Diamantstad

Chapter 14

Chapter 143,578 wordsPublic domain

Voor de tweede maal hield hij op. Driftig gejuich barstte los. Maar bijna daadlijk, de handen als klauwen om de balustrade gewrongen, het lichaam heftig vooruit, de oogen vlammend van woede, onherkenbaar voor wie 'm daaglijks waarnamen als zwijgenden, denkend-gesloten jongen, sprak-ie in één roes voort: "...As beesten!--Néé, we géven niet toe!--Markus zeit dat ze bij 'm thuis hongerlijjen--dat wèten we, Markus--dat begrijpen we, Markus--we huilen 'r om, Markus--we zouen je willen helpen, Markus--: hebben _wij_ 't anders?--Krijgen we 't bèter, as we uiteengaan, as we voortslaven op 't ouwe loon, op de ouwe voorwaarden, bedrogen, bestolen op de ouwe manier, zonder één kans om 't in de eerste jàren op te halen?--Kameraden, luister niet naar Markus, Levi en Beem! Wààrom zouen we moedeloos zijn, zoolang we màcht hebben. Wìj hebben de macht, hier, overal, wij arbeiders, wij alleen! Wij hebben de macht, as we staan schouder naast schouder, hoofd naast hoofd, hart naast hart! Wij, wij alleen, as we eensgezind zijn, eensgezind tot in den dood, den strijd prediken zonder genade, oog voor oog, tand om tand, omdat 'r voor òns geen genade is--geen genade, geen rècht!--Eeuwenlang zijn we 'n kudde geweest, 'n getrapte, mishandelde, weerlooze kudde--laten we 't nou schreeuwen tot mekaar, schrééuwen, op elk uur van den dag, dat wìj de macht hebben, wij hongerlijjers--as we wìllen".

Het applaus en geroep overdreunden z'n driftige woorden. Dichter drong de menigte op, wonderlijk-teer bespet door het stuiven der eerste sneeuwvlokken, die uit den grauw-dreigenden hemel bleek-bevend vielen.

Van het grimmig luchtpantser naar de zwarte, stevige, harige koppen, plooiden, bewogen, spiraalden, verschoten-weer zacht-witte lijntjes van sneeuw. Het was geen wild dwarrlen noch jagen van vlokken--kinderangstig, spelend, soms schijnbaar stijgend-terug, waaitrilden de stuifjes en pluisjes, even-glanzend in een bruinen volbaard, luw-prikkend stervend op de warmte van 'n huid, droomrig-meetrillend op het knippend beweeg van een wimper. Eleazar wachtte ontroerd tot ze zwegen, hernam toen met kalmer gebaar, straf-kijkend in het warren der zwarte takken:.... "We zullen lééren te willen, kameraden, leeren te volharden, leeren éénsgezind te blijven. Waarom wonen onze ouders, broers, zusters in krotten waar geen zon schijnt, waar geen plant kan leven? Waarom sterven we zonder licht, lucht, vreugde? Waarom zien onze kinderen 'r ziekelijk uit, worden ze geboren misvormd en mismaakt? Waarom groeien we van onze jeugd tot in 't graf--in ellenden, ontbering, wanhoop, leed? Waarom staan we hier in de sneeuw te bédelen met schuwe gezichten en benepen harten om 'n verhooging van lóón? Waarom blijven we vervolgden, verschopten, gevloekten, wij die àlles voortbrengen, bewerken?--Kameraden, we zijn gedoemd zoolang we verdeeld zijn, zóodra we verdeeld raken!--We geven nièt toe--Verliezen we 'n éérste staking, dan beginnen we in jaren geen tweede--we móéten! We moeten vooruit, vooruit, vooruit! We willen òns deel van den strijd, dien onze makkers over de hééle wereld met vreugde en opgewektheid strijden--we moeten òns deel van die taak begrijpen, 'r voor vechten, 'r voor aanhouden al striemt 't bloed van ons lichaam. Wat we vandaag vragen, èischen--is waarachtig geen vraag-van-beteekenis, geen eisch die 'n eind maakt aan den jammer, 't onrecht, de verdrukking. Dat weten en voelen we. Maar èlke stap is er een, elk voorposten-gevecht telt mee, elke kleine overwinning leert voor de toekomst. Kameraden--denk een voor een an je eigen thuis--an 't thuis, 't verdriet, de armoe, 't ongeluk van je buurman--denk an je eigen wéerloosheid--denk an de mácht van ons allen-tezamen, an de màcht die overwint"...

