Dombey en Zoon

Part 76

Chapter 764,070 wordsPublic domain

“Toen ik jong en mooi was, en dit,” zeide zij, verachtelijk rukkende aan de lok die zij vasthield, “niet anders dan zacht werd behandeld en niet genoeg bewonderd kon worden, ontdekte mijne moeder, die niet veel op mij gelet had toen ik een kind was, mijne verdiensten, en was zij goed voor mij en trotsch op mij. Zij was hebzuchtig en arm, en meende een soort van rentegevend pand van mij te maken. Geene groote dame heeft zeker nog ooit zoo over eene dochter gedacht, of zoo gedaan—dat gebeurt nooit, weten wij wel—en dit bewijst, dat de eenige voorbeelden van moeders, die hare dochters verkeerd opbrengen, en van het kwaad dat daarvan komt, onder zulke ellendigen als wij gevonden worden.”

Naar het vuur ziende, alsof zij een oogenblik vergat dat zij eene toehoorster had, vervolgde zij op een droomerigen toon, terwijl zij de lange haarlok stijf om hare hand wond:

“Wat daarvan kwam behoef ik u niet te zeggen. Rampzalige huwelijken komen van zulke dingen niet in onzen stand; alleen maar ellende en verderf. Ellende en verderf kwamen over mij—kwamen over mij.”

Snel hare oogen, die somber in het vuur staarden, naar Harriët opslaande, zeide zij:

“Ik verspil den tijd, en er is geen tijd over, maar als ik niet aan dat alles gedacht had zou ik niet hier wezen. Ellende en verderf kwamen over mij, zeg ik. Ik werd voor een korten tijd een speeltuig, en werd nog onbarmhartiger en onverschilliger weggeworpen dan men zulke dingen doet. Door wiens hand denkt gij?”—“Waarom vraagt ge mij dat?” zeide Harriët.—“Waarom beeft gij?” antwoordde Alice met een vurigen blik. “Zijne behandeling heeft eene duivelin van mij gemaakt. Ik verzonk in ellende en verderf al dieper en dieper. Ik had deel aan een diefstal—deel aan alles behalve de winst—en werd ontdekt en moest te recht staan, zonder een enkel vriend en zonder een stuiver geld. Schoon ik maar een meisje was had ik liever ter dood willen gaan, dan hem om een woord te vragen, als een woord van hem mij had kunnen redden. Dat zou ik. Liever elke soort van dood, die men had kunnen uitvinden. Maar mijne moeder, altijd hebzuchtig, zond hem eene boodschap in mijn naam, verhaalde hem de waarheid van mijn geval, en bad nederig om de laatste geringe gift—om niet zooveel ponden als ik vingers aan deze hand heb. Wie was het, denkt gij, die met zijne vingers naar mij knipte, in mijne ellende, toen ik, naar hij dacht, aan zijne voeten lag, en mij zelfs dat armoedige teeken van herinnering niet wilde geven; weltevreden dat ik buitenslands zou worden gezonden, waar ik hem niet verder kon lastig vallen, en daar zou sterven en verrotten. Wie was dat denkt gij?”—“Waarom beeft gij?” zeide Alice, de hand op haar arm leggende en haar in het gezicht ziende. “Waarom anders, dan omdat gij het antwoord op de lippen hebt? Het was uw broeder James.”

Harriët beefde nog sterker, maar wendde hare oogen niet af van den strakken blik die daarop rustte.

