Part 45
Neef Feenix doet dat. Hij is daartoe opzettelijk van Baden-Baden gekomen. “Verduiveld,” zegt neef Feenix—een goedhartige kerel, die neef Feenix—“als wij zulk een rijken knaap uit de City in de familie krijgen, mogen wij hem ook wel eenige attentie toonen en iets voor hem doen.—“Ik geef deze vrouw om aan dezen man getrouwd te worden,” zegt neef Feenix dus. Neef Feenix die rechtuit wil gaan, maar door zijne eigenzinnige beenen zijdelings af wordt gebracht, geeft eerst eene verkeerde vrouw om met dien man getrouwd te worden, namelijk een der bruidsjuffers, eene verre nicht, een tiental jaren jonger dan mevrouw Skewton; maar jufvrouw Miff komt met haar stemmigen hoed tusschen beiden, keert hem handig om, en schuift hem, alsof hij op rolletjes liep, naar de bruid welke neef Feenix dan geeft om met dien man getrouwd te worden.
“En zullen zij ten aanzien des Hemels...?”
Ja, dat zullen zij. Dombey zegt ja. En wat zegt Edith?—Ja.
Zoo verpanden zij dus van dien dag af, voor beter of erger, voor rijker of armer, in ziekte en gezondheid, om lief te hebben en te waardeeren, tot de dood hen scheidt, elkander hunne trouw, en zijn gehuwd.
Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid, als men naar de kerkekamer is gegaan, haar naam in het register. “Er komen niet veel dames hier,” zegt jufvrouw Miff nijgende—als men in zulk een tijdsgewricht jufvrouw Miff aanziet, duikt haar stemmige hoed dadelijk naar beneden—“die zoo haar naam schrijven als deze goede dame.”—Sownds, de kerkeknecht, vindt de handteekening de schrijfster waardig—alsof Venus ze gezet had—maar dit blijft tusschen hem en zijn geweten.
Florence teekent ook, maar zonder toegejuicht te worden, want hare hand beeft. Het geheele gezelschap teekent; neef Feenix het laatst, die zijn edelen naam op eene verkeerde plaats zet, en getuigt dat hij dien morgen geboren is.
De majoor kust nu de bruid zeer galant, en volvoert deze ceremonie met al de dames, niettegenstaande mevrouw Skewton buitengemeen moeielijk te kussen is en een schel gegil door het gewijde gebouw laat klinken. Dit voorbeeld wordt door neef Feenix en zelfs door Dombey gevolgd. Eindelijk komt Carker naar Edith toe, met zijne glinsterend witte tanden, meer alsof hij haar wilde bijten, dan het zoet proeven dat aan hare lippen kleeft.
Er komt een gloed op hare trotsche wangen en eene flikkering in hare oogen, die hem misschien moesten stuiten; maar dit gebeurt toch niet, want hij kust haar, gelijk de anderen hebben gedaan en wenscht haar alle geluk.
“Indien wenschen,” zegt hij zacht, “bij zulk eene vereeniging niet overbodig zijn.”—“Ik dank u, mijnheer,” antwoordt zij, met eene opkrullende lip en eene zwoegende borst.
Maar gevoelt Edith nog, gelijk op den avond toen zij wist dat Dombey zou terugkomen om een echtverbond aan te bieden, dat Carker haar door en door kent en doorziet, en dat zij door deze wetenschap van hem meer vernederd wordt dan door iets anders? Is het om die reden dat hare trotschheid onder zijn glimlach wegkruipt, gelijk sneeuw in de hand die haar vast aangrijpt, en dat haar fiere blik, als hij den zijnen ontmoet, den grond zoekt?
“Ik ben er trotsch op,” zegt Carker met eene slaafsche buiging van zijn hals, die door datgene, wat zijne oogen en tanden zeggen, wordt gelogenstraft, “dat mijn nederig offer door mevrouw Dombey’s hand zoo vereerd wordt en bij zulk eene heuglijke gelegenheid zulk eene begunstigde plaats mag hebben.”