Brusk zweeg hij, stapte houdingloos achteruit, terwijl goedkeurend gegrom en geklap op 'm toe-dreunde. De traptreedjes af-schuchterend, met armen die plots lomp-willoos slingerden, 'n lichaam ganschelijk onbeholpen van verlegen dronkenschap, 'n gelaat dat zenuwtrok, niet tegen den dagschijn in scheen te durven, zocht hij met beverige wils-verdwaasdheid 'n plekje om ònopgemerkt te schuilen. Het was of de koortsige bewustheid 'm sullig uit de hersens droop, of-ie gruwelijk-ingespannen 'n boek had zitten lezen, zonder overgang in schril morgenlicht keek. De achterhoofd-hoeken tintelden pijnlijk--klopte een kramp-strooming van z'n nek over de steile nekhaartjes--zoog z'n denken moeïg weg, met opschichtende verwijtjes dat-ie slècht had gesproken, niemendal gezegd, dat-ie an 't doorslaan was geweest--dat-ie geen woord meer wist--geen wóord.--'n Ander sprak, de sneeuw waasde sterker, grooter van vlok, natter van smak. Z'n hoofd stond te luistren, bleek en oud, z'n hoofd dat als 'n gedrongen ding, zonder afmeting, zonder ronding, zonder steun voelde--zag-ie alleen de haren van z'n snor die barstig onder den witten neus wipten.

Toen-ie wat kalmer werd, toch met een nalooming van drukkende afgematheid, zocht hij Juda en Hes, vond ze niet. En opnieuw schrijnde 'n heet-klamme ontevredenheid in 'm op, begonnen z'n handen kleverig te branden, prikkelde 't vreemd-dor in z'n tong bij 't denken aan 't éérst moment van z'n spreken--de hersenleegheid--de volslagen wilde afwezigheid--de visie van den ruigen, piesenden hond. Zanikerig, drenzend, zonder aandacht naar de tent starend, trachtte hij z'n woorden-van-straks te hervinden, te herhalen. Als-ie alles zoo innig voelde, zoo hartstochtelijk in zichzelf wist te zeggen, waarom stikte-die dan in gebrabbel en gehakkel--waarom kon-ie dan nou niet den eenvoudigen zin van z'n stortvloed formuleeren? Waarom trilde je na? Waarom sprak je tot Juda of Hes of Klaroen géwóon, bedacht, rustig, en kwam 'r als je tot 'n màssa lang-geweten dingen wou zeggen, 'n duivel achter je staan, die je hitste, sarde, kwelde, tot je denken an flarden hing en je begon te ijlen, te ijlen in 'n róés... Waarom was je 't praten tot 'n menigte verleerd, 't simpel gevoelig praten over absolute waarheden, die je niet meer zoo simpel, zoo gevoelig waar kón maken als je stond door allen bekeken? Waarom zei je dan grove, onrustige, plotsling-opwellende dingen, werd je gezwollen, hol, duf, romanphrase-achtig? Toch móést hij er door, voor nu en voor later, als-ie 'n róéping had, als-ie de lijn van den tijd volgde, de tijd die een sterke, bewuste, overal hel-klinkende stem had... Opgeruimder schudde hij de sneeuwvlokjes van z'n jas. 't Dee 'r niet toe hóé-die 't gedaan had. Ongeveer was 't bereikt. Ja, 't was 'n verluchting dat-ie 't dùrfde, dat-ie de dompe, vervalende sfeer van 't krot waarin-ie leefde, ineens, zonder aarzling had afgeschud en in 't volle licht had gestaan om z'n kameraden te bemoedigen, op te wekken. O, o, díé schuimende heerlijkheid had-ie bedreven--ze hadden gejuicht--ze hadden begrepen--ze hadden in de handen geklapt om één van d'r ellende-genooten, om één die plóts voor ze was komen te staan. O, o, 't geluk dat je nou overal, òveral, uit àlle menigten, schuwe mannen zag rijzen, die éérst hijgden en mumden, dan vanzelf 't pad vonden om met zekere gebaren de veilige richting aan te duiden.... De oude peinzer was in 'm wakker geworden en een zachte blijheid, 'n lieve warmte van hoop en berusting groeiden, nu de overspanning verdween.

