Diamantstad

Chapter 6

Chapter 63,781 wordsPublic domain

De arbeid ging met minder gepraat. Hes, de brillandeerder, bracht een vierkaraats-steen bij Juda, den baas, die 'm hield bij den kolet en in keuring bedraaide. "Gááf goed," zei hij knikkend. Eleazar keek toe. In de zwarte, stompige vingers van den slijper, tusschen de rauwe, eeltige nagels teer-de het blauw-lichtend geflonker van facetten en de ribjes zetten kuiven van smachtend, waterig blauw als nachtegaal-kweel in staalblauwen nacht. Bij het stil gepuil van de vingers, in wier vleezig vuil de steen leek gegroeid, ontstraalden aan de facetten schampjes rose en rood, door-gurgeld van blauw en groene schietende vlasjes en er trosten vluchtende spetjes geel, crême en lila, aarzlend schuilend in zeegroene kolken, dan weer plots overpurperd door bloedroode schijning in 't hart. Aan de andere zijden, op gelijke facetjes, trilden en beefden violet in wazen van mosgroen, grijs van doorlicht water, blauw van kinderoogen, met zachte opgloeiing van wijnrood en phosphoresceerende sprankels. Juda's vingertoppen, grof en zwart met de plat-breede nagels, hielden den kolet, stonden er plomp en stevig rondom, vreemd aan 't soepel geweef, dat zonlicht geleek, gestold, in kristallen gesmeed.

"Prachtig blauw-wit," zeide Juda, den steen nederleggend en weer een der eigen doppen beziend die in het soldeer glasscherfjes geleken, ondervroeg hij Eleazar, deelnemend en goedig.

"'k Had opgespaard," zei deze, pratend dicht bij 't oor van den slijper: "maar drie maande in 't gasthuis... en 'n zuster gestorve en de kindere hier... en de reis... 'k Loop zonder 'n cent... zonder 'n cént... Heb jij geen werk?"...

"'Wou dàd-'k 't had," zei Juda, zich omdraaiend op de kruk, het hoofd in denking gebogen, de oogleden neer achter de bril.

"Dovid loopt óok zonder werk... al wèken," zorgvol Eleazar sprak. Er kwam gezwijg tusschen hun hoofden. Het gebrom der wentlende wielen, gromde als knoersing van roestige walsen. Scherp klikte de mortier van den potjongen en uit den hoek, achterin, zeurde het grijze gegalm van een chipsmaker.

"Vrijdag schei 'k zelf uit," zei Juda: "de helft van de molens staat leeg... En 't wordt erger."...

"'t Kan niet erger."...

