Chapter 8
"...Weet je nog van Joozepie oleveschonoe--Wil u gloove Poddy: we hebbe ellef kindere gehad!--as diè wakker kwam en we deeë iets--ù begrijp me wel, dan begon-ie te roope: vàder, vàder, vàder ik mod poe-oe-oe-pè!... Moeder, ik mod poe-oe-oe-pè!... Mijntje, ik mod poe-oe-oepè!... En àls van voren af an, om geregeld mesjogge te worde... net zoo lang tot wij d'r uit moste scheije! Ogge nebbiesch--nou is-die dood en 'n schein kind--werachtig 'n christenkind!..."
"...Ja", zei Suikerpeer snel--vergeefs had-ie met z'n oogen zitten knip-wenken om Essie te waarschouwe dadde Mijntje en Rebecca zulleke bed-dinge niet moste hoore--nou sprak-ie mal-luid om 't gelach héen te praten: "Je ken wadde beleve! Lach nou zoo niet! D'r valt nimmendal te lache! Ja-ja we hebbe al vier kindere na Zeeburg gebrach en 'k denk--dat Brammetje,--dat Brammetje..." Hij stokte in bekijking van het bedsteedonker, waar 'n ademkreuntje in hapering stootte.
"'t Is 'n wònder, 'n wònder die herzensziekte", zei Essie bedrukt, de handen in 'r schoot.
"Alles wat Gòd doet is welgedaan", zei rustig-glimlachend de blinde: je mot God met vràge nie verzoeke--Kom, Eli breng me de trap af..."
Ze stond op, storend Eleazar, die met het hoofd in de hand naar Rebecca keek, naar 'r sappig gezichtje in den tuimel van zwart haar, naar het git van 'r oogen.
Hoe komt die hièr--dacht-ie. Hoe is die zoo frisch gebleven bij ouwe, verdane menschen? En wat lacht ze driest--wat heeft ze gemeene trekkies om 'r mond--wat 'n vreemd snuitje--As ze nièt lacht, me niet ankijkt--as ze stil bij de lamp zit--is ze 'n vervroolijking van de kamer--en às ze lacht--as ze met natte lippen wacht of 'k méélach--gaat 'r iets klams, iets branderigs, iets hinderlijks van 'r uit.
"Blijf-ie zitte, Eli?"
"Nee-nee," zei-ie opgewekt.
Voorzichtig liep-ie voor de blinde, 'r hand vasthoudend, tree voor tree, bracht 'r naar de zoet-walmende kamer benee, stak de lamp aan, verstrooid.
"...Wat doe je? Wat doe je?"--glimlachte ze: "voor mijn hoeft 't alweer nie!... Maar nou je hièr bin--: je boterhamme staan in de kas... Neem-die medeen mee... Hoor je? Hoor-je?..."
In de glazen kast zag hij ze, nam ze van het bord, zei 'r goeien nacht.
"Gebruik je verstand, je verstand, Eli", sprak zij hem na: "wat ken je mazzel weze mee te doen met de òngijn van 'n schtaking?.. 'n Schtaking is ongeluk--òngeluk... Wees geen verschwarzte nar--ik ziè de zake zooveel beter as jij ... zooveel bèter ... zooveel bèter... Ga nou morrege na Berlijn, die heit gróót werk."
"Nee", zei hij beslist... "as 'r geen smàusen en zieltjes onder de arbeiders waren, zouen we àlles doen... Ga maar slapen... Van Dovid's verdiensten vreet ìk niet mee... Ik kom er wel. Goeien nacht."
Hij sloot de deur. Op de plaats was 't nachtduister. In de massale zwartheid der muren, zwart als de lucht boven, broeide venstergekwijn, licht als het rood van moede oogranden. Dat stond zwijgend, had angstige sproeiïng van rottend rood in het plompe, builende zwart. Zelfs geen menschenbeweeg en geen schaduw, enkel vaal-rood langs ouwe gordijnen.
