Chapter 10
De groote spuit siste water na in de oogkas, wegspoelend het sterke bijtsel en een watje wreef over de nu angstig dichtgeknepen oogleden, die zoo heftig saamdrukten dat het bleek koontje in smarttrek opbolde. Maar alweer had de zekere hand het andere oog in bewerking genomen, kolde dat uit in de bloedranden der buitenwaarts ombuigende, angstige leden, drupte de druppel in het open ovaal. Het kind zachjes greide, rukte wild met het hoofdje, wèer klonk de sussende, goedig-monotone stem en na-spoot de groote spuit, melkstraal slaand tegen het hoornvlies, in de bleek-roode randen. Afgezet van de knie, stond het jogje hulploos, verblind, met knuistjes die bewriemden de gesloten gepijnigde oogen. Een oog twinkte schuw open, beet krimpend dicht en op den tast, huilend, groene snotzakjes op de bovenlip, stapten de voetjes naar de bank achterin. Terwijl was een meisje op het zwartleeren voorschoot gelicht. Ze ging rusten vanzelf met het hoofdje tegen de borst van den dokter, gewoon aan de zondagsche inspuiting, glimlachend. Ze had een garstig met zalf besmeerd hoofdje en alleen het rechter oog was iets aangedaan. Kalm bekeek de dokter het hoornvlies door een loupe, knikte goedkeurend, mikte kort met de druppelspuit, spoot water na, wiesch het oog met 'n watje. Zoo hielp hij het eene kind na het ander, geduldig, ze sussend, gijntjes zeggend, bijna machinaal de zieke kinderoogen behandlend. Vóor Saartje, die angstig te wachten stond--ze was óok aangestoken--werd nog 'n ventje geholpen van drie, vier jaar, met bleeke scherpe trekjes en 'n scherp-vleugelend jodenneusje. Het eene oogje was blind, melkwit overleid als door parelmoer, het andre aangetast had een vurig ontstoken rand. Het kind lachte verlegen, weende niet, verweerde zich niet, leunde zoet achterover--gaatjes van neus die zwart het gelaatwit doorpriemden, kousjes afzakkend, gulpje half-open met kreukels van 'n geel-bepiest hemdje. "Leelijk hoor, joggie"--zei de dokter goedig--"héél leelijk. Dàn maar is 'n sterk druppeltje. En braaf zijn as altijd, hoor..."
Het kind glimlachte zoetjes, mondje open, handjes slap op den buik. En uit het glazen spuitje, zacht voortgeduwd door den gummidop, viel een druppel uit het zwartste fleschje Het kind balde de vuistjes, hijgde snuivend door de kleine neusgaten, vertrok smartlijk de lippen, klaagde zachtjes... O!... O!... O!.. Het zilvernitraat beet kort in--de watersproeiing volgde en het jongske geheel blind, tastte naar zijn plaats, 't ééne vuistje voor het gebrande oog.
Saartje, bleek, ouwelijk, met 'r vettig, verward kroes, huilde nog vóor ze op werd genomen. Stug snoot de bijstaande juffrouw 't loopend neusje, gaf haar over aan den dokter.
"Nie-doen! Nie-doen!... Ikke wil niet!", spartelde ze tegen.
"Zal je stil blijve zitte," gebood schel de juffrouw.
Het kind, krijsch-kermend, lang-snikkend, wegduwde de hand van den dokter, worstelde zich los, gleed op den grond, de rokjes in de hoogte, het gorig broekje bloot. Nijdig bukte de juffrouw met snauwende handen, stem die redelijk sprak om 't bijzijn van den dokter:
"Nou! Isse-'t gedaan!... Isse-'t gedaan?.. Jij stoute meid!"
"Kom", rustig-lachte de dokter, haar weder op zijn knie nemend: "Wil je blind worden, domme meid? Wil je 't zonnetje niemeer zien, 't móóie zonnetje?... Zoo-oo... Nou doe je braaf... Enne stilzitten, hoor?"...