Hoewel zij tot antwoord haar hoofd buigt, heeft de oogenblikkelijke beweging harer hand iets, alsof zij de bloemen wel zou willen ineenknijpen en met verachting op den grond smijten. Maar zij steekt hare hand door den arm van haar nieuwen echtgenoot, die met den majoor heeft staan praten, en is wederom trotsch, roerloos en stil.
De koetsen staan weder voor de kerkdeur, Dombey geleidt zijne bruid door de twintig troepjes jeugdige dametjes heen, die op de trap staan en waarvan elk het fatsoen en de kleur van ieder stuk harer kleeding onthoudt, en zich voorneemt om hare pop, die altijd trouwen moet, eveneens op te sieren. Cleopatra en neef Feenix stappen in dezelfde koets. De majoor helpt Florence en de bruidsjuffer, die haast bij vergissing was weggegeven, in eene tweede, stapt dan zelf in en wordt door Carker gevolgd. Paarden springen en steigeren; koetsiers en lakeien pronken met fladderende strikken, bloemen en nieuwe livreien. Voort stuiven en ratelen zij door de straten, duizend hoofden worden omgekeerd om hen na te zien, en duizend strenge moralisten wreken zich dat ook zij niet dien ochtend getrouwd zijn, door de overweging dat die menschen weinig denken dat zulk een geluk niet duren kan.
Jufvrouw Tox komt, als alles stil is, achter het been van den cherub vandaan, en gaat langzaam de galerij af. Hare oogen zijn rood, en haar zakdoek is vochtig. Zij is gegriefd, maar niet verbitterd, en zij hoopt dat zij gelukkig zullen zijn. Zij moet bij zich zelve bekennen dat de bruid schoon is, en hare eigene bekoorlijkheden verwelkt zijn; maar het statelijke beeld van mijnheer Dombey, met zijn lila vest en zijne leverkleurige broek, blijft haar toch voor den geest, en onderweg naar huis schreit zij opnieuw achter hare voile. Kapitein Cuttle, die met een devoot gebrom in alle amens en antwoorden heeft ingestemd, gevoelt zich daardoor zeer gesticht. Hij wandelt nu in eene vreedzame gemoedsstemming, met den blinkenden hoed in de hand, de kerk door, en leest het opschrift ter gedachtenis van kleinen Paul. De manhaftige Toots verlaat het gebouw met een martelpijn van liefde, door den trouwen Kemphaan vergezeld. De Kemphaan is nog niet in staat een plannetje te verzinnen om Florence voor Toots te krijgen, maar zijn eerste denkbeeld heeft zich bij hem vastgezet, en hij gelooft dat het in allen gevalle goed zou zijn te beginnen met Dombey dubbel toe te slaan. Dombey’s dienstboden komen uit hunne schuilplaatsen en zijn gereed om zich naar Brook-Street te haasten, maar worden opgehouden door teekenen van ongesteldheid bij jufvrouw Perch, die om een glas water vraagt en onrustbarend wordt. Jufvrouw Perch gevoelt zich evenwel spoedig beter en wordt weggebracht; en jufvrouw Miff en Sownds de kerkeknecht zitten samen te tellen wat zij met de zaak gewonnen hebben, en praten er nog eens over, terwijl de doodgraver voor eene begrafenis luidt.
Nu komen de koetsen voor de tijdelijke woning der bruid, en dadelijk beginnen de straatmuzikanten te spelen en geeft Punch, dat model van huwelijksgeluk, zijne vrouw een zoen. Nu loopen en dringen de menschen en blijven in een gapenden kring staan, terwijl Dombey, zijne jonge vrouw bij de hand leidende, de deur binnenstapt. Het overige gezelschap stapt af en volgt het paar. Maar waarom denkt Carker, als hij door het gedrang bij de deur gaat, aan het oude wijf dat hem op dien ochtend in het boschje naschreeuwde? Of waarom denkt Florence in het voorbijgaan, met eene huivering, aan hare kindsheid, toen zij was weggeraakt, en aan het leelijke gezicht van de goede Vrouw Brown?
