Part 4
Nog eenige minuten en het was gedaan met hen; de ontzettende legerdrom scheen op zijn doortogt alles schoon te vegen, met de ijzingwekkende dommekracht van een vallenden berg dien niets kan wederstaan. Wij zeggen nog eens, de toestand der beide mannen was hagchelijk. Het Zwarte-Hert was dien morgen op reis gegaan naar het oord dat hij den Canadeeschen jager zelf had aangewezen. Naauwelijks drie mijlen meer van de plek verwijderd waar hij zijn vriend dacht te ontmoeten, hoorde zijn geoefend oor voor de eerste maal op verren afstand het gedruisch van het naderende bisonsleger. Vijf minuten waren toereikend om de rigting van hun woedenden loop te berekenen en het gevaar te begrijpen dat den jager bedreigde. Met al de snelheid van beraad die de Roodhuiden in dergelijke gevallen kenschetst, had hij besloten hem te gaan waarschuwen, en hem te redden of met hem om te komen. Nu ijlde hij voorwaarts, in bedwelmende vaart, en doorliep in ongelooflijk korten tijd den afstand die hem van het kamp zijns vriends verwijderde; slechts eene gedachte bezielde hem, namelijk om de manada zooveel vooruit te komen dat hij den jager kon redden; maar helaas! hoe snel hij ook loopen mogt, en de Indianen zijn wegens hunne fabuleuse vlugheid vermaard, kon hij toch het bepaalde punt niet tijdig genoeg bereiken om zijn vriend in veiligheid te stellen.
Toen dus het opperhoofd, na den jager gewaarschuwd te hebben, de nutteloosheid van zijne pogingen had ingezien, greep er bij hem eene plotselinge verandering plaats, zijne trekken, zoo even nog door bezorgdheid opgewonden, hernamen hunne gewone kalmte en gestrengheid, een weemoedige glimlach speelde om zijne fiere lippen, hij vlijde zich op den grond neder en prevelde met eene sombere stem:
„De Wacondah heeft het niet gewild!”
Tranquille was echter niet gezind om zijn toestand met dezelfde noodlottige gelatenheid te aanvaarden; de jager behoorde tot dat krachtvolle, werkdadige menschenras, wier onverzettelijk karakter zich nimmer laat neerslaan en die strijden zullen tot hun laatsten ademtogt.
Toen hij zag dat de Roodhuid met het blinde noodlotsgeloof dat zijn geslacht eigen is, het had opgegeven, besloot hij eene laatste poging te wagen, al zou hij ook het onmogelijke beproeven.
Op twintig passen afstand van de plaats waar de jager zijn kamp had opgeslagen, lagen een aantal eikenstammen, van ouderdom gestorven of door vroegere stormen omvergewaaid en over elkander geworpen; een weinig achter dit natuurlijk bolwerk, stond een boschje van vijf of zes eikenboomen, afzonderlijk, en vormde een soort van oasis te midden van het overigens vrij kale rivierstrand.
„Geef acht! Quoniam,” riep de jager, „verzamel zooveel dood hout als gij vinden kunt en breng het hier, en gij hoofdman, doe desgelijks.”
De twee mannen gehoorzaamden oogenblikkelijk, zonder te begrijpen waarom, maar volkomen gerust door de koelbloedigheid van hun medgezel, en binnen weinige minuten lag er een aanzienlijke hoop droog hout tegen en boven de omgeworpen eikenstammen opgetast.
„Goed!” riep de jager, „God helpe ons! alles is nog niet verloren, schep moed!”
Thans de overblijfsels van het kampvuur, dat hij gedurende den nacht gebrand had om de koude af te weren, naar den houtstapel overbrengende, stookte hij het vuur aan, voedde het gedurig met dorre takken en harsachtige stoffen, en binnen vijf minuten steeg er eene dikke vuurzuil ten hemel, die snel toenam en weldra een gordijn vormde van meer dan tien meters lengte en breedte.