Het hol van de poort wasemde schuifelend grondlicht. Met het brood in de hand ging Eleazar er heen, struiklend over een emmer die niet was binnengehaald. De deur van den schoenmaker stond wijd-open. Hij zelf zat op de keldertrap, arbeidend voor de tafel, die hij naar zich toe had getrokken. De vrouw was gaan slapen bij de kindren in de bedstee. Het water, hooger gerezen, had gouden glanzels en 'n keeglende gouden lampe-baan naast de teere weerspiegling der tafel.
"Nou zie je wat d'r hurrie geholpe heit," praatte de schoenmaker voortwerkend: "as je de hàlve nacht blijft scheppe, helpt 't nòg geen mieter! Zoo ken 'k teminste werreke en morrege trekt 't de grond in. Dat eeuwig geneuk van die wijve!"...
Zijn hamer beklopte een zool, indrijvend de pinnen, de vuist, prop om den steel, schoot driftig op naar het oor en weer neer.
"Werk plezierig," zei mat Eleazar.
"Plezierig!--Plezierig!" herhaalde de man monotoon en flauw-lachend.
De trap kraakte stug onder zijn voeten, nu hij naar boven ging. Hij bewoonde de kamer bòven Suikerpeer. Amerika had 'm verwend. Hij had niet meer kùnnen slapen, sámen met Dovid op den grond van de alkoof, bij tante Reggie, Saartje en Moosje. Hij woonde alléén, at bij Reggie. Zoo was 't het beste geschikt, niet te duur. De kamer dee vijftig cent in de week--en hij was vrij. Bij Podnowsky, den Pool, stond de kamerdeur aan. De lamp had gestoomd. Zweving van roet was tot op 't portaal.
"De lamp heit gewalmd. 't Stinkt," zei Poddy, die rondliep op kousen met knollige gaten. Aan oude bretels hing zijn broek en de paars-groene borstrok omspande de magere borst. Vaag zag Eleazar een bed op den grond, hoofden van kindren, 't open gesprei van een bedstee, een pot en op tafel stronken van bloemkool. Meer bij de deur stond een kleinere tafel met doozen tabak en sigaretten.
"Da's mìjn negotie," zei Poddy, strijkend de hand door den baard en wijzend naar de sigaretten: "daar mod-ik me vijf kindere d'r monde mee stoppe.--Wi-jij d'r een rooke, 'n echte Rùssische, na je soupé? 't Is 'n fijne."...
"Graag", sprak lachend Eleazar en terwijl de hoekige jood er een uitzocht, keek hij naar 't matras op den grond, waar hij hoofden onderscheidde--een klein kind--een jongen met aankomend snordons--en Rebecca die 'm aan lag te kijken, lachrig-verlegen. Bij 'r hoofd, op 'n stoel, was 't slordig gekreuk van 'r rokken, 'r broek bovenop met nog slingrende banden.
"Rook 'm bij je soupé," zei Poddy: "en doe niet as Dovid 't pèstgezich! Jij heit gelijk. Gezegend zal je weze."...
"Dank je. Goe-nacht. Slaap wel," wenschte Eleazar, hooger klimmend naar zijn kamer.
Er was geen licht. Tastend in 't donker, duwde hij het raam op, schoof den manken, matten stoel bij, begon van de boterham te eten. Maar na een paar happen, in onrustige gedachten, lei hij 't brood op de vensterbank, keek naar de dakpannen aan de overzij. Het was een volkomen donkre nacht. Voor hem uit klompten de daken diep-zwart, bizar en geweldig, vreemd-gestolten pantser over het leven daaronder, grauw-ijzren domper over rood-kleine kamers. Een eenzaam dakraampje in de zwarte allee van vele giganteske dingen had hetzelfd rottend rood der ramen van straks.
VI.