“Toen ik hoorde dat gij zijne zuster waart—dat op dien avond was—kwam ik terug, vermoeid en kreupel als ik was, om u uwe gift voor de voeten te werpen. Het was mij dien nacht, alsof ik, zoo vermoeid en kreupel, wel de geheele wereld had kunnen doorreizen, om hem een mes in het hart te steken, als ik hem maar ergens alleen had kunnen vinden. Gelooft gij dat mij dat alles ernst was?”—“Ja! goede hemel, waarom zijt gij teruggekomen?”—“Sedert,” zeide Alice, nog haar arm vasthoudende en haar strak aanziende, “heb ik hem gezien. Heb ik hem met mijne oogen gevolgd op klaar lichten dag. Als er nog maar een vonkje haat in mijne borst had gesmeuld, had het in vlam moeten schieten toen mijne oogen hem zagen. Gij weet dat hij een trotsch man heeft beleedigd en tot zijn doodvijand gemaakt. Als ik nu dien man eens bericht van hem had gegeven?”—“Bericht!” herhaalde Harriët.—“Als ik eens iemand had gevonden, die uw broeders geheim wist, die wist hoe hij gevlucht is, en waar hij met zijne gezellin naar toe is? Als ik hem eens al wat hij wist, woord voor woord, had laten zeggen, voor dien vijand, verscholen om het te hooren? Als ik er toen eens bij had gezeten, en dien vijand in het gelaat had gezien en er zulk eene verandering op had gezien, dat het bijna geen menschengezicht meer was? Als ik hem eens als dol had zien heenvliegen om hem te vervolgen? Als ik eens wist dat hij nu op weg was, meer duivel dan mensch, en hem in zoovele uren moest inhalen?”—“Neem uwe hand weg!” zeide Harriët, terugdeinzende. “Ga heen! Ik gruw er van dat ge mij aanraakt.”—“Ik heb dat gedaan,” vervolgde Alice even eens, zonder op deze woorden te letten. “Kunt gij niet aan mij hooren en zien, dat ik het gedaan heb? Gelooft gij wat ik zeg?”—“Ik vrees dat ik moet. Laat mijn arm los!”—“Nog niet. Nog een oogenblik. Gij kunt denken wat mijne wraakzucht moet geweest zijn, om zoolang te duren en mij daartoe te drijven?”—“Schrikkelijk!” zeide Harriët.—“Als gij mij dan nu hier wederziet,” zeide Alice met eene schorre stem, “stil op den grond geknield, met mijne hand op uw arm, met mijne oogen op uw gezicht, moogt gij wel gelooven, dat het ernst is met wat ik zeg, en dat ik een zwaren strijd heb gestreden. Ik schaam mij om de woorden uit te spreken, maar ik heb berouw. Ik veracht mij zelve; ik heb den ganschen dag en geheel den verleden nacht met mij zelve gekampt; maar ik gevoel mij zonder reden voor hem verzacht, en ik wensch te herdoen wat ik gedaan heb, als het nog mogelijk is. Ik wilde niet dat zij bij elkander kwamen terwijl zijn vervolger zoo blind en woest is. Als gij hem gisteravond hadt gezien, toen hij heenging, zoudt gij het gevaar beter kennen.”—“Hoe kan dat verhoed worden! Wat kan ik doen!” riep Harriët uit.—“Den geheelen nacht,” vervolgde de ander haastig, “heb ik van hem gedroomd—en toch sliep ik niet—in zijn bloed. Den geheelen dag heb ik hem bij mij gehad.”—“Wat kan ik doen?” zeide Harriët, huiverende bij deze woorden.—“Als er iemand is, die hem wil schrijven, of eene boodschap zenden, of naar hem toe gaan, laat hij dan geen tijd verzuimen. Hij is te Dijon. Kent gij dien naam, en weet gij waar het is?”—“Ja!”—“Waarschuw hem, dat de man, dien hij tot zijn vijand heeft gemaakt, razend is, en dat hij hem niet kent als hij zijne komst gering acht. Zeg hem, dat hij onderweg is—ik weet dat—en haast maakt. Dring hem om zich uit den weg te maken terwijl het nog tijd is—als het nog tijd is—en hem nog niet onder de oogen te komen. Eene maand of zoo zal jaren van verschil maken. Laten zij elkander niet door mij ontmoeten. Daar maar niet! Nu maar niet! Laat zijn vijand hem vervolgen en hem van zelf vinden, maar niet door mij. Ik heb buitendien genoeg op mijn hoofd!”