„Terug! terug! mannen!” schreeuwde de jager, „volgt mij.”
Het Zwarte-Hert en Quoniam liepen hem na.
De Canadees ging echter niet ver; toen hij het straks door ons genoemde boschje bereikt had, klauterde hij in den eersten boom den besten met eene vlugheid en vaardigheid zonder weerga, en werd oogenblikkelijk door zijne kameraden gevolgd, zoodat zij weldra vijftig voeten hoog boven den grond, elk op een stevigen tak in veiligheid zaten en geheel achter de bladeren verscholen waren.
„Ziedaar!” riep de Canadees met de meest koelzinnige bedaardheid, „dit is onze laatste toevlugt, zoodra de manada verschijnt, schieten wij op de voorposten; als bovendien de gloed der vlammen de bisons afschrikt zijn wij behouden, zoo niet, dan hebben wij slechts te sterven. Maar wij kunnen nu ten minste zeggen dat wij al het mogelijke gedaan hebben om ons leven te redden.”
Het vuur door den jager ontstoken, was inmiddels zeer in omvang toegenomen; het had zich reeds buiten den houtstapel uitgebreid en al de struiken en kreupelbosschen in vlam gezet, en ofschoon het hooge bosch te ver af lag om vuur te vatten, vormde zich weldra een gordijn van vlammen van bijna een kwartmijl in ’t rond, wier roode gloed den morgendamp kleurde, en aan het nog half schemerend landschap een treffenden indruk van woeste grootschheid verleende. Uit den boom waar de vlugtelingen gezeten waren hadden zij het volle gezigt op deze zee van vlammen, die hen gelukkig niet kon bereiken, terwijl zij tevens den geheelen omtrek konden overzien.
Op eens deed zich een vreesselijk gekraak hooren en verscheen de voorhoede der manada aan den uitersten rand van het bosch.
„Geef acht!” riep de jager zijn geweer aanleggende.
De bisons, verschrikt door den onverwachten vuurdamp dien zij op eens voor zich hadden, en verblind door den laaijen gloed zoowel als gezengd door de geweldige hitte, bleven een oogenblik staan, als wilden zij zich beraden, maar stoven toen weder voorwaarts in blinde woede en loeijende van gramschap.
Er knalden drie geweerschoten.
De drie voorste bisons vielen en rolden over den grond in hunne laatste doodstuipen.
„Het baat ons niet,” riep de Canadees koelbloedig, „wij zijn verloren.”
De bisons rukten steeds voort.
Spoedig echter werd hun de hitte ondragelijk; de rook, door den wind juist in de rigting der manada gevoerd; maakte hen blind; er kwam een oogenblik van stilstand, dat weldra door eene achterwaartsche beweging werd gevolgd.
De jagers zaten met hijgende borst en gespannen blikken te staren naar de bijzonderheden van dit ontzettend tooneel. Het was voor hen eene vraag van leven of dood, een enkel oogenblik kon het beslissen, hun leven hing als aan een zijden draad.
Intusschen drong de manada nog altijd voorwaarts.
De voorste bisons, die den troep aanvoerden, konden den schok der volgenden niet weerstaan; zij werden omgeworpen en vertrapt door degenen die achter hen kwamen; maar dezen, op hunne beurt door de hitte verschrikt, wilden almede terugkeeren; in dezen uitersten nood begonnen eenige bisons links en regts af te zwerven; dit was voldoende; zij werden door meer anderen gevolgd, en nu ontstonden er twee stroomen, de eene regts en de andere links van het vuur, zoodat de manada in tweeën verdeeld, als een hooggezwollen vloed die zijne dijken en dammen verbreekt, andermaal in dolle vaart voortstuwde, om zich aan den oever der rivier te vereenigen en in een gesloten kolom naar den overkant te trekken.