Weer kolden het kinderoog, het roodachtig, waterig hoornvlies, de zwarte dierlijk-wanhopig starende pupil in de bleekroode randing der vleesch-sneedjes, de roodere groef van den traanhoek. Zachte takjes rood doorsprietten 't wit, dat dicht bij den pupil brandrige vloeisels had. De gummidop zakte, opjagend den druppel--krampachtig-angstig rolde de oogbol, trokken de leden, pogend 't oog te beschutten en het gekerm van 't worstlende kind doorgilde de zaal. Rustig werkte de dokter, kind na kind opnemend, spuitend, afdrogend. De kindren zaten in angstige stilte. Alleen aangonsde de stem van den geneesheer, het praten der juffrouw. Alle hoofdjes, ziekelijk, flets, bol, groot, waren in nieuwsgierige staring, bàng voor den man die pijn dee.
Zóo had Eleazar ook eens gezeten. 't Wekte vage, benauwde herinnering an 'n àndre joodsche bewaarschool, waar-ie geleerd had hóé God in hebreeuwsche letters gespeld werd--hóé 't joodsche alphabet was--hóé de joodsche geboden--waar ze bang waren geweest als de rabijn op bezoek kwam, niet dorsten praten als een van de hééren voor de klasse stond, een van de heeren-van-toezicht, wier mild-zijn hij nu zoo innig verachtte. Hoe lang was 't geleden? Hoe lang? Scheen niet alles kortlings gebeurd? Zat-ie daar zèlf niet als schuw, ouwelijk jogje, met opgeblazen gelaat en kringoogen? Was-ie óók niet gekomen uit een dier erbarmlijke rothuizen, waar het hout vermurwd en doorvreten, de steenen ontkalkt, de ruiten ontglaasd? Had-ie niet gewandeld aan de hand van de gestorven zuster door nauwe, licht-looze straten, naar de school? Zat hìj daar niet, droomend, verlegen, altijd met oogen die inwaarts schenen te kijken, naast meisjes en jogjes uit andere donkere, vale, verstikkende huizen? Toen óok waren ze ziek de kindjes, bleek, huisduf, alsof de lichaampjes zich zochten te eenzelvigen met de grauwe, neerdrukkende omgeving. Hij herinnerde zich 'n meisje zonder haar met enkel uitslag--en 'n jongetje--zou 't nog lèven?--dat-ie altijd zat te bedroomen, omdat 't zoo vies was, met loopende, groen-ettrende oortjes en 'n gebitloos mondje. Er waren er toen véel met ontstoken oogen. Toen kwam nog geen dokter. Toen ging de oogziekte van kind op kind, was het 'n wonder geweest dat-ie gezond was gebleven--behalve de borst. Maar àl het andere wás er nog--het meebrengen van droog brood in 'n gescheurd, vuil zakje--het drinken van water uit blikken kroezen--het slapen in 'n bedje als je op de bank in slaap was gezakt--het joodsch leeren--het joodsch--de geboden--de tièn ééuwige geboden--het zitten als natgeregende parkietjes--de handjes boven tafel--bóven--bóven tafel--Nu herinnerde hij zich dàt ook, hoe 'r jongetjes waren die al zóó vroeg, met de handen het geslachtslidje ònder de tafel bewreven als de juffrouw 't niet zien kon, dan zacht-wieglend met vreemdlijk starende oogen stonden in bevende schommling. Er had zulk 'n jogje vlak voor 'm gezeten. Telkens zag-ie 't schokkend rugje, 't getril, 't zonderling buigen van 't lichaam naar de bank, de heete, wijde verrukking in de oogen als 't kind omkeek, het bleek-jukkig gezichtje. Dat leerden ze van mekaar. Voor die jogjes scheen 't de eenige vreugde in het zwart gehoop van steenen, binten, pannen, dat ze Jodenbuurt noemden. O, 'r waren méér herinneringen. Blinde Levi. Héette-die niet Levi? Hoe die geplaagd werd. Bij z'n geboorte waren z'n oogen al aangetast, zooals zóoveel oogen aangetast werden door 't druipervocht van 'n moeder door 'r man aangestoken. Het kwam daaglijks voor.--En rooie Mozes, die geboren was met 'n horrelvoet of 'n heupziekte--En--En--
--Toèn was 't zoo als nu. De riolen, waarin menschen leefden, de vergane krotten die geld opbrachten, het heele luidloos-rottend ellende-monument der hoofdstad, leverde jéúgd, kindren gedoemd te blijven--weeklijks bemildadigd door de hééren, door den rabijn. Triestig keek Eleazar.