Het schijnsel van het vuur speelde niet langer over hare zwarte haren en opgeheven gezicht; hare hand lag niet meer op Harriët’s arm, en de plaats, waar zij geknield had, was ledig.

LIV.

DE VLUCHTELINGEN.

De tijd, een uur voor middernacht; de plaats, een Fransch apartement, bestaande uit een half dozijn vertrekken;—eene donkere koude antichambre of corridor, eene eetzaal, een salon, eene slaapkamer, en een kabinet of boudoir, kleiner en meer afgelegen dan de andere kamers. Dat alles afgesloten met eene dubbele deur, die op de groote trap uitkomt, maar elke kamer voorzien van twee of drie eigene deuren, die verscheidene middelen van gemeenschap aanbieden met het overige van het apartement, en zekere smalle gangen tusschen de muren, die, gelijk in zulke huizen niet ongewoon is, naar eene achtertrap voeren, welke onderaan een uitgang in eene achterstraat heeft. Alles gelegen op de verdieping van een hotel, zoo groot, dat dit apartement nog niet eens eene geheele rij vensters beslaat aan den eenen kant van het binnenplein, waarop de vier zijden van het gebouw uitzien.

Eene pracht, genoeg verbleekt om iets zwaarmoedigs te hebben, en nog schitterend genoeg, om door zekeren zweem van staatsie het gewone gebruik te belemmeren, heerschte in deze vertrekken. De wanden en zolderingen waren beschilderd en verguld; de vloeren waren ingelegd en geboend; roode draperieën hingen om vensters, deuren en spiegels; branches, gewrongen en door elkander gevlochten gelijk takken van boomen of hoornen van dieren, staken uit de wandpaneelen. Maar overdag, wanneer de luiken, nu dicht gesloten, open waren, en het licht binnenscheen, waren onder al dien opschik de sporen zichtbaar van slijting en stof, van zonneschijn, vochtigheid en rook, en lange tusschenpoozen van gebrek aan gebruik en bewoning, wanneer zulke staatsiekamers schijnen te verkwijnen evenals menschen doen, die in eene gevangenis zijn opgesloten. Zelfs de avond en de groepen van brandende kaarsen konden deze sporen niet geheel uitwisschen, schoon het algemeene geflikker ze minder deed opmerken.

Het geflikker van helder brandende bougies en de weerkaatsing daarvan in spiegels, van verguldsel en schitterende kleuren, was dezen avond tot maar eene kamer beperkt—dat kleine vertrekje, achter de andere zoo pas opgenoemde. Uit de voorzaal gezien, waar eene flauwe lamp brandde, door het donkere verschiet van opene deuren, scheen het glansrijk en kostbaar als een juweel. In het hart van dien glans zat eene schoone vrouw—Edith.

Zij was alleen. Haar gelaat had nog dezelfde uitdrukking van uitdagenden trots. Hare wangen waren eenigszins vermagerd, hare oogen schenen eenigszins grooter, maar hadden nog meer glans, en hare fiere houding was juist dezelfde. Geene schaamte op haar voorhoofd; geen laat berouw boog haar trotschen hals. Nog even statig en gebiedend, en toch onverschillig voor zich zelve en alle andere dingen, zat zij daar, met hare donkere oogen neergeslagen, naar iemand te wachten.

Geen boek, geen werk, geene bezigheid hoegenaamd behalve hare eigene gedachten, kortte den slependen tijd. Een voornemen, krachtig genoeg om haar voor niets anders aandacht te laten, vervulde haar. Met dicht geknepene lippen, die beefden als zij ze voor een oogenblik van dat bedwang ontsloeg; met opgespannen neusgaten, met samengeknepene handen, en met haar voornemen in hare zwoegende borst, zat zij daar te wachten.

Toen zij een sleutel in de buitendeur hoorde steken, en daarop een voetstap in de voorzaal volgde, sprong zij op en riep: “Wie is daar?” Het antwoord was in het Fransch, en twee mannen kwamen met rammelende borden, om de tafel te dekken voor het souper.