Het was een ontzettend schouwspel, deze verschrikte manada te zien vlugten, onder vreeselijk geloei en in de grootste verwarring, door verscheurende dieren vervolgd en met het brandende pijnbosch in hun midden, als een onheilspellende vuurbaak die hun pad moest verlichten.
De voorste bisons gingen reeds te water, anderen volgden, en de gansche manada begon de rivier in een regte lijn over te zwemmen; weldra zag men de lange donkere massa tegen den anderen oever opklauteren en zich als een reuzenslang over de prairie verspreiden, waar de voorste gelederen spoedig achter het geboomte verdwenen.
De drie vlugtelingen waren gered, dank zij de tegenwoordigheid van geest en de koelbloedigheid van den Canadees; evenwel moesten zij nog twee uren zitten wachten en zich tusschen de takken schuilhouden eer de gansche manada, die uit vele duizenden bestond, de rivier was overgetrokken.
De bisons vervolgden hun koers ter regter- en linkerzijde van het vuur, dat eindelijk bij gebrek aan brandstof begon uit te gaan, maar de rigting was nu eenmaal gegeven en zoodra zij aan den uitgedoofden vuurhaard kwamen, die thans niets meer was dan een aschhoop, scheidde de manada zich in twee kolonnen en stormde ongehinderd voort tot aan de rivier. Eindelijk verscheen de achterhoede, vergezeld en geteisterd door jaguars en wolven, die aan de beide flanken rondsprongen of de manada van achteren bestookten en insloten; en weldra was alles voorbij.
De woestijn, welker stilte voor een poos gestoord was geworden, keerde tot hare gewone kalmte terug, alleen bleef er een breed spoor over, midden door het bosch getrokken en met verpletterde boomen bezaaid, als eenig maar ontzettend bewijs welk eene woeste en ongeregelde troep er was doorgegaan.
De jagers haalden weder vrij adem; thans konden zij zonder gevaar uit hun luchtkasteel afklimmen en veilig op den grond nederdalen.
V.
HET ZWARTE-HERT.
Zoodra onze drie avonturiers den vasten grond weder onder de voeten hadden, verzamelden zij de verstrooide en nog niet geheel uitgedoofde houtskoolen, om op nieuw hun kampvuur te ontsteken ten einde hun dejeuner te bereiden.
Aan levensmiddelen ontbrak het hen niet, zij waren zelfs niet verpligt om hun gewonen voorraad aan te spreken, want verscheidene bisons, die levenloos op den grond lagen uitgestrekt, voorzagen hen in overvloed, van de lekkerste spijzen die de woestijn oplevert.
Terwijl de jager bezig was met zijn spit te stellen en een sappigen bisonsbout naar behooren klaar te maken, zaten de neger en de Roodhuid elkander te begluren met eene nieuwsgierigheid die zich zoowel van de eene als van de andere zijde door uitroepingen van verwondering te kennen gaf.
De neger lachte als een waanzinnige terwijl hij het zonderlinge voorkomen van den Roodhuid beschouwde, wiens gezigt met vier verschillende kleuren beschilderd was, en die de kleeding der Indiaansche krijgslieden droeg, een kostuum dat de eenvoudige Quoniam wel vreemd moest vinden, daar hij, zooals wij reeds zeiden, nog nooit een Indiaan had ontmoet. De Roodhuid gaf zijne verwondering op eene andere wijs te kennen; nadat hij den neger een geruimen tijd onbeweeglijk had zitten aankijken, trad hij naar hem toe, greep hem zonder een woord te zeggen bij den arm en begon dien met een slip van zijn bisonsmantel uit al zijne magt te wrijven.
Quoniam, die deze gril van den Indiaan in het eerst goedwillig opnam, werd spoedig ongeduldig, en poogde zich los te rukken; dat hem echter niet gelukte, daar de Sachem hem stijf vasthield en zijn zonderling werk met allen ernst voortzette. Intusschen begon de neger, die dit onophoudelijk gewrijf niet alleen lastig vond maar er vreeselijk pijn door leed, erbarmelijk te schreeuwen, terwijl hij zich met alle geweld aan zijn onverbiddelijken beul poogde te ontwringen.
