenzaamheid zoeken."
"Gestrenge heer," antwoordde Sancho, "gesteld nu al, dat gij gelijk hadt, is het dan toch wel gepast, dat wij zoo in het holle van den nacht de rust uwer meesteresse storen? Als wij op de deur kloppen, zullen ook de buren wakker worden en ons voor zeer dwaze en onzinnige menschen houden."
"Dat moeten wij afwachten," zeide de ridder. "Laat ons eerst maar haar burcht opzoeken, en dan zal ik u zeggen, wat verder te doen. Zie daar eens, Sancho! Een donker gebouw rijst daar hoog op in den nacht en ik bedrieg mij zeker niet, als ik dat voor de woonstede mijner onvergelijkelijke dame houd."
"Rijd er dan maar op los," bromde de schildknaap; "maar 'k laat mij hangen, als ge 't niet glad mishebt."
Don Quichot gaf Rocinante de sporen en reed vooruit. Toen hij echter in de nabijheid van het groote gebouw was gekomen, zag hij wel, dat hij niet het slot eener edele prinses, maar enkel de kerk van het dorp voor zich had.
"Het is de kerk," zeide hij, onaangenaam verrast.
"Ja, dat zie ik," zeide Sancho Panza, "en de hemel geve maar, dat wij niet op het kerkhof ons graf vinden. Voor 't overige heb ik u wel gezeid, dat de woning van uwe Dulcinea in een of ander achterafstraatje moet liggen."
"Ezel! Domkop! Stommerik!" bulderde Don Quichot. "Waar hebt ge dan ooit van uw leven gezien, dat riddersloten en paleizen in achterafstraatjes liggen?"
"Gehoord en gezien heb ik dat niet," was Sancho's koel antwoord; "maar 's lands wijs 's lands eer, zegt het spreekwoord, en misschien is 't hier in Toboso wel gebruikelijk groote huizen en voorname gebouwen wat achteraf te zetten. Wilt gij mijn raad volgen, gestrenge ridder, laat mij dan maar eens op mijn eigen houtje gaan zoeken. Misschien lukt het ons wel 't paleis van uwe gebiedster te vinden, dat mijnentwege in den grond mag verzinken, zoo veel ergernis heb ik er al van gehad."
"Sancho Panza," zeide de ridder op dreigenden toon, "ik raad u, met achting van alle dingen te spreken, die met mijne gebiedster ook maar van verre in verband staan. Ga nu voorts in vrede, zoek al uw best, en als ge het paleis gevonden hebt, val dan niet zoo dadelijk met de deur in huis. Overleg, Sancho, overleg en bedaardheid bij alle dingen en in alle omstandigheden moet de hoofddeugd van iederen dolenden schildknaap zijn."
"Ik ben bedaard genoeg," antwoordde Sancho Panza, "maar hoe zou ik mijn geduld niet verliezen, als uwe edelheid verlangt, dat ik midden in den nacht een huis weerom zou vinden, dat ik nog maar eens bij helder daglicht gezien heb? Waarom zoekt gij zelf het dan niet? Gij moest het toch, dunkt mij, in een ommezien kunnen vinden, daar gij het meer dan duizendmaal moet gezien hebben."
"Sancho Panza, gij zult mij nog tot razernij brengen," schreeuwde Don Quichot. "Ik heb u wel honderdmaal gezegd, dat ik de gebiederesse mijner ziel nog geen enkel maal met eigen oogen aanschouwd, dat ik nog nooit den drempel van haar geheiligd paleis betreden heb."
"Nu, edele heer, als gij haar nog niet gezien hebt, dan heb ik haar ook niet gezien," antwoordde Sancho. "Men kan uit u niet wijs worden! Nu spreekt gij zus, dan spreekt gij zoo, al naar 't u best past, en meent, dat gij uwen schildknaap vrij de huid vol moogt liegen. Fop je mij, ik fop je weer, zegt het spreekwoord; en dat heb ik ook al vaak genoeg gedaan. Ik zeg u nu ronduit, dat ik noch uwe Dulcinea, noch haar vader, noch een van hare familie ooit met mijne oogen gezien heb,--en daarmee basta!"
"Sancho, Sancho," sprak Don Quichot, "met heilige dingen mag men niet gekscheren. Hoe kunt gij dus zeggen, dat gij Dulcinea nooit gezien hebt, daar gij mij zooveel van haar hebt verteld?"
"Wat ik vertelde, heb ik maar zoo van hooren zeggen gehad," antwoordde de schildknaap.
Voordat de ridder antwoordde, bemerkte hij, dat hem een man met twee muilezels voorbijkwam, die een ploeg trokken. Waarschijnlijk wou de man naar den akker gaan en voor dag en dauw zijn arbeid beginnen, en Don Quichot nam de gelegenheid waar, om bij hem naar Dulcinea's woning te vernemen.
"Kunt gij mij ook zeggen, goede vriend," riep hij hem toe, "waar ik hier ergens het paleis van de onvergelijkelijke prinses Dulcinea van Toboso vind?"
De boer hield zijn span ezels stil en keek verwonderd op.
"Heer," zei hij na kort beraad, "ik ben hier zelf nog vreemd, daar ik mij hier eerst voor korte dagen bij een boer als knecht verhuurd heb. Als gij alles precies weten wilt, ga dan bij den pastoor, die daar recht tegenover in dat groote huis woont. Evenwel kan ik kwalijk gelooven, dat hier in het dorp eene prinses verblijf houdt, ofschoon er vrouwen genoeg zijn, die binnen hare vier muren wel voor prinsessen doorgaan kunnen."