Wie had hen dat belast? vroeg zij.

Monsieur had het besteld, toen het hem beliefde dat apartement te nemen. Monsieur had gezegd, toen hij hier en route een uur was gebleven en een brief voor madame had gelaten—madame had dien brief toch wel ontvangen?

“Ja.”

Duizendmaal pardon! De plotselinge vrees, dat hij vergeten kon zijn, had hem, een man met een kaal hoofd en een grooten baard, van een naburigen restaurant, tot wanhoop gebracht! Monsieur had gezegd, dat het souper op dat uur gereed moest wezen; en had in zijn brief madame ook gewaarschuwd wat hij besteld had. Monsieur had het Gouden Hoofd de eer bewezen om te verzoeken, dat het souper uitgelezen en keurig zou zijn. Monsieur zou bevinden, dat zijn vertrouwen in het Gouden Hoofd niet verkeerd geplaatst was geweest.

Edith zeide niets meer, maar zag peinzend toe, terwijl zij de tafel voor twee personen dekten en wijn daarop zetten. Eer zij gedaan hadden stond zij op, en eene lamp nemende, ging zij in de slaapkamer en het salon, waar zij haastig maar nauwkeurig al de deuren onderzocht, vooral eene deur in de laatste kamer, die in een smallen gang uitkwam. Zij nam den sleutel daaruit en stak dien aan den buitenkant. Daarna kwam zij terug.

De mannen—waarvan de tweede er zeer donker en galachtig uitzag, met een buisje, glad geschoren en met zwarte, zeer kort geknipte haren—hadden de tafel gedekt en stonden nu hun werk aan te zien. Hij, die eerst gesproken had, vroeg of madame dacht, dat het nog lang zou duren eer monsieur kwam.

Zij kon dat niet zeggen. Het kwam er niet op aan.

Pardon! Daar was het souper. Het moest nu dadelijk gebruikt worden. Monsieur (die Fransch sprak als een engel—of als een Franschman—dat was hetzelfde) had met zeer veel nadruk van zijne preciesheid gesproken. Maar de Engelsche natie had zulk een groot genie voor preciesheid. Ha, welk gerucht! Groote Hemel, daar was monsieur. “Le voilà!”

Inderdaad, monsieur, door den ander van de twee ingelaten, kwam, met zijne blinkende tanden, door de donkere kamers aan, alsof hij geheel en al mond was; maar in dat heiligdom van licht en kleur gekomen, bleek hij een man ten voeten uit te zijn, omhelsde madame en sprak haar in de Fransche taal aan als zijne bekoorlijke vrouw.

“Mijn God! madame zal flauw vallen. Madame is overstelpt van blijdschap.” De man met het kale hoofd en den baard merkte dit op en riep dit uit.

Madame was maar bevend teruggedeinsd. Eer de woorden nog geheel waren uitgesproken, stond zij met hare hand op een fluweelen rug van een leuningstoel, tot hare volle lengte opgericht, en met een onbeweeglijk strak gezicht.

“François is naar het Gouden Hoofd gevlogen om het souper. Hij vliegt bij zulke gelegenheden als een engel of een vogel. De bagage van monsieur is in zijne kamer. Alles is gearrangeerd. Het souper zal in een oogenblik hier zijn.” Deze feiten werden door den kalen man met buigingen en glimlachjes aangekondigd, en weldra kwam het souper.

De warme schotels stonden op een komfoor; de koude waren reeds, met het noodige tafelgereedschap, op een buffet gezet. Monsieur was met deze schikking tevreden. Dat de tafel zoo klein was beviel hem zeer wel. Zij moesten het komfoor maar op den grond zetten en heengaan. Hij zou zelf de schotels wel verplaatsen.

“Pardon!” zeide de kale man zeer beleefd. Dat was onmogelijk.

Monsieur was van een ander gevoelen. Hij had dien avond geene verdere bediening noodig.