"'t Wordt èrger," voorspelde de ander. Buigend, het grijs-stopplig hoofd dicht op de tangen, verzette hij de grauw-zilvren looden, bekeek de doppen, waarin het zwakke geglans van ingesmolten steenen. Zijn elbogen hoekten wijd uit en de schijf schijnbaar-beweegloos met staalblauwe kringen onderschuurde de diamanten. Tang voor tang nam hij op, zette de schroeven wat aan, lei rustig de looden weer neer en de poederpen betipte de schijf, die scheen zonder trilling. Dan kwamen 'r streepjes in 'n steen, daar de schijf begon te steken en dieper neerbuigend polijstte hij na op den zoetkring, de hand op het lood. Naast hem zaten de andren, Moppes, Klaroen, Leon en Hes. Achter Klaroen was Rijst, de versteller, en over Hes, àchter den molen, slaaprig van kijken, oogjes laf van verveling, hangelde Laban, neefje van Hes, die het vak nog moest leeren. De ruggen der slijpers builden in de blauwe werkjakken, hun armen waren als scharen gericht, wiekten terug en weder vooruit in happenden greep naar de tangen. Zij wrongen de doppen, smeten ze toe den versteller, die z'n tabaksstompje bekauwde. Zij zaten gewend met de ruggen tot het licht dat hun jakken en hoofden van achter bleek-strak bescheen. Hes en Klaroen hadden aan de koperen pinnen van hun kastjes horloges gehangen; Leon, warm, knoopte z'n jas los, dat de bruin-gele nek en 'n stuk van z'n schouder overvleeschden het blauw van z'n jak. Boven het beenige hoofd van Hes, hingen de kleeren, vesten en jassen, halfhemdjes, dassen en bestofte fantasiehoeden. Hes floot 'n deun, saamproppend de lippen en Leon zingend met dik-gezwollen stem, overkrijschte het logge gesnor der wielen. Dat zette d'anderen aan en een oogenblik bralden ze samen, op rythmus van 't dreunend wielengeslier. Klaroen, geel, met diepliggende oogen, trapte om dan z'n tabouret, kwam Juda 'n dop toonen. 't Was 'n steen hard als boort, in kruis geslepen, in bewerking voor achtkant. "'t Mot 'r uit!", zei Juda: "d'r in ken 't niet blijve." Weer naar den molen terug stugte Klaroen, zorgvuldig de looden neerdrukkend en Hes op zijn beurt toonde een dop, dien Juda keurend beknikte. Leon smakte een koekje met amandlen belegd, kauwde langzaam en zeker met sappig gemaal--dan weer opensplijtend z'n mond, zong-ie dikker en meerder gezwollen. Ook de chipsmakers galmden. Het werd een geraas strooprig en bot, roggel van plompe geluiden, ondergromd door het dronken gelal der assen, wielen en riemen.

Gekromd op de kruk, lusteloos kijkend, zat Eleazar en vroeg: "zou 'r werachtig geen kans weze, Juda?"

Hij vroeg 't slaperig-moe, gejaagd en verslapt door 'n onrust die 'm meer bekleumde als 'r onweer of storm stond te wachten. Dan kilden dikwijls z'n handen en voeten, werden z'n oogen heet en klein-gloeirig, drong de tong als 'n krop naar z'n keel. Dan zag-ie 't leven als 'n zwaar, moeilijk-bewegend ding, leek elke dáád 'n kwellende drukking, werd iedre vraag, ieder voornemen 'n onrustig getast dat geen doel had. 't Liefst had-ie z'n roozig, prikkel-warm hoofd tegen de werkbank gesteund en gedommeld. Na dagen en dagen gepoog om 't fut van handen en armen te verkoopen, gaf 't geweld in de zaal en 't onweer-gezwoel 'n trage, laffe benauwing van onmacht: "Weet je nerges wat?"--, zei hij nog eens in lodder van gestoorden slaap en vermoeidheid.

"Wat zei-je?"--, vroeg Juda, weg in z'n arbeid.

"....Weet je nèrreges werk?"

De schouders van den grijzen, mageren slijper schokten ontkennend: "d'r loope 'r honderde leeg.... niet te telle."

Het gezwijg hield hen weer bezig in 't gestommel der zaal. Warm, met heete prikkelingen over de tong en 'n inerte verdoffing in z'n denken, stutte Eleazar het hoofd op de klam-kille handen, keek met nattige oogen naar het doen van Rijst den versteller. Hij had 'm als jongen gekend, om 'm gelachen toen-ie met blaren an de handen liep, met bloedende blaren van 't kokend soldeer. Rijst stond in het kalk-witte licht van het raam, bezig 'n dop op te maken. De eeltige, dikke vingertoppen kneedden de plaatjes soldeer, die kruimden, bijkants broos, smeltend en weer opgeduwd door de handige slaagjes der tang, alsof smijdig klei werd geboetseerd. Op den dop bolde het metaal, overschuimend, groeiend tot een bloem van vleezige, kantige bladen, maar de tang scheerde er langs, gladdend de hoeken, vormend het vloeibaar soldeer in ééns tot een glanzenden eikel voor Hes, den brillandeerder. Ernstig gebogen over den dop, die in het blok rustte, besmulde Rijst de platgekauwde sigaar, lachte tegen Eleazar. Met de versteltang tipte hij de brillant op 't puntig lijf van den eikel, drukte haar schuiner en de eeltige vingertoppen beaaiden het gloeiend soldeer, het smerend als olie om 't ophoekend deel van den steen. Hoe dikwijls Eleazar 't had gezien, keek-ie met verwondring naar de verkoolde vingertoppen die het vloeibaar metaal aandrukten, gladden, zoo gedaan hadden van af de dagen toen 't vleesch nog gevoel had, toen zich bultige blaren vormden die open gingen, etterden, bloedden en weer opnieuw gepijnigd werden door 't schuimend, kokend soldeer.

