Chapter 9
Halfwege de straat werd grauwer de lucht, verzwartte de dakenlijn, leken de gevels, de ramen, de puien te valen in kalkigen avondschemer, wen dingen in verschrikkings-mysterie wasbleek en stom zijn. Er schorde een regen zoo vinnig, zoo knetter-scherend van striemslag dat de bladerlooze, angstige boomen, op zij van den weg, schreeuwende bogen, krakend in huivring, zwart en snijdend naar één richting. In de handen der dragers rukten de parapluies, flapperend--, één, door den wind gegrepen, knerste om, baleinen verwrikt tot een kegel met wild-floepend doek. Er was geen mensch in de straat. Ze lag dood en vereenzaamd in den schemer van straf-fenden mat-witten regen. En plots werd het doodscher, verlatener, rauwer. Hagelsteen viel, hagelsteen op den lijkwagen, op de mannen er achter, op de keien, op de boomen, op de daken. Er kwam een vreemd-bleek, sissend, klettrend geraas in de straat. De lijkwagen ketste de steenen terug, de keien smeten ze op, van de kozijnen sloegen ze neer. Het was een wijd, breed, wit gerucht dat angstige kou gaf, kloppend getik en gewatel op de daken, strak-bevend ruischen door de wolklooze luchten. In de moddrige voegen der keien boorden ijskluitjes, stevig en scherp, te hoop klittend, krielend, speelsch en huppend ver-rollend. Maar het spichtigst-van-aanslag, ratelend, kletterend als 'n zweep die krinkelt en met knallen ontstrekt, hamerden de hagelsteenen op het dek van den hollen, vierkanten, zwarten lijkwagen, die langzaam bewoog, verlaten ding in het witte geraas van de straat. De mannen gebogen, ontwijkend het pijnlijke striemen, schoven dicht naar de koets, plettend de bonken van ijs onder de zolen, ze als sneeuw-koeken mee-dragend. Op hun hoofden, schouders en nekken vielen de steenen, heenknappend, brandend de ooren. Ze liepen angstig en zwart achter den wagen, waarboven één enkele glimzwarte hoed en het grijswitte ruischen omgaf hen.
Heel kort, als 'n krijschende galm die versterft en 'n leegte-van-stilte geslagen, stoof het hagel-geschuim door de straat. Bijna zonder verzwakking of wisling, zweeg het sissend gerucht, kletste de regen opnieuw, neerzwiepend de takken en 'n joelwind steende den huizenmuur langs, die hing als een doek aan rechtspannen lijn.
"Adeschim wat 'n weer!", gromde de groentenjood, pruimsap neersputtrend. Niemand gaf antwoord. Ze liepen zwijgend en stroef tot bij de Poort, waar ze opgelucht stapten in de begraafniskoets die nu in draf reed den Zeeburgerweg. Het was een omnibus met twee houten banken en ramen beslagen met damp. De kist met dood-joggie lag onder zwart trijp aan hun voeten, hoofd-einde bloot van ongeschaafd hout, met zwakjes-glimmende schroeven. De dragers, de vader zaten bijeen aan het voeteind, Eleazar er over. Koud en doornat, met schrijnend-klevende kleeren zag-ie de kist aan, de kist met 't lijkje, dat zurig den wagen doorstonk. Frisch en verkleumd als ze kwamen van buiten, rooken ze sterker den stank van 't heenrottend vleesch. Het schudden der koets had vocht uit de plankjes geschud, plas die ver-lekte naar Eleazar's voeten, als 'n kronkelig lijntje, dun als het spoor van 'n speelsch-natten vinger, stooterig-wijkend gelijk de regen-ribben langs de brommende koetsruiten.
