Chapter 5
"Wees maar nie bang", waarschuwde de blinde: "'r is geen trap.... 't is 'n alkoof.... As je maar niet teugen 't petrolie-stel stoot en niet in de emmer trapt".... De deur klapte dicht, afsluitend de scheemring der kamer. Hij stond met het kind in de armen, schuifde een eindje vooruit, tastend, blind als tante Reggie. Ze had Moosje in de bedstee gelegd, nam Saartje over, hielp haar aan 't jurkje. Eleazar streek een lucifer af, die kort de bedstee belichtte, hol en diep--'n schoorsteen--'n zwarten kalkmuur. De lucifer brandde tot z'n vingers, viel neer en hij kraste 'n tweede af, angstig, snel.
"Wat dóe je toch?"--, vroeg de blinde: "maak geen brand."
"Nee", zei hij zacht, rondkijkend met gespannen oogen bij de korte lichting der lucifers. Het was eene kleine vensterlooze alkoof, berghok geweest, met één kalen, water-zweetenden muur, waarvan het zwartlak was verschilferd. Achter puilde de bedstee, smoezlig van hout, met 'n stukkende matras en 'n voddige gestikte deken, waarvan de naden waren gebarsten. Kwallen verteerd-grijze watten hingen 'r als klonten aan. Anders lei niets in 't hout-gat. Op zij schuinde de huif van een vroegeren schoorsteen met 'n roestig petroliestel en 'n tweede matras opgerold met 'n touw. De grond was van oude in zand vertrapte tegels. Onder de schoorsteenhuif, wit op 't lak dat streepsels van afgetraand vet had, bloemde donzige schimmel. Stank van een tam-werkend, tot braking ophitsend riool, scheen uit de naden van den grond te breken. Viermaal had-ie een lucifer afgestreken, viermaal de weerlichting gehad van de donkre alkoof met de bedstee, den glimnatten muur.
"Wat doè je? Wat doe je toch?", praatte de blinde, bezig met 't kind: "Je bin nou niemeer in Ammerika, Eli.... Wìj hebbe geen lif"..., lachte ze.
"Waar slaap ù?" vroeg hij, nog 'n lucifer afstrijkend.
"Bij de kindere in de bedstee.... Wad-zou 't anders?"
"En Dovid?"
"Op de grond"....
"Op de grond".... herhaalde hij zoekend, zich niet verwondrend, daar hij 't altijd zoo gezien, zélf als kind met Esther en Bram en Jozef, die allen dood waren, op éen matras op den grond had geslapen:.... "maar die stank"--ging hij voort: "'r mot 'n riool zijn... 't Stinkt.... 't Stinkt.... 'k Wor 'r misselijk van"....
"Da's de emmer, oome", zei Saartje, wijzend den hoek bij de deur. De lucifer was uitgebrand. Vinnig kraste er weer een en zich omkeerend zag-ie den emmer zonder hengsel, bijna gevuld tot den rand met geel vocht waarin bruine drollen opdreven. De lucifer, rood-wirrelend, viel er in neer, siste en 't bleef donker. Bloote voetjes betipten den grond. Het kind liep op 'm toe, nam z'n hand, zei helder: "Dag oome Eli". Hij bukte, zoende 'r op het toegestoken mondje, haalde diep in den stank, den stank die uit den emmer sloeg, zich vastbeet in zijn mond, in zijn speeksel, in zijn strot, in zijn longen, in het vocht van zijn oogen.
"Zoo--enne nou slàpe", maande de blinde: "hoor je me, Saar-lief?"
"Ja, tante."
Dovid kwam tastende binnen.
"Zijne juillie hier?.... Waar is Eli?"
"Hier", zei hij, hoest-schrapend.
"Gooi jij de emmer is uit, Dovid", sprak tante Reggie: "de wagen is d'r nog niet"....
"Staat-ie 'r nog?.... Is me aàrdig vol", schatte Dovid, de duimen om de lippen van het hengsel.