Na deze woorden dreef de man zijne dieren weer aan en reed door, terwijl Don Quichot hem verdrietig nakeek.
"Gestrenge heer," zeide Sancho tot den ridder, "de dag begint te lichten en ik geloof niet, dat het goed is, dat wij ons hier vóór de zon op straat laten vinden. 't Zou beter wezen, dat gij u hier in den omtrek ergens in een boschje verborgen hieldt, terwijl ik geen hoekje ondoorzocht wil laten, tot ik uwe prinses gevonden heb. Het moest al vreemd toegaan, als ik haar niet eindelijk te pakken kreeg!"
"Uw raad bevalt mij, Sancho Panza," antwoordde Don Quichot na kort nadenken. "Volg mij dus eerst tot buiten het dorp en keer terug om haar te hooren, te zien en te spreken."
Van harte blij, dat hij zijn heer zoo gewillig vond, maakte Sancho, dat hij buiten het dorp kwam, en hield eerst een heel eind daar vandaan stil bij een boschje, waar Don Quichot zich tusschen de boomen schuil kon houden, terwijl Sancho Panza onverwijld naar het dorp terugkeerde.
Toen de knaap echter zoo ver was, dat zijn meester hem niet meer zien kon, liet hij zich doodbedaard van zijn ezel neerglijden, wierp zich onder een boom in het malsche gras neer en hield de volgende alleenspraak:
"'k Moest wel zot wezen, als ik naar prinsessen en paleizen ging zoeken, die heel niet in de wereld zijn. Mijn heer moet gefopt worden en zal gefopt worden. Zooveel is zeker, dat hij gek is, stapelgek, 't eene ding voor het ander houdt en zwart voor wit, maar wit voor zwart aanziet, zooals bij die windmolens, die schapenkudden en de hemel weet waar meer zonneklaar gebleken is. De eerste de beste boerenmeid, die ik te zien krijg, stel ik hem als prinses Dulcinea voor. Gelooft hij mij niet, dan bezweer ik 't, en vloekt hij, dan bezweer ik 't weer en wil 't zoo lang bezweren, totdat ik hem eindelijk de baas word. Hij laat mij dan òf later met zijne malle boodschappen ongemoeid, of misschien denkt hij ook, dat de eene of andere toovenaar zijne prinses, om hem te plagen, heeft omgehekst, en 't een is mij zoo lief als 't ander en zal mij voortaan 't leven minder zuur maken."
Na die stichtelijke redeneering legde Sancho rustig zijn hoofd neer, sloot de oogen en deed een dutje, dat tot den laten namiddag duurde. Toen eerst besteeg hij zijn ezel weer en ging zijn meester opzoeken. Zijn goed geluk wou, dat hij drie boerenmeiden inhaalde, die op muilezels denzelfden weg reden, en nu was zijn plan dadelijk ontworpen. Zijn grauwtje in draf zettend, was hij spoedig bij zijn ridder en vond dien stijf te paard zittend, en luid zuchtend en weeklagend over het lang uitblijven van zijn schildknaap.
"Nu, hoe is het, Sancho" vroeg hij, "moet ik dezen dag met een zwarten of mag ik hem met een witten steen teekenen?"
"Met een witten, of nog liever met een vuurrooden," antwoordde Sancho Panza. "Gij hebt uw Rocinante maar aan te sporen en den weg op te rijden, om uwe aanminnige Dulcinea te zien. Zij komt daar met twee van hare hofdames aandraven, om u een bezoek te brengen."
"Wat zegt gij daar?" riep Don Quichot half verschrikt. "Hoed u, hoed u, Sancho, mij opzettelijk te misleiden, om door eene bedrieglijke boodschap mijne diepe treurigheid in een snel vervliegend geluk te verkeeren."
"Maar, heer ridder, wat zou 't mij baten, dat ik u trachtte te bedriegen?" vroeg Sancho met een doodonnoozel gezicht. "Gij zoudt dat bedrog immers in een ommezien ontdekken. Kom, kom, en spoor uw ros, om uwe verheven gebiedster van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen. Och, wat is zij mooi, heer! Zij en hare staatsiedames glimmen van klinkklaar goud, van juweelen, van parels en van brocaat. Haar krullend haar blinkt in den zonneschijn en fladdert in den wind. Zij rijden op drie telgangers, zooals ik ze mijn leven lang nog niet gezien heb."
"Nu, dan willen we ons haasten, vriend Sancho," antwoordde Don Quichot. "Heb dank voor de heuglijke tijding en maak er staat op, dat ik u daar koninklijk voor beloonen zal."
Zij brachten hunne dieren in draf en zagen, uit het bosch komende, de drie boerinnetjes reeds dicht voor zich. Don Quichot keek deze echter nauwelijks aan, maar liet zijne oogen over den weg naar Toboso rondgaan, om de schoone prinses Dulcinea met hare hofdames te zien te krijgen. Met groote verwondering bemerkte hij echter, dat van de drie geen spoor te ontdekken was, en vroeg dus zijn schildknaap, of die haar reeds buiten het dorp had gezien.
"Wel zeker heb ik dat," zei Sancho Panza. "Heeft uwe edelheid dan geen oogen in het hoofd en ziet de prinses niet, die daar aankomt, schitterend als de zon en flikkerend als tienmaal honderdduizend diamanten."
"Sancho Panza, ik zie niets dan drie boerenmeiden op drie magere bonken van muilezels."