Prettig-wild stoof de sneeuw toen-ie met Juda tusschen de menigte liep. Den grauwen hemel zag je niet door 't wijde gestraal, 't druk-sproeiend wriemlen der vlokken. Voor hen gingen mannen met sneeuwplakken op de hoedbollen, sneeuwstrooisels op de schouders, sneeuw op de ruggen, sneeuw in de haren, sneeuw op de schoenen, sneeuw om de hoofden. Over de kozijnen, over de goten, over de daken waaide het witte gestuif, klittend tot wallen en rondingen. De huizen schenen te molmen, weg te deinzen zonder omtrek, zonder harde muren, zonder gevels en pijpen. Door de zwarte, mat-starrende ruiten sneden witte sponnen, zacht-soepel wit dat vloeide in 't geel der kozijnen en spinten. Een enkel spion stak verschrikt 'n veldje van sneeuw in het schuine, gestadig gewirrel en op den hoek van de straat kroop een wigje met spichtige punt langs een raambouw omhoog. Vol leien de tramrails en roosters, week overboog de weg, felwit en breed naar de brug met 'r witzware leuning. Het was een duwend dringen van sneeuw, een vallen, warrlen, bewegen dat de lucht verschemerde, doorduizelde. In het stilwit plantsoen, waar de boomen scherp rezen, diepzwart van stam, de takken omhoog veerden als stalactieten in kalklicht, stoeiden luidschreeuwende kindren. Sneeuwballen ploften en braken, tolden met schimmigen zwaai, patsten dan week in berstende stuiving. Angstig holde een meid, de handen stijf langs 'r hoofd--suisden de ballen haar na, smakkend op 't roodbruine doekje, deukend in 't rokkengeraas, bepoedrend den wrong van 't haar. Greep haar een stevige sjouwer om 't lijf, smeerde z'n sneeuwprop tot diep in 'r nek, bukte opnieuw en wrong in den gillenden mond 'n klodder die huilend en spuwend ze spoog. Daalde dikker de sneeuw, haastig en smijdig. Onder de voeten nakraakte ze dof, schurend met wrang-zachte wrijving. De koffen in de gracht werden strakwit van dek en tuigage--'t spiegelbeeld klom uit het water in bleekig vlokkengedraaf.

Juda, den kraag om de ooren, stapte zwijgend en norsch. Eleazar liep vlug en veerkrachtig. Het stugge geschuier der sneeuw gaf 'm lust om te spreken. De synagoge ging aan. Op de stoep, onder één parapluie stonden Davy en Berlijn van Laboen.

"Kijk", zei Eleazar, minachtend.

Berlijn had 'm herkend, trok Davy snel mee. De deur flapte open, doorliet den schijn van veel lichten--de deur flapte dicht.

"Was dat nie Davy?"--, vroeg dof-grommend Juda.

"Ja", sprak Eleazar driftig, denkend aan den middag toen de juwelier in 'n wal van agenten van _Golconda_ naar _Adamas_ was geleid.