Het geschreeuw van Quoniam trok de aandacht van Tranquille, hij keek driftig op en liep zoo snel als hij kon naar hem toe, om den armen neger te verlossen, die de oogen vervaarlijk rondsloeg, beurtelings links en regts sprong en huilde als een bezetene.
„Waarom pijnigt mijn broeder dien man toch zoo?” vroeg de Canadees tusschenbeide komende.
„Ik!” antwoordde het opperhoofd verwonderd; „ik pijnig hem niet; zijne vermomming is onnoodig, ik moet hem die afnemen.”
„Wat! mijne vermomming?” riep Quoniam.
Tranquille wenkte hem dat hij zwijgen zou.
„Die man is niet vermomd,” zeide hij.
„Wat behoeft hij zijn geheele ligchaam zoo te beschilderen?” hernam de Sachem, „de krijgslieden beschilderen alleen hun aangezigt.”
De jager lachte dat het schaterde.
„Mijn broeder vergist zich,” zeide hij zoodra hij weder ernstig was, „die man behoort tot een bijzonder menschenras; de Wacondah heeft hem met een zwarte huid geschapen even als hij mijn broeder een roode gaf, en mij een blanke; al de broeders van dezen man hebben zijne kleur; de Groote Geest heeft het zoo gewild, om hen van de Roodhuiden en Bleekgezigten te onderscheiden: laat mijn broeder de slip van zijn bisonsmantel maar even nazien, hij zal er geen het minste plekje zwart aan vinden.”
„Ooah!” riep de Indiaan verlegen het hoofd buigende, als iemand die voor een onoplosbaar raadsel staat, „de Wacondah kan alles!”
Werktuigelijk deed hij wat de jager hem zeide en wierp een verlegen blik op de slip van zijn mantel, die hij nog altijd in de hand had.
„Kom hoofdman,” vervolgde Tranquille, „gij moet dezen man als een vriend beschouwen en in geval van nood voor hem hetzelfde doen als voor mij, dan zult gij mij grootelijks verpligten.”
De Sachem maakte eene bevallige buiging en reikte den neger de hand.
„De woorden van mijn broeder den jager klinken mij in ’t oor als het welluidend gezang der centzontle,” zeide hij. „Wah-rush-a-menec (het Zwarte-Hert) is een Sachem in zijn stam; zijne tong is niet dubbel en de woorden die zijne borst ademt zijn zuiver, want zij komen uit zijn hart; het Zwarte gezigt mag zich aan het raadvuur der Pawnees nederzetten, want van dit oogenblik af is hij de vriend van het opperhoofd.”
Quoniam boog voor den Indiaan en beantwoordde zijn handdruk met een warmen wederdruk.
„Ik ben maar een arme zwarte,” zeide hij, „maar mijn hart is zuiver en mijn bloed is even rood in mijne aderen als of ik een blanke of een Indiaan was; beiden hebt gij dus het regt om mijn leven te eischen; ik sta het u met vreugde af.”
Na het uitwisselen dezer wederkeerige vriendschapsbetuigingen, hurkten de drie mannen op den grond neder en begonnen zij met ijver aan hun maal.
Dank zij de ontsteltenissen van dien morgen, hadden de avonturiers een woedenden eetlust; zij bewezen dus alle eer aan den gebraden bisonsbout, die schier geheel onder hunne herhaalde aanvallen verdween en met eenige drinkhorens water begoten werd, daar de jager een scheutje rum onder vermengd had, die hij steeds in een veldflesch aan zijn gordel droeg.
Toen de maaltijd was afgeloopen werden de pijpen aangestoken en begon elk stilzwijgend te dampen, met al den ernst die aan het boschleven eigen schijnt te zijn.