Suikerpeer, koud en lawaairig, had z'n jas uitgetrokken, wrong de zwaarnatte mouwen dat het vuil-zwarte water droop op den vloer van de koets. De handen, paarsrood van kool nog, klitten het goed tot een prop, persend en rekkend. Schreeuwend, om het gedreun van de wielen, begon hij te praten, klagend over het weer en de dragers, blij dat ze veiligjes zaten, schreeuwden hun antwoord. Ze hadden de zwart-natte parapluies in den anderen hoek gezet, waar ze uitlekten in kringen, plassen van heenmorsend water, zwiepten het nat van hun hoeden, poogden de dreuning der koets en het rammlen der ruiten te overroepen. Ze praatten met druk gebaar over het weer en de vader klaagde zijn nood, uitleggend 't geval van de kool, huilrig van zorg en ellende.
Achter de damp-fletse ruiten heenschoot het landschap, schaduw van huizen, zweving van licht over nog groenende weiden. Ze geleken te reizen van dorp naar dorp in 'n ouwe diligence, botsend bij 't harde gebult van den dijk. Bij tijden spuwde de pruimende groentenjood spatsel naar zij van de deur en 'n drager zat geduldig te wriemlen om 'n balein van z'n parapluie te hechten. Zijn voet rustte in steun op het kistje dat zachtekens wipte. Dan met een snellere vaart afreed de wagen de glooiing van den dijk, wiegelend kort bij het stilstaan. Ze stegen uit in den regen, aanvattend de kist. De wind sloeg het zwarte trijp in Eli's gelaat, hem waaiend den zurigen stank in de keel en langzaam opliepen zij naar het lijkenhuis, grijs in den striemenden regen, het bordje voorbij dat daar hing--_Verboden te wateren_, _daar het zand gebruikt wordt voor hoofdzakken_.
Ver weg, als een weide in nevel, lag 't kerkhof, vlak en oneindig met grijs-staande, zakkende zerken. Een kleine watermolen klapperde z'n wieken toen zij den slijkweg beliepen, naar waar de plek was. 't Gaf 't geluid van 'n nijdige fèl-krassende raaf.
VII.
Dienzelfden Zondagnamiddag haalde hij Saartje van school. Het regende minder snerpend-gestadig. Het asfalt der Breestraat was als een bedding van heel-ouden zandsteen door schuring van water beslepen, met staalblanke lichting waar het plein de straatlijn verbrak. In de Jodenhouttuinen morde 't geraas der ventende joden. Er was daar een glim-zwarte oploop van tenten en scharrel van wagens die schokten op knoklige keien. De dekzeilen der karretjes en kramen huifden als schouwen, glimmrend van lakglans en er langs henen schoof 't geduik en gedribbel van petten, het dobbrend gewieg van wijkende, voortzwemmende parapluies. Nauw was de straat. Huizen stonden in lodder van scheemring, maagre, onbuikige huizen, slaaprig als moe-gebabbelde, gapende buren met kurk-kinnebakjes en kwijnende oogjes in taanvel. Ze schurkten dicht naast mekander, met brokklende daken, puinveld van pannen en slijmrige pijpen. Wat uitstaande ramen, ramen van dobbelsteenruitjes, waren zwak van gemijmer door 't machteloos druilwolken-licht, met bleeke weerkaatsing van mat-roestig blik. Langs het lood der kozijnen hing aan de rekken het drooggoed, bij de loods aan de voorzij een roodvoerde deken. Maar zelfs de lichtere kleuren braken niet uit den schemer van bruin-zwart, grijs-zwart en grauw-zwart, die vadzig, logzwaar, de huizen, het puin van de daken, de schoorsteenen, de tentjes omschaduwde. Overal in de stegen en sloppen hadden de woningen het ontwrichtte gebaar van 'n huis waarin brand heeft gewoed--deuren, vensterbanken, gevels schoorden geblaard en verkoold--ruiten waren gesprongen--schaduwvlammen hadden zich diep in de muren gevreten. Nu, bij het gestadig regen-neerdrensen, kreunde de steeg eene zwijgende, passieve smart over 't bewegen der joden, was het glazig geblikker der dobbelsteenruitjes het éénig leven, 't éénig verzet.