De sneeuw bejoeg met striemende stralen de ruiten der kerk, overheuvelde schuin de kozijnen. Geluwe lampwasem lichtte in 't groenketsend glas, bleef in stroeve, vervreemde stollingen hangen, bijna teruggeslagen door 't bleeke, grijs-grauwe druilen van den heengaanden dag. Meerdere joden kwamen ter kerk. Telkens piepte de deur, gaapte de kerkruimte open--geel-wreede lichten en banken-gepuil--knoerste de deur in morrig gesteun van 'r veeren. Herkende Eleazar, Druif, den onderrabijn, dien-ie had zien sjaggeren, broeiend-begeerig, in het _Casino_, sjaggeren in blauw-flonkrende diamanten, sjaggeren met dorre grijpvingers, sjàggeren, 't week-zinlijk gelaat met den ringbaard en den krachtloozen neus achter de vensters.

"Druif!", zei tegelijk Juda en grimmig den jood nakijkend, die in het deurgat verdween, snauwde hij: "die bìdde as wij verrekke--die dùrve bidde!--Dat 'r de bliksem in sloeg!--Wij haast geen vrète door de staking--zij in 'n warreme Schoel--bah! bah!"...

"Waarom zoue ze vandaag minder bidde as anders", antwoordde Eleazar, voortstappend in de sneeuw naar de jodenwijk: "waarom zoue ze jùist vandaag méér geweten toone? Geen stàking, wel 'n staking--wie in onze tijd in 'n kerk bidt, bidden kan, slaapt of huichelt. En omdat je d'r goeie trouw wil geloove--ze liege niet allemaal--mot je ze met geduld probeere wàkker te porre. Strakkies, toen 'k in de tent stond en voor 't éérst van me leven spràk, heb 'k hardop gebeden. 'n Ander gebed ken 'k niemeer"...

"Weet jij wàd-'n kerk is", viel Juda hem in de rede: "'n kerk dat is--dat is 'n drie-dubbel vretende kanker--'n kanker met duizend gezwellen!--Hoe kén 't bestaan dat onder één dak de dief zit te bidde naast de man die-die daaglijks begapt en beschwindelt?--Hoe ken 'n gód bestaan voor mijn én voor Davy én voor Berlijn én voor Druif?--As Mozes vedaag diamantschlijper was, zoue ze 'm nèt zoo hard uitzuige, kon die zich krom legge met 'n vrouw, 'n zieke dochter en twee kindere as ik!--Nòg, 'n kerk da's om je d'r onder te hóúen--Waarom speelt zoo'n frotte rebbe geen godverdomme tegen Davy en de andren? 'k Wou dad-'k de poote van Simson had--dan trok 'k ze na de verdommenis"...

Hij had zich opgewonden, spuwde giftig in den sneeuwgrond.

"Gàmmer", zei Eleazar: "wìj, onder mekander zalle in 't gróót doen, wat Simson dee. Wij zijne óok 'n reus met uitgeboorde oogen--en nog niet genóég gesard. Let op: ònze tijd komt. De kerk is 'n onderdeel, de staking 'n onderdeel. De hoofdzaak is--is"--geheimzinnig-kinderlijk lachte hij: "dat de werachtige messias op is gestaan die ons zal verlosse en na Jeruzalem voere"...

"Ja", zei Juda simpel, zonder eenige verklaring te vragen--volkomen begrijpend wàt Eleazar bedoelde--: "hij is 'r--in àl de lande--in àl de lande--'k ben blij dad-k 'r 'n pietsie van beleef"...

"Ik ook", zei Eleazar.

Zwijgend, beiden met een bijna weemoedige vreugde dat ze bij allen tegenslag, in alle omstandigheden, verheugenis hervonden door de kracht eener samenwerking, die eenvoudiger, verheffender dan eenige godsdienst de wereld rondging, stapten zij in de sneeuw, de hoofden gebogen tegen het jagend gedwarrel.