“Maar madame,” gaf de kale man in bedenking.

Madame, antwoordde monsieur, had hare eigene kamenier. Dat was genoeg.

Een millioen maal pardon! Neen! Madame had geene kamenier.

“Ik ben alleen hier gekomen,” zeide Edith. “Dat was mijne verkiezing zoo. Ik ben wel aan het reizen gewoon; ik heb geene bediening noodig. Zij behoeven mij niemand te zenden.”

Monsieur liet, bij zijne eerste onmogelijkheid blijvende, de twee bedienden de buitendeur uit en sloot die achter hen. Toen de kale man zich omkeerde om te buigen, merkte hij op dat madame nog met hare hand op den fluweelen rug van den leuningstoel stond, en dat zij hem geheel niet scheen te zien, hoewel zij recht voor zich uitkeek.

Toen het gerucht, dat Carker maakte bij het sluiten der deur, door de reeks der kamers klonk en dof gesmoord die laatste scheen te bereiken, klonk Edith te gelijk eene kerkklok in de ooren, die twaalf sloeg. Zij hoorde hem stilstaan, alsof hij die klok insgelijks hoorde en luisterde, en toen naar haar terugkomen, met eene lange reeks van voetstappen door de stilte, en naarmate hij verder kwam elke deur achter zich sluitende. Hare hand verliet een oogenblik den fluweelen rug van den stoel, om een mes op de tafel binnen haar bereik te brengen; toen stond zij weder gelijk zij te voren had gestaan.

“Hoe vreemd dat gij alleen hier komt, lieve,” zeide hij toen hij de kamer inkwam.—“Wat!” zeide zij.

Haar toon was zoo ruw; de snelle wending van haar hoofd zoo woest; hare houding zoo terugstootend, en haar gezicht zoo donker en dreigend, dat hij haar met de lamp in de hand bleef staan aanzien, alsof zij hem had doen versteenen.

“Ik zeg,” herhaalde hij eindelijk met zijn allerbeleefdsten glimlach, “hoe vreemd, geheel alleen hier te komen! Dat was waarlijk wel eene noodelooze voorzichtigheid, die zich zelve had kunnen verijdelen. Gij hadt te Havre of Rouaan eene dienstbode moeten nemen, en hebt daartoe overvloedig tijd gehad, hoewel gij de grilligste en ongemakkelijkste van alle vrouwen zijt, gelijk gij ook de schoonste zijt, mijn lief.”

Hare oogen zagen hem aan met een vreemden glans, maar zij bleef met hare hand op den stoel staan leunen, en sprak geen woord.

“Ik heb u nooit zoo schoon gezien als van avond,” hervatte Carker. “Zelfs het portret, dat ik gedurende dezen harden proeftijd in mijn gemoed heb omgedragen, en dat ik nacht en dag heb beschouwd, wordt door de werkelijkheid overtroffen,”

Geen woord. Geen blik. Hare oogen geheel verborgen door de hangende wimpers, maar haar hoofd recht opgericht.

“Harde en strenge bedingen waren het!” zeide Carker met een glimlach; “maar zij zijn allen vervuld en voorbij, en maken het tegenwoordige des te verrukkelijker en te veiliger. Sicilië zal onze wijkplaats zijn. In het traagste en verkwikkelijkste gedeelte der wereld, mijn liefje, zullen wij beide vergoeding zoeken voor de oude slavernij.”

Hij kwam vroolijk naar haar toe, toen zij eensklaps het mes van de tafel greep, en hij een stap terugdeinsde.

“Blijf staan,” zeide zij, “of ik zal u vermoorden.”

De plotselinge verandering in haar, de woede en afschuw, die in hare oogen flikkerden deden hem stilstaan alsof een brand hem had gestuit.

“Blijf staan,” zeide zij. “Kom niet nader, op uw leven.”