Het was nog te vroeg voor de school. Droomerig, de handen in de zakken--telkens als de dag ging zonder doel, had-ie uren en uren die 'n ànder voor 'm scheen te verdoen, uren van wandlen, zitten, kijken, praten, uren waarvan je geen tel hield, uren die sleepten en jaagden, uren waarvan je niks wist als je wérkelijk leefde--droomend, alles ziend zonder aandacht, indrentelde hij de Rapenburgerstraat, keek naar 'n slop--waar, achter 't water, de pootige vormen van eene fabriek opbeukten. Als een reuzenknots was de cylinder-schoorsteen in den grond gedreund, een massale, slank-lijnende speer, hoog boven de fabriekzwaarte bruine roet-boeren gulpend, braking die uit de aarde scheen te walmen. Soms stond het stroeve gevaarte strak als 'n rotsen silhouet, inhijgend de grijsbolle weekheid der wolken, soms ontpropte een grijsbruine gulping den schoorsteenmond. Naast dien onbeweeglijken, spuwenden kegel, vlakte de fabriekswand met 'r vele celramen. De onderste waren door de onderschepping van 't licht goorzwart, vuil-beslagen, hadden geeldoffe kozijnen--de rij er boven was zacht-lichter van glans--daàr boven hadden de ruiten het straf, plooiloos geglimmer van water in maanschijn. Het gebouw leek eenzamer, harder, door die stille glanzende ruiten, wier melkwittig spieglen het weeke der grijsbolle wolken bij 't dak van 't gebouw in vloeiing greep en herhaalde. Starend-in-droom, keek Eleazar beurtlings naar 't afdrijven der wolken, soepel en rustig over het dak der fabriek en naar 't ruiten-spel dat het schuiven en glijden deed wederkeeren. Het werden twee luchtruimen die in damping en nevel bewogen. Donkerde in de wolken een heuvel, zweefde een roetpluim grillig als 'n roofdierkop voorbij, dan kroop op het glas de teere weerspiegling, het vage, loom-trekkend beeld. Toen, ineens, was 't weg, waaide een vette rook-smakking tusschen wolken en ruiten. De fabrieksschoorsteen flapte roetklodders de lucht in.
De rook, die opgrauwende stooting van fluimen, log drijvend één zij uit, schokte hem, deed driftig 'm zoeken àchter de ramen. Het wàs er. Door 't geglim van de vensters had-ie 'r niet dàdelijk op gelet. Achter een deel der ruiten danste aarzlend, verdwijnend, weer ros-wapperend, 't gevlam van verstelpitten. Rook èn vlammen. Ze wèrkten daar nog. Niet alle molens stonden stil. Het oude spel van arbeid die arbeid bevocht, de gruwel van 't verdeeld zijn. Zenuw-vinnig beplukte Eleazar de voering van z'n broekzakken. De verstel-vlammetjes knipperden, vonkten, zakten in duister. Even bleven ze weg, schuilend, geslokt door 't glazig geleef van de ruiten. Dan hikkend, met schokjes en drillend gesar, schoten ze, lekten ze, rood-bijtend en gelig van huppling. De rook uit den schoorsteen neergeslagen door 'n windstoot, wuierde er in zwarte slieren om henen, buil-zwaar en grauw van verneevling.
"Stumpers", zei Eleazar.
