Part 47
“Mijn jongen,” zeide de kapitein, “gij moet dat meisje eerlijk zeggen dat die ongelukkige tijding maar al te waar is. Zij schrijven geene romannetjes van zulke dingen, ziet ge. Het staat in het scheepsjournaal, en dat is het waarste boek dat iemand kan schrijven. Morgenochtend zal ik eens uitgaan en navraag doen; maar er zal niets goeds van komen. Dat kan het niet. Als gij later op den dag eens bij mij wilt komen, zult gij vernemen wat ik gehoord heb. Maar zeg het meisje uit naam van kapitein Cuttle, dat alles voorbij is. Voorbij!”
De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, haalde zijn zakdoek uit den bol, wreef er wanhopig zijn grijzend hoofd mede, en smeet hem weder in den hoed, met de onverschilligheid der diepste neerslachtigheid.
“O, ik verzeker u,” zeide Toots, “dat het mij vreeselijk spijt. Op mijn woord, dat doet het, schoon ik den persoon niet gekend heb. Denkt gij dat jufvrouw Dombey erg aangedaan zal zijn, kapitein Gills—ik wil zeggen, mijnheer Cuttle?”,—“Wel, mijn hemel,” antwoordde de kapitein, met zeker medelijden met Toots’ onnoozelheid. “Toen zij nog niet grooter was dan zóó, waren zij al zoo teer voor elkander als twee jonge duifjes.”—“Zoo, waarlijk,” zeide Toots, wiens gezicht aanmerkelijk langer werd.—“Zij waren voor elkander geschapen,” zeide de kapitein droevig. “Maar wat beduidt dat nu?”—“Op mijn woord van eer,” riep Toots, zijne woorden tusschen eene zonderlinge mengeling van gegiggel en halve snikken uitstootende, “er heeft mij nooit iets zoo gespeten. Gij moet weten, kapitein Gills, ik—ik aanbid jufvrouw Dombey—ik—ik ben geheel van mijne streek van liefde voor haar.” De heftigheid waarmede deze bekentenis zich den ongelukkigen Toots afdwong, bewees het ernstige van zijn gevoel. “Maar wat zou het baten dat ik haar liefhad, als ik niet waarlijk spijt had van haar verdriet, wat er ook de reden van mocht wezen. Mijne genegenheid is niet zelfzuchtig, moet ge weten,” zeide Toots, wiens vertrouwen door de teerhartigheid des kapiteins, waarvan hij getuige was geweest, werd uitgelokt. “Het is bij mij zoo iets, kapitein Gills, dat als ik mij kon laten overrijden—of laten vertrappen—of van eene groote hoogte afsmijten—of iets van dien aard—ten genoegen van jufvrouw Dombey, het waarlijk het verrukkelijkste zou zijn dat mij kon gebeuren.”
Dit alles zeide Toots met eene gesmoorde stem, opdat het de ijverzuchtige ooren van den Kemphaan niet zou bereiken, die alle zachte aandoeningen afkeurde; en dit bedwang, met de kracht van zijn gevoel vereenigd, deed hem rood worden tot aan de lapjes van zijne ooren, en maakte hem in de oogen van kapitein Cuttle tot zulk een aandoenlijk schouwspel van onbaatzuchtige liefde, dat de goede kapitein hem troostend op den rug klopte en vermaande om zich maar wat op te beuren.
“Dankje wel, kapitein Gills,” zeide Toots, “het is wel vriendelijk van u, onder al uw eigen verdriet, dat ge dat zegt. Gelijk ik al vroeger gezegd heb, ik heb waarlijk gebrek aan een vriend, en ik zou blij zijn als gij kennis met mij woudt houden. Schoon ik er heel goed in zit,” zeide Toots met vuur, “kunt gij u toch niet verbeelden welk een ellendeling ik ben. De wufte menigte, weet gij, als zij mij met den Kemphaan en andere personen van onderscheiding ziet, houdt mij voor gelukkig, maar ik ben rampzalig. Ik martel mij zelven met jufvrouw Dombey, kapitein Gills. Ik kan haast niet eten. Ik heb geen pleizier in mijn kleermaker. Ik huil dikwijls als ik alleen ben. Ik verzeker u, het zal een genoegen voor mij zijn als ik morgen en nog vijftigmaal terug mag komen.”
