Part 74
Daar de ongeduldige Vrouw Brown dadelijk opstond, hield de gemartelde Slijper haar vast, en stotterde: “Ja, ja, Vrouw Brown. Ik geloof dat hij buitenslands is. Waar kijkt zij zoo naar?” voegde hij er bij, op de dochter doelende, wier oogen gevestigd waren op het gezicht, dat nu achter hem kwam uitkijken.—“Stoor u niet aan haar, jongen,” zeide de oude vrouw, hem steviger vasthoudende, om te beletten dat hij omzag. “Dat is hare manier zoo. Zeg mij, Rob—hebt gij ooit de dame gezien, lieve jongen?”—“Och, Vrouw Brown, welke dame?” riep de Slijper op een jammerlijken smeektoon.—“Welke dame?” antwoordde zij bits. “De dame. Mevrouw Dombey.”—“Ja, ik geloof dat ik haar eens gezien heb,” antwoordde Rob.—“Dien avond toen zij heenging, Robby, he?” beet de oude vrouw hem in het oor, en lette op elke verandering van zijn gezicht. “Ja, ik weet wel dat het dien avond was.”—“Wel, als gij wist dat het dien avond was, Vrouw Brown,” antwoordde Rob, “dan behoeft gij een jongen ook zoo niet te knijpen, om het hem nog eens te laten zeggen.”—“Waar zijn zij dien avond naar toe gegaan, Rob? Hoe gingen zij? Lachte ze of huilde ze? Vertel mij alles er van,” zeide de oude heks, hem nog stijver vasthoudende, en de hand, die door haar arm getrokken was, met hare andere hand knijpende, terwijl zij hem strak in het gezicht keek. “Kom! Begin! Ik wil er alles van weten. Wat zegt ge, Rob, mijn jongen? Gij en ik kunnen samen wel een geheim bewaren. Dat hebben wij wel meer gedaan. Waar zijn zij eerst naar toe gegaan?”
De rampzalige Slijper deed hijgend zijn mond open, maar zweeg.
“Zijt gij stom geworden?” zeide het oude wijf gramstorig.—“Wel neen, Vrouw Brown. Maar gij denkt, dat een jongen een bliksemstraal zal zijn. Ik wou, dat ik de electriciteit zelve was,” mompelde de benauwde Slijper. “Dan zou ik iemand een schok geven, daar zij haar bekomst aan zou hebben.”—“Wat zegt gij?” vroeg het oude wijf grijnzende.—“Dat ik eens op uwe gezondheid wou drinken, Vrouw Brown,” antwoordde de valsche Rob, zijn troost in het glas zoekende. “Waar zij eerst naar toe gingen, vraagt ge. Hij en zij, meent ge?”—“Ja,” zeide de oude vrouw gretig. “Die twee.”—“Wel, zij gingen nergens naar toe—niet te zamen, wil ik zeggen.”
Het oude wijf zag hem aan alsof zij veel lust had om hem nog eens bij het haar en de keel te grijpen; maar zij liet zich weerhouden door zekere knorrige geheimzinnigheid in zijn uitzicht.
“Dat was het slimme er van,” zeide de tegenstribbelende Slijper. “Zoo komt het, dat niemand hen heeft zien heengaan, of heeft kunnen zeggen hoe zij heengegaan zijn. Zij gingen ieder een anderen weg, Vrouw Brown.”—“Ja, ja! Om op eene afgesprokene plaats bij elkander te komen,” zeide het oude wijf grinnikend, nadat zij hem een oogenblik scherp had aangezien.—“Wel, als zij elkander niet ergens wilden opzoeken, dunkt mij, dat zij evengoed thuis hadden kunnen blijven, nietwaar, Vrouw Brown?” antwoordde de onwillige Slijper.—“Wel, Rob? Wat meer?” zeide het oude wijf, zijn arm nog verder door den haren trekkende, alsof zij bang was dat hij haar nu zou ontglippen.—“Wat, hebben wij nog niet genoeg gepraat, Vrouw Brown?” zeide Rob, die van angst en door den drank zoo huilerig was geworden, dat hij bijna geen woord kon spreken, zonder zijn opslag in zijn oog te duwen en een jankend geluid te laten hooren. “Of zij dien avond lachte, niet waar? Hebt gij niet gevraagd of zij lachte, Vrouw Brown?”—“Of huilde?” zeide het oude wijf toestemmend knikkende.—“Geen van beide,” zeide de Slijper. “Zij hield zich zoo stijf, den geheelen weg—och, ik zie wel dat gij mij wilt uitpersen, Vrouw Brown. Maar gij moet er eerst een duren eed op doen, dat gij het nooit iemand zult vertellen.”