Nu wordt er nog meer gefeliciteerd met dezen gelukkigsten der dagen, en komt er nog meer gezelschap, hoewel niet veel, en verlaat men het salon en schikt zich om de tafel in de donkerbruine eetzaal, die geen banketbakker kan doen ophelderen, al versiert hij de negers op de buffettafel met zooveel bloemen en strikken als hij wil.
De pasteibakker heeft echter zijn plicht gedaan als een man, en er is een kostbaar ontbijt opgezet. Mijnheer en mevrouw Chick hebben zich onder anderen bij het gezelschap gevoegd. Mevrouw Chick bewondert Edith dat zij van nature zulk eene volmaakte Dombey is, en is vriendelijk en vertrouwelijk met mevrouw Skewton, welker gemoed van een zwaren last is ontheven en die haar deel van den champagne neemt. De lange knecht, die des morgens vroeg aan alteratie leed, is beter; maar hij heeft een onbestemd gevoel van berouw, is kwaad op den anderen langen knecht, rukt hem met geweld de schotels uit de hand, en schept er een wrevelig behagen in om het gezelschap op alles te laten wachten. Het gezelschap is koel en kalm, en beleedigt de akelige schilderijen, die op de gasten neerzien, niet door overmaat van vroolijkheid. Neef Feenix en de majoor zijn de spraakzaamsten; maar Carker heeft een glimlach voor de geheele tafel en nog een bijzonderen glimlach voor de bruid, die zeer, zeer zelden zijn blik ontmoet.
Nadat het gezelschap ontbeten heeft en de bedienden de kamer uit zijn, staat neef Feenix op; en verbazend jeugdig ziet hij er uit, met zijne witte mouwboorden, die bijna zijne handen bedekken (welke anders wel wat knokkig zijn) en den blos van champagne op de wangen.
“Op mijne eer,” zegt neef Feenix, “hoewel het iets ongewoons is in een particulier huis, moet ik zoo vrij zijn om u te verzoeken iets te drinken wat men gewoonlijk een toast noemt.”
De majoor geeft met eene zeer schorre stem zijne goedkeuring te kennen. Carker buigt zich over de tafel naar neef Feenix over, en glimlacht en knikt verscheidene malen.
“Eigenlijk is het niet zoozeer een...” Neef Feenix, die aldus opnieuw begint, blijft steken.—“Luister, luister!” zegt de majoor, op een toon vol overtuiging.
Carker klapt zachtjes in zijne handen, buigt zich weder over de tafel, en glimlacht en knikt nog meermalen dan te voren, alsof het laatste gezegde hem bijzonder had getroffen en hij persoonlijk wilde te kennen geven hoe het hem bevalt.
“Het is, kortom, eene gelegenheid,” zegt neef Feenix, “waarbij men, zonder onwelvoeglijkheid, wel eenigszins van den gewonen regel mag afgaan; en schoon ik nooit een redenaar ben geweest, en toen ik in het Huis der Gemeenten zat en de eer had om het adres te ondersteunen, veertien dagen ziek ben geweest van schrik dat ik er niet mee voort kon...”
De majoor en Carker zijn zoo opgetogen over deze ingevlochtene anekdote, dat neef Feenix lacht en, hen persoonlijk aansprekende, voortgaat:
“Ik ben er toen verduiveld ziek van geweest—maar, weet ge, ik gevoel nu toch dat ik een plicht heb te vervullen. En als een Engelschman een plicht te vervullen heeft, dan moet hij er ook, naar mijne gedachten, zich van afmaken zoo goed hij kan. Wel, onze familie heeft vandaag het genoegen gehad om zich, in den persoon van mijne beminnelijke en begaafde nicht, die ik nu—wat zal ik zeggen—aanwezig zie...”