Met deze woorden drukte Toots den kapitein de hand, en zijn best doende om de sporen zijner aandoening voor den scherpen blik van den Kemphaan te verbergen, ging hij dezen uitstekenden persoon in den winkel opzoeken. De Kemphaan, die licht jaloersch werd, zag den kapitein met alles behalve gunstige oogen aan, maar volgde zijn patroon zonder eenig ander blijk van misnoegen te geven; en liet den kapitein diep ter neer geslagen, en Rob den Slijper opgetogen van blijdschap omdat hij de eer had gehad van een halfuur lang den overwinnaar van Nobby van Shropshire aan te staren.
Lang na dat Rob in zijn bed onder de toonbank gerust was ingeslapen, zat de kapitein nog in het vuur te kijken, en lang na dat er geen vuur meer was om naar te kijken, zat de kapitein nog naar de roestige traliën te turen, terwijl nuttelooze gedachten aan Walter en den ouden Sam hem het hoofd verwarden. Toen hij zich naar het stormachtige kamertje boven in huis begaf, kon hij daar ook niet rusten, en des morgens stond hij onverkwikt en treurig op.
Zoodra de kantoren in de stad open waren, ging de kapitein uit om zich naar dat van Dombey en Zoon te begeven. Maar de vensters van den houten adelborst werden dien ochtend niet geopend. Op last van den kapitein liet Rob de Slijper de luiken voor, zoodat het huis een sterfhuis geleek.
Bij toeval ging Carker de chef juist het kantoor in, toen de kapitein aan de deur kwam. Carker’s groet met ernstig stilzwijgen aannemende, was de kapitein zoo vrij om met hem naar de kamer te gaan.
“Wel, kapitein Cuttle,” zeide Carker, zich in zijne gewone houding voor den haard plaatsende en zijn hoed ophoudende, “dat is een leelijk geval.”—“Gij hebt dus de tijding gekregen, die gisteren in de courant stond, mijnheer?” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Carker, “wij hebben ze ontvangen. Het is maar zoo. De assuradeurs lijden een aanmerkelijk verlies. Het spijt ons zeer, maar er is niet aan te doen. Zoo gaat het in de wereld!”
Carker sneed zijne nagels voorzichtig met een pennemes, en glimlachte tegen den kapitein, die hem bij de deur stond aan te zien.
“Het spijt mij zeer van den armen Gay,” zeide Carker, “en van het scheepsvolk. Ik hoor dat er sommige van onze knapste lui onder waren. Dat gaat altijd zoo. Velen met huishoudens ook. Een troost dat Gay geen huishouden had, kapitein Cuttle!”
De kapitein wreef zijne kin en bleef Carker staan aanzien. Carker keek nu eens naar de ongeopende brieven op zijn lessenaar en nam de courant op.
“Is er iets dat ik voor u doen kan, kapitein Cuttle?” vroeg hij, van de courant opkijkende, met een glimlach en een veelbeduidenden blik naar de deur.—“Ik wenschte dat ge mij goed kondt geruststellen, mijnheer, over iets waar ik ongerust over ben,” antwoordde de kapitein.—“Zoo!” zeide Carker. “Wat is dat dan? Kom aan, kapitein Cuttle, ik moet u verzoeken om u wat te haasten. Ik heb veel te doen.”—“Ziet ge, mijnheer,” zeide de kapitein, een stap nader komende, “eer mijn vriend Walter op die heillooze reis uitging...”—“Kom, kom, kapitein Cuttle,” viel de glimlachende Carker er op in, “spreek zoo niet van heillooze reizen. Daar weten wij hier niet van. Gij moet vandaag al vroeg aan uw rantsoen zijn begonnen, als gij niet bedenkt dat alle reizen, ter zee of te land, hare gevaren hebben. Gij maakt u toch niet ongerust over de gedachte dat de jonge—hoe heet hij ook weer—vergaan zou zijn in slecht weer, dat aan dit kantoor tegen hem werd afgezonden—doet ge? Foei, kapitein! Uitslapen en sodawater zijn de beste middelen tegen zulke ongerustheid.”—“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein langzaam—“ge zijt haast nog een jongen bij mij, en dus vraag ik geen excuus dat dit woord mij ontvalt—als gij pleizier hebt in die aardigheid, zijt ge de man niet waar ik u voor hield. En als gij de man niet zijt waar ik u voor hield, heb ik misschien wel reden om ongerust te zijn. De zaak is zóó gelegen, mijnheer Carker.