Als een eerwaardig gevaarte lag de jodenbuurt, indrukwekkend van witte kronkel-alleeën. Ze was nu geheel anders en statig van schoonheid. Straatjes, stegen, sloppen, daken vervloeiden tot 'n gedaantelooze sneeuwromp. Over de modderkeien effende zwaar de sneeuw--sneeuw lei op de karren, op de buigende huifjes. Al 't gore, vuile, verweerde, verbrokkelde, school achter het wit verkoelend geraas. De ouwe poortjes en bogen stonden bleek en massiever, de kelder-uitbouwen waren als banken in krijtrots gebijteld. Wit, sponzig-wit, wijdden geulen en brokklende dijkjes. Je kon nauwlijks de ruïnen, de stegen en krotten herkennen.

Op de binnenplaats speelden Saartje, Meijer-van-Suikerpeer en Jan-van-den-schoenmaker. Ze hadden een grooten sneeuwbal gerold, heen en weer, tot-ie 'n reus was geworden, vet en lomp met overal zwarte kinderhandjes er in.

"Nou--wat 'n kànjer, sodemerakel!", schreeuwde 't manke jogje, pijnlijk de vingers beblazend.

"Zou-die niet breke, oome?", vroeg Saartje, 't groezelgezichtje rood van het werk.

"Ach, bè-je belazerd!", riep schoenmakers-Jan: "je ken d'r op stáán!"...

Samen drongen ze den bal voort, de donkere poort door naar 't straatje. Klonken hun stemmen frisch als de sneeuw, onder 't steenen gewelf. Even stond Eleazar in luistring. Dan liep-ie binnen bij tante Reggie, die in 'r stoel sliep, den mond hijgend open.

XIII.

Wrokkend liep-ie den Amstel langs, de tintel-kouwe vingers in de lauwte der broekzakken. De sneeuw klukte onder z'n voeten--z'n adem stoof in ploffend gedamp. 't Was 'n belabberde nacht, 'n verbijsterende morgen geweest. Toen-ie Reggie wel-te-rusten wenschte, had-ie moeite niet in snikken uit te barsten. Ze zat in de onverwarmde kamer, bij de uitgaande lamp--had niks gegeten dan 's mòrgens 'n homp brood, 't laatste dat de bakker borgde--an alles kwam 'n end--nog meer poffe dee-die niet.

"Wel te ruste", had-ie benepen-hijgend gezegd.

"Dag jònge--slaap lekker," had ze geantwoord, de handen, vredig-van-wrijf in den schoot.

Toen had-ie de deur achter zich gesloten, even op de binnenplaats staan zinnen, vinnig, triestig en mal. De terging, de vervloekenis, dat 'n blinde niet te vrèten had! Den knop hield-ie in de hand, alsof-ie iets beestigs beging met zóó heen te gaan. En over-gevoelig, gek, niet na-denkend--as je 'n heelen dag had gevast, kreeg je van die helle, waanzinnige oogenblikken, waarin je onstuimige dingen dee, dingen van plotslinge drift en zenuwspanning-op-huilen-af--had-ie de deur weer geopend, was hijgend op 'r toegestapt om 'r dorre handen nog eens en nòg eens te zoenen.

"Wat is dat--wat is dat, Eli--nar van 'n jònge?"--, had ze gevraagd.

De tanden had-ie in 't lippenvleesch gegrimd, om 't niet sentimenteel uit te gillen--toen had-ie hokkend, hoog-van-stem gezegd dat-ie dacht, dat ze--dat z'm geroepen had, nà-geroepen.

"Nee", zei ze, verwonderd-ongeloovig, niet begrijpend, waarom-ie dàt ineens had gedaan.

"Mòrge zal 'k zorge dat 'r eten in huis is", zei-ie onrustig, opgehitst door 't verwijt van 'r zwijgen.

"Da's goed", knikte ze: "en anders houe we maar jonkippoer, wàdde? Voor mijn is 't 't minste--maar de kindere--de kindere is 'n zòrreg"...

"Ja", had-ie gezegd, weer naar de deur gaand: "zal 'k de lamp uitblaze?"