Bram, 't kwakkelend kind van Suikerpeer was gestorven. Op 'n morgen lei 't dood in de bedstee naast vader, moeder en Bekkie. Het gaf weinig verwondring in 't huis. Poddy kwam eens kijken, tante Reggie sukkelde de trap op,--er werd 'n uur verdrietloos gepraat. Langer niet. Suikerpeer had 'n partij bevroren rooie kool gekocht, die door de muffing der kamer bedorven was. Ze hoopte achter de deur in manden. De onderste rotten al weg, doorstonken de kamer, waar 't dood kindje op stroo was gelegd, nauwlijks 'n bobbel onder den doek. Den heelen Vrijdag ventte Suikerpeer, verkocht weinig. De kool was rinzig en week--de menschen wouen 'r niet an. En het regende geweldig. Doornat, met kleeren die 't beenig lichaam beplakten, kwam-ie thuis, sjouwde de mand met de meegenomen negotie naar boven, 't lijkje voorbij, smakte 'r neer in den hoek, bij de rest.
Nog hijgend van 't traploopen, grimmig-verstoord door 't watergesiep in z'n nek en de kou van de voeten in de stukkende schoenen, huilde-die 't uit: "...'n Verlamming in d'r tong zoo hebbe ze afgeboje!... God zal ze verdomme!... 't Rottuig!... Nog geen tien stuiwer gehaald!... Hoe komme me cente d'r uit!... Me paar ongelukkige cente zijne naar de aschmedij! Hoe kom 'k an 't geld voor me sauger! Hoe kom 'k an nieuwe negotie! Is dat 'n ramp, 'n ràmp! Daar zitte we met de stinkende kool, godverdommè! godverdommè! godverdommè!"
Op een stoel bij de tafel was-ie steunend gekwakt, de vingers geklit in het haar. De schorre, verwoeste stem kraakte de smart uit, krijschend, met ruwe snikgillen. De handen rukten het hoofd heen en weer, hartstochtlijk van wanhoop. Het waren groote, grove handen, paars-rood, diep in verf van rottende kool en de toppen der vingers, dik, vleezig, zonder nagels, hadden ingebeten klodders van zwaar, rauw indigoblauw. Over het geel-bol gelaat, grijs-bestoppeld, hadden ze gewreven, de tranen wegsoppend, de wangen besmerend met waternat blauw, dat ver-lekte in rood. Z'n heele lichaam, z'n kleeren, z'n pet, z'n schoenen, waren van dat fronzend, vlakkend paarsrood koolsop. En de manden waaiden een lucht in de benauwde, warm-stookte kamer, alsof een lang-gebruikt privaat open stond.
Het krijschend, snikgillend gehuil van den groentenjood, sloeg zelfs de kindren in zwijgen. Esther, Jaantje, Flippie en Bekkie zaten om de tafel, spelend met een bordpapieren prent, die Jaantje in een vuilnisbak had gevonden. Ze leien daar afgebrande lucifer-stompjes op, zeien telrijmpjes. Mijntje was bezig met 't eten, Meijer juist thuisgekomen met groene, geelbultige augurken, stond stil in den hoek bij de dof-roode, weeke, paars-sop plassende kolen.
"Maak je nou nie van streek," zei Essie: "in gosnaam!.. Wat ken je d'r an doen?... Beter as 'n arm of 'n been gebroke... En--en was verstàndiger geweest... D'r zit geen brooge an kool..."
"Klets me niet! Klets me niet! Wat hei-'k daarmee an me kop, godverdommè!", huilde de jood, opschokkend, de kamer doorloopend, van het lijkje naar het raam en wild met de armen bewijzend wat-ie wou zeggen: "Me heèle handel zit 'r in, Addenòj!... Waar mod-'k 't uitscheure om Tobie te betale!... Hoe kom 'k an nieuwe handel!... Met de pest-sjabbes rotte ze nog meer!... En Zondagmorrege de lawaaie!... Wor jij daar niet mesjogge onder!... Wat mod-'k beginne! Wat mod-'k beginne!... Godverdommèèèè, godverdommèèèè!"...
De wanhoop van den tegenspoed, het schrijnend-kwellende der klevende, zware kleeren, zwart van regenwater, deed 'm dierlijker, rauwer schreeuwen.
"Hou toch je schmoel voor de bure!--Geef je vijànde te vrete!", zei Essie zangerig-schel.