"Wàrrem vandaag"--, glimlachte Rijst rustig, en de dop, in den bluschpot gesmeten raasde damp uit het water. Dan was hij dadelijk bezig met een nieuwen dop, dien de vuurtang uit de verstelpit lichtte en waaruit de andere tang de brillant met voorzichtige knijping nam. Uit den bluschpot proestte damp van korzelig water en de pitten, nu niet bezet, snoven vlammen van wapperend geel. De houten blokken wachtten als roemers--een met den dop grauw-zwart van verhitting.

Weder kwam vroolijkheid, nieuw gehaspel van stemmen om 'n koopvrouw, kort en diklijvig, die een beugelmand sjokte. Zij wiggelde Eleazar voorbij, tusschen Juda en Moppes. De zwarte, smerige rok omknuffelde de schomlende heupen. Uit 'r split zwabberden bandjes, gieglend op het zware gebol der vetbillen. Een jek van lichtblauw met witte streepjes en inzetstukken aan de elbogen, hing los, gaapte weg op den zwangeren buik, onderdrild door 't kwallend beweeg der borsten. Zij droeg 'n bandeau, en 'n muts van tulle en neepjes bedekte den haarwrong. Hes schreeuwde het luidst en de anderen zeiden hun glossen, lachend, de een overroepend den ander. Zij, goedig-van-glimlach, dee of ze niks hoorde, fluisterde met Moppes die z'n laadje doorkeek, of-ie nog zeep had en lucifers. Haar handen hield ze slap op den buik, nu de mand op den grond stond.

"Cheffie! Cheffie!"--, schreeuwde Leon: "laat de juffrouw d'r hande bòve de bank houe!"

"Hindert ze joù wat?"--, vroeg Moppes.

"Ze mot van Hes in de kraam!"--, lachte Klaroen zangrig: "van 'n tweèling!"

"As-ze van Hes in de kraam mot"--, riep Moppes, buigend naar Hes: "bekláág 'k die vrouw!"

Klaroen met een stuk rose-zeep in de hand, zei dat ze ééuwig zwanger leek, of ze 'r nooit is mee ophield?

"Zeg an me màn daddie me met rust laat", lachte de vrouw.

"Staak dan 't werk!" schreeuwde Leon.

"_Ik_ zal 't werk stake?"--, lach-zong de vrouw, "'k staak 't werk in me kìs"....

Gelach was op de gezichten en Leon, driftig zich makend, purper-komiek, schreeuwde opnieuw tot Juda, den baas: "Cheffie, laat ze d'r hande boven de bank houe!"

De vrouw met zoetlijk beweeg, drong den buik naar de kruk van Klaroen, lachte om 't gijnige doen van Hes en Leon: "Koop lievers wad-af"--, overreedde ze stil, bijtrekkend de mand, waarin zeep en sigaren, lucifers, broches, kammen en andere snuisterij. Met Hes bleef ze fluistren in 't grommend geroes, dat doorsnorde de zaal.

