Diamantstad

Chapter 22

Chapter 221,691 wordsPublic domain

In scherp-opkleurend herinneringsbeeld, zag-ie 'r vreemd zilverwit hoofd, 't hoofd zonder den bandeau, 't onherkenbaar beenig hoofd met de bleek-bewegende haren in den purpergloed der vlammen. In de alkoof was-ie gestruikeld, had-ie getrapt op een van 'r afhangende handen--getrapt--getràpt. 't Wreede gevoel van z'n hak, die de oude hand kneusde, gaf 'm 'n weeë duizeling. Die hand zag-ie, werd-ie niet kwijt, zag-ie zooals-ie 'r kende, met de dunne kootjes en bolblauwende aêren. Over die hand, die den deurpost was langs geglejen toen ze in verwijtende ontrusting de _mezoesos_ zocht, was-ie gestruikeld. Dat most 'r pijn hebben gedaan, in 'r bewusteloosheid. Meer wist-ie niet. Reggie kon-ie voor zich halen, Reggie met 'r zilverwit haar--èn de bloeddronken poort--èn 't parelmoeren gekwijn van de vischschubjes op 't dansend kozijn. Meer niet. Dan dacht-ie, dacht-ie met wijd-starende pupillen an Poddy--of die bijtijds was gered--of de kinderen... De trap was vrij geweest. Suikerpeer en Essie had-ie, ja, diè had-ie op de plaats gehoord. Mijntje's gillend gekrijsch had 'm wakker geslagen, toen-ie machteloos stond. Nee, 'r kònden geen ongelukken zijn gebeurd. Als-ie bij Poddy was ingeslapen, zooals-ie met hààr had afgesproken, zou 'r 'n ramp zijn gebeurd, 'n ontzettende ramp. Rebecca en Joozep en de kinderen waren zeker bij buren opgenomen--en als straks de nachtzuster de ronde dee, zou-ie 'r vragen of Poddy ook in 't gasthuis was gebracht. Te moe en te uitgeput om lang te murmureeren, zich overgevend aan de rust van de ziekenzaal, blij dat-ie lag in de warme beslotenheid van 't bed, dat 'm verkneuterde als 'n lieve koestering na de loodzware wanhoopsmoeheid, dacht-ie nog even verdrietig aan de dingen van z'n kamer, de paperasen en ouwe brochures, waarvan-ie zoo innig had gehouden, die nou wel weg zouden zijn, als de brand zóóver had gewoekerd. God-dank--as 't bed was verbrand, 't bed waarin-ie nooit meer had kunnen slapen, nou zìj 'r in had gelegen, zìj met 'r jammer-gedachten.

De oogen sluitend voor 't getemperd licht der zaal dat 'm hinderde, zag-ie zonder verdriet, zonder wrevel, zonder afkeer 'r gelaat met de zware lijn der brauwen en 't soepel-tuimlend zwart haar. Hij was over z'n wanhoop heen. 'r Kon 'm niets, niets meer gebeuren. Hij lag in de stilte der zaal--enkel de rust proevend--bijna zinlijk genietend van de vrede der ademhalingen.

Toen de zuster langs kwam, richtte hij zich zwak in z'n bed op, vroeg waar Poddy was.

"Wie is Poddy?", zei ze verwonderd.

"Me bovenbuurman", sprak hij: "me bovenbuurman, die ziek lei, toen de brand uitbrak. En hoe is 't met tante Reggie, die 'k 'r bewusteloos uit heb gehaald?"

"U mag niet vrage en niet prate, heeft de dokter gezegd", zei de zuster, die 'm niet kòn vertellen van den afschuwelijken brand, waarvan de heele stad vol was, den brand die Amsterdam bij het ontbijt met kolommen verscheurende ellende had verrast: "u mag geen woord meer spreke. Uw borst moet rùst hebben, niewaar?"

"Zeg u dan", zei hij vrindlijk-glimlachend om haar zorg: "of de kinderen 't 'r góéd hebben afgebracht--en of die stumper van 'n Poddy..."

"Ik zeg niets--ik zeg geen woord--als u weer héélemaal beter is, zullen we u àlles vertellen--nou niet.--En maak u maar niet bezorgd, want--want..."--haperde ze--: "want 'r is niet één reden toe".

Ze duwde de deken om z'n schouders, liep voort langs de andere bedden.