Hier stoort hem eene algemeene toejuiching.
“Aanwezig zie,” zegt neef Feenix nog eens, gevoelende dat dit eene aardigheid is die wel herhaald kan worden, “te verbinden, zeg ik, met iemand—dat is te zeggen met een man, van wien men nooit met minachting kan—kortom met mijn achtenswaardigen vriend Dombey, als hij mij vergunnen wil hem zoo te noemen.”
Neef Feenix buigt voor Dombey; Dombey geeft die buiging plechtig terug; iedereen is meer of minder aangedaan door dit buitengewone, misschien voorbeeldelooze, blijk van gevoel.
“Ik heb geene gelegenheid gehad,” zegt neef Feenix, “gelijk ik wel had mogen verlangen, om met mijn vriend Dombey kennis te houden, en die hoedanigheden te bestudeeren die zijn hoofd en ik mag zeggen zijn hart evenzeer tot eer strekken; want het is mijn ongeluk geweest, zooals wij in mijn tijd in het Huis der Gemeenten plachten te zeggen, toen het nog geen gebruik was om van de Lords te spreken, en de parlementaire vormen misschien beter in acht genomen werden dan tegenwoordig—om—eigenlijk gezegd,” zegt neef Feenix, zijne aardigheid met groote schalkachtigheid nog wat inhoudende en eindelijk met een schok uitbrengende, “ergens anders te zijn.”
De majoor krijgt stuipen en wordt met moeite weder bijgeholpen.
“Maar ik weet genoeg van mijn vriend Dombey,” hervat neef Feenix op ernstiger toon, alsof hij eensklaps wijzer en zwaarmoediger geworden was, “om te weten dat hij is, eigenlijk is, wat men in vollen nadruk een—een koopman—een Engelsch koopman—en een—man mag noemen. En hoewel ik eenige jaren buitenslands heb vertoefd (het zou een groot genoegen voor mij zijn als ik mijn vriend Dombey, en iedereen hier, te Baden-Baden mocht recipieeren, en gelegenheid hebben om hen aan den Groot-Hertog te presenteeren) weet ik toch genoeg, vlei ik mij, van mijne beminnelijke en begaafde nicht, om te weten dat zij alle vereischten bezit om een man gelukkig te maken, en dat haar huwelijk met mijn vriend Dombey aan beide kanten een huwelijk van genegenheid is.”
Carker glimlacht en knikt zeer dikwijls.
“Daarom,” vervolgt neef Feenix, “feliciteer ik de familie, waarvan ik een lid ben, met de aanwinst van mijn vriend Dombey. Ik feliciteer mijn vriend Dombey met zijne vereeniging met mijne beminnelijke en begaafde nicht, die alle vereischten bezit om een man gelukkig te maken; en ik neem eindelijk de vrijheid om u allen te verzoeken om zoowel mijn vriend Dombey als mijne beminnelijke en begaafde nicht bij de tegenwoordige gelegenheid te feliciteeren.”
De rede van neef Feenix wordt geapplaudiseerd, en Dombey betuigt voor zich zelven en mevrouw Dombey zijn dank. J. B. stelt daarop een toast op mevrouw Skewton voor. Daarna begint het feest te kwijnen. De geschondene paradebedzaal wreekt zich, en Edith staat op om zich in reisgewaad te gaan kleeden.