Het was duister geworden. De cement-muur achter de chipsmakers stond als een schaduw met donker klimop en de goudglans der ruiten, henengevloeid, was tot kil-grijze wazing verworden met druipsels van stof. De warmte broeiend doortrokken van olie-gewalm drukte heet op de hoofden. Rijst, vreemd-wit bij de binnenplaats-ramen, licht dat geketst werd door muren, gekalkt, geleek bleek als op ziek-worden af. Het brokkelig pleister grauwde in 't zelfd schemer-verschrikt licht dat het hoofd van den versteller met schuwe schaduwtjes betastte. Aan de overzijde, een-, twee-, drie-hoog, waren de fabrieksramen van het voorgebouw met wijd-weggeslagen gordijnen. Het wrange, langs looden wolken wijkend licht stond zoo star in de zalen daar achter, dat Eleazar, die moe-aadmend gebukt zat, met 'n gelaat dat-ie in onrustjes voelde ver-scherpen, met 'n neus die hinderde en snorharen die in ontdaanheid steilden, de heele ruimte kon doorzien tot aan de vensters der voorzij van het gebouw, met het loom-wirrend groen van de gracht. Hoofden van slijpers zag-ie in nukkig beweeg, de geknauwde ruggen gekeerd naar het raam--en op elke verdieping achter het grijs der ruiten, lekte 't spichtig-dansend gevlam van de pitten, rossig belichtend de gele gezichten der neerbuigende verstellers, hun grijpende rustlooze handen en de roodaarde vormen der bluschpotten. Beneden, gelijkvloers en boven dwaalden vlammetjes, henendompend, weer lillend met okeren tongen, zoo achter ieder raam dat norsch en doorzichtig was tot de gracht en de verre diepte der zaal aan de voorzij. Bij het wijd, hortend gekreun dat het gansche gebouw doorknarste, den grond in trilling hield, was dat lekken en vluchten der vlammen als een lollen van overal vretend, gluiperig vuur dat smeulde en ploffingen had.

Maar plots knepperde een schichtige vlamming van licht, fel en wit, doorflitsend de zaal van de gracht tot de binnenplaats, wit-overkrijschend het pleister der muren. De roode verstelpitten boven, beneden, gelijkvloers, op alle verdiepingen, flauwden weifelend als in tocht van een sterken licht-wind en een slag, heftig en kort overknalde het grijze gedreun der machines. De slijpers, verschrikt, keken om.

"Wad-'n slag!"--zei Leon, staande naast Rijst, den versteller. Moppes en Hes en Klaroen kwamen van hun krukken, Klaroen met een tang in de handen en ze keken door de stoffige ruiten naar de overzijde der binnenplaats, waar de slijpers verschrikt achter de ramen hokten.

"D'r komp wat los", zei Hes, den hemel schattend, die gletschers van indigo-blauw had. Juda alleen werkte door, het hoofd met de steil-grijze haren gebogen over de schijf die blauw-zachte glanzen van 't cirklend gewentel had. De potjongen, leunend naast Eleazar keek angstig en Laban, de leerling van Hes, wakker geschrikt, stond op de teenen achter den molen. De chipsmakers, achter de bank, waren opgesprongen, hoofden bijeen voor 't raam en bij 't trapje naast de knorrende as schuilde de koopvrouw, de beugelmand stijf tegen den zwangeren buik.

"D'r zit voor 'n duit", knikte Klaroen, geler en ouder in 't schaduw-licht van het raam.

"'t Mot in de buurt haast ingeslage weze", onderstelde Leon. Moppes kwam weer voor z'n schijf, floot onverschillig.

"Hou nou godverdomme je smoel!", stootte Hes 'm aan: "je mot niet flùite as 't zoo...."

Hij zei 't niet verder, hoofd wijkend in schrik. Een vlamming van schel-wit licht overgulpte de binnenplaats, belaaiend met krijt-stuiving het grijze cement. De kozijnen schuim-zwalpend en bijtend leken te scheuren onder het zwart der ruiten en de koppen van Moppes, Leon, Hes, Rijst en den potjongen hadden plots heesche kleuren, doorblauwd-wit en paarse vervluchtging als van lijken.