Rebecca, achter hem, staarde door den kier, zwak op 'm steunend, dan vertrouwlijker toedringend. Samen aanzagen zij de bleeke hoofdjes, de hoofdjes met klieren en zeere oogen, de gespreide vingertjes, het beweeg van den dokter, het grijskil licht dat zachte geluwingen gaf.
Op de voorste bank was een kindje in slaap gevallen, het hoofd zijwaarts geleund op de handen. Er waren kaarsen gebracht, die met teedere vlamming 't gelaat van den dokter belichtten, zijn handen, de zwarte fleschjes, de kom met het water, de doos met de propjes sneeuw-watten. Er lei 'n meisje op zijn schoot, gillend, jammerlijk-worstlend. Bij het licht van de kaarsen kolde 'r oog, wit met schamp-lichtjes, een starende stervens-angstige pupil, bleek-roode randen en een verwijde, splijtende traanhoek. Zilvrend bij het sterker licht, viel de druppel brandende _nitras_ in het schuw-trekkend kinderoog--het hoofdje rukte met krijschend gekerm.
VIII.
Omdat ze heele troepen slijpers zagen trekken, toen ze in de Breestraat kwamen, liepen ze mee, hij Saartje's hand in de zijne--, zij naàst hem, nieuwsgierig, dragend 't zusje.
Het reegnen hield aan, zachte spetjes in de modder der straat, staalkoel geprik van de huid door 't gure geblaas van den wind. Op de gracht woei 't sterker. Aan de andere zij van het water, bij 't oude mannen en vrouwen-gesticht, was donker gedrang van wachtende mannen. Tot aan den kant van den wal hoopten zij saam, slenterend, schreeuwend, of stil met de handen in de zakken, de kin diep in de gleuf van den opstaanden kraag. Naar de zijde der Breestraat waren er meer nog, loopend in groepjes, hoeden nat van den regen, schouders doorweekt, knieën zwartpuilend. Ze gingen elkander-beduwend, tegelijk pratend, klittend-te-zaam, de koppen fel buigend, de handen in schuddend gevraag. Ze vulden aan weerzij het moddrig gekei van de gracht, stommelend sjokkend, donker-lichaam-gekriel en hoofdenbeweeg langs de dreigende druiling der huizen. Ze kwamen aan van de brug, van de eene gracht naar de andre, klissend in broeirige hoopen die plomp mekander doorzeefden en weer sloten aaneen. Ze gromden in donker gegolf langs de huizen, wier ruiten reeds hadden 't matte berusten van dingen die wachten den nacht, wier gevellijn traagde in stottring van wit, schijnbaar-beweeglijk, meehortend het schorre drijven der wolken.
Er was eene aarzling in 't naadren van den avond, als wachtte de nacht met open-angstigen mond en starrende oogen. De wolken schichtig voort-hijgden naar de zij van 't gesticht. Marmerwit krui-den dampige schollen, splijtend de stukwaaide pluimen van zwart en de dreigend-aanstuwende koppen. Heel de hemel tusschen de vaart der verwonderde gevels joeg in kille verwreeding, als smakte een wind rook-smeulsels en barsting van stoom naar 't roodbruine kamp van de daken.
Bij de brug leek een stilstand te wijden, leegte van luchtwit, zonder wolkengevlucht, strakke doorlichting die stroef de vensters bebleekte en 't water der gracht doodblank deed glanzen als 't oogvocht in peinzende oogen.
Van den hemel naar het water, van de wachtende huizen naar de zwarte dringende mannen, ging eene wissling van zilverflets huivren, alsof iets ruws was gebeurd, iets dat het diepste wezen der huizen door-angstigd, de ruiten verschrikt, de kozijnen in wondring gezet, het water vergrauwd, als tobde het na in ontsteltnis. Dit--dit vreemde, dit over-het-leven-heen-witte, dit stokkend-beklemmends van 'n ongeweten geluid in zenuw-wakkren nacht, trof 'm zóó dat-ie rondkeek en omkeek en àchter zich keek, zoekend naar wat-er-niet-was.