Door de opene plaatsdeur zag Eleazar 'm gaan, wijd-beensch, rug gebogen--en mislijk, ziek door het schokken van z'n maag, het weeëe-watergeloop in z'n mond, stapte hij de plaats op, de donkre poort uit naar het nauw-straatje, dat doodliep op eene roerlooze gracht. Even om den hoek van de poort stond hij stil, stampvoetend-onderdrukkend den aandrang tot braken, inhoudend de krampende stooting der maag, alsof zeeziekte opnieuw tot 'm was gekomen. Hij bedwong 't, speeksel spuwend tegen den grond en met vochtig-heete oogen, klam, zwaar-van-hoofd keek hij het water toe, dat zwak-groenig lichtte. Het straatje, zelve een slop, was in drukte van buiten zittende joden. Bij het licht van een lantaarn in de kromming, leien jongens lawaairig te jassen. Dàar alleen werd het geschemer der muren gebroken. Naar het water was alles morrige, vijandige schaduw, grommelde 't zwart van den avond. Het norschte zoo triestig, overweldigend van weemoed dat hij onbeweeglijk bleef, in-snikkend de dreiging die er uit rees. Naar de gracht verzakten de huizen, muren als klodders, met striemsels cement en schuwe droogstokken-zwieping. Een oude loods, zwart van mekander beklimmende planken, schoorde vooruit, grom-schaduw plompend in 't rottende water. Er liep daar een trapje met treedjes van kurkerig hout naar omhoog, treedjes met uit-slepen gleuven van schuinende voeten. En langs die, glad van handengeglij, beklom een leuning 't bordesje van hout dat voor drie deuren was. Er stonden bij den verzakkenden muur vuile putsen voor komkommers--er was meer, méer. Maar niet dàt wrong tot z'n keel. Het was de bitse schemer die naar het rottend water strompelde, die het slop en de huizen en het water en de woning-ruïnen aan de overzij der gracht in klaagsels van zwart zette, zwarte klaagsels op de houten loods, op de verzakkende schuur, op 't stijfdroogde goed, op de latten langs de ramen--klaagsels zwart, zwart-van-avond onder dichtblaarte boomen, zwart van vleermuizen-vlucht, zwart van rouwwaden in 't donker van dooden-wagen--zwart, als modder langs verweerde wanden, over begroeide pannen, zwart over het trapje met de kwakklende treedjes, over het water dat stil lei, verstoven blankingen, koperkleurig gegrinnek van drijvend vet had. Met vochtig-heete oogen, koud van uitperlend zweet, bijna ver-willoosd door 't zwart, het aanzwalpen van den huizennacht, de stankingen--gister, eergister was 't de zee nog geweest, de zéé met 'r luchtkoepel, 'r zon--liep hij tot vlak bij de gracht, hurkte naast 'n blauwigen steen schuin in modder gezonken. Meerder licht was hier, groen-stollend licht, overglijdend het water. Het geleek nevel en wolken-gekwijn, d'oude stompen van baksteen langs-koperend, wazend naar de scheemring der overzij-huizen wier dof-molm gehang scheen te breken onder 't plomp schoorsteenwoud. Vlak tegen den gracht-wand groeiden nog boomen, gebogen naar 't poelige water, geblaarte verwoeld als om nachthoofd van grijsaard. Het was een kleine horizon van water, groen, huizen, oud en bedolven onder stuiving van asch, star-oogend in heesche verstikking.
Zieker, met opstijgende weeën, gloeiing in hoofd, nek en borst, stutte hij de kin op de handen, keek naar het water aan z'n voeten, dat log was van rotsels met moeilijk-opdobbrende bellen. Er lagen roerlooze klitten aardappelschillen, hoepels en loof,--er tusschen drollen en stronken, en 't glimmig-hol kreng van een hond. Doch de stank walmde zoo zwaar, zoo benauwend-zoet, deed 'm zoo opnieuw denken aan de alkoof en den emmer-met-vuil, dat hij plots opstuipte en in hevige schokking van 't lijf, het hoofd tegen de planken der loods, te braken begon, alsof bloed de longen ontspoot.