't Gesater van de verstelvlammen, het gewroet van den rook zeien àlles van den tijd. De Duitscher, die mèt 'm in 't gasthuis in Brooklyn had gelegen, de man an wie-die zoovéel had te danken, de man die niet naar z'n land terug kon vóór z'n straf was verjaard--had wèl gelijk, als-ie telkens spòttend de arbeidersbladen las, spottend met 't gesnork en geschetter tegen machthebbers die geen machthebbers wàren. "Woorden, woorden", zei-die gedurig als Eleazar tegenstribbelde: "alles woorden! We hebben maar één vijand. Eén. De arbeider zelf".... Ja, ja, dàt was 't. Wat leek 't glashelder dat 'n mensch, eenvoudig 'n mensch was, recht had op 'n natuurlijk bestaan. En wat kostte 't 'n overreding, 'n daaglijksch wanhopig betoog om duizenden 'n eerst haperend kinderstapje te leeren. Zon, natuur, 't schoon-der-eeuwen, niks zagen ze, niks wisten ze, niks lééfden ze. En de nog weinigen die uit de verstikking wèg wilden, die begrepen hoe ieder uur voor miljoenen 'n foltering was, vielen ze in den rug aan, lieten ze struikelen, joegen ze mee op. Als jongen, gesleurd door de omgeving, had-ie helpen verrajen. Wat had-ie gejouwd en gejoeld toen 'r 'n optocht was in de straten, een met 'n rooie lap vooruit liep. Straatvuil en stronken waren in de jodenbuurt gesmeten--de vrouwen hadden gekrijscht en gescholden. Druif--den onderrabbijn--zag-ie nog, bleek en verwoed, schimpend op 't uitschot, de òrde-verstoorders. Toen was 'n periode in z'n leven gekomen, dat-ie zàg en met jongens-geweld meedeed an rumoer en politie-getreiter. O, de kostelijke, màlle dagen van heftig-gepraat, 't in verrukking volgen van sprekers, 't opgewonden geraas als 'n klein ding mislukte. Hoe goddelijk had-ie loopen droomen na 't lezen van Dostojewski's _Schuld en Boete_, gehuurd in 't gore winkeltje van Salli, den boek-sjaggeraar. Als hìj ooit 'n rijken vent vermoordde, bestal, zou-die géén wroeging hebben--gaf-ie alles an de armen, hield-ie geen cent. Waarom had Dostojewski z'n held wróéging opgelegd? Waarom? Als hìj 't deed--en doen zou-die 't--dan kon geen joden-god 'm hinderen--bah!--die god was 'n sinterklaaskoek, een die lei te zeuren, te vloeken--'n misselijk maaksel-van-menschen--'n tyran die jou as 'n hond verwenschte as je niet van 'm gediend was--'n potsierlijke schimper, die zooveel eeuwen vroeger al den jood Jezus met z'n straffen, z'n vloeken, z'n dreigingen van Deuteronomium had gèslàgen. Gek dat de christenen 'r niet an dachten dat de joden-god ze voor àltijd in kwalen en ziekten gesmakt!--Nee, hìj zou geen wroeging kennen, geen schuld, geen boete, as-ie 'n wráák nam! 'n Kàp-pi-ta-list meer of minder--'r kraaide geen haan naar! In Amerika had-ie dat jongensachtig-heete, dat bol gezwets zonder ruggemerg langzaam verleerd, was z'n jeugd-opstand tot bezonnener verzet geworden, z'n dwaze rooie roes 'n door denken getemperde hartstocht, z'n haat tegen den joodschen god 'n simpel meelij met mènschen.
Soms herleefde z'n wrok, voelde-die de kerken als zooveel povere àngsten--sòms als-ie de gods-idee in alle verjonging zag, in allen strijd-tot-herleving, kon-ie zich nauwlijks 't gebid en geprevel en gepreek in allemaal rare soortjes, als 'n heusch ding, als 'n wèrkelijkheid voorstellen. Het ontwaken der arbeiders geloofde-die, wìst-ie thans als 't groeien van 'n plant. Ongeduld, woede, onstuimigheid maakten geen knoppen rijp. Eer 'n eik hóóg in de luchten z'n kruin dreef, eer elk voorjaar bloesems dee glanzen, gingen maanden en jaren voorbij. De natuur had in alles geleding. De gods-idee in alles een schakel. Met ruwheid en onverstand werden wortelen vertrapt. De schoone taak was de behoeding, 't vernielen der rupsen die blaren en nerven wegvraten. Nòg waren de ergste, geduchtste verstoorders de arbeiders zelf. Schönlieb, de Duitscher, had gelijk: dit was de tijd van de machthebbers die geen macht-hebbers waren. Er was maar één macht--één macht--een nàtùurlijke macht--een gòdlijke macht die zichzelve vijandig bleef.