Vrouw Brown deed dit zeer bereidwillig, gelijk zij gerust kon doen, daar zij niets anders bedoelde dan den verborgen luisteraar alles zelf te laten hooren.
“Wel dan, den geheelen weg over, toen ik met haar naar Southampton reed, hield zij zich zoo stijf als een steenen beeld,” zeide de Slijper. “Den anderen ochtend nog eveneens, Vrouw Brown. En toen ik voor den dag met haar naar de pakketboot ging—ik alsof ik haar knecht was, die haar veilig aan boord moest brengen—was zij ook nog zoo. Zijt gij nu tevreden, Vrouw Brown?”—“Neen, Rob, nog niet,” antwoordde Vrouw Brown kortaf.—“Hoor die vrouw nu eens aan!” riep de Slijper jammerend uit. “Wat wilt ge dan nog meer weten, Vrouw Brown?”—“Waar is uw meester gebleven? Waar ging hij naar toe?” vroeg zij, hem nog stevig vasthoudende en scherp aanziende.—“Bij mijne ziel, dat weet ik niet, Vrouw Brown,” antwoordde Rob. “Bij mijne ziel, ik weet niet wat hij gedaan heeft, of waar hij naar toe ging, of iets van hem. Ik weet alleen wat hij mij op het laatst nog heeft gezegd, om mij te waarschuwen dat ik mijn mond moest houden; en ik zeg u dit, Vrouw Brown, als een vriend: veel liever dan ooit een woord te vertellen van wat wij nu praten, moest gij u zelve liever doodschieten, of u zelve hier in huis opsluiten en het in brand steken, want er is niets dat hij niet doen zou om wraak op u te nemen. Gij kent hem niet half zoo goed als ik, Vrouw Brown. Gij zijt nooit veilig voor hem, zeg ik u.”—“Heb ik geen eed gedaan,” zeide het oude wijf, “en zal ik dien niet houden?”—“Nu, ik hoop waarachtig dat ge dat doen zult, Vrouw Brown,” antwoordde Rob eenigszins twijfelachtig, en niet zonder iets dreigends in zijn toon. “In uw eigen belang, zoowel als in het mijne.”
Hij zag haar aan terwijl hij haar deze vriendelijke waarschuwing gaf, die hij nog met een hoofdknik aandrong; maar daar hij het onpleizierig vond dat gele grijnzende gezicht en de scherpe loerende oogen zoo dichtbij te zien, keek hij weder naar omlaag, en bleef onrustig op zijn stoel zitten heen en weder schuiven, alsof hij zijn best deed om zich op te winden tot eene stugge verklaring, dat hij nu geene vragen meer wilde beantwoorden. De oude vrouw, die hem nog stevig vasthield nam deze gelegenheid waar om ongemerkt haar voorvinger op te steken, als een geheim teeken voor den verborgen luisteraar om bijzonder op te letten op hetgeen er nu zou volgen.
“Rob,” zeide zij op haar fleemenden toon.—“Lieve hemel, Vrouw Brown, wat is er nu weer?” zeide de radelooze Slijper.—“Rob, waar hebben de dame en uw meester afgesproken om elkander te vinden?”
Rob schoof nog onrustiger heen en weer, keek op en weder naar omlaag, beet op zijn duim, veegde dien op zijn vest af, en zeide eindelijk, zijn plaaggeest schuins aanziende: “Hoe zou ik dat weten, Vrouw Brown?”
De oude vrouw stak nog eens haar vinger op en zeide: “Kom, jongen. Nu gij zooveel gezegd hebt, moet ge mij er niet bij laten steken. Ik wil het weten.”
Rob liet haar eene poos op antwoord wachten en barstte toen radeloos uit: “Hoe kan ik de namen van die vreemde plaatsen uitspreken, Vrouw Brown? Wat zijt ge toch onredelijk!”—“Maar gij hebt het toch gehoord, Robby,” hervatte zij dringend, “en hoe klonk het? Kom aan!”—“Ik heb het nooit gehoord, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.—“Dan,” hervatte zij snel, “hebt gij het geschreven gezien en kunt het spellen.”