"Nee, nee, jònge. 'k Blijf op Dovid wachte--'k Begrijp nie waar Dovid zit, waar Dovid uithangt. Nou zie-je, nou zie je dad-ie rècht had, toen-die wèrke wou"... Dan merkend an de stilte dat-ie 'r nòg geen gelijk gaf, viel ze snel in: "'k maak 'r jou geen verwijt van, nie tot over 't end van me jore--jij heb 'n goed hart--en jij bin geen kind, maar 'k zeg enkel maar: nou zie je--nou ziè je--wàdde?--Je ken de wereld nie overeind zette--dat doet God zellef as-die 't wil--wadde?"

Aldoor terwijl ze sprak, had-ie in de vlam van de lamp staan kijken, die kleiner werd, rood-peuterend kringde. En toen ze zweeg, had ze de sputterinkjes gehoord, flauw-glimlachend gevraagd of-ie 'r toch maar wou uitblazen--voor de stank en de walm. In de stilte der kamer was de lamp aan de piepende kettingen gezakt, had z'n adem geploft. En samen in 't duister, hadden ze nagepraat, tot buiten de klok elf dompige slagen gaf.

Boven, in z'n kamertje, had-ie getracht 't venster te openen, rukkend en wringend, de vingers bezeerend. 't Raamhout was aan het kozijn vastgevroren, de ruiten kartel-glanzend bebloemd, weerden 't uitzicht op de daken. Hij stikte. Buiten leien vaarten en grachten sinds dagen dicht, buiten werd schaats gerejen, buiten woei 'n felle oostenwind bij aangroeiende maan--hij had 't benauwd--hij had moeite adem te happen--hij voelde zich gejaagd en róód-wakker en schel-van-denken, als-ie als kind zoo dikwijls bij plots aanluwend voorjaar geweest was. Z'n schoenen uittrappend was-ie op 't bed gaan liggen, zonder dek, kijkend naar het gevlam op de ruiten, de zilver-schubbige varens en zwammen, de biesjes en splijtende trossen, die scherpten in 't maanlicht. Het beeld van de blinde vrouw, benejen in 't donker, stond in z'n hoofd gebeitst--'t gewrijf van 'r handen--'r glimlach--'r vrede. Sterk-snuivend, de oogen gespannen, de tanden geklemd dat de kaken 'm pijn deëen, bèdàcht-ie. Alles kon, alles mocht, dàt niet. 'n Blinde met honger, 'n blinde die dezelfde maag-krimping voelde als hij nóu, was wel 't liederlijkst dat je je voorstellen kon. Z'n kleeren had-ie verkocht, z'n boeken, z'n sjofel hebben en houen--z'n horloge stond in den lommerd--al leie z'm op de pijnbank, hij wist geen dubbeltje uit den grond te stampen. Wat nou? Wat? Wat? Suikerpeer had zelf niet te eten, zou morgen probeeren met sneeuw-opruimen of bijten-hakken wat te verdienen--Poddy lei ziek, doodziek, met zulke aanvallen van koorts en ijling dat Rebecca 'm tweemaal 's nachts had gewekt--tante Soor, tante Soor--'t was om te gillen van 't lachen, as je je hulp overkeek--je hùlp!--Nou liep 't voor 't eerst héélemaal spaak. 't Beloofde 'n afschuwelijken dag--kinderen, 'n hulpelooze voor wie geen kruimel brood, geen turf, geen olie in huis was. 's Middags was-ie rond gegaan, zoekend 'n karwei, 't eerste 't beste, verlegen aanschellend hier en daar of-ie 't ijs van 'n stoep mocht krabben. Overal had-ie bot gevangen. De bouwvakken stonden stil. Duizenden waren werkeloos, grondwerkers, metselaars, opperlieden--'r was pas dien morgen 'n optocht, 'n honger-optocht van armoedige, genekte kerels geweest en de taaie staking van de diamantslijpers, luie bliksems die werk konden krijgen, as ze d'r driestheid van èischen-stellen lieten varen, zette 'n dubbelen wrok. Wat mòrgen? De bevroren ruiten met 'r krinklend gevlam van manelichte-bloesems, 'r sneeuwwitte kelken, bessen, lovers en stekels, brandden in z'n oogen. Nou lag-ie sullig en slap als duizenden rondom. God, god, as-ie opstond, 'n paar straten doorliep, kwam-ie op pleinen waar ze in lekker-warme café's zaten, kwam-ie bij huizen waar ze met giften en fooien wanhopigen susten. 