Kreunend zag hij 't braaksel in de modder plassen, met kruipend-gesiep over den leisteen. Een groote grijze rat, opgeschrikt door 't gerucht, sprong te water, heen over 't braaksel. Het leven scheen uit hem te gudsen, te gùdsen, zoo voelde 't hoofd als een klomp met uitbrekende hersnen. Lang bleef hij zoo, suffig, zonder wil, het hoofd tegen de loods, moeïg kijkend naar de onderste, groenige plank, naar 't aangestoven zand, naar de steenen--de steenen, het braaksel dat-ie begon te ontleden--zoo precies as-ie wist wát 'r in was--jodekoek met krente en sucade--enne koffie--Niks vies--niks vies--Je wist wàt 't was--jodekoek met krente--krente en sucade--enne koffie--Maar de benauwing kwam nog eens. Hij braakte den stank terug, den stank van de kamer, den stank van de plaats, den stank van de scheemring. Inert-stuttend tegen de loods, blauw-wijdde in z'n hoofd de zee-bij-avond--de zee eentonig van zang--en 'n vinnig-zwart zeiltje in de verte--en 'n violet kartelwolkje. Het gonsde in z'n ooren, de borsthaartjes kleefden nat, de rug voelde koud, het hoofd léeg, léeg met zware, drukkende haren.
Toen hij het hoofd weder hief, stotterden tranen uit zijn oogen, loome bloed-heete tranen. Maar er gloeide woede in hem om z'n zwakheid en met drift scheurde hij den zakdoek naar het gelaat. Er ketste iets met metalen geluid op den steen. Hij raapte het op, herkende de blikken huls van tante Reggie's deurpost, waarin de vergane Geboden. En met hartstocht-gebaar smeet hij het ding in de stinkende, groen-wazige gracht, waar het zonk tusschen de spattende bellen-van-rotting, naast het zwart-holle kreng van den hond en de drollen die bewogen als dobbers. Kort kringde het water, meewieglend het vuil, de hoepels, het kreng. En weder teruggaand door de poort, zag hij dat het dieper avond was geworden. In de kamertjes-boven waren weeningen van licht, doch benee voor de huisdeur zaten Reggie, Soortje en Dovid luchtje te scheppen.
IV.
Het was een middag van overzwoel, vadzig gezwadder, toen hij naar de fabriek ging. Uit de zijstraten snikte 't bewegen der menschen naar 't stofzweetend asfalt. Huizen bukten dorstig-vermoeid met vensters wijd-open als hijgende keelen, de kozijnen weiflend in 't schamper-geel licht schorden als droog-grauwe lippen. Een buiklucht van koppen en wit-in-vertroebling bebroedde de daken, zwoelingen gulpend tusschen de schaduwgeulen en diepten, de gevels wier vluchtend gelijn in den hemel golvingen sneed. Hijschblokken, dik van kop, rekten de nekken met haken die kromden als tongen van adem-inkermende honden.
Naar het einde der straat werd dichter het wanden-geweef, verzwartte het blokken-geplomp als een heffing van mokers. Ruiten keilden daar vlammen, spetten en schichtige stralen, als-of ijskristallen en sneeuwdons in kaatsing van avondpurper krompen.
De menschen liepen in duwend gedrang, schuiflend het stof dat branderig kroop. Ze stonden bij winkels, traagden weer voort, de sleepen in handschoende handen en zonschermen als kleine gootlooze daakjes. Dicht langs hem henen, blazend en puffend, blauw-glimmrende diamanten in bleek-vette oorlellen, ging joden-dame, hoofd als een sproetenpioen, gele blouse met zweetige plassen in d'oksels, heupen vet en gezwollen, borsten als stram-staande uiers. Ze zweette en blies en 'r ooren vonkten den glimmrenden schijn door de straat--'r ooren droegen teeder geglans van dauw-op-een-bloemstruik--'r ooren, garstig en spek-bleek, slierden een zilveren herfstdraad met bevend geflonker door 't stuifsel dat voeten sloegen uit asfalt. Vet en heup-kwallend, dauw-smachtend, ging ze een hoek om.