"Laat ze de koorts krijge!... 't Ken me nie verdommèèèè!", raasde hij, haar toesnauwend: "...Ik maak me de sappel--ik werk me kepot voor 'n nest kindere--ik sloof me uit, godverdommèèèè!--En wàt mod-'k nou beginne!... Wie betaalt?... Een 'n makke die 'n cent borgt voor nieuwe handel!... Waar mot 't heen, mot 't héén!"...
Radeloos, het geel-bol gelaat met smartkrullen om den mond, de vuisten krampachtig gebald, liep-ie heen en weer, driftig van duwstap alsof-ie z'n wagen kruide. De knoestige, harde knieën wrongen in de oude, beslijkte, afgetrapte broekspijpen, de voeten in vierkante, water-roglende schoenen, trapten tot bij het droog-zuigend hooi dat in piekingen berstte alsof een pakkist was omgesmeten.
Mijntje bij de kachel, zwijgend, schudde een pot, wat kraking van opgehitst vet tegen het ijzer gaf. Essie, zelf niet lekker--al twee dagen most ze elk oogenblik op de ton, waar ze kreunde van kramppijn--troostte in drenzing, tegelijk met verwijten als wijs-joodsche vrouw, die 'n schlemiel van 'n man heeft.
"...Schei uit met je gebler en geschreeuw!... Wat geeft 't of-ie je nòù de sappel maakt?... Had nie-zoo mesjogge geweest!... Hei-'k je nie daalijk gezeid, dat je d'r an bekoch was!... An al wad-jij doet is geen mazzel, geen brooge... Hei-je je laast niet in je vingers gesneje met beurze appele, jij met je wijgoogeme kop!--
En met je uien!--Heit-ie óók allemaal fròtte uien gekoch!... Hoe ken me zoo verschwarzt zijn om twee honderd van die schtinkende kole te koope voor vier cente 't stuk?.. Ik zweer je, ìk geef 'r nog geen cènt voor bij mijn gezond.--Kijk wat 'n mande daar met vuiligheid staan--de slik loopt 'r uit... 't Is 'n neweire voor God, 'n nèwèire!"... "Leg je ziek", snauwde Suikerpeer, stilstaand: "voor wie doe 'k 't? Wat hei-'k 'r van? 'n Hap vrete nog nie-eens! Val jij dood! Wat klets jij, godverdommèèè, as 't gebeùrd is"...
Zij driftiger, ketste de vloeken: "Barscht jij!--Jij breng toch 't fressen van de kindere 'r mee door! Vraag an wie je wil, an Poddy, an Dovid, an Reggie, of ze zoo mesjogge zoue zijn om tweehonderd kole te koope die stinke as de pest! Tweehonderd frotte kole!--Tweehonderd kole-van-afval!--Nòg, wad-'n sauger!--Waas steh ich aus! Waas steh ich aus!"...
"Krijg 'n miessemisschinne!.... 't Vrete in je lijf zal vergif worde!", vloekte Suikerpeer, schor, kwaadaardig: "as 'k ooit weer 'n cent handel drijf; vuil sekreet!... Ga jìj onder de mensche, doe jìj inkoop!.... Vuil sekreet!... Zal ze me nog verwijte!... Da's voor me kòstelijke sjabbes"...
"Sekreet! Sekreet!", schreeuwde Essie, verwoed, bleek onder 'r zwarten bandeau: "'n Sekreet da's je mòer, da's je mòer! Og wat 'n vuilik, wat 'n kànker van 'n vuilik die de moeder van z'n kindere voor sekreet uitscheldt!... Og, wat 'n pleegisch!"...
"Pleegisch, pleegisch!", herhaalde Suikerpeer dof, verslappend, rillig: "noem wéér is me moer! Stop jij je kouse! Stop jij je kouse! Schijthuis! Afgedankt schijthuis!"
"Da's je zúster, da's je zuster", keef Essie, zangerig-krijschend.
"Wor blind!", snauwde de groentenjood, oud, òp, hurkend bij de kachel, waar-ie z'n stukkende schoenen uit-trapte.