Toen het opperhoofd zijne pijp had uitgerookt, schudde hij de asch op den duim zijner regterhand, stak het roer weder in zijn gordel en wendde zich tot den jager.
„Willen mijne broeders raad houden?” vroeg hij.
„Ja,” antwoordde de Canadees; „toen ik u op het einde der Mikini-Quisis (de maand der verbrande vruchten, Julij) aan de Boven-Missouri verliet, hebt gij mij besproken op de kreek der doode eiken aan de Elands-rivier, tegen den tienden der Inaqui-Quisis (maand der vallende bladeren, September) twee uren voor het opgaan der zon; beiden hebben wij stipt woord gehouden; ik wacht nu, hoofdman, tot het u behaagt mij op te helderen waarom gij mij deze zamenkomst hebt aangewezen.”
„Mijn broeder heeft gelijk, het Zwarte-Hert zal spreken.”
Na dit gezegd te hebben scheen het gelaat van den Indiaan plotseling te betrekken en verzonk hij in een diep gepeins, dat zijne kameraden met geduld eerbiedigden tot hij het woord zou opvatten.
Eindelijk, na verloop van een kwartier streek de Sachem zich eenige keeren met de hand over het voorhoofd, rigtte het hoofd op, wierp een bespiedenden blik in het rond en begon te spreken, maar zoo zacht en onzigtig, als ware hij, zelfs hier in de wildernis nog beducht dat zijne woorden door een of ander onzigtbaren vijand werden beluisterd.
„Mijn broeder de jager kent mij van mijne kindsheid af,” zeide hij, „want hij werd door de Sachems van mijn volk opgevoed; ik zal hem dus niets van mij zelven zeggen. De groote blanke jager heeft een Indiaansch hart in den boezem; het Zwarte-Hert zal dus tot hem spreken als een broeder tegen zijn broeder. Het is drie manen geleden, terwijl het opperhoofd met zijn vriend elanden en damherten jaagde, aan de oevers der Missouri, dat een krijgsman der Pawnees met lossen teugel op het opperhoofd aanreed, hem ter zijde nam en eenige uren achtereen in ’t geheim met hem sprak; dat herinnert mijn broeder zich zeker nog?”
„Volkomen, hoofdman, ik herinner mij nog zeer goed dat de Blaauwe-Vos, want zoo heette die krijgsman, na zijn onderhoud met u, even spoedig weder vertrok als hij gekomen was, en dat mijn broeder, die tot op dien oogenblik zeer vrolijk en opgeruimd was geweest, toen op eens treurig werd; ondanks mijne dringende vraag, heeft mijn broeder mij toch de reden van zijne treurigheid niet willen zeggen, maar verliet hij mij den volgenden morgen met het opgaan der zon, na mij voor onze tegenwoordige zamenkomst te hebben afgesproken.”
„Juist,” riep de Indiaan, „zoo is het, de zaak heeft zich juist zoo toegedragen; maar wat ik mijn broeder toen niet zeggen kon, zal hij nu vernemen.”
„Ik ben geheel oor,” antwoordde de jager met eene buiging, „ofschoon ik vrees dat mijn broeder mij niets dan slecht nieuws heeft mode te deelen.”