De gracht, waar hij kwam, groende weg met oude bollende bruggen en water tusschen de dammen der straat. Eene zij lag in overplassing van krijterig licht, licht op de gevels, bordesjes, ruiten, kozijnen, licht met driftigen goudstraal op koperen knoppen--de andere in schaduw van 'n bierbrouwerij, wier schoorsteen 'n reuzenspeer geleek rustend op het zadel naast den maliënkolder. In het beweegloos, vaal-vlakkend water effende een scheidlijn van licht en schaduw, wiegelde de gevel-vluchting, lang-bleeke kartling met wit en geel, versmalde ramen, verfletste gordijnen, groenige wolling van boomen. De oude zwarte rioolgaten braken daarin klodder-spelonken en diep onder 't buikige lijf van een kof, school 'n logger geduister.
Het was stil op de gracht. Er liep een briefbesteller en 'n man zat op 'n handwagen. Een meid dweilde de treden van een bordes, voeten in wippende sloffen. Hiér deed 't aan als de rust van 'n dorp, van 'n glunderig dorp, met zonneplas-wegjes en koeien zwaar-trappend in wei. Hier kon je effen ademen. Hier zag je lucht en wolkjes bòven, tusschen de grachtgevels--benèe in 't water, nog eens en nog eens. Uit 't fabrieksgebouw snorkte geraas en een man duwde 'n kruiwagen over een schokkende plank, die schuin over stoeptreden lag en kolengruis zwiepte.
"Is Juda an 't werk?"--, vroeg Eleazar.
"Juda? Juda is boven", zei de portier.
Voor 'm uit, in de lange donkere gang, gromde 't knarsend kruiwagenwiel, krakend over gevallen stukken steenkool alsof er grint lei. En weer daadlijk was 'm alles bekend, de plakkaten van den fabriekseigenaar over molenhuur, de manifesten, de lange zwarte gang, het portiershokje, het rogglend grommen der machines. Van achter en door de deuren en van de trappen knoerste het de gang door, rommelend, suizend met grijs-bruine kreuning. Het was of een storm in het gebouw raasde, de steenen wanden langs reutlend, schor-gierend door stukgeslagen ruiten en met grooter geweld joel-fluitend in hoeken waar ijzer en steen meerder weerstand boden. In de verre diepte der gang kraakte 'n geul rood en vlammen uit een oven, met berstende walmen van roet--de metalen bons van een deur sloot het weer af. Zacht-zoetlijke stank van machines en olie lauwde aan. Hij wachtte tot 'n kruiwagen, zwart en leeg, hem voorbij bolderde, passeerde de opene deur van een zaal met wentlende riemen, gebogen mannen en lekkende vlammen van verstelpitten en een binnenplaats en wéer een zaal, waar 't geraas verwarder ravotte, stemmen in zangrig geschreeuw 't schijven-geschuur overpsalmden. Eleazar luisterde naar 't oùde, oùde liedje.....: "De Dimantschleiper haben de Zehring!..... Laufen auf de Brategasz mit vaatjes heering!..... Owei, owei wat ist me wei..... Mit de Dimantschleiperei!"...., slijpliedje dat-ie gehoord had toen-ie nog potjongen was op den winkel, waar ouwe Jacob 't rad draaide, stoom niet gekend was. Glimlachend terugdenkend aan dien tijd, nasprak-ie trapklimmend 't vervolg-deuntje zooals-ie 't zich herinnerde, zooals-ie 't had gezongen en geschreeuwd:..... "De Dimantschleiper sitze-in-'n hoekie.... Trinken 'n koppie koffie, fressen 'n zwei-en-halbe-cents boterkoekie... Owei, Owei!... 