De rossig-bewegende verstelpitten, de zwalpende rook zetten het weemoedig in beeld.
Een grauwe, zwartrandige wolk raakte het dak der fabriek, overschaduwde het glimmen der ruiten. Van elk venster werd het bovendeel schemerduister, lei de benedenhelft in bleek-gladde glanzing. Ze bleven beweegloos als opwaarts starende oogen met weinig pupil en glazerig wit. Ze kolden den muur uit, die krijt-troebling kreeg, als 'n gelaat onder den schijn van een groen-omkapte lamp. De heele fabriekswand met z'n donker-wazige ramen, werd door de grauwing der wolk van een marmeren kilheid, van een wegdeinende bleekheid, van een doorzichtlijke teerheid, alsof ze geen bouwsel van steen en cement, maar 'n droom-ding van nevel en misten. Zoo waren soms ook wel de straten, als 't laatst zonne-rood van 'n dakraam verstoven.
Dicht bij de school, zachjes opwandlend, ontmoette hij Rebecca, de dochter van Poddy. Zij zagen elkander daaglijks, bij Suikerpeer, bij Reggie, bij den cigaretten-jood zelf, op de nauwe, kreunende trappen. Gewend als ze waren aan de schaduwen van het huis, de dag-verleptheid der kamers, gevoelden zij eenige vreemdheid elkaar te ontmoeten in de straat die harder, ontledender werkte. Zij geleek kleiner bij de huizen, de muren--hij bleeker, ònbekender. Hij moest wènnen an 'r ander voorkomen. Ze was 'n mooi, zwart jodinnetje, met los-krullend vol-weeldrig haar en heel-groote oogen. Ze droeg 'n verslonst japonnetje van bruine blokken op dof-paarse streepjes. Voor 'r zeventien jaar was ze volwassen, overrijp, met borsten van vrouw, wat 'r misstond, 'r lichaam ouder deed schijnen. Het vreemdsoortigst, aantrekkelijk, beangstigend, waren de wenkbrauwen, zwaar van groei, in elkander fluweelend tot boven den kleinen, niet gebogen neus. Dat gaf haar gelaat iets van peinzing, ernst, tegelijk bij iederen lach en iedere fronzing 'n kietlende wulpschheid. Gitten 'r oogen in vroolijkheid, dan werden de zwarte brauwen sterker één, verward van pluis, wollig als 'n viltige distel, ruig van kafnaalden-spreiing. Lachte ze niet, kwam de ontspanning, dan bleven de brauwen één van fluweeling. Uilen hadden 't zelfde en katten soms. Als ze 'r oogen gesloten hield, zou je 't niet kunnen zien.--'t Geeft 'r iets gedrukts dacht-ie, glimlachend om tante Reggie's praten dadde zulleke hare boven de ooge ongeluk gavve enne as-die 't niet geloofde, dad-ie dan is most rondhoore bij iedereen.
Zij, gulzig, liep van 'n rotten sinaasappel te bijten, dien ze voor 'n halve cent had gekocht, spuwde met smakjes de schil, de te beurze plekken. Het sop droop van 'r kin, bemorste de bruine vervuilde blokken der blouse.
"Dag"--, zei ze verlegen, 'r lippen nat en met gele draadjes.
"Kom-ie ook voor de school?", vroeg hij.
"Voor me zussie", lachte ze, voor 'm stilstaand. Er was vrijpostigs in 'r oogen. Even hadden ze paarse vlamming door 't schemerlicht van 'n zijsteeg.