—Eer die arme jongen heenging, zooals hem gelast was, zeide hij mij dat hij niet tot zijn bestwil of voor zijne bevordering heenging, dat wist hij wel. Ik dacht toen dat hij dit verkeerd had, en zeide hem dat; en toen kwam ik hier, daar uw patroon er niet was, om u op eene beleefde manier een paar vragen te doen, tot mijne eigene geruststelling. Die vragen hebt gij beantwoord—vrijwillig. Nu zal het mij wederom geruststellen—nu alles voorbij is, en wat men niet verhelpen kan moet men maar dragen; gij, als een geleerde, kunt het boek wel nazien waar dat in staat, en zet er dan een streepje bij als gij het vindt—kortom, om nog eens te hooren dat ik mijn plicht niet heb verzuimd toen ik den ouden man niet zeide wat Walter mij gezegd had; en dat hij waarlijk den wind in het zeil had toen hij naar Barbados uitliep. Mijnheer Carker,” zeide de kapitein, in zijne goedhartigheid, “toen ik laatst hier was, waren wij heel pleizierig met elkander. Als ik van morgen niet zoo heel pleizierig ben, om reden van dien armen jongen, en mij driftig gemaakt heb over een zeggen van u dat ik goed had moeten opnemen, mijn naam is Edward Cuttle, en ik vraag u excuus.”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Carker, met alle mogelijke beleefdheid, “ik moet u om eene gunst verzoeken.”—“En wat is dat, mijnheer?” vroeg de kapitein.—“Dat gij zoo goed zijt om u weg te pakken, als het u belieft,” antwoordde Carker, zijn arm uitstekende, “en met uwe borrelpraatjes ergens anders heen te gaan.”
Elke knobbel van des kapiteins gezicht verbleekte van verbazing en verontwaardiging; zelfs de roode streep op zijn voorhoofd verdween, gelijk een regenboog tusschen samengepakte wolken.
“Ik zal u eens wat zeggen, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker, zijn vinger tegen hem schuddende en hem al zijne tanden toonende, maar nog vriendelijk glimlachend. “Ik heb veel te veel verschooning voor u gehad toen gij de vorige maal hier waart. Gij behoort tot een doortrapt en onbeschaamd slag van menschen. Uit verlangen om dien jongen—hoe heet hij ook weer—er voor te bewaren dat hij ridderlijk hier vandaan geschopt werd, mijn goede kapitein, heb ik geduld met u gehad, doch maar voor eens en niet meer. Ga nu heen, mijn vriend!”
De kapitein stond aan den grond vastgeworteld en sprakeloos.
“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben. Als mijnheer Dombey hier was, kapitein, zoudt ge misschien op eene schandelijker manier hier vandaan komen. Ik zeg maar, ga heen.”
De kapitein legde zijne zware hand op zijne borst om zich zelven te helpen om diep adem te halen, nam Carker van het hoofd tot de voeten op en keek toen in het kamertje rond, alsof hij niet duidelijk begreep waar hij was of in welk gezelschap.
“Gij zijt slim, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker met de luchtige rondborstigheid van een man naar de wereld, die de wereld te wel kende om zich uit zijn humeur te laten brengen door de ontdekking van een wanbedrijf dat hem niet onmiddellijk aanging; “maar gij zijt toch niet geheel ondoorgrondelijk—en uw afwezige vriend ook niet, kapitein. Wat hebt ge met uw afwezigen vriend gedaan, zeg?”
Wederom legde de kapitein de hand op de borst. Na nog eens diep adem te hebben gehaald, bezwoer hij zich zelven met een “sta vast!” maar fluisterend.
“Gij smeedt aardige komplotjes, en maakt aardige afspraakjes, en krijgt ook aardige visites, niet waar, kapitein?” zeide Carker, zijne wenkbrauwen samentrekkende, zonder daarom minder zijne tanden te toonen; “maar het is wat al te stout om naderhand nog hier te komen. Dat gelijkt niet naar uwe gewone voorzichtigheid. Gij komplottenmakers, wegschuilers en wegloopers, moest beter weten. Wilt ge nu zoo goed zijn om heen te gaan?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met eene gesmoorde en bevende stem, en eene zonderlinge beweging in zijne zware vuist, “er zijn vele woorden, die ik u zou willen zeggen, maar ik weet ze op het oogenblik niet recht te vinden. Mijn jonge vriend, Walter, is pas gisteravond verdronken, volgens mijne rekening, en dat brengt mij van mijne streek, ziet ge. Maar gij en ik zullen elkander wel eens weder voor den boeg komen, mijn jongen,” zeide de kapitein, zijn haak ophoudende, “als wij het beleven.”—“Het zal alles behalve slim van u zijn, mijn goede man, als wij dat doen,” antwoordde Carker, met dezelfde rondborstigheid, “want gij kunt er op aan, ik waarschuw u vooruit, dat ik u zal ontmaskeren en ten toon stellen. Ik wil niet zeggen dat ik beter ben dan anderen, mijn goede kapitein, maar ik zal het vertrouwen van dit kantoor, of een lid van dit kantoor, toch niet laten misbruiken en ondermijnen, zoolang ik ooren en oogen heb. Goedendag!” zeide Carker knikkende.