't Dek over z'n koud-geworden voeten trekkend, de oogen in gemarteldheid sluitend, had-ie de gekste invallen gehad, misdaden liggen uitpluizen, die-die wist dat-ie nièt zou begaan. Maar 't was slaap-knufflend en lollig gemeene dingen uit te spinnen, dingen van sluwen diefstal--dat ze je niks konde lappe en je geld bij de vleet kreeg. In z'n gehitste wakkerheid, onrustig, de geluiden van 't huis beluisterend, 't hoesten van Poddy, 't schreeuwen van Bekkie bij Suikerpeer, had-ie 'r plezier in gekregen de detective-verhalen te overdenken, die-die in Amerika had gelezen. As-ie 't dee met 'n zakkie peper, of met 'n ploertendooier erges op 'n stille gracht--of loerde bij Wolf, 't pandjeshuis, waarvan Saartje 'm had verteld, tot de vrouw of de dochter alléén was, of 'n ruit indrukte van 'n effectenkantoor, of 's nachts bij rijke menschen--en 'n pond groene zeep meenam voor 't vallen van de glasscherven. Woelend, dwaas van scherpzinnigheid, had-ie bijzonderheden liggen wikken, hoe-ie 'n pet zou opzetten, die nog niemand van 'm gezien had en z'n jas met de voering naar buiten dragen voor 't signalement, en 'n groote hoop leggen in de kamer en de klok stil zetten, dat ze naar beroepsmisdadigers zouen zoeken. Toen daarover moeilijk doordenkend, log van murmureeren alsof 'n snikkend-warm ding in z'n middenhoofd wroette, tobde-die hoe 't kòn, hóé ze 't deëen de èchte misdadigers, de roovers-van-ras. Slaap-soezend, half in droom, zou-ie nog--want om 'n grooten hoop te doen--most-je--most-je--'t kennen--en datte ging maar niet as je 't wóu--zoo maar eén-twee-drie--as je geen trek had--al leien 'r tonnen in de brandkast. Poddy, benee, had 'm wakker gehoest, met 't reutelgeluid als van 'n huil-blaffenden hond. Misschien had-ie geslapen, misschien niet--hoe laat 't was, kon-ie niet gissen. Even stutte-die op de elbogen, luistrend naar Rebecca's stem, 't rogglen, 't vloeken, wou-die opstaan om te helpen. De geluiden dempten in nacht-zwijgenis--ver, ver weg, tinkelde 't carillon van 'n klok, en 'n muis, 'n muis die-die kende, die-die wel had zien loopen, knaagde achter 't behang. 't Hoofd in 't kussen borend, om den slaap te vatten, had-ie gepoogd an wat ànders, ànders te denken, had-ie nijdig tegen 't behang geklopt om de muis die 'm wakker hield, te verjagen. Maar 't getob was-ie niet kwijt geraakt. 't Maanlicht had-ie zien heenbleeken, 't ochtendscheemren aangrauwen, achter de straffe, kristalwitte ijsbloemen. Vroeg-opgestaan, korzelig, vermoeid, had-ie zich niet kunnen wasschen. 't Water in de kan was bevroren--de droogdoek stramde in plooien, stijf en weerbarstig. Hoofdpijnachtig, met lust om ruzie te zoeken, was-ie de poort uit gegaan, zonder bij Reggie binnen te loopen. Met leege handen dee-je niks. En hij had gisteravond beloofd, beloofd, gek as-ie was, om te belooven wat je toch niet kon nakomen. Na-suffend over z'n gemurmureer, z'n hersenloos zaniken van inbraak en moord, gromde-die kwaadaardig en wrevelig. De stomheid om over boeken-misdaad te zeuren, as je voor de werkelijkheid van 'n brood voor 'n blinde en kinderen stond.