Met een wreveligen uitroep, tusschen lachen en huilen—want hij moest de slimheid van Vrouw Brown eenigszins bewonderen, hoe erg zij hem ook kwelde—haalde Rob een stukje krijt uit zijn vestzakje. De oogen van het oude wijf begonnen te schitteren toen zij het tusschen zijn duim en vinger zag blinken, en haastig ruimte makende op de vurenhouten tafel, om hem het woord daar te laten schrijven, gaf zij met hare bevende hand nog eens het vorige teeken.
“Nu zeg ik u vooruit hoe het is, Vrouw Brown,” zeide Rob. “Gij behoeft mij nu niets meer te vragen. Ik wil op niets meer antwoord geven, en kan ook niet. Hoelang het nog duren moest eer zij elkander vonden, of wie het bedacht dat zij ieder alleen zouden gaan, daarvan weet ik niet meer dan gij. Ik weet er nu niets meer van. Als ik u nu nog zeg hoe ik dat woord gevonden heb, zult gij dat wel gelooven. Zal ik u dat zeggen, Vrouw Brown?”—“Ja, Rob.”—“Welnu dan, Vrouw Brown. Maar dan moet ge mij niets meer vragen, weet ge?” zeide Rob, haar aanziende met oogen, die nu dof en slaperig begonnen te worden.—“Geen woord meer,” zeide Vrouw Brown.—“Wel, het was dan op deze manier. Toen zeker iemand de dame bij mij liet, gaf hij haar een papiertje met een geschreven adres, in geval zij het vergeten mocht, zeide hij. Maar zij was niet bang om het te vergeten, want zij verscheurde het zoodra hij zijn rug had gekeerd en toen ik de trede van het rijtuig opsloeg vond ik een van de stukjes—de andere gooide zij uit het portier, denk ik, want ik vond er naderhand niet meer, hoewel ik er naar zocht. Er stond maar één woord op, en dat was dit, als gij het dan moet en zult weten. Maar onthoud, gij hebt een eed gedaan, Vrouw Brown.”
Vrouw Brown wist dat wel, zeide zij, en Rob, die nu niets meer te zeggen had, begon langzaam en stijf op de tafel te schrijven.
“D,” zeide de oude vrouw hardop, toen hij die letter gezet had.—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown?” riep hij, de letter met zijne hand bedekkende en zich driftig naar haar omkeerende. “Ik wil het zoo niet gelezen hebben. Houd u stil, hoort gij?”—“Schrijf dan wat groot, Rob,” antwoordde zij, haar geheim teeken herhalende, “want mijne oogen zijn niet goed meer, zelfs voor de drukletters.”
Onvergenoegd mompelende, ging Rob met blijkbaren tegenzin weder aan het werk. Terwijl hij laag met zijn hoofd bukte, kwam de man, tot wiens inlichting hij zonder het te weten arbeidde, achter de deur vandaan tot dicht achter hem, en keek over zijn schouder naar zijne op de tafel voortkruipende hand. Te gelijk gaf Alice, van haar stoel aan de overzijde, oplettend acht hoe die hand de letters vormde, en sprak zij elke letter met hare lippen uit, maar zonder geluid te laten hooren. Telkens sloeg zij hare oogen naar Dombey op en zag deze naar haar, alsof zij wederkeerig door elkander bevestigd wilden worden, en zoo spelden zij beide: D. I. J. O. N.
“Daar!” zeide de Slijper, haastig zijne handpalm nat makende, om het woord weder uit te vegen; en nog niet met dat uitvegen tevreden, de tafel met zijne mouw boenende, tot zelfs het wit van het krijt niet meer op de planken te zien was. “Nu hoop ik dat ge tevreden zijt, Vrouw Brown!”
Ten teeken dat zij dit was, liet de oude vrouw zijn arm los en klopte hem op zijn rug; en de Slijper, door verdrietelijkheid, inspanning en den drank overweldigd, sloeg zijne armen op de tafel over elkander, liet zijn hoofd daarop neerzakken en viel in slaap.
Niet voordat hij eenigen tijd had geslapen en rustig snorkte, keerde de oude vrouw zich naar de deur, waarachter Dombey zich weder verborgen had, en wenkte zij hem om de kamer door te komen en heen te gaan. Zelfs toen bleef zij bij Rob staan oppassen, gereed om hem hare handen voor de oogen te houden, of zijn hoofd op de tafel neer te duwen, als hij het mocht opheffen, terwijl die voorzichtige voetstap de kamer doorging. Maar hoewel zij scherp op den slapende lette, zij lette niet minder scherp op den wakende; en toen hij hare hand met de zijne aanraakte en in weerwil van zijne voorzichtigheid een gouden klank liet hooren, schitterden hare oogen als die van eene raaf.