Al de dienstboden hebben ondertusschen beneden ontbeten. Champagne is onder hen te gemeen geworden om van te spreken, en men is de gebraden hoentjes, taarten en kreeftensla zat. De lange knecht is weder vroolijk geworden, en spreekt wederom van anderatie. De oogen van zijn kameraad beginnen met de zijne te wedijveren en staren ook naar iets zonder er kennis van te nemen. In de gezichten der dames heerscht eene algemeene roodheid; vooral in het gezicht van jufvrouw Perch, dat van blijdschap straalt, en die zoo ver boven de zorgen des levens is verheven, dat indien iemand haar nu juist den weg naar Ball’s Pond vroeg, waar hare eigene zorgen wonen, zij eenige moeite zou hebben om zich dien weg te herinneren. Towlinson heeft het gelukkige paar ingesteld, waarop de bottelier met zilvergrijze haren met aandoening heeft geantwoord, want hij begint half en half te denken dat hij werkelijk een oud familiestuk is, en dat die veranderingen hem moeten treffen. Het geheele gezelschap wordt zeer luchtig, vooral de dames. De keukenmeid van Dombey, die zich gewoonlijk op den voorgrond plaatst, zegt dat het onmogelijk is om na zulk een dag stil thuis te gaan zitten, en waarom niet met hen allen naar de komedie te gaan? Iedereen—jufvrouw Perch ingesloten—stemt hierin toe, zelfs de inboorling, die in zijn dronk tijgerachtig wordt en de dames (vooral jufvrouw Perch) ongerust maakt door het rollen zijner oogen. Een van de lange knechts spreekt zelfs van een bal na de komedie, en dit komt niemand eene onmogelijkheid voor, zelfs jufvrouw Perch niet. Er komen woorden tusschen de werkmeid en Towlinson, daar zij, op gezag van een oud spreekwoord, beweert, dat huwelijken in den hemel worden gesloten, en hij de fabriek daarvan elders veinst te willen verplaatsen. Hij onderstelt dat zij zoo spreekt, omdat zij zelve denkt te trouwen; en zij wenscht dat de Hemel in allen gevalle zal verhoeden dat zij met hem zou trouwen. Om aan dit schimpen een eind te maken, stelt de bottelier met zilvergrijze haren de gezondheid van Towlinson in, wien men niet kan kennen zonder hem te achten, en niet kan achten zonder te wenschen dat hij gelukkig voor vast gevestigd was met het voorwerp zijner keus, waar zij (hier ziet de bottelier met zilvergrijze haren de werkmeid aan) dan ook wezen mag. Towlinson bedankt in eene rede vol gevoel, waarvan het slot over vreemdelingen loopt, die hij zegt dat somtijds gunst kunnen vinden bij een zwak verstand en een onstandvastig gemoed, dat zich door haar laat verlokken, maar al wat hij hoopt, is dat hij nooit mag hooren dat geen vreemdeling nooit uit geen reiskoets iets zal wegkapen. Zijn blik is hierbij zoo streng en vol uitdrukking, dat de werkmeid het op de zenuwen begint te krijgen; maar juist komt er bericht dat de bruid heengaat, en allen haasten zich naar boven om haar te zien vertrekken.
De reiskoets staat voor de deur; de bruid komt de trap af naar het voorhuis, waar Dombey op haar staat te wachten. Florence staat op de trap gereed om ook te vertrekken, en Suze Nipper, wier positie haar in het midden tusschen het salon en de keuken plaatst, is gereed om haar te vergezellen. Zoodra Edith verschijnt, snelt Florence naar haar toe, om haar vaarwel te zeggen.
Is Edith koud, dat zij beeft! Heeft Florence’s aanraking iets onaangenaams of ongezonds, dat de schoone gedaante daarvoor wegkruipt! Heeft dit vertrek zooveel haast, dat Edith met hare hand wuift, en zoo verdwijnt!
Mevrouw Skewton, door haar gevoel als moeder overweldigd, zinkt, wanneer het geratel der wielen onhoorbaar wordt, in hare Cleopatra-houding op de sofa en stort verscheidene tranen. De majoor, die met de rest van het gezelschap van de tafel komt, poogt haar te troosten; maar zij wil zich volstrekt niet laten troosten, en zoo neemt de majoor afscheid. Neef Feenix neemt afscheid, en Carker neemt afscheid. De gasten gaan allen heen. Cleopatra, alleen gebleven, gevoelt zich na hare aandoening wat duizelig en valt in slaap.