Van 't Plein, dat zwart lag met krommende boomen, kwam heftig gestuw. Jongens holden vooruit, opketsend de slijkrige plassen--joeling van volk dromde den hoek om. Het scheen of boven het donker dringen der lijven de hoofden verbleekten in 't vroegavond-wit der gracht. Vleesch van gelaten en handen brak weiflend de volte, den stilstand van avond en schemer. Meerder naar achter, felbleek met effen-borende glimsels, staken dobbrende helmen van agenten die liepen in rijen van vier en dreven de mannen en jongens de gracht af. Een fluitend gillen en jouwen doortierde de straat. Zijwaarts opdrong het volk, brekend de helmen voorbij, de stoepen langs naar het hooge bordes van de juweliers-sociëteit _Golconda_. Het werd een geborrel zoo woest als beukte een branding. Aan de andere zijde der gracht, heftiger nog, steeg het gedrang, overbarstte de massa de brug die dreunde in donder-gerommel, rammeiend van huiswand naar huiswand. Ook van het Plein drong het volk, botsend met die van de brug, zwartelijk spattend, grimmig-volstortend de breedte der straat. Het was een lawine van rompen, dof-stootend, rollend met krakend gesteun als een roestige wals, als 'n tandrad met stompe scharnieren. De overzij gracht werd bijna leeg met enkele kijkers en de brug gromde log-loeiend het stampen der voeten. Alles inknoerste de gracht-van-_Golconda_, stuwend met schokkend geraas achter de blank-witte helmen. De huizen leken verschrikter bij 't schuddend wolken-gebeef, den staalgrauwen angst van het water, den golvenden mensch-vloed, die als een storting van modder met paars-rosse schuiming wrong en bewoog. En plots uithuilde de massa een krijschend geschreeuw. Voor het gebouw van _Golconda_ vreemdde een leegte. De agenten gedrongen van voor en van achter, verstikt in de stuwing, sloegen verwoed naar het volk. Scherp was 't geflits van de sabels, domp-houwend, dierlijk 't gegil. De voorste mannen, beknauwd, bonsden de weerlooze lijven, ontwijkend de slagen, vluchtend in 't grauwe gedrang. Maar het achterste volk beukte hen op, aandrong met blind-botte kracht, volplettrend de gracht.
Rauw-krijschend scheurde gegil en gekerm over 't water. Er lagen er onder den voet die brulden en jammerden. Het werd eene worstling van stikkende, tierende menschen waarom het patsend sabelgeweld. Een man met 'n bloedenden houw, was gillend gevlucht op 't hooge bordes, bebette zijn wond met een doek. Het bloed liep langs 't baardhaar dat plakte om 't witte doodsangst-gelaat, gutsend met purperen schreeuw langs den neus, den snor en zachjes neertapplend op 't zwart-natte buis. Met kollende vreesoogen keken de juweliers in het gebouw. Zij drongen verschrikt achter de ruiten, wassen gelaten in 't blauw-wit licht van de gracht, aanziend het dompe rumoer, bàng voor de bloedstreep die bedroop het bordes, bloedspetten op 't blauw van de treden, bloed dat murwig verspette in 't regengedrup. De man op 't bordes, geelbleek in 't heenschuwend wolk-licht, propte den bloeddoek bij 't hoofd, kermend met drenzend geluid. Doch het zien van dien bloed-witten kop, den kop van rimpels en baard, het mat-grijzend haar en de vurige streep langs den neus, grimde de massa tot schorrig, felgillend gebrul.
Van uit de warrling van rompen, hoofden en armen werden steenen geworpen, kletterend neer op de helmen, ketsend tegen de muren, nijdig voortbikkend van kei naar kei. Kwak van slijkrige paardvijgen stompte met dreun tegen 'n ruit van _Golconda_, dat het glas beefde en de joden er achter schokten terug--tegelijk keilde een steen door de ruit vlak er boven, versplintrend het glas, scherven rond-bliksmend in 't donker der kamer, op het kozijn, achter het ijzeren hek. Een oogenblik stoven de agenten terug, de handen gepunt om den rand van hun helmen, de ruggen gebogen, pogend de open gelaten te schutten. Maar van het Plein kwamen er meerdren, driftig van loop, de sabels in roodharde vuisten en braken een ruimte in 't zwart van de straat. Het volk, opgejaagd, stormde de gracht af, rennend met grommend gedreun, meesleurend al wat er stond, niet-weerhoubaar, tuimel van vluchtende, angstige lijven onder het eenzaam boomen-gespar van den walkant, langs de doodelijk-stilstaande huizen. De gracht werd 'n blankliggend keien-gegrauw, met vale bordessen en scherplijnde stammen van boomen. Zij scheen door het plotsling ont-leven uit een mist aan te heldren, met grootere bitsing van walkant, zwarter grijpen van takken, bleeker kartlen van gevels. Op de bordessen stonden vrouwen en mannen gevlucht, kijkend naar 't gestuif, 't angstige leeg-zijn der straat. Over de brug stortte de massa, vullend de gracht aan de andere zij, daar wrokkend in driftige hoopen, omstuwend een tram die schuchter 't gewarrel met klagenden bel-roep doorsnee. Dan keerden de agenten terug, bedreigend met driftige stem de mannen en wijven op de bordessen.