De donkere blik der dochter volgde hem naar de deur, en zag wel hoe bleek hij was, en hoe zijn haastige tred aanduidde, dat het minste vertoef hem onuitstaanbaar was, en hoe hij brandde van ongeduld om maar op weg te zijn. Toen hij de deur achter zich sloot, zag zij naar hare moeder om. Het oude wijf kwam snel naar haar toe, opende hare hand om te laten zien wat zij er in had, kneep ze in hare gierigheid terstond weder dicht en fluisterde:
“Wat zal hij nu doen, Ally?”—“Een ongeluk,” zeide de dochter.—“Een moord?” vroeg de oude vrouw.—“Hij is dol genoeg in zijn gekwetsten trots, zoover wij kunnen zeggen, of hij zelf kan zeggen.”
Haar blik was nog vuriger dan die harer moeder, maar haar gezicht was geheel kleurloos, tot hare lippen toe.
Zij spraken niet meer, maar bleven van elkander afgezonderd zitten; de moeder telde haar geld, de dochter verdiepte zich in hare gedachten; beider oogen flikkerden in de duisternis der flauw verlichte kamer. Rob snorkte. De papegaai, op welken niemand lette, was de eenige die zich bewoog. Hij plukte en rukte met zijn krommen bek aan de traliën zijner kooi, en klauterde als eene vlieg langs het koepeldak, en met den kop vooruit weder naar omlaag, en scheen dol van ongeduld om uit te breken, alsof hij het gevaar van zijn meester kende, en naar hem toe wilde vliegen om hem te waarschuwen.
LIII.
NOG MEER BERICHTEN.
Er waren twee van des verraders eigen bloed—de broeder en zuster, die hij verzaakt had—op welke het gewicht zijner schuld bijna even zwaar drukte, als op den man, dien hij zoo diep beleedigd had. Hoezeer de wereld hem door hare nieuwsgierigheid martelde, bewees zij Dombey toch den dienst om hem kracht te geven tot vervolging en wraak. Zij prikkelde zijn trots, zij verwrong het eenige denkbeeld, dat zijn leven vervulde, tot eene nieuwe gedaante, en maakte de voldoening zijner wraakzucht tot een doel waarin geheel zijn aanzijn zich oploste. Al de onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid van zijn karakter, al de stroefheid en somberheid daarvan, al zijn overdreven gevoel van eigenwaarde, al zijne ijverzuchtige drift om het minste gebrek aan erkentenis zijner waarde bij anderen te bestraffen, dat alles vereenigde zich gelijk zoovele waterspranken tot ééne rivier, welke hem op hare golven medevoerde. De hartstochtelijkste en opvliegendste mensch zou een zachter vijand zijn geweest dan de zoodanig opgewondene Dombey. Een wild dier had zich lichter laten stuiten of bedaren dan de deftige heer, zonder rimpeltje in zijne gestevene das.
Maar juist de hitte zijner wraakzucht was eenigszins eene vergoeding voor de werkeloosheid, waartoe die wraakzucht veroordeeld was. Terwijl hij nog onkundig was van de schuilplaats des verraders, strekte die om zijne gedachten van zijn eigen ongeluk af te wenden en met een ander uitzicht bezig te houden. De broeder en de zuster van zijn trouweloozen gunsteling hadden zulk eene verlichting niet; alles in hunne vroegere geschiedenis, zoowel als in het tegenwoordige, gaf zijn misdrijf eene meer bedroevende beteekenis voor hen.
De zuster dacht wel eens treurig dat hij, indien zij bij hem gebleven was als zijne gezellin en vriendin, misschien de misdaad, waartoe hij vervallen was, zou ontvloden hebben. Evenwel, wanneer zij zoo dacht, was het toch zonder berouw over hetgeen zij gedaan had, zonder daarom meer waarde aan hare zelfopoffering toe te schrijven. Maar wanneer deze mogelijkheid den eens verdoolden en nu boetvaardigen broeder voor den geest kwam, werd zijn hart door het bitterste zelfverwijt gemarteld. Geen denkbeeld om nu vergelding tegen zijn wreeden broeder uit te oefenen kwam bij hem op. Nieuwe zelfbeschuldigingen, geheime jammerklachten over zijne eigene onwaardigheid en het onheil waarin hij ook anderen had medegesleept, waren de eenige gedachten, waartoe de ontdekking bij hem aanleiding gaf.