"Hèèè!", schrikte de jongen. En een slag, zonder voorgerommel, slag van krakend gebraak, beukte langs de fabriek alsof de vallende schoorsteen de binten en pannen van 't dak had stuk-gerameid.

Juda keerde zich toe naar het raam en Moppes, stil-schokkend, glee weer van de kruk, angstig-meekijkend.

"Adenoj, wad-'n slag!"--, angstig zei Hes.

De hemel, rotsgrauw, met koppen nachtzwart, vergrimde de fabrieksramen aan de overzij tot barsch-vale gaten. Boven, omlaag, smeulde 't gele, laaiend beweeg der verstelpitten die angstiger rood hadden. Er scheen een stuivende wind te joelen. Driftig gesmakt zoog een stukje papier van de straatzij, vallend, opschietend tegen den muur, met bitse krassingen. Het gemaal der machines in de fabriek overkreunde het windgeraas buiten. En 't begon spattend met brekende bellen te reegnen, schuin-wegge slieren op het stof-transparent van 't glas.

"'t Is vlak boven de stad", meende Moppes, hand op den schouder van Rijst.

"Noodweer", zei Juda, en een fellere flits, blauw-ketsende vonk in doorlicht donkerblauw, deed hen weer zwijgen. Het werd een vreemdlijk gelicht in de zalen, licht met wijd-witte vlammen. Er schoten berstingen van de plaats door het voorgebouw naar de gracht zoo heet van puur-witheid, dat het hijg-schuddend, rinklend groen van de boomen en de verre gevellijn over het water in scherpe bleekheid opdoomden en de fabriek een wit-holle ruimte met doodengezichten geleek. Na iedren bijtenden lichtzwaai speelden de roode verstel-vlammetjes weer, kraakte het beukend gedreun van den slag, overbulkend het warrlend gegrom der machines. Het werd zonder einde, een blauw-barstend geulen van licht, sidderend-zwak soms als schijn van walmende toortsen, weder hoog-laaiend met sissend gebrand--en de slagen rommelden na, zwellend tot mookrend gedreun van rollende, buldrende wagens. In de aschgrauwe loomheid der zaal, was telkens het knallend gepuil van banken, schijven en dingen blauw-gedrapeerd, en de mannen, zwart van steviger lichaam, hadden hoofden en handen week-paars overglansd, tot de krakende slag ze weer liet in stuipenden schemer. Op de ruiten bij de chipsmakers sneden de spinnen van 't stuk-barsten glas zwart-logge webben in 't zweven en jagende dampen, en krankzinnig van gekke verdwaasdheid braken bij iederen flits de vesten en jassen, halfhemdjes en hoeden uit den hijgenden hoek. De vrouw op het trapje, de mand voor den buik op de wijd-spalkte knieën, hield 'r vingers in d' ooren en de oogen geknepen omlaag. Stil mumden 'r lippen in angstig gebed en eenzaam met huilrig gezicht achter z'n bank, knippend met d'oogen bij iedere flapping van wit, stond Laban, de leerling, de armen gestut op het hout.

Het groeide tot zulk een schakel van aanstuwend licht, splintrend en klettrend tegen de muren, dat de zaal waar ze waren en de zalen aan d'overzij der plaats, knettringen van dansend booglampenlicht kregen, licht dat de roode verstelvlammen tot lucifersglim doofde. De gracht met haar groen door den stormwind geknoet en de gevels ver-af spoelden staag aan in lauw-blauwe vlam. En de dreuningen der bolle wolkslagen, romling in steenen spelonk, vielen met mokergeweld, brallend met stompe echoën, plomp van heen-schokking en weer zwaar van daver-plof berstend vóór het zwak nagestommel z'n vluchting volbracht. Niet even was er geadem van stilte. Slag sloeg na rogglende loeiing, knal zwol na buldrenden val. Soms kroop het stotterend voort, leek 'n kreun in hijging verslikt, tot de haaglende bliksem-zwiep, neersissend in vloekende woede, 't gestamp en zwart-bulkend rumoer opnieuw uit den loggen, versteven bodem, pijnigde. Het roezend geslier der wielen en riemen, het spinnend geknor der schijf-assen in het azijnhout, kroop er in prutteling langs.