't Is ze zoo wei mit de Dimantschleiperei!"..... De trap krinkelde om, een-hoog, twee-hoog, drie-hoog. Hij duwde een deur open en het machine-geraas der zaal kletterde vol op hem toe, egaal, dof van kreuning, behamerd door 't metalen geklik van een mortier, waarin 'n potjongen boort stampte. Vlug wipte hij het trapje op, dat over de draaiende as als een vlonder over een sloot driekantte. Juda, gebogen achter de schijf, in lezende aandacht bij de vier tangen, waarvan een-ie vasthield in klauwenden greep, keek glimlachend-verrast. Zijn zwart-grove hand drukte de bleeke van Eleazar met hartlijkheid en 't suizend gestamp der assen en wielen overgromde zijn stem. Ook Moppes en Klaroen en Leon en Hes en ook Rijst van achter de andere bank stommelden langs de krukken, begroetten hem goedig, lawaairig, pratend door elkaar en al gijntjes zeggend vóor-ie twee woorden gesproken had. Maar dan weer achter de schijven, de koppen naar hem toe, schreeuwden ze lachrig met veel belangstelling, vragend naar vrinden en bekenden, die nog in Amerika waren. De christen-chipsmakers aan de overzij loerden hun schijven langs.
"Wèer 'n baas!"--, schreeuwde Leon over de hoofden van Moppes en Klaroen.
"Geef je me vijf guldes méer in de week en 'n broodje met pekelvleesch?"--, lachte Hes, splijtend de dikke lippen.
"Zonder pekelvleesch doet-ie 't ook!", lachte Klaroen, 't gele gelaat met de zwarte oogwallen toewendend naar Eleazar.
"Ik ben niet voor baas gebore," grunnekte Eleazar, 't hoofd schuddend: "'k heb alles verziekt."
"Wat zeit-ie?"
"Hij zeit dat-ie alles verzièkt heit!"
"Wàt heit-ie verziekt?"
"De meide, wat Eli? Wattè?..... De meide is 'n ziekte van belang!"--, lolde Leon, met z'n sleutel een dop aanzettend in de tang, breed-uitlachend over de ruggen van Moppes en Klaroen, die gebogen lach-hapten.
"Zoo lang zel mìjn armoed dure as zìjn rijkdom", gijnde Hes: "Wi-je voor van-avend 'n vrijbiljet voor de _Gebochelde_, Eli?"
"Hij heit jóú noodig!", komiekte Moppes, afbuigend en 'n dop smijtend tusschen de blokken van den grinnekenden versteller: "hij heit jóú noodig!..... Tien knechs mot-ie hebbe bij taurus mausche te paard!".....
"'k Doe 't niet minder as met twintig molens," lachte Eleazar, opgewekt door de jongensachtige onbezorgdheid der mannen.
"Wat slijp-ie boort of messe?"--, schreeuwde Klaroen, en het herhalend daar de chipsmakers aan de overzij luid-uit 'n dreun galmden die donkerder aandreef 't roezend lawaai van de as en de wielen: "slijp-ie boort--bocht of messe?"
"'n Tafel op z'n togus slijpt-ie!"--, lachte Hes, neerbuigend, zwaar-schuddend van lol de poederpen in 't schulpje duwend.
Er kwam nieuwe afleiding en de vroolijkheid rammelde zwaarder van stemmen-gehos. Over 't trapje tipte voorzichtig 'n klein-mager joodje met lichtgrijze, bruine en blauwe lappen over den arm. Hij had 'n smal-geel gezicht, hoekig alsof de jukken 't vel doorpuntten--en onder den neus als 't gekruip van een rups was 't stekig gepluis van zwart-bruine haartjes. In 't wit-wijdend licht van 't fabrieksraam vouwden de oogleedjes schuw met harstig vuil in de hoeken.