"Donder z'r af!",--riep er een en bij 't toornig geblink van de sabels, joelden de angstigen heen, ruw geduwd bij 't geaarzel.
Eleazar en Rebecca, elk met 'n kind op den arm, schuilden op 't bordes bij den man die verwond was. Op 't blauwzerk-plateau had zich een kijkkring gevormd om den plas, die schuw de voeten deed wijken, als vreesden de schoenen de branding van 't lauw-walmend bloed. De man zat in 't midden, op den rand van de deurtree, drukkend den doek tegen de gapende wond. Ze hadden van binnen een teiltje met water gebracht, dat fletsrood werd gekleurd door 't doopen der hand. Rebecca keek met gitzwarte oogen in 't wasbleek angstmom van 'r gelaat. De wond doorgaapte het voorhoofd, wijdspleten mond met dunne bloedlippen, bloedslang die grillig bewoog. Het been lei bloot in de kerving van 't stukgehouwen vleesch, met weekroode vezels en propprige aêren--het haar, met zwart-roode klonten, kleefde de scheur om die rustig braakte het purperen bloed, bloed dat het oog overgutste, in snor en baard mokkende sloop, bloed dat drupte met goedigen, luidloozen slag in den plas, waaromheen de hard-plompe schoenen stonden in vluchting.
Eleazar hield de teil met 't water en bloed, keek naar de scheur in het hoofdvel--naar de scherven der ruit die weifelend hingen aan 't houten karkas van het raam. Er was eene gelijknis in het kwijnen dier wonden--de wond in het hoofd--de wond in de ruit--de wond in den man--de wond in het huis.--Bleek, als in duizel van dood, zat de man, zacht boeren van klamme benauwdheid opgevend. Het aschgrauw licht van den hemel, kil de waaiende wolken langs druipend, scherpte in bruute kontouren den bloedrigen neus, de geelwitte jukken, de nattige baardstoppels, den openkrimpenden mond met z'n hoeken van waterig kwijl. Aarzlend bewreven de vingers de oogen, die vaagden in weëe bezwijming--spierloos steunde de nek het doelloos hoofd. De ruit, naast de deur, zwaar door-barst, met flarden glas en snijdende spleten, zette grimmig haar wond in 't schemerend wit van den avond. De andere ruiten, paisibel en stil, kaatsten het wolk-licht in zachtblauwe wazen, als had de spelende adem van 'n kind ze besproeid. Zoo was het de gracht af, vager en doffer van aanslag, maar de ruit van _Golconda_ ruwlijk versplinterd, met lichtende tanden, uitvretende brokken, met kankerplekken van duister en dikke striemen zwart, verstoorde kwaadaardig de drooming der huizen, brekend het tonig aspekt als 'n hysterische dierkreet 't manelicht-glanzen.
Zij werden 't bordes af gedreven. De man bleef er achter. Dragend de kindren liepen zij mee over de brug naar de andere gracht, waar duizenden drongen, kijkend naar d'eenzame straat voor _Golconda_, die door de agenten schoon was geveegd. De matte glimming der helmen leek 'n hekwerk, weerhoudend het woelig beweeg aan weerszijden. Op het plein was het stil--de brug was ontruimd.
"'k Bin wee van 't bloed", klaagde Rebecca: "om zoo maar te slaan, zoo maar te slaan--de vuilike!"
Hij had Saartje bij 't handje genomen, keek norsch voor zich uit. Driftig praatten de slijpers, tierend in hoopen, beschreeuwend 't gebeurde van straks.
Hes en Klaroen stonden met Juda en Moppes, krijschten hun woede en wraak.