Hem strak aanziende (Carker zag hem even strak aan) ging de kapitein de kamer uit, en liet hem wijdbeens voor het vuur staan, zoo kalm en zoo genoeglijk, alsof er niet meer vlekken op zijne ziel waren dan op zijn sneeuwwit linnen of zijne gladde huid.
Toen de kapitein het groote kantoor doorkwam, keek hij even naar den lessenaar, waaraan hij wist dat de arme Walter placht te zitten, en waaraan nu een andere jonge knaap zat, met een gezicht bijna even frisch als het zijne, toen zij in het achterkamertje die kostbare flesch ouden madera (de laatste op een na) met elkander ledigden. De aldus opgewekte herinneringen deden den kapitein veel goed; op het toppunt zijner gramschap verteederden zij hem en deden hem de tranen in de oogen komen.
Wederom bij den houten adelborst in een hoekje van den donkeren winkel gezeten, kon des kapiteins verontwaardiging, hoe sterk zij ook was, het niet tegen zijne droefheid uithouden. Zijne hartstochtelijkheid scheen niet alleen de nagedachtenis van den doode te beleedigen, maar ook bij de gedachte daaraan van zelf weg te kwijnen. Al de levende schelmen en logenaars van de wereld waren niets bij de oprechtheid en trouw van den eenen dooden vriend.
Het eenige dat de brave kapitein in dezen gemoedstoestand duidelijk kon zien, behalve het verlies van Walter, was, dat met hem bijna de geheele wereld van kapitein Cuttle verdronken was. Als hij het zich somtijds scherp verweet dat hij tot Walter’s onschuldig bedrog had medegeholpen, dacht hij ten minste even dikwijls aan den vorigen mijnheer Carker, dien geene zee ooit kon teruggeven; en den mijnheer Dombey, die hij nu begon te begrijpen, dat ver boven alle menschelijk bereik was; en het harteliefje waarmede hij nooit weder een woord zou spreken; en de mooie Peggy, die heerlijke ballade, nu eene reeks van rijmen zonder kracht of beteekenis. De kapitein zat in den donkeren winkel aan deze dingen te denken, zoodat hij de beleediging, die hij zelf ondergaan had, geheel vergat, en keek met zulke droevige oogen naar den grond, alsof hij de wrakken van al het verlorene daar werkelijk voorbij zag drijven.
Maar de kapitein vergat toch niet om de nagedachtenis van den armen Walter zooveel eer te bewijzen als in zijn vermogen was. Zich zelven wakker schuddende, en ook Rob den Slijper wakker schuddende, (die in de onnatuurlijke schemering gerust zat te slapen) ging de kapitein, met dezen trawant op de hielen en den huissleutel in zijn zak, uit, en begaf zich naar een van die geriefelijke oude kleerenwinkels, waarvan men in het oosten van Londen keus genoeg heeft. Daar kocht hij twee rouwpakken—een voor Rob den Slijper, dat veel te klein, en een voor zich zelven dat veel te groot was. Hij voorzag Rob insgelijks van een hoed, die met geen bekend fatsoen was te vergelijken, maar het meest van een zuidwester had, en dus in een winkel van instrumenten eene gelukkige nieuwigheid was. In deze gewaden gedost, welke de verkooper verklaarde zoo wonderbaar te passen, dat dit alleen door een zeldzamen samenloop van gelukkige omstandigheden mogelijk was, stapten de kapitein en de Slijper weder naar huis, een schouwspel aanbiedende, dat ieder, die het zag, moest verbazen.