Onrustig keek-ie 'r na, angstig door 'r ontwijkende woorden, 'r zieketroost, waarvan-ie den zin begon te begrijpen. Misschien was tante Reggie--misschien Poddy--misschien één van de kinderen.... Ineens rauwde 'n angst door z'n hoofd. Wiè had Saartje en Moosje uit de beneden-alkoof gehaald? Daar had niemand meer bij gekend. Die waren--die konden... In vertwijfeling zat-ie op, hijgend voor zich uit starend. De zuster was heen. Uit 'n bed aan de overzij, klonk 't gekreun van iemand die wakker lag. Toen stond-ie op, duizelig, wankelend. Zich van bed naar bed vasthoudend, zocht-ie de ledikanten der mannenzaal af, om aan Dovid, dien-ie 's middags niet herkend had, te vragen, te vràgen. Bij de tafel van de verpleegsters kreeg-ie 'n ingeving. De grond ontzonk z'n voeten, toen-ie de kleine ruimte doorstapte die 'm scheidde van 't volkskrantje, dat-ie had zien liggen. Inzakkend op 'n stoel, zòcht-ie. Midden op 't eerste blad met vette letters stond 'n klein bericht: DE STAKING DER DIAMANTBEWERKERS GEWONNEN!--Op 't tweede blad, óók met 'n vet hoofdje zag-ie de grijnzende letters:

Brand in de Jodenhouttuinen

_Twee menschen en vijf kinderen verbrand._

Even lei-ie 't krantje neer, verdwaasd, wezenloos, niet begrijpend. Dan opstaand, rècht onder de lamp, zonder iets te gevoelen van uitputting of moeheid, làs-ie, zonder hapering, zonder aandoening, alsof 't 'm niet aanging.

Simpel, eentonig, dor feiten-relaas sprak 't krantje.

"Op het eerste bericht van den brand rukte de brandweer van de Agnietenstraat en het Weesperplein uit. Bij aankomst vond zij de twee étages reeds in lichte-laaie. Onmiddellijk volgden de stoomspuiten van de De Ruyterkade, het Weesperplein en die van de Prinsengracht. Hiervan hebben echter slechts twee gewerkt. De brandweer onder leiding van den hoofd-brandmeester van de hoofdwacht aan het Weesperplein, bestreed de vlammen met alle kracht; met de slang in de hand naderden de brandwachts het gebouw over de daken. Het waren angstige oogenblikken, die eerste minuten na aankomst der brandweer, daar men zekerheid had, dat er nog menschen in het brandende huis waren. Men stelle zich bovendien de verwarring, het hulpgeroep, het geweeklaag in de overbevolkte buurt voor, het geloop over de straat van een aantal jonge en oudere menschen in hun nachtgewaad en men heeft zoo eenigszins een beeld van het nachtelijk tooneel van angst en verschrikking. De politie had dan ook niet altijd een even gemakkelijke taak om de orde te handhaven. Wij hebben een kijkje in de verbrande perceelen genomen. Uit het achterraam van het perceel naast de poort, dat ook zwaar heeft geleden, maar waarvan de trappen onbeschadigd zijn gebleven, ziet men een uitgebrande doolhof van smalle gangen, kamertjes en hokjes; overal verkoolde wanden; allerwege zwart gebrande houtspaanders en men vraagt zich verwonderd af, hoe er niet meer onheilen bij dezen brand zijn voorgevallen. De brand is ontstaan gelijkvloers bij de weduwe Reggie Prins, vermoedelijk door het springen van een petroleumlamp, die de laatst-thuisgekomen bewoner Dovid Prins waarschijnlijk verzuimd heeft uit te blazen. Zekere Eleazar, naar men zegt een neef van de weduwe Reggie Prins, bemerkte gelijktijdig met een politie-agent dat er brand was. Hij smaakte de voldoening met levensgevaar zijn tante die reeds bewusteloos was uit de vlammen te redden, niet zonder zelf brandwonden op te loopen. Beiden worden thans in het Israëlitisch gasthuis verpleegd en bevinden zich geheel buiten levensgevaar. Vooral de tante die blind is, is naar omstandigheden redelijk wel. Ook de zwager Dovid Prins, die alleen door rook bevangen was, werd naar het gasthuis vervoerd, doch hij heeft dit waarschijnlijk reeds weder verlaten. Het mocht evenwel niet gelukken een jongetje en een meisje uit de alkoof beneden te redden. De verkoolde lijkjes werden onder de puinhoopen gevonden. Bij de poging tot redding kregen nog verscheiden personen lichte kwetsuren. Op de eerste étage vond de brandweer het lijk van een handelaar in cigaretten, Rus van afkomst. Zijn zoon wist zich over de daken te redden. Op de tweede étage wachtte een afschuwelijk schouwspel. Hangend in een raamkozijn vond men het verkoold lijk van een jonge vrouw, dochter van den sigaretten-handelaar. En in het bovenste trapportaal, waarschijnlijk belemmerd in hun poging tot ontvluchten lagen drie kinderen, allen gestikt door den rook. Een meisje van ongeveer tien of twaalf jaar, hield haar broertje nog in de armen. Wat den omvang van deze ramp nog verhoogt, al is het verlies niet onherstelbaar, is de omstandigheid, dat verscheiden gezinnen hun inboedel niet verzekerd hadden en thans alles wat zij bezaten, verloren hebben. De namen der omgekomenen zijn: _Saartje Prins_, een meisje van ongeveer zeven jaar; _Moosje Prins_, een jongetje van nog geen twee jaar; de zieke Russische cigaretten-handelaar _Podnowsky_, meer in de buurt als _Poddy_ bekend; zijn dochter _Rebecca_ nog geen achttien jaar oud en zijn andere drie kinderen _Serre_, _Sally_ en _Rozetje_. Er heerscht in de Jodenhouttuinen een algemeene verslagenheid. In ons volgend nummer komen wij uitvoeriger op dezen brand terug en zullen aan de woning-toestanden in deze wijk, die naar de meening van iedereen, oorzaak van zooveel slachtoffers zijn, een hoofdartikel wijden."