De mannen, angstig en stil, hokten tezaam bij het raam met de lallende gaslicht-pitten. Hun hoofden bogen terug als in kramp en de ruiten geraakten bleek-blauw bewasemd door d'adem der monden. De regen tikkelde harder, aansuizend, gestriemd door den wind, grauw van stuiving, en een slag, holler van roep, massaler van kraking, diep-naloeiend en weder in donkre rammeiïng losgrommend, deed het gebouw in ontzetting mee-beven. Er kwamen vlammen-van-licht, rood en aanhoudend, die d'overzij-ramen met glinsterend avondrood overbloedden en het licht vlamde nog na als de bulkende klotsing door nieuw gestommel verslagen. De wind scheen heviger. Een verflarde krant, nat en met klapprende deuken, spoot van omlaag, draaide in kolking vlak bij de ramen, scheurde in twee--de einden werden gezwalpt over het dak, gierend mee op den wind, nog juist belicht door een straal die de plaats en de ramen met paarse vonken bespette.

Het duurde niet lang.

Het licht, minder schel, kreeg violette zweving, vreesachtig getril van teer-spelende vlammen. In de lucht, effen-loodblauw, scheurden wiggen zilverwit en het schichten van den bliksem verzwakte tot vlokkig maanlicht-gestuif. De slagen, nu wijder af, grommerden domp, grijs-egaleerend het snurkend geslier der assen en schijven en het klikkend geluid van den mortier klonk als een spot en kuchend gelach.

Het werk hadden de slijpers hervat. Rijst gloeide een dop, de vingers om 't weekend soldeer en een chipsmaker, achter, floot schril-uit een deun. Nog gaven de ramen raketsels van wapperend blauw dat bleek de wanden langs schoof en spookachtig zonk om de hoofden, maar het was lief geworden, zachtlijk paars, zonder verschrikking.

Leon, met de borst half-ontbloot, kwam bij Juda, hem nog eens toonend den steen, in achtkant geslepen, werk dat niet vlotte. Juda zei raad en een bevende lichting beaarzelde den diamant, hem begietend met groen op facetten en ribben dat-ie blonk als het lichtend oog van een kat, loerend met roode pupillen. Dan bij de zachte nà-siddring van 't licht, glaasde de steen, overglansd met zeepbellen-sproeiing, rood, groen, zilveren glijding en vervloeiïng van geel, roze, oranje, lila, pensée, stoltend bloed--, teer versmeltend, weg-deinend, weder aanschalkend met zachte ribjes-gelicht.

De vrouw met den dikken buik, wieglend, zoet van gebaar, stond bij de chipsmakers, verkocht zeep, lucifers, sigaren.

En nog éens huiverde over de muren 'n teer-blauwe golving, trillend doorwaaiend de zalen waar de hoofden bogen naar de schijven en de lekkende tongen der verstelpitten roodelijk weken. De vage verdreunende slag werd zeurig gedempt door het gespin der machines en de mortier met het boort klikte driest, uitgelaten van klop en getinkel.

V.

Tegen schemer liep hij de poort in. Zij was bruin van slagschaduw-groei, met geluwe damp bij 't raam van den schoenmaker. Stug klonken hamerslaagjes, nattig van na-smak. Ook 'n kind huilde alsof 't véel pijn had. Zacht schoof hij den muur langs. In den donkeren schuilhoek, overkeek hij de plaats en aarzlend-van-doen poogde hij te onderscheiden wie er in tante Reggie's kamer waren. Er bewoog niets. De lamp was niet aan. De deur stond schuin-open. Van boven, waar meerdre ramen licht-kwijning hadden, vaagde een glans, gouden waas op het zwartpuin der muren. De neerwipte handwagen leek een dreigend geraamte, schuwe bukking van kwaadwillig dier.