"As jìj 'n pestkoorts krijg, zal ìk me blind legge, dan hebbe we zàmen wat"--, verwenschte zij, bevend-van-woede en nog làng, gruwlijker vloekend, nou hij lam-lusteloos, met opgetrokken knieën bij 't vuur zat te rillen, bleef zij op 'm afgeven, hitste de ramp-in-de-negotie hen op tot knarsende, bijtende verwijting, waaraan de kindren waren gewend. Bij de tafel waren ze hun spelletje weer begonnen, fluistrend, half-angstig. Meijer dee ook mee, schoof de lucifers-stompen over de bruine, verteerde prent en de lamp begeelde rechtstandig de hoofdjes van ziekte-doorvreten, belichtte de kamerhoeken met de ettrende kool en het stroo met den slap-bultenden doek.
Zaterdagavond was 't lijkje gewasschen, gekist. Ze hadden het vlassig haar gekamd, de nageltjes uitgehaald, 'n schoon hemdje om het klein zuur-stinkend lichaam gewikkeld. Op twee stoelen zag Eleazar het kistje, toen hij dien Zondagmorgen bij Suikerpeer kwam.
Essie lag te bed, koortsig, met krampen. Mijntje had vijf centen gries gekookt, schepte uit een roodaarden pan, bediende de kindren, die aten met honger. Ze slurpten de pap, slobberig-zuigend, monden bekwakt met klodders gries. Bekkie, de jongste, wroette met grijpende vingers, smerend de waatrige brei om den spelenden mond--Mijntje, gebogen over de tafel lepelde den pot uit, schraperig-hard langs de randen tot waar op den bodem de portie van water en kluiten voor vader bewaard bleef. Neer was 't raamgordijn, vergeeld in streeprige plooien. Een bruin-gebrand gat met vaal-bruine pluizen stiet 'n kartelbrok grauwlooden lucht in 't transparant, waarvoor de kindren, gulzig van handheffing aten. Er was eene zoet-rotte benauwing in de kamer. Het gesmeul van de kachel, stank van den pot met waterig vuil, dien de bedstee voor den armendokter bewaarde, mestvaalten-damp van de koolbladen, 't koolsap, de koolsmurrie, zuur geadem van het lijkje op de stoelen, dat in verre ontbinding was. Bij den poot van den stoel, door de vergane rietmatten zitting heen, lekte het, waterig vocht dat de withouten wanden van 't kistje ontsiepte, spettend, met zacht-snelle schrikjes neerdrupte, in den morsigen grond eene rustige holte vrat. Dichtbij lagen vertrapte koolbladen, donker en slijkerig-paars.
"... Bin jij daar Eli?", vroeg Essie, opzittend in 't bed: "ach, god ik bin zoo ziek... 'k Loop gemoedereerd leeg.. Al drie dage bin 'k an 't afgaan--net water--wàter.--En 'n pijn in me lijf.--En in me rug.--'k Ga geregeld èllek oogeblik"...
"'t Zal wel betere", zei hij vrindlijk. Bij de tafel ging-ie zitten, nam driejarig Bekkie op zijn knie.
"Betere... Betere", klaagde zij kreunend: "ù voelt niet wat ìk voel--U heit mooi prate--Ik lij àardig--Die krampe!--Die krampe!--'t Is geregeld of me buik van mekander wordt getrokke--En waar die vuile, frotterhaurik van 'n dokter blijft! Laat Mijntje u is vertelle hoe dikkels as ik op 't huissie bin geweest"--In haar stem was angst, angst die behoefte aan klagen had.
"Kleinigheidjes gaan voorbij", troostte hij: "u moet u niet zoo gauw bàng maken."
"Bàng"..--, zei zij ineens onthutst, flauwtjes-glimlachend: "wie spreekt daalijk van bang?.. Ik wèèt wel dad-'t met God z'n hulp niks is--Maar je ken toch nie wete, wat zeit-ù?--Zoo'n aardige pijn.--Zoo'n áárdige pijn..."