Onbewogen stond Eleazar onder het suizend gewapper der gasvlam. Het papier in z'n hand had geen trilling. Nòg eens las-ie 't slot, nog eens als 'n vreemde bestaarden z'n troebele oogen de feller gedrukte namen. Dan, dood van gebaar, lei-ie 't krantje op de tafel, en de kleine ruimte die 'm van z'n bed scheidde met malle stappen doorduizlend, trok-ie de deken over z'n hoofd, zonder gesnik, zonder gekreun.

Den volgenden morgen vonden ze 'm bewusteloos. Hij kwam niet meer bij. Juda, die 'm opzocht, om 'm te troosten, om 'm te vertellen van de begrafenis van Poddy en de kinderen, 'n begrafenis waarbij de heele jodenbuurt op de been was geweest--'n begrafenis waarbij de menschen op straat hadden staan huilen, zoo aandoenlijk als de optocht was van twéé groote en vìjf kleine kisten--Juda, die 'm óók had willen spreken over de éérste gelukkig-gewonnen staking, Juda werd niet bij 'm toegelaten.

Maar Reggie, geleid door 'n pleegzuster, Reggie, die nog niets wist van Saartje en Moosje, mocht bij 'm, zonder te praten.

Zittend bij 't bed, liet ze de dorre vingers van 'r niet gekwetste hand over z'n gelaat glijden.

Schrikkend omdat ze geen adem bij z'n neus en z'n mond voelde, begon ze beverig te huilen.

Uit het joodsch gasthuis werd-ie volgens den joodschen ritus op het joodsch kerkhof begraven.

EINDE

AANTEEKENINGEN

[1] Ik herinner mij de antwoorden van Van der Goes in 1891 niet meer, weet dus niet of hij analoge bewijzen gaf.

[2] _Prozastukken_, blz. 52.

[3] "En voords zoû ik u vooral gaarne hooren verklaren, _waarom mijn intuïtie mij niet een even groot recht van spreken zou geven_ als de mogelijk meerdere wetenschap en overweging van anderen hun geeft."--_Prozastukken_ blz. 51.

[4] "Indien dus gevraagd wordt welke, na den voorbijgang der naturalistische, de overtuiging thands is, luidt het antwoord: geene". _Tot een Levensleer._ Verz. Opst. blz. 325.

[5] Negen.

[6] Nummer negen-en-zestig.

[7] Nummer één.

[8] Nummer dertien.

[9] Nummer negentig.

[10] Nummer elf.

[11] Nummer twee en twintig.

[12] Tachtig.