Luidloos sloop Eleazar nader, maar de deur naast het geluw raam van den schoenmaker werd geopend en een stem vroeg:

"Wie is daar?"

"Ik"--, zei Eleazar, terugschrikkend naar het duister der poort.

Het was de schoenmaker die buiten kwam, de handen gebold onder het schootsvel. Afschijn van lamplicht geelde achter het hoekig lijf, achter de warrige haren. De man boog naar den hoek, herkende den buurman.

"O. O!.. Ben jij 't?", zei hij--en sneller in grommend beklag ging zijn stem met klanken van onmachtig, ingeroest huilen: "...Verdomme, verdomme, nou mot je is kijke!.. Nou ku-je-'t verdomme is zien!.. Je zou je zoo gaan verzuipe!... Is dat 'n pèst!... En dat hei-je zoo telkes, telkes as 't water maar effen rijst... Kijk me is an!"...

Samen, schouder aan schouder--de deur was maar klein--keken ze in het keldertje, waarvan de steenen vloer blank stond. Op het withouten tafeltje was een kleine lamp die licht-gladding aan het water gaf, vuilig water boven roode tegels wier zwarte, diepe voegen 'n ruitig spinweb geleken. De witte kalkmuren stompten zonderling-scherp naar de balken-zoldring. In een bedstee met wijdstaande deuren zaten drie kindren, wakker geschrikt. 't Jongste, meisje, vaalbleek, huilde alsof het pijn had, klaaglijk, week smartstemmetje en de vuistjes bewreven driftig de holten der oogen, soppend het vocht tot diep over de wangen.

"Hou je smòel!"--, zei woedend de vrouw. Ze had kousen en schoenen uit getrokken, den zwarten rok hoog om de heupen gewrongen, de strikbanden van den broek boven 'r knieën gebonden. Zoo trachtte ze 't water in een emmer te dweilen, telkens den doek als een vangnet uitspreidend, 'm wringend in 'r roode knuisten dat het slijkwater met proesten in den emmer spoot. Als ze rechtop stond, hingen haar armen over den wikkel van kleeren, waaronder de gore spleetbroek met natte benglende banden en harige kuiten van slap, papperig vleesch. Waar de afscheiding was van de schoenen om de dikke enkels, waren de voeten van ingegroeid vuil, teenen met baksels van zwart en zoo op de schijven der knieën, wier puiling in 't papvleesch daardoor sterker werd. Jan, manke joggie, nog op, zat op de leuning van een stoel, het horrelvoetje geschurkt over het andere been, oogen glinstrend van pret. In een hoek van den kelder, op schraging van stoelen, lagen dingen, ruw-weg daar neergezet om ze droog te houden, een oud matras, een deken, een mat, een ijzeren pan, een paar waterlaarzen, een pollepel, wat kinderkleeren. De waterpot, helwit, dreef bij de pooten der tafel, zachjes dobbrend door 't golvend beweeg van de dweil. Stank van vuil dat lang in warmte gebroeid, stank van riolen en beerputten, door 't rijzend water geloosd, ontsteeg het glad-kalm water, dat de vrouw probeerde te hoozen.

Zij had een emmer vol, reikte 'm toe den beenigen man, die bukte en 't hengsel greep. Donker-gebogen in 't duister der poort, dof-vloekend, liep-ie naar de gangstraat, smeet met een smak dat 't kletste tegen den muur, den emmer over den grond, kwam terug, begon weer te klagen:

"... Nou zie je is!... 't Is verdomme om bij te griene!... Je hart draait òm in je boddie... Al de stront van 'n ànder in je huis! En zoo telkes met volle maan. En die schoene die àf mòtten! Schei toch gedoome uit met je geschep! 't Helpt je geen sodeflikker! Hoe meer je roert in de zwijnerij, hoe meer 't stinkt!"