Het was op denzelfden dag, waarvan wij in het vorige hoofdstuk den avond hebben beschreven, en toen Dombey’s wereld het drukst bezig was met het wegloopen van zijne vrouw, dat het venster der kamer, waarin broeder en zuster aan het ontbijt zaten, verdonkerd werd door de schaduw van een man, die terstond daarop de opene deur inkwam; en deze man was Perch, de kantoorlooper.
“Ik kom zoo vroeg van Ball’s Pond aanstappen,” zeide Perch, vertrouwelijk de kamerdeur inkijkende, terwijl hij op de mat bleef staan, om zijne schoenen af te vegen, waaraan geen slijk was, “om eene boodschap te doen, die mij gisteravond belast is. Ik moest u vooral zonder fout een briefje brengen, mijnheer Carker, eer gij nog waart uitgegaan. Ik zou al een uur vroeger hier zijn geweest,” zeide Perch, zoetsappig verontschuldigend, “als mijne vrouw niet zoo van de wijs was geweest. Ik heb van nacht niet minder dan vijfmaal gedacht, dat ik haar zou verliezen, dat kan ik u verzekeren.”—“Is uwe vrouw zoo ziek?” vroeg Harriët.—“Wel, ziet ge,” zeide Perch, zich eerst omkeerende om de deur zorgvuldig te sluiten, “zij trekt zich zoo erg aan wat er met onzen patroon gebeurd is, jufvrouw. Hare zenuwen zijn zwak, en gauw in de war. Maar zeker de sterkste zenuwen mochten door zoo iets wel geschokt worden. Gij zelf zult het ook wel erg gevoelen, daar twijfel ik niet aan.”
Harriët smoorde een zucht en zag naar haar broeder om.
“Ik zelf gevoel het waarlijk ook, in mijn nederigen staat,” vervolgde Perch, even zijn hoofd schuddende, “op eene manier zooals ik niet had kunnen gelooven, als ik het niet had moeten ondervinden. Het heeft op mij bijna de werking van sterken drank. Ik heb elken ochtend letterlijk eene gewaarwording alsof ik den vorigen avond meer had gebruikt dan mij dienstig was.”
Het voorkomen van Perch strekte ter bevestiging dezer verklaring. Het kenteekende zekere koortsigheid en afgematheid, die aan borrels scheen te kunnen worden toegeschreven, en waarvan men waarschijnlijk de oorzaak had kunnen vinden in het gedurig getrakteerd en uitgevraagd worden, dat nu zijn dagelijksch lot was.
“Ik kan daarom heel goed oordeelen,” zeide Perch, wederom zijn hoofd schuddende, “over het gevoel van iemand, die in betrekking tot deze pijnlijke omstandigheid eenigszins in eene bijzondere positie verkeert.”
Nu wachtte Perch op eene vertrouwelijke mededeeling, en daar hij deze niet ontving, kuchte hij achter zijne hand. Toen dit tot niets leidde, kuchte hij achter zijn hoed; en daar ook dit tot niets leidde, zette hij zijn hoed op den grond en zocht in zijn borstzak naar den brief.
“Als ik mij wel herinner, was er geen antwoord noodig,” zeide Perch met een vriendelijk lachje; “maar misschien zult ge wel zoo goed willen zijn om hem eens door te zien, mijnheer.”
John Carker brak den brief open, waarop het cachet van Dombey stond, en nadat hij den inhoud had gelezen, die zeer kort was, zeide hij: “Neen. Er is geen antwoord noodig.”
“Dan zal ik u goedenmorgen wenschen, jufvrouw,” zeide Perch, een stap naar de deur doende, “en ik hoop hartelijk dat gij u door die ongelukkige omstandigheid niet neerslachtiger zult maken dan gij niet laten kunt. De couranten,” zeide Perch, weder twee stappen terug doende en broeder en zuster te gelijk aansprekende, met een gefluister, dat hoe langer hoe geheimzinniger werd, “zijn zoo vurig op nieuws er van, dat gij het u niet verbeelden kunt. Een van de zondagsbladen, met een blauwen mantel en een witten hoed, die mij eerst had willen omkoopen—behoef ik te zeggen met welk gevolg?—loerde gisteravond tien minuten voor negenen nog om het kantoor rond. Ik heb hem zelf met zijn oog voor het sleutelgat gevonden; maar dat is een patentslot, waar men niet door kan kijken. Een ander,” zeide Perch, “met tressen op zijne jas, alsof hij een militair was, zit den ganschen dag in het Koninklijk Wapen in de zijkamer. Verleden week liet ik mij daar toevallig eene kleine aanmerking ontglippen, en ’s anderen daags, dat zondag was, zag ik die tot mijne verwondering gedrukt staan.”