"Zalle ze krijge 'n chòllera in d'r ingewande!", raasde Klaroen, buigend het geel gelaat met de zwarte oogwallen naar d'andren: "om d'r klauwe uit te steke voor dad-'n haar wordt gedaan! Hoe gooie ze d'r poote nie mee, de kak-vreters! Hoe rotte d'r hande nie af! Doe ik ze wat? Doe jij ze wat? Moste ze Davy nie de darme uit z'n lijf trappe, de pooiers!" Zijn stem schor en driftig bekraste de omstanders.
"Slaan w'm vandaag nie rot, krijge w'm mòrrege!", dreigde Leon, verwoed de vuist naar _Golconda_ ballend.
Er reed stapvoets een tram door de menigte. Ze weken pratend terzij, hokten daadlijk weer saam. Een ouwe jood met grauwhaar en bevende lippen drong in het midden, tierde met huilende stem:
"...Hij verroerde geen vin, godverdommè!... Ik zweer je bij 't lich van me ooge dad-ie stil naast me stong te kijke! We kwamme van 't Plein, van 't Plein! Is 't nie godgeklaag, godgeklaag dad-ze direk met d'r sabel hakke! Z'n heele hoof is gesplete!.... Die blinkende drolle!.... Die kakhiele!.... Die pleegischkoppe!... Die schijtlijsters!..."
Reeds was 'n ander 'm woord-vloekend in de rede gevallen...
"...Had ze op d'r smoel teruggeslage, die pargluize! De vrouw van Semmie die komp van de grach--heit ze èrg wat 'r gebeurt!--is 'oggenebbiesch voor alle minnute en krijg 'n trap voor d'r buik!.... De kànkerpuiste-gezichte! De gootescheppers! Hoe krijge ze geen sjankes in d'r keel om 'n zwangere vrouw te trappe!"...
Moppes die vooraan had gestaan bij den aanval en bijna te water was gedrongen, werd 't centrum van aandacht.
"...Ikke zweer je bij God--wij liepe géwóon--daar roept zoo'n etterstraal: "Veruit! Deurloope! Ik bin daar 'n privaat! Late zij deurloope tot ze d'r bij neerzakke! Ka-jij terug in zoo'n volte as je beklemp zit! En daar trekke ze bij God d'r latte! En 'n gedrang dad-je geen voet ken verzette. Maar 'k hei d'r een 'n mekaajem gegeve dat 'm 't bloed uit z'n bek sprong!... Late z'op schorum inslaan! Komp 't ons nie toe dadde we opkomme voor onze rechte! Lijje we niet genog schwiejenieje! Geen pietsie, 'n korrel 'n ongeluk vleesch hei'k in de laatste tijd gezien! As die gattes, die verrekkeling van 'n Davy uit de zocieteit komp verzuip 'k 'm of me naam is geen Jijle!"...
Uit een anderen hoop beet 'n fèllere stem, stem van passie en wrok. Een baardige jood stond op 'n stoep voor de deur van 't gesticht, krijschte het volk toe:
"...Hebbe we rech--hebbe we geen rech?.... Ik zeg juillie we hèbbe rech.... Verrekke we van honger?... Motte we ons as honde late slaan as we zoo lang de schtaking hebbe volgehoue? Is 't niet godgeklaag? We komme op voor wat óns toekomp! Stoppe zij nie d'r pèns vol van onze cente! Vrete ze zich nie 'n barschting van òns zweet en bloed! Rijdt de ròtzak nie in 'n open kles van wad-ie ons begap? Hoeveul keer heit-ie ons nie besodemieterd met 't werk, met boort, met rubbisch? Beschwindele ze nie met 't loon! As ze met geweld beginne, dan gaat 't hard over hard, dan motte ze 't godverdommèèè verantwoorde as 'r dóóie valle!"...
Zijn stem stikte in heeschheid. Anderen drongen te hoop, schreeuwend wild door elkaar, bonzend, rondwoelend. Langs het heele gesticht was het een persing van kwaadaardige mannen, stuwend en stootend tot waar de brug was. En die zwarte, benauwende volte, weerhouden door 't koel-glimmend water, maakte sterker en witter de eenzame gracht, aan de zij van _Golconda_, met 'r zwijgende huizen en 't zilverend lichten der helmen.