“Kom, kom! Wij zijn alleen, en niemand hoort of ziet ons. Denkt gij mij bang te maken met die kuurtjes van deugdzame dames?”—“Denkt gij mij bang te maken,” antwoordde zij woest, “met mij te herinneren dat ik hier alleen ben en er geene hulp nabij is? Denkt gij mij daardoor van eenig plan of voornemen af te schrikken? Mij, die met opzet hier alleen ben? Als ik bang voor u was geweest, zou ik dan hier zijn, in het holste van den nacht, om u in uw gezicht te zeggen wat ik u zeggen zal?”—“En wat is dat,” zeide hij, “gij schoone haneveer? Schooner zóó dan eene andere vrouw in haar best humeur?”—“Ik zeg u niets voordat gij naar dien stoel teruggaat,” antwoordde zij,—“behalve dit nog eens—kom niet nader. Geen stap nader. Ik zeg u, als gij dat doet, zoo waar als de hemel ons ziet, zal ik u vermoorden.”—“Ziet gij mij bij vergissing voor uw man aan?” vroeg hij grijnzend.

Zonder zich te verwaardigen om antwoord te geven, strekte zij haar arm uit, en wees naar den stoel. Hij beet op zijne lippen, rimpelde zijn voorhoofd, lachte, en zette er zich op neer, met eene teleurstelling en verlegenheid, die hij onmogelijk kon ontveinzen; zenuwachtig op zijne nagels bijtende, keek hij haar zijdelings met bittere wreveligheid aan, hoewel hij wilde veinzen dat hij zich met hare grilligheid vermaakte.

Zij legde het mes op de tafel neer, en naar hare borst wijzende, zeide zij:

“Ik heb hier iets zitten dat geen minnepand is, en liever dan nog eens te verdragen dat ge mij aanraakt zou ik het tegen u gebruiken—en dat weet gij, terwijl ik spreek—met minder bezwaar dan tegen eenig kruipend gedierte dat er leeft.”

Hij veinsde schertsend te lachen en verzocht haar om haar spelletje spoedig uit te spelen, want dat het souper koud werd. Maar de geheime blik, waarmede hij haar aanzag, werd norscher en dreigender, en meer dan eens stampte hij met een gemompelden vloek op den grond.

“Hoe dikwijls,” zeide Edith, hem met haar donkersten blik aanziende, “heeft uwe vermetele snoodheid mij met schimp en beleedigingen vervolgd? Hoe dikwijls ben ik, door uwe beleefde manieren, uwe spottende woorden en blikken met mijne vrijage en mijn huwelijk geplaagd? Hoe dikwijls hebt gij mijne wond van liefde voor dat lieve, mishandelde meisje, blootgelegd en opgereten? Hoe dikwijls hebt gij het vuur aangeblazen, dat mij twee jaren lang gemarteld heeft, en mij in verzoeking willen brengen om mij dolzinnig over mijne marteling te wreken?”—“Ik twijfel er niet aan, mevrouw,” antwoordde hij, “of gij hebt er goede rekening van gehouden, en zult het dus wel juist weten. Kom, kom, Edith. Tegen uw man, dien ellendigen bloed, mocht dit aangaan....”—“Wat,” zeide zij, hem aanziende met eene trotsche minachting, waaronder hij wegkromp, hoewel hij zich goed wilde houden, “als al mijne andere redenen om hem te verachten als veertjes hadden weggeblazen kunnen worden, zou het bijna reeds genoeg zijn geweest dat hij u tot raadsman en gunsteling had.”—“Is dat de reden waarom ge met mij zijt weggeloopen?” vroeg hij tergend.—“Ja, en waarom wij elkander nu voor de laatste maal zien. Ellendeling! Wij komen dezen nacht bijeen, en scheiden dezen nacht. Geen oogenblik nadat ik gedaan heb met spreken, zal ik meer hier blijven.”

Hij keerde zich naar haar om met zijn afschuwelijksten blik, en greep de tafel met zijne hand aan; maar stond niet op, en deed of zeide niets anders om haar te dreigen.