"Heere! Heere! Daar wordt wat verkoch! Heere! Kijk is, heere!"
Vlak bij Eleazar kwam-ie te staan, 'n lap perrelgrijs hoog in de handklampjes.
"Meneer," wees Hes op Eleazar: "meneer heit 'n pak òvernoodig!"
"Mènèer is betoeg!"--riep Leon: "hij koopt je heele voorraad, koopman!"....
"Wat mot-ie koschte?"--, vroeg Klaroen, toekijkend met tang en sleutel in de zwarte handen.
"Driè gulde!" schreeuwde de koopman: "drie gulde omdat 't ongeregeld is.... In de magazijne betaal je d'r zèven.".....
"Dat làppie!.... Dat lappie! 'k Geef je 'n gùlden."
"'n Gulde? 'n Gulde! Oj?"--, herhaalde het joodje met lijzig schoudergeschurk en zijn oogleedjes kwijnden zoet naar de lap in z'n hand.
"Allemaal ordienaire lappies", taxeerde Hes, die Juda 'n tang liet zien met het glazen geblikker van 'n brillant. Juda boog neer, keurde lachend den steen en het joodje met schuwe verwijten, sprak in verwering:
".....Ordinaire lappies? Ordinaire lappies? 'k Hei-geen ééne ordinair lappie!.... Allemaal ongeregeld.... fijnste kamgaren en merrenos"...
"Geef 'm mijn voor 'n gulde", smoezelde Klaroen--en in opstuivenden lach: "voor 'n goppe-jas."
"'t Lijk wel 'n leere-lap, verdomd!"--, spotte Moppes, steen zachtjens aanduwend over den zoetkring van zijn schijf.
"Kijk daar-is 'n lap", streelde het joodje, de hand in vleiend gewrijf over de lap: "'n sjijne lap voor 'n broek--'n pràch van 'n lap!".....
"Vijf-en-twintig stuivers!"--, bood Klaroen, het geel gelaat gewend naar de staal die grijs was met zwarte motjes.
"Ken 'k nie-doen", verweerde het joodje:
"Kom nou heerè! heerè!..... D'r wordt wat verkoch! Met 'n kleine verdienste bin ik tevreje! Heerè! Heerè!"
Schuw van oogen-gedwaal leunde hij tegen de werkbank, klein en wrak in 't glimmend gespannen vest, waarover 'n jasje slap slierde. Het fantasie-hoedje schuin-weg bekringde het zweet van 't voorhoofd--het boord klefde in rimpels om 't halsje van plooien.
Achter zongen de chipsmakers, rekkerig galmend 'n café-chantant-deun. Een floot 't mede. De ramen, hoog en door-ruit, vlakten stof-glanzig met gouden gekolk en schaduw-druiping langs de spinten. Het waren drie bogen van glas, hoog en wijd, rechtlijnig van latten doorsneden en elk ruitje er in, grauwig van stof, werd tot een vlies, doorzichtig, beslagen met gouderig pulver. Linksche raam, in schaduw van een uitwiggenden muur-van-cement en onbewogen ver-gelend klimop, was halfwege in weeldrige vloeiing van zon-rood, halfwege klitterig zwart met goring van aanstoven vuil. Van het andere raam waren twee ruiten gebarsten--wijdtakkige spinwebben met een zat-gevreten, slaap-loddrende stopverf-spin. En op zij, weggerukt naar de opstaande spinten hing in verslobberde kreuken het vuil-witte scherm, dat voorgeschoven werd als de zon te rechtstandig de werkplaats bescheen. Op het broeien der zon-gouden ruiten beitste het felle schoudervierkant der gebogen chipsmakers en blauw-krinklende rook omdampte met bleek-drijvende slieren hun hoofden. Bij het derde raam, mat van getemperd-ros licht, laaiden de klukkende vlammen eener verstelpit, tot diep-groene blaasjes verkrimpend als de dop er naar daalde. Boven waren de ramen schuin-open, als luiken, hangend aan koorden. Daar was de dagschijn gedwee, geslurpt door de helling van 't glas en gebroken op 't lijf van 'n balk. En er neven, zwaar en log, van roestige bouten doorknaagd, schoorden andere balken, rustend op zuilen wier armen met ijzeren klauw in 't hout hadden gegrepen.