"Gaat 'n zussie van jou op school?", vroeg hij opwandlend, kijkend naar de vierkante slijkranden van z'n schoenen. Zij lei 't uit, spuugerig-slobberend van den uitgebeten appel, de pitten rècht voor zich spuwend. Poddy ging meestal zelf. Vandaag was-ie blijve legge. D'r ware gate in z'n heup gekomme en 't been, 't ééne, voelde stijf as 'n paal. Z'n ondergoed had al wèke vol bloed gezete, zonder dat-ie geklaagd had. Hij had de zwere gepapt met korste ouwbakken roggebrood, maar ze werde grooter en nou brakke ze uit op z'n heup. Je wer dood-misselijk as je 't zag, zooveul rauw vleesch, zooveul viezigheid. Bijtend in den sinaasappel, uitscheurend het dradig safraangeel, vertelde ze verlegen-lachend, mallig, ongewoon met 'n haast vréémde in daglicht te loopen. Schuw keek ze 'ns op naar z'n gezicht, kauwde schil, spoog die uit in fijne, geel-ronde kwakjes, zweeg verder tot ze bij school kwamen. De deur stond aan. In de voorhal was niemand.
"We kennen best wachten", zei hij. Zij volgde zachjes lachend, alsof ze iets dee wat niet mocht. Buiten tikkel-spette de regen. Hij, de koude handen wrijvend, en geeuwend, leunde tegen 'n zuil, beluistrend het zwak gezoem dat boven en op zij, van wand naar wand gonsde, overal echoën scheen te vinden, overal kwinkjes sloeg van ver-weg kindergeluid. Zij, over hem, keek naar den grond, spelend met 'r éénen schoenveter, die slijknat over 't hout slierde en slappe vocht-figuurtjes trok. In den halfschemer zag-ie 't sterkst haar ooggitten, de zwarte, kluwige wenkbrauwlijn, den lach van onwezenlijkheid. Als ze opkeek, keek ze 'm dwazerig aan, als ze néerkeek had de heele uitdrukking van 't gezichtje 'n doen alsof ze wìst dat ze bekeken werd, 't wel gek vond, wel gek, erreg-mal en plezierig. Zulk een schuilen en aanschieten van lach èn het glimlachend dwalen der oogen onder de broeiing der brauwen was als 'n opwekking, deed z'n oogen begeerend ontleden, de vormen van 'r beenen in 't deukend, slapplooiiend blokjes-goed zoeken. De scheemring gaf 'r een bekoring, zoo als dingen in nacht doen, boomen in nacht, huizen in nacht. Ze was hier niet 't van den rotten sinaasappel vretende, verwaarloosd-mooi jodinnetje noch 't verlegen kamer-schepseltje dat-ie zoo dikwijls op de trappen voorbij was geloopen--zij stond in schuiling van schaduw, zwijgend, zonder ruwheid, zonder afstootends--ènkel oògen, zwarte oogen onder zwarte brauwen, zwarte oogen in teerbleek vel en tuimelend windsel van wild-krullend haar er om henen. Als ze stràks weer in daglicht zou sjokken, zou 'r vervuild halsvel dat-ie had opgelet, 'm hinderen, ergeren, zou-ie de sopvlekken van den appel zien, het vreemd-drieste der oogen. Nou was ze van 'n onnatuurlijke schoonheid--fijn-witte trekken in slipping van zwart, zonder scherpte, zonder harde lijnen, zonder bruuske verstoring. Zoo had-ie daareven de fabriek gezien, zóó herinnerde hij zich 't kopje van 'n Engelsche danseuse in Amerika, als ze met gespreide beenen op het tooneel lag, het hoofd op 't schuim van crême-cachemier--zoo kulde 't licht met flarden, lompen, ellende. Star starend brandden zijn oogen de hare in, glimlacherde ze niet meer, speelde ze niet langer met den slierenden veter, keek ze terug zonder schuwheid, brutaal, gemeenig van lach, 't wenkbrauwen-zwart als 'n donkere gleuf, de armen rugwaarts om de zuil geslagen.
Er ging een deur open. De klank schrilde een schrik in de voorhal. Watel van kinderstemmetjes tetterde hel.