In deze veranderde gedaante ontving de kapitein het volgende bezoek van Toots. “Ik ben op dit oogenblik wat van mijne streek, mijn jongen,” zeide de kapitein, “en zal maar alleen die slechte tijding bevestigen. Zeg dat meisje dat zij ze de jonge juffer voorzichtig moet zeggen, en dat zij ook geen van beiden meer om mij moeten denken—in het bijzonder, meen ik, begrijpt gij wel—schoon ik wel om ze denken zal, als des nachts de winden razen en de zeeën bergen hoog rollen—zie doctor Watts daar maar eens voor na, broeder, en als gij het vindt, zet er dan een streepje bij.”
De kapitein stelde het tot gelegener tijd uit om Toots’ aanbod van vriendschap in overweging te nemen, en liet hem zoo gaan. De kapitein was zelf zoo neerslachtig, dat hij dien dag half en half besloot om geene voorzorgen tegen eene verrassing van jufvrouw MacStinger meer te nemen, maar zich roekeloos aan het toeval over te geven en onverschillig te zijn voor wat er gebeuren mocht. Toen het echter avond werd, kwam hij in eene betere stemming, en sprak veel van Walter tot Rob den Slijper, wien hij insgelijks prees voor zijne oplettendheid en trouw. Rob bloosde hierover niet, maar zat den kapitein aan te staren en hield zich alsof hij van aandoening griende, maar onthield (die jonge spion) met veelbelovende valschheid ieder woord dat hij sprak.
Toen Rob naar bed en in slaap was, snoot de kapitein de kaars, zette zijn bril op—hij had het, toen hij den instrumentenwinkel aanvaardde, voegzaam geacht zich een bril aan te schaffen, hoewel hij oogen had als een valk—en opende het gebedenboek bij het begrafenisformulier. Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.
XXXIII.
CONTRASTEN.
Vestigen wij de oogen eens op twee huizen, niet naast elkander, maar ver van elkander af, schoon beide op geringen afstand van de groote stad en gemakkelijk uit de City te bereiken.
Het eerste staat in eene groene, boomrijke streek bij Norwood. Het is geen deftig gebouw, en niet zeer groot; maar de geheele aanleg is zeer smaakvol en alles is uitmuntend in orde gehouden. Het zacht afhellende grasperk, de bloemtuin, de boomgroepen, waarin de sierlijke vormen van esschen en treurwilgen niet ontbreken, de oranjerie, de rustieke veranda, waar geurige slingerplanten tegen de pilaren opgroeien, het eenvoudige huis, de welingerichte bijgebouwen, schoon allen zoo klein als op zulk een buitentje behoort, dat den naam van hutje (cottage) draagt; alles belooft ook van binnen zooveel smaak en gemak als voor een paleis zouden kunnen volstaan. Deze belofte blijft niet onvervuld, want het inwendige van het huis draagt evenveel blijken van weelde als van fijne beschaving. Overal ontmoet het oog fraaie kleuren, op het schoonst aan elkander gepaard, zoowel aan de meubelen, die uitmuntend bij de fatsoenen en afmetingen der kleine vertrekken passen, als op de wanden en de vloeren, zelfs in het licht dat gekleurd en gematigd door de vensters en glazendeuren schijnt. Er zijn ook eenige uitgezochte schilderijen en prenten; in fraaie kasten, hier en daar in een verloren hoek gezet, ontbreekt het niet aan boeken; benoodigdheden voor spelen van kunst of kans staan gereed—schaakstukken, dobbelsteenen, een triktrakbord, kaarten en een biljart.
En toch, bij dien overvloed van weelde en gemak, heeft het algemeene voorkomen iets dat niet deugt. Is het dat de tapijten en kussens al te zacht zijn en het geluid te veel dooven, zoodat zij, die er over gaan of er op rusten, dit tersluiks schijnen te doen? Is het omdat de prenten en schilderijen geene groote daden of gedachten vertegenwoordigen, of de poëzie der natuur in landschappen, prachtgebouwen of hutten teruggeven, maar allen van dezelfde weelderige soort zijn—een pronken met vormen en kleuren, anders niet? Is het omdat de boeken al hun goud van buiten hebben, en de titels der meesten ze reeds met de schilderijen en prenten op dezelfde lijn plaatsen? Is het omdat de schoonheid en de volledigheid van het geheel hier en daar belogen wordt door eene vertooning van nederigheid in een of ander onbelangrijk en onkostbaar opzicht; eene vertooning, even valsch als het gezicht van het maar al te goed getroffen portret dat daar hangt, of als het origineel dat daaronder in zijn leuningstoel zit te ontbijten? Of is het omdat dit origineel, dat hier van alles meester is, met zijn dagelijkschen adem een gedeelte van zich zelven heeft gewasemd, hetgeen alles om hem heen een onbestemden zweem van zijn eigen karakter heeft gegeven?