„Mijn broeder oordeele,” zeide hij; „zie hier welk nieuws de Blaauwe-Vos mij bragt. Op zekeren dag kwam er een Bleekgezigt van de Lang-Messen uit het Westen aan de oevers der Elands rivier, waar het dorp der Pawnees-Slangen gelegen was. Het Bleekgezigt had een dertigtal krijgslieden bij zich, een aantal vrouwen en groote tooverkisten op rollen, getrokken door roode bisons zonder bulten en zonder manen. Dit Bleekgezigt maakte op twee pijlschoten afstands van mijn dorp, op den anderen oever der rivier halt, ontstak zijne vuren en kampeerde aldaar. Mijn vader, zooals mijn broeder wel weet, was de eerste Sachem van zijn stam; hij steeg te paard en trok door eenige krijgslieden gevolgd de rivier over, den vreemdeling te gemoet, om hem op het jagtveld van ons volk te verwelkomen en hem de ververschingen aan te bieden die hij mogt noodig hebben.”—Dat Bleekgezigt was een man van groote gestalte, met harde, sterksprekende trekken. De sneeuw van vele winters had zijne haren wit gemaakt. Hij lachte om de woorden, die mijn vader sprak en antwoordde hem: „Zijt gij het opperhoofd der Roodhuiden van dit dorp?”—„Ja,” zeide mijn vader. Toen haalde het Bleekgezigt uit zijne kleederen een grooten collier [3] te voorschijn, waarop vele vreemde karakters geteekend waren en hield hem mijn vader voor.—„Uw blanke grootvader in de Vereenigde Staten,” zeide hij, „heeft mij al de landen in eigendom afgestaan, gelegen tusschen den Val der Antilopen, en het Bisonsmeer:”—„Zie hier,” vervolgde hij met de hand op den collier kloppende, „het wettig bewijs van mijn regt.”—Mijn vader en de krijgslieden die hij bij zich had, begonnen te lagchen.
—„Onze Bleeke grootvader,” antwoordde hij, „kan niet wegschenken wat hem niet toekomt; het land waarvan gij spreekt maakt de jagtgronden uit die mijn volk bezeten heeft sedert de groote schildpad uit de zee opkwam om de wereld op zijn schild te torschen.”—„Ik versta niets van hetgeen gij mij daar zegt” hernam het Bleekgezigt, „ik weet alleen dat dit land mij geschonken is en dat zoo gij weigert te vertrekken, en mij in het vrije bezit er van te laten, ik er u toe zal weten te noodzaken.”
„Ja,” viel Tranquille hem in de rede, „dat is het stelsel dier lieden: roof en moord.”
„Mijn vader,” hervatte de Indiaan, „verwijderde zich op deze stoute bedreiging, en trok naar ons dorp terug, onmiddellijk namen onze krijgslieden de wapens op, de vrouwen werden in eene grot verborgen, en de gansche stam hield zich gereed om weêrstand te bieden. Den volgenden morgen, met het krieken van den dag, trokken de bleekgezigten de rivier over en vielen het dorp aan. De strijd was lang en bloedig; hij duurde van de eene zon tot de andere; maar wat vermogen de arme Indianen tegen de met buksen gewapende Bleekgezigten? Zij werden overwonnen en waren genoodzaakt te vlugten; twee uren later was hun gansche dorp in de asch gelegd en het gebeente hunner voorouders in de vier winden verstrooid. Mijn vader werd in den slag gedood.”
„O!” riep de Canadees medelijdend.
„Dat is nog alles niet,” hervatte het opperhoofd; „de Bleekgezigten ontdekten de grot waar de vrouwen van onzen stam verborgen waren, of liever bijna allen, want tien of twaalf slechts wisten het te ontsnappen, en hare papous (kindertjes) mede te nemen; allen zeg ik, werden koelbloedig en op de wreedaardigste wijs gemarteld en vermoord.”
Bij deze woorden verborg de Indiaan het hoofd in zijn bisonsmantel, en hoorden zijne vrienden hem snikken, dat hij vruchteloos poogde te smoren.
„Ziedaar,” hervatte hij eenige oogenblikken later, „het nieuws dat de Blaauwe-Vos mij mededeelde, en mijn vader, terwijl hij in zijne armen stierf, heeft mij zijne wraak nagelaten; mijne broeders, door hunne vijanden als wilde dieren vervolgd en gedwongen zich in het diepst der ontoegankelijke wouden te verbergen, hebben mij tot hun opperhoofd verkoren, ik nam het aan en liet al de krijgslieden van mijn volk zweren dat zij aan de Bleekgezigten die ons dorp overmeesterd en onze broeders vermoord hadden, al het kwaad zouden wreken dat zij ons gedaan hebben. Heden is alles gereed, de Bleekgezigten zijn op eene bedriegelijke veiligheid ingeslapen, maar hun ontwaken zal vreeselijk zijn. Zal mijn broeder mij volgen?”