De kinderen slobberden pap, smakkend en zuigend, schrokkig kijkend naar Mijntje die schrapte. Meijer, 't eerst klaar, belikte 't bord met z'n strakspannen vinger, Bekkie in grappig beweeg doormorste 'r kom. 't Werd stil bij het tikkend scheppen der lepels, maar Jaantje, bang voor Meijer die slùw van 'r snoepte, wegtrok 'r bord dat 't glee van de tafel en viel op 'r rokje. Hard klonk 'r gehuil en heftig van woede sloeg ze den jongen in het gelaat.
"Nou! Nou! Is 't uit!", dreigde Mijntje.
"Hij heit van me bord genàscht!", schreeuw-huilde het kind, pogend de pap van 'r jurkje in 't bord terug te lepelen. Maar de gele kwakjes vielen dik op den grond. 't Dee haar verwoeder schelden: "vuile ganf, smeerlap, dief, pestkop!"...
"Ik heb nie van je bord genàscht", loog Meijer. En ineens was er een koor van joden-stemmetjes: "'t Is wel waar! 't Is wel waar, Mijntjèèè! Hij heit 't wel gedaan! Ik heb 't gezien, Mijntjèèè! Mijntjèèèè!.. Hij lieg 't, Mijntjèèèè. Hij is met z'n vinger in 'r bord gewees, Mijntjèèè!" Zij schreeuwden door elkaar, Esther, Flippie, Jaantje, Meijer, opgewonden--, Jaantje rood van het huilen, ijverig bezig het sop van 'r jurkje te schrappen.
"Dan zalle me hande afvalle, as 'k 't gedaan heb", schreeuwde Meijer schor.
"Houe juillie je bekke!", schreeuwde Mijntje, nijdig zich bukkend over de tafel.
"Mot hij van me pap gànfe!", huilde Jaantje na: "die stinkert!... die pàrg!"...
"Parg, dat bin jij!", schold Meijer: "jouw loopend oor zei je meene, bedpisserin!"...
"Wil je je schmoel houe!"--, gilde Mijntje dreigend.
"Jìj bin 'n beddepisser, jìj!" verweet Jaantje, krijschend met vinnige snikking.
"Dat lieg-ie! Dat lieg-ie!", schold Meijer, spichtig van drift: "Bin ìk 'n beddepisser, Essie?... Jij bin 't!--Jij!"...
"Zoo za-je dood blijve zitte!"--, vloekte 't kind simpel na-kijvend den toon van 't huis.
Moeder die de bedstee-deuren wijder had opengeduwd, vergeefs 'r tusschen wou komen, zat kermig te schudden, zanikend te klagen. O, o--'t was 'n bezoeking. Geen oogeblikkie denke dad-zij zièk lee--enne hóé ziek--enne wàd-'n stekings om ongerust van te weze.
"Me hoof! Me herzens bàrste! Me hoof! Me hoof!", zat ze te weeën, de handen gezogen op 'r ooren.
Mijntje, met 'n woede-gezicht, alsof ze 'r op los zou ranselen, zocht met 'r oogen wiè ze zou patsen:
"As je nog éen woord zeit, sla 'k je àllemaal op je schmoel, tuig, frot tuig!"--, dreigde ze, kwaadaardig. Dat gaf stilte.
Na-snikkend bevingerde Jaantje 'r bord, waarop nog wat kleevrige pap en Bekkie, rustig op Eli's knie, keek als in droom naar 't doen van 'r zusje.
"...O, wat hei-'k 'n pijn, wat hei-'k 'n pijn!", klaagde Essie weer, in de bedstee: "Tuig! Zijne dat kindere? Dat zijne geen kindere! Dat zijne beeste! Dat zijne tuig!--O! O!--Addenoj, wad-'n stekings!--Wad-'n stekings!"...
Mijntje most 'r den pot in 't bed anreiken en de bedstee-deuren werden gesloten. Terwijl kwam Suikerpeer boven. Dof, zonder spreken, zat-ie over Eleazar, at uit de roodaarden pan de rest van de griespap.