“Ik ben eene vrouw,” zeide zij, hem strak aanziende, “die van hare kindsheid af beschaamd gemaakt en verstaald is. Ik ben aangeboden, afgekeurd, opgeveild en uitgeloofd, tot mijne ziel er van walgde. Ik had geen talent, dat mij van nut had kunnen wezen, of het is opgevijzeld en uitgestald, om mijne waarde te verhoogen, alsof de omroeper het door de straten had uitgeschreeuwd. Mijne arme, trotsche betrekkingen zagen dat aan en keurden het goed, en elke band tusschen ons is losgemaakt. Er is niemand van hen om wien ik zooveel geef, als ik om een schoothondje zou geven. Ik sta alleen, alleen in de wereld, en weet wel welk eene valsche wereld het voor mij geweest is, en welk eene valsche rol ik er in gespeeld heb. Gij weet dat, en gij weet dat mijn goede naam voor de wereld geene waarde voor mij heeft.”—“Ja, dat heb ik mij wel verbeeld,” antwoordde hij.—“En er op gerekend,” hernam zij, “en mij daarom vervolgd. Al te onverschillig geworden voor eenigen anderen tegenstand dan onverschilligheid tegen den dagelijkschen arbeid der handen, die mij daartoe gevormd hadden, en wetende dat mijn huwelijk ten minste zou beletten dat ik langer werd rondgevent, liet ik mij verkoopen, zoo schandelijk als ooit eene vrouw met een touw om den hals op eene markt is verkocht. Dat weet gij.”—“Ja,” zeide hij, al zijne tanden toonende. “Dat weet ik.”—“Nu, daarop hebt gij gerekend en mij daarom vervolgd,” zeide zij nog eens. “Van mijn trouwdag af vond ik mij blootgesteld aan zulk eene nieuwe schande—aan zulke aanzoeken en vervolgingen (zoo duidelijk uitgedrukt alsof zij met de grofste woorden geschreven en mij telkens in de hand gestopt waren) van een en denzelfden gemeenen schurk, dat het mij was alsof ik tot dien tijd toe nog nooit vernedering had gevoeld. Die schande deed mijn echtgenoot mij aan; hij zelf overstelpte mij daarmede; met zijne eigene handen dompelde hij mij daarin, en dat herhaalde hij geheel eigenwillig honderden malen. En zoo—door die twee van ieder rustpunt verdrongen, dat ik nog had—door die twee gedwongen om het laatste overblijfsel van liefde en zachtheid in mijn binnenste te verzaken, of het onschuldige voorwerp daarvan tot een nieuw onheil te wezen—van den een naar den ander gedreven, en door den een belaagd als ik den ander ontsnapte—steeg mijne gramschap tegen beiden bijna tot razernij. Ik weet niet wien ik meer haatte—den meester of den knecht.”

Hij lette scherp op haar, terwijl zij daar voor hem stond in de zegepraal harer vergramde schoonheid. Zij was vastberaden, dat zag hij; onverschrokken; niet meer bevreesd voor hem dan voor een worm.

“Wat zou ik tegen u van eer of kuischheid zeggen!” vervolgde zij. “Welke beteekenis zouden die woorden voor u hebben; welke beteekenis zouden zij voor mij hebben! Maar als ik u zeg, dat de minste aanraking van uwe hand mijn bloed van tegenzin doet stollen; dat gij van het uur af toen ik u voor het eerst zag en haatte tot nu toe, nu mijn onwillekeurige afschuw van u is vergroot door al de kennis, die ik van u heb opgedaan, gij een walgelijk schepsel voor mij zijt geweest, dat op aarde geen gelijke meer heeft; hoe dan?”

Hij antwoordde met een flauwen lach: “Ja, hoe dan, mijne koningin?”

“Op dien avond toen gij, aangemoedigd door het tooneel, dat gij hadt bijgewoond, het hart hadt om in mijne kamer te komen en mij aan te spreken,” zeide zij, “wat is er toen voorgevallen?”

Hij haalde zijne schouders op en lachte wederom.