Beneden heerscht ook duizeligheid. De lange knecht, die zoo vroeg alteratie gevoelde, schijnt met zijn hoofd aan de tafel te zijn vastgeplakt en kan daarvan niet losgemaakt worden. De gemoedsstemming van jufvrouw Perch heeft eene geweldige omkeering ondergaan; zij is ongerust over haar man, en zegt de keukenmeid dat zij vreest dat hij niet meer zoo aan huis gehecht is als hij placht te zijn, toen zij nog maar met hun negenen waren. Towlinson heeft een gegons in zijne ooren alsof er in zijn hoofd een rad omliep. De werkmeid wenscht dat het niet goddeloos was te wenschen dat men maar dood was.
Er heerscht daar beneden ook een algemeen zinbedrog ten aanzien van den tijd; want iedereen begrijpt dat het, op zijn vroegst, tien uur in den avond is. Een nevelachtig denkbeeld van gepleegde goddeloosheid kwelt iedereen; en ieder houdt den ander voor een medeplichtige, wien hij liefst wilde vermijden. Niemand heeft het hart om van het voorgenomen naar de komedie gaan te reppen; en wie van het bal durfde spreken, zou voor een kwaadaardigen gek worden uitgemaakt.
Twee uren later zit mevrouw Skewton boven nog te slapen en heeft men in de keuken ook nog niet uitgedut. De akelige schilderijen in de eetzaal staren somber naar de brokken en kruimels, vuile borden, wijnvlekken, half ontdooid ijs, verschaalde, wankleurige kliekjes in de glazen, afval van kreeften, beenderen van kippen, en lillende geleien, die zich langzamerhand in eene lauwe slijmerige soep oplossen. Van het huwelijk is reeds evenzeer het mooi af als van het ontbijt. De dienstboden van Dombey moraliseeren er zooveel over, en zijn thuis bij hunne thee zoo ernstig, dat zij er niets goeds meer van wachten; en Perch, die tegen acht uur uit de City komt, frisch en vroolijk, met een wit vest en een comisch liedje, en een pleizierigen avond denkt te hebben, is verbaasd dat hij zeer koel wordt ontvangen, en zijne vrouw lang niet wel is, en hij den aangenamen plicht heeft om deze dame met den eersten omnibus naar huis te brengen.
Het wordt avond. Florence, die door het fraaie huis van het eene vertrek naar het andere heeft gezworven, zoekt hare eigene kamer op, waar de zorg van Edith haar met weelde en gemakken heeft omringd. Zij ontdoet zich van haar mooi nieuw kleedje, trekt haar eenvoudig rouwgoed voor den lieven Paul weder aan en gaat zitten lezen, terwijl Diogenes op den grond naast haar ligt te knipoogen. Maar Florence kan dien avond niet lezen. Het huis komt haar vreemd en nieuw voor, en klinkt zoo hol. Zij heeft eene zwaarte op het hart, zij weet niet waarom; maar het is haar benauwd. Florence slaat haar boek toe, en de ruige Diogenes, die dit voor een sein houdt, legt zijne pooten op haar schoot en wrijft zijne ooren tegen hare liefkoozende handen. Maar Florence kan hem weldra niet duidelijk meer zien, want er is een nevel tusschen hare oogen en hem, en haar gestorven broeder en moeder blinken daarin als engelen. Walter ook, die arme jongen, die zoo zwerven moet en misschien schipbreuk heeft geleden! o, waar is hij!
De majoor weet het niet, dat is zeker, en bekommert er zich niet om. De majoor, die den geheelen namiddag in een benauwden sluimer heeft gelegen, heeft in zijne club laat gedineerd en zit nu bij zijn pintje wijn, en maakt een bescheiden jongmensch aan het naaste tafeltje (die wel een goede som zou willen geven om te kunnen opstaan en heengaan, maar dit niet kan doen) bijna razend door zijne anekdoten van Bagstock, mijnheer, op Dombey’s bruiloft, en oude Joe’s verduiveld hartelijke vriend, Lord Feenix. Terwijl neef Feenix, die in zijn logement en in bed behoorde te zijn, integendeel aan de speeltafel zit, waarheen zijne eigenzinnige beenen hem misschien tegen wil en dank gebracht hebben.