De deur werd hersloten. Zij, in de weer volgroeide stilte, had zich afgekeerd, lachte naar de zijde van het verscholen geluid--, hij onrustig, stapte heen en weder de hal door, de handen in de broekzakken, nijdigjes, onlekker, half-verveeld, half in kribbigheid van 'n malle schaamte. As je 'n meissie zóo ankeek, zoo smérig ankeek, zoo minuten-lang--zij je oogen vasthield, in zich nam, zonder verzet, zonder weerstand, asof ze zich gàf--dan was 'r goors gebeurd--bleef 'r 'n rillerigheid over je, voelden je handen klam-zweetig na, werd je dagschuw wakker in 'n donkere bedstee, waar je had liggen hitsen en geilen.
En hij vond 'r viezig, afstootend. Ze had niet naakter, zinnelijker voor 'm kunnen staan--als zoo pas tegen die zuil aan.
Er ging een tweede deur open, dichtbij. Een hand hield den deurknop, trok zich terug. Zacht schoof hij naar den kier, keek het lokaal in en groote aandacht verdrong z'n koortsige aandoening. In lange rijen zaten de kindjes, dwaas-kleine kindjes, van vijf, zes jaar, telkens zes naast elkaar in banken zóó laag dat de knietjes raakten het blad-voor-de-handen. Alle handjes waren daarboven gespreid; hoofdjes dicht naast elkaar keken één richting uit. Het waren fletse, bollige, ouwelijke hoofden met kort geknipt haar, hoofden met zeer, hoofden met zieklijke, tranende, roode oogen, hoofden van kindren geboren in krotten, gevoed in krotten, verzorgd in krotten, hoofden die geen licht, zon, weidegroen kenden, hoofden uit licht-en-luchtlooze stegen. Er waren er ver over de honderd. Het was een school met duizend van zulke joden-kindjes, waarvan niet één bloeiend, krachtig, levensgezond. Achter de banken stonden een paar bedjes. In een lag 'n moegeworden meisje van 'n jaar of vijf te slapen, het ander was leeg. Alle aandacht van de kindren, ook die van Eleazar, was bij een hoek van het vertrek. Daar wachtten 'n dertig kindjes op èen rij, jongens en meisjes, dreumessen met afzakkende broekjes, kousen die enkels ompropten. Een paar huilden angstig, werden vrindlijk gesust door de onderwijzeressen, zelf meer kind dan vrouw, in dof-blauwe voorschooten. Naast een kleine, wit-houten tafel, de handen in gedurig beweeg over fleschjes van zwartglas, net-beëtiquetteerd, schalen met water en een groote doos flardjes watten als mopjes sneeuw, zat de armendokter. Eleazar herkende z'n goedig gezicht, goedig van glimlach, goedig van kijken. Het bruin, stopplig baardje raakte bijna het zwartleeren voorschoot dat met banden om den hals hing. Hij was een der weinige dokters in de groote, rommelige stad, die den tact had den armen niet te laten gevoelen hoe ze misdeeld waren, die voor alle zieken 'n gijntje over had, bescheiden en klein iedren dag ùren in de huizen van ellende doorbracht.
Een voor een nam hij de kindjes op, lei een stuk schoon papier op zijn borst--daar tegen kwamen de hoofdjes te rusten. Dan behandelde hij ze. Er zat een jogje van 'n jaar of vier op zijn schoot, kindje met opgezet-fletse koonen, oogranden rood van ontsteking. Glimlachend boog de jodenkop, de vingers aangrepen de oogleden van 't kind dat huiltrekje kreeg.
"Kom, groote man", suste de dokter.
De heele witte oogbal kwam te zien in de dooraderde schelpen van waterig rood--de bezige rechterhand greep snel 'n druppel-spuit uit 'n zwart fleschje, bracht haar tot dicht bij het oog dat heen poogde te krimpen en de druppel brandend _nitras_ spette in de onverweerde kas. Het kind schreeuwde, snot-blaasjes belden uit de neusopeningen, de beentjes spartelden in de handen der helpende onderwijzeres, de vingertjes beplukten heftig de sterke, blanke hand die het oog vasthield.
..."Ho! Ho!... Kom nou!... Wees nou 'n màn!... Zoo... Zoo!"...