Het joodje, klein en schuw in het licht, drensde nog voort, zwaklijke stem haast gedoofd door 't wringend gesuis van het ijzer der assen en wielen. De potjongen, bleek en met vuile vegen, grijnsde 'm toe, stampend het boort in de mortier, die hel henen lachte over 't lawaai.
"Kom nou heerè, heerè, heerè! D'r wordt wat verkoch!".....
"Vijf-en-twintig stuiver ènne 'n stuiver," bood Klaroen, de handen gekromd om de tangen.
"Ken 't 'r nie-voor geve", strak zei 't joodje, de lap overkwijnend met flauw-slappe oogen.
"Vijf-en-twintig stuiver ènne 'n stuiver ènne die àndre stuiver", bood Klaroen, begeerig met listigen lach.
"'n Dáalder!", schreeuwde het joodje.
"Voor zes en twintig en 'n hàlleve stuiver", zei Klaroen nog eens in lach.
Maar Leon van achter z'n molen, riep met dik-schorre stem:
".... Ik geef je 'n rijks-daalder voor die lap, as je kàns ziet bij me vrouw!"
De ruggen der slijpers schudden in rustigen lach.
"Heerè! Heerè!"--, drensde het joodje, de stoffen rond-wendend en Klaroen hapte toe, nam de lap in z'n handen, hing haar streelend over 't uitgeschoven laadje.
"Wat wàch je nou nog?", gijnde Moppes: "je dag is goed!..... 'n Daalder voor 'n leere lap!"......
Klaroen werkte door. Het joodje in lichtschuwe wachting, keek door 't raam, naar de doppen, riep met zwakke brutaalheid:
"... Meneer!... Meneer!... Hèllept u me effetjes!"...
"... Morrege", zei Klaroen: "'k Heb geen klein geld"...
"... Die meneer is geen luis rijk...! 't Is 'n flessetrekker!"--, lawaaide Hes, schurkend van pret.
"Meneer, meneer, 'k ken nog wadde verdiene messchien", klaagde 't joodje, benepen.
"Zel 'k-ie 'n sjekkie geve?"--, grinnekte Klaroen.
"'t Is 'n mannetje uit de kaapsche tijd!", schreeuwde Hes weer.
"'k Ken nog wadde verdiene messchien", hield 't joodje zachtzinnig aan.
"Wi-je me adreskaaretje hebbe?"--, praatte Klaroen, de schijf betoetsend met het poeder-penceeltje: "...Rue de Peejee... Drie hoog!"
"Kom betaal 'm"--, zei Juda, het hoofd met de kortgeschoren grijze haren wendend naar de zij van de slijpers.
"Hei-je terug van vijf-en-twintig gulden?"--, vroeg Klaroen.
"As 'k zóo rijk was", flets-lachte 't joodje.
"Wi-je morrege terugkomme?"
"Geen mieter is-die rijk", schreeuwde Hes weer.
"Nee, nóu me cente", zacht zei 't joodje.
"Dan maar terug", zei Klaroen kort-af, schijnbaar vertoornd. En 't joodje, den arm om de lappen, schuw en met stil gekwijn, liep het trapje weer op, begon z'n verlegen gehandel bij de chipsmakers aan de overzij.
Een donkerte doordruilde de zaal, vreemd en loom, besloop als geschemer het zonrood der ruiten. Er moest een wolk over de zon zijn geschoven. Stug-bleek licht overscherpte de hoofden, de banken, vergrauwde den damp der sigaren. "Er komt onweer," zei Juda, omziend naar den hemel die strak was met jagende, indigo-blauwe koppen.
"Onzin," zei Moppes.