De nacht, een reus gelijk, vult de kerk van den vloer tot aan het dak en voert heerschappij over de stille uren. De bleeke schemering komt weder door de vensters binnenkijken, maakt plaats voor den dag, ziet den nacht in de grafkelders vluchten, volgt hem en verdrijft hem, en verschuilt zich tusschen de dooden. De vreesachtige muizen kruipen weder weg als de groote deur slaat, en Sownds en jufvrouw Miff komen binnen en volgen den kring hunner dagelijksche bezigheden, effen en glad als een trouwring. Wederom staan de steek en het stemmige hoedje op den achtergrond, bij het uur van trouwen, en wederom neemt deze man deze vrouw, en deze vrouw dezen man, op de ernstige voorwaarden:
“Om te hebben en te houden, van dezen dag af en voortaan, voor beter of erger, voor rijker of armer, in ziekte en gezondheid, om lief te hebben en waard te houden, tot de dood hen scheidt.”
Dezelfde woorden die Carker, terwijl hij de stad inrijdt, met zijn mond zoo breed mogelijk uitgerekt, bij zich zelven herhaalt.
XXXII.
DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW.
De brave kapitein Cuttle verzuimde, toen de weken in zijne versterkte schuilplaats voor hem voorbijvlogen, zonder dat zijne vijandin verscheen, geenszins zijne voorzichtige voorzorgen tegen eene verrassing. De kapitein beredeneerde dat zijne tegenwoordige veiligheid al te verwonderlijk was om veel langer te kunnen duren; hij wist dat, als de wind in een gunstigen hoek stond, de windvaan daar zelden vastgespijkerd bleef, en hij was al te wel bekend met het onverschrokken en doorzettend karakter van jufvrouw MacStinger, om er aan te twijfelen of deze heldhaftige vrouw had zich terstond toegewijd aan de taak om hem op te zoeken en weder gevangen te nemen. Bevende onder het gewicht dezer redenen, leidde kapitein Cuttle een zeer stil en afgezonderd leven. Zelden waagde hij zich buiten de deur dan na den donker, en dan zelfs alleen in de donkerste straten; op zondag ging hij geheel niet uit, en zoowel binnen als buiten de muren zijner schuilplaats vermeed hij vrouwenhoeden, alsof deze door woedende leeuwen werden gedragen.
Het kwam den kapitein nooit in het hoofd, dat het, als jufvrouw MacStinger hem eens op eene wandeling aangreep, hem mogelijk zou zijn om tegenstand te bieden. Hij gevoelde wel dat dit niet aanging. Hij zag zich zelven, in zijne verbeelding, gedwee in eene huurkoets zetten en naar zijne oude woning terugbrengen. Hij voorzag dat hij, eens daar gekerkerd, een verloren man was—zonder hoed, met jufvrouw MacStinger nacht en dag op de wacht, met verwijten overladen ten aanhoore der kleine familie, het schuldige voorwerp van wantrouwen en achterdocht, in de oogen der kinderen een wildeman, en in die hunner moeder een betrapte verrader.
Altijd kreeg de kapitein eene geweldige uitwaseming en eene diepe neerslachtigheid, als dit somber tafereel voor zijne verbeelding oprees. Doorgaans deed het dit voordat hij des avonds de deur uitsloop om wat lucht en beweging te hebben. Bewust van het gevaar waaraan hij zich blootstelde, nam de kapitein alsdan afscheid van Rob, met den plechtigen ernst van een man die misschien nooit zou terugkomen; en vermaande hem, in geval hij (de kapitein) eene poos onzichtbaar werd, om het pad der deugd te blijven bewandelen, en de koperen instrumenten blinkend gepoetst te houden.