Perch tastte in zijn borstzak, alsof hij het blad er uit wilde halen; maar toen hij geene aanmoediging ontving, trok hij zijne kastoren handschoenen aan, raapte zijn hoed op, en nam afscheid; en nog voor den middag had hij in het Koninklijk Wapen en elders aan een uitgelezen gehoor verteld, hoe jufvrouw Carker in tranen was uitgebarsten, en hem bij beide handen had gevat, en gezegd had: “Och, lieve, lieve Perch, dat ik u nog eens zie is de eenige troost die mij overschiet!” en hoe mijnheer John Carker met eene geduchte stem had gezegd: “Perch, ik verzaak hem. Laat ik hem nooit meer als mijn broeder hooren noemen!”
“Lieve John,” zeide Harriët, toen zij alleen waren gebleven, en eene korte poos hadden gezwegen. “Gij krijgt slechte tijding in dien brief.”—“Ja. Maar niet onverwacht,” antwoordde hij. “Ik had den schrijver gisteren gezien.”—“Den schrijver?”—“Mijnheer Dombey. Hij kwam tweemaal het kantoor door terwijl ik er was. Het was mij vroeger gelukt hem te vermijden; maar dat kon ik natuurlijk niet lang hopen te doen. Ik weet wel hoe natuurlijk het is, dat hij mijne tegenwoordigheid onaangenaam moet vinden. Ik gevoelde dat toen zelf al.”—“Maar hij zeide dat toch niet?”—“Neen. Hij zeide niets; maar ik zag dat zijne oogen even op mij bleven rusten, en was toen voorbereid op wat er gebeuren zou—op wat gebeurd is. Ik ben afgedankt!”
Zij zag zoo weinig ontsteld en zoo moedig als zij kon, maar het was toch een droevig nieuws om vele redenen.
“Ik behoef u niet te zeggen,” zeide John Carker, den brief lezende, “waarom uw naam, in verband met den mijnen, hoe verwijderd dat verband ook zij, voortaan een onnatuurlijken klank zou hebben, of waarom het dagelijksch gezicht van iemand, die zoo heet, mij ondragelijk zou zijn. Ik moet u kennis geven dat van dezen dag af alle betrekkingen tusschen ons ophouden, en u verzoeken dat gij nooit zult beproeven eenige gemeenschap met mij of mijn kantoor meer aan te knoopen.” “Ingesloten vind ik eene som, die rijkelijk tegen eene waarschuwing van langen tijd vooraf opweegt, en dit is mijn ontslag. De hemel weet, Harriët, het is zacht en genadig, als wij alles bedenken.”—“Als het zacht en genadig is u voor het misdrijf van een ander te straffen, John,” zeide zij, maar zonder drift, “dan ja.”—“Onze familie heeft hem nooit iets anders dan onheil aangebracht,” zeide John Carker. “Hij heeft wel redenen om voor den klank van onzen naam te huiveren, en te denken, dat er iets slechts en vervloekts in ons bloed zit. Ik zou dat ook bijna denken, Harriët, als gij er niet waart.”—“O broeder, spreek zoo niet. Als gij eenige bijzondere redenen hebt, gelijk gij zegt en denkt—hoewel ik “neen” zeg—om mij lief te hebben, bespaar mij dan het hooren van zulke woeste woorden.”
Hij hield zijne handen voor zijn gezicht; maar toen zij nader kwam en eene daarvan vatte, liet hij dit toe.
“Na zoovele jaren is dit afscheid droevig, dat weet ik,” zeide zijne zuster, “en de oorzaak daarvan is schrikkelijk voor ons allebei. Ook moeten wij leven en naar middelen daartoe rondzien. Welnu, daarvoor behoeven wij niet bang te zijn. Het is onze trots, en niet een verdriet, dat wij te zamen ons best doen, John.”
Een lachje speelde om hare lippen, terwijl zij hem een kus op de wang drukte en bad om gemoedigd te zijn.