„Ja, zoo waar als ik leef zal ik u volgen, hoofdman, en zal ik u helpen zooveel ik vermag,” antwoordde de jager zonder zich te bedenken; „want uwe zaak is regtvaardig. Maar onder eene voorwaarde.”
„Spreek, broeder.”
„De wet der woestijn zegt „oog om oog en tand om tand,” dat is zoo, maar gij kunt u wel wreken zonder uwe overwinning door nuttelooze barbaarschheden te onteeren; volg toch het voorbeeld niet dat u gegeven is, wees menschelijk, hoofdman, en de Groote Geest zal uwe pogingen met welgevallen aanzien en uwe zaak begunstigen.”
„Het Zwarte-Hert is niet wreed,” antwoordde de Sachem, „dat laat hij voor de Bleekgezigten over, hij verlangt niets anders dan regt.”
„Wat gij daar zegt is goed, hoofdman, ik acht mij gelukkig u dus te hooren spreken, maar zijn uwe maatregelen wel goed gekozen, zijn uwe krachten wel aanzienlijk genoeg om u de overwinning te verzekeren? Zooals gij weet, de Bleekgezigten zijn talrijk, zij laten nimmer een aanval ongewroken; gij moet u dus, wat er ook gebeure, op vreeselijke wraaknemingen voorbereiden.”
De Indiaan meesmuilde met minachting.
„De Lang-Messen uit het Westen zijn niets dan honden en lafhartige hazen, de vrouwen der Pawnees zullen rokken voor hen maken,” antwoordde hij; „het Zwarte-Hert gaat zijn stam vestigen in de groote prairie der Comanchen, die hen zullen ontvangen als broeders, zoodat de Bleekgezigten van het Westen hen niet vinden zullen.”
„Dat is slim genoeg bedacht, hoofdman, maar hebt gij sedert de Amerikanen u uit uw dorp jaagden wel gezorgd spionnen bij hen te onderhouden, ten einde goed te weten wat zij uitvoeren? Dat zou van het meeste belang zijn voor het welslagen uwer onderneming.”
Het Zwarte-Hert glimlachte, maar antwoordde niet, en hieruit begreep de Canadees dat de Roodhuid, met de gewone schranderheid en het geduld, aan zijn ras eigen, was te werk gegaan en geen der noodige voorzorgen had verzuimd om het gelukken van zijn aanslag op de nieuwe kolonie te verzekeren.
Tranquille, zoowel door zijne half Indiaansche opvoeding, als door den erfelijken haat dien elk opregt Canadees het Angel-Saksische ras toedraagt, verlangde vurig om het opperhoofd der Pawnees bij te staan en hem een schitterende wraak te verschaffen over het leed dat dezen hem hadden berokkend; maar met het regtschapen oordeel dat den grond van zijn karakter uitmaakte, wilde hij niet dat de Indianen zich aan de gruwzame wreedheden zouden schuldig maken, die zij zich maar al te vaak in de eerste drift der overwinning jegens hunne vijanden veroorloven. Bovendien had hij met zijne toetreding een tweeledig doel: vooreerst, om zooveel mogelijk het welslagen zijner vrienden te verzekeren, ten tweede, om hen met al den invloed dien hij op hen bezat, na den strijd tegen te houden en te beletten hunne wraak aan de overwonnelingen, inzonderheid aan de vrouwen en kinderen bot te vieren.
Wat dit laatste betreft, verheelde hij voor het Zwarte-Hert geenszins zijn gevoelen en stelde hij, zooals wij reeds gezien hebben, als uitdrukkelijke voorwaarde zijner medewerking—die zeker voor de Indianen niet onverschillig was—dat zij geen onnoodige wreedheden zouden begaan.