Even voor twaalf reed de koets door de straat, langzaam van paardstap. Het was een dag van zwaar-striemenden regen. De keien hadden geel-schuurde koppen--geulende geutjes ribbelden langs de rechte stoepranden.
Achter de tree van de koets liepen zij aan, de vader, de dragers en Eli--de dragers geschut onder druipende schermen, de andren stroef in den regen. Zwak was het menschen-beweeg. Er haastigde een harige hond met vacht diep van water doordonsd en een agent geschurkt in z'n jas stond op den hoek van de gracht.
In de Brééstraat was meerder geloop. Daar lag het asfalt glad-gelig te glanzen, strak-weeke vaart met heensproeiend water. Alles had er een glim in, de wielen, de tree, de opgaande voeten, glijjende spiegling van lichtende dingen, verdrongen door schaduw-geschuif, verdrabd door modder en paardevijgen--tot 'n gele asfaltgeul, schoongeregend en glanzend, opnieuw een echo glibberde van wat boven bewoog en voorbijgleed. De paarden liepen sterk te beklappen den weg, kort-scherpe klikken van ijzer op steen en de koets schokte soms als de kar-van-een-bakker die holbollend dreunt in vroegmorgen.
Eleazar hield de handen in de zakken, kouwlijk en nat, schuilend achter den wagen. Er ging een kerk uit en zacht-ontevreden door 't vinnig watergespet, zag hij de stuwing der vrouwen en mannen, die drongen de koets om, warm nog van kerklucht, met bidboek en dof-natte schermen. Ze praatten wat luid, te wit van dampenden adem en 't guldsel van 't bidboek goudde 'n grijns in 't asfalt-gespiegel.
De koets schokte zacht, 'r veeren pletten in zwakken cadans--het ijzer der wielen schuurde staal-blank, water opstuivend in vlak-witte sissen naar 't glimzwart schoenengeloop. Zoo ging het voort, rustig en kalm--kreunen alleen uit 't donker lijf van den vierkanten wagen--naar de zwijgende, grauw-stugge synagoog, waarvoor de koets met de sullige paarden en 't kinderlijkje even kniezend 'n groet gaf. Striemender van slag gutste de regen, metaal-witte kopjes ketsend op keien en stoepen. De menschen gingen in snel gevlucht langs de huizen, bukkend tegen het felle gezwiep. En de koets reed iets vlugger. Langs de gracht naar de wijdere straat, de lange, breede, oneindige straat.
Suikerpeer, zwijgend, vaal-zwart door den regen, spuwde fluimen pruimsop, keek naar den grond. Het water had smakkende bulten gevreten tot diep bij zijn knieën en klukkelend wrong 't z'n schoenen weer uit. Naast 'm een drager die goedig 'm mee wou doen loopen onder de parapluie. Maar het water daarvan gootte in gulpen op de pet van den stappenden jood. Ze spraken niet. Norscher, hoekig van elboog-beweeg, liep Eleazar achter den drager. Niet langer vermeed-ie de plassen, baggerde vijandig, wreed-van-aanvoeling-der-dingen, kleumig van kou. Z'n schouders, z'n rug, z'n knieën waren doorweekt--de voeten geleken te schrielen in 't persend, logge gehang van schoenen en kousen. Langs den rug rigde 't water, schrijnend de huid, kruipend langs warm-stijve haartjes de bil over, zuigend klam in 't goed. Alles plakte, kleefde, wóóg, het vel broeide jeukrig, bewreven door 't bits-spannend hemd. Ook in z'n broekzakken liep water, weekend den lauw-bollen zakdoek, het kantig lucifersdoosje. Dat hield-ie nu in de hand, 't betastend en knijpend tot 't losweekt papier er afrulde in wee-warme rolsels. 't Gaf hem een viezig gevoel van groote ellende en kribbig bedacht-ie de woorden op 't géle papier, ze zeurig herhalend--Säkerhet--Tändstickor--Tändstickor--Tändstickor--.