Het is Carker de chef die daar in den leuningstoel zit. Een bonte papegaai, in eene als goud blinkende kooi op de tafel, plukt met zijn bek aan de traliën, en klautert ten onderste boven er langs, en schudt geheel zijn huis en schreeuwt. Maar Carker let niet op den vogel, en ziet met een peinzenden glimlach naar een portret aan den wand tegenover hem.
“Zeker eene buitengemeen toevallige gelijkenis,” zegt hij.
Misschien is het eene Juno, misschien eene Potiphar’s vrouw, misschien eene preutsche nimf—naarmate de kunstkoopers den smaak der markt vonden, toen zij het stuk een naam gaven. Het is het afbeeldsel eener schoone vrouw, die zich omkeert, maar haar gezicht naar den toeschouwer gericht houdt en hem een vurigen en trotschen blik toewerpt.
Het gelijkt naar Edith.
Met eene vlugge beweging zijner hand naar de schilderij—wat! een dreigement? Neen; en toch iets dat er naar gelijkt. Een zegevierend wuiven? Neen; maar toch meer daarnaar gelijkend. Een beleedigend vrijpostige groet van zijne lippen toegeworpen? Neen; maar toch ook daarnaar gelijkende—gaat hij weder aan zijn ontbijt en roept den ongeduldigen en gekerkerden vogel, die naar een vergulden hoepel in zijne kooi klautert, gelijk een groote trouwring, en daarin voor zijn vermaak gaat zitten zwaaien.
Het tweede huis staat aan den anderen kant van Londen, daar waar de groote weg naar het noorden loopt, die voorheen zoo druk was en nu bijna geheel verlaten is, behalve door reizigers die te voet voortzwoegen. Het is een klein, armoedig huis, schraal gemeubileerd, maar net en zindelijk gehouden; en er zijn zelfs pogingen gedaan om het te versieren, gelijk uit de gemeene bloemen blijkt die tegen den muur en in het smalle tuintje groeien. De buurt, waarin het staat, heeft even weinig van het land als van de stad om haar aan te bevelen. Zij behoort ook noch tot de stad noch tot het land. De eerste, gelijk de reus met zijne reislaarzen, heeft een stap gedaan, is haar daarmede voorbijgekomen en heeft zijn hiel van kalk en steen veel verder vooruitgezet; maar de ruimte tusschen de voeten van den reus is nog maar bedorven land, en heeft nog niets van de stad; en hier, tusschen eenige hooge schoorsteenen, die nacht en dag rook uitbraken, en tusschen steenbakkerijen, en velden waar de graszoden zijn weggestoken, en de schuttingen omvallen en bestofte brandnetels groeien, en waar men nog eenige overblijfselen van heggen kan zien en waar de vogelvanger nog somtijds komt, hoewel hij telkens zweert dat hij niet weer zal komen—is dit tweede huis te vinden.
Zij, die het bewoont, is zij die het eerste uit gehechtheid aan een gevallen broeder verlaten heeft. Daarmede vertrok uit dat huis alles wat het waarlijk goeds en schoons had, en uit de borst van den meester zijn eenige engel; maar hoewel zijne genegenheid voor haar is verdwenen, sedert die ondankbare minachting, gelijk hij het begrijpt, en hij haar tot straf daarvoor verzaakt, kan hij het oude denkbeeld van haar toch niet geheel vergeten. Laat haar bloemtuin, waarin hij nooit een voet zet, maar die, onder al zijne kostbare veranderingen, toch nog eveneens wordt onderhouden alsof zij dien pas gisteren had verlaten, daarvan getuigen!
Harriët Carker is sedert veranderd, en op hare schoonheid ligt eene zwaardere schaduw, dan de Tijd alleen, zoo alvermogend als hij is, kan werpen—de schaduw van kommer en zorg, en de dagelijksche worsteling van een armoedig leven. Maar het is toch nog schoonheid, en nog eene zachte, stille, zedige schoonheid, die opgezocht moet worden, daar zij niet kan pralen, en als zij dit doen kon, niet meer zijn zou wat zij is.