De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 9
En tot de jongeren zeide hij: "Welaan, jongeren, ik zeg u: vergankelijk is alles wat geworden is, worstelt zonder ophouden (om het heil te verkrijgen). Toen ging zijn geest van extase tot extase, door alle trappen der vervoering, daarop ging hij tot Nirvana in. De aarde beefde, de donder rolde. En Brahma sprak:
"Eens leggen alle wezens af lichaamlijkheid, in alle werelden, zooals nu Boeddha, de overwinnaar, de meester der wereld, de machtige voleindigde, tot Nirvana is ingegaan."
De edelen van Kusinara kwamen en verbrandden voor de poorten der stad het lichaam van Boeddha met alle eer, die aan de lijken van koningen placht te geschieden.
Zoo wordt ons geschetst het levenseinde van den verhevene. We hebben hem aan de hand der oude geschriften gevolgd op zijn levens weg. Wij hebben leeren kennen den Boeddha der oude legende. Doch niet al te moeilijk schijnt het om uit den Boeddha der legende den wijzen Sakyazoon der historie te kennen. Als wij dat beproeven, dan komt ons voor den geest een hooggeboren edele, die, met aardschen glans en luister omringd, alles daarliet om een oplossing te zoeken van de hoogste levensvragen. Een wijze, die alles wat het leven lieflijks heeft, verzaakte om te zoeken naar wat voeren kon tot waren vrede. Niet in zelfkastijding, noch in overdreven wereldschuwheid vond hij dien, maar in het streven om bij een leven, evenver van zinnelijkheid als van zelfpijniging, tot uitdooving van alle hartstocht, tot opgeven van alle persoonlijke begeerte te komen.
Eén, die voorts het licht hem geschonken, niet voor zichzelf hield, maar het zooveel in hem was aan anderen bracht, ja daaraan zijn gansche leven wijdde en die voor hoog en laag, voor mensch en dier de welwillendheid zelve was.
Eén, die diep besefte dat geen offers, geen boetedoeningen, geen ceremoniën vrede brengen in de ziel, maar dat er slechts vrede en licht te vinden is voor hen, die uit liefde zichzelf ten offer geven en alle begeerte en hartstocht weten te overwinnen.
Geen wonder dat zijn persoon een onuitwischbaren indruk achterliet en dat vrome vereering een stralenkrans wond om het hoofd van den Sakyazoon.
III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen.
Wij hebben in de vorige hoofdstukken het leven van den verlichte u geschetst en daarbij op menige bladzijde, naar ik hoop, doen gevoelen, welken geest hem bezielde. Toch willen wij op zijn onderwijs nog meer in 't bizonder uwe aandacht vestigen: de leer was immers naar zijn eigen woord tot Ananda, de Meester voor zijn volgelingen, als hij was heengegaan?
Welnu, dat woord van den Meester is ons voor een goed deel overgeleverd al kunnen wij niet overal beslissen, wat aan den Meester, wat aan leerlingen te danken is.
Wat die leer betreft, krijgen wij den indruk, dat zij zich--in onderscheiding van Jezus' leer b. v.--vaak meer tot het verstand richtte dan tot het hart. 't Is meestal meer een klemmend betoog dan een op het gevoel werkend beeld. Ja, er is in die betoogen zelfs iets mathematisch, punt voor punt wordt uitvoerig en eentonig afgewerkt en langzaam gaat het voort. Als een voorbeeld noem ik de volgende rede over den gloed der zinnen: [68]
"Toen sprak de verhevene tot de jongeren: alles, jongeren, staat in vlam. En wat is dit alles, jongeren, dat in vlam staat? Het oog, leerlingen, staat in vlam, het erkennen van het zichtbare staat in vlam, de aanraking met het zichtbare staat in vlam, het gevoel, dat uit de aanraking met het zichtbare voortkomt, staat in vlam: of het vreugde of leed is of geen vreugde of leed: ook dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding is het ontvlamd, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, lijden, kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: Alzoo zeg ik.
"Het oor staat in vlam, het hoorbare staat in vlam, het kennen van het hoorbare staat in vlam, de aanraking met het hoorbare staat in vlam, het gevoel dat uit de beroering met het hoorbare voortkomt, zij het vreugde, zij het leed, zij het geen vreugde en geen leed, ook dit staat in vlam. Door welk vuur is het ontvlamd? Door het vuur der begeerte, door het vuur van den haat, door het vuur der verblinding, door geboorte, ouderdom, dood, smarten, klachten, leed, kommer, vertwijfeling is het ontvlamd: alzoo zeg ik.
"De reuk staat in vlammen (dan volgt weer dezelfde opsomming), de tong staat in vlammen (wederom), het lichaam staat in vlammen (wederom), de geest staat in vlammen (wederom)."
Dan gaat de rede voort: "Dit alzoo inziende (nl. de waarheid van het verteerd worden van alles door den vuurgloed der vergankelijkheid) wordt een wijze, edele hoorder des woords het oog moede, hij wordt het zichtbare moede, hij wordt het kennen van het zichtbare moede, hij wordt het gevoel moede, dat uit de aanraking met het zichtbare ontstaat, zij het vreugde of leed, of geen vreugde of leed. Hij wordt het oor moede (enz.), de reuk moede" (enz. enz.) (altijd weer dezelfde zinnen).
En dan eindigt de rede: "Terwijl hij deze dingen moede wordt, wordt hij vrij van begeerte, van begeerte vrij wordt hij verlost, in den verloste is het inzicht: ik ben verlost, vernietigd is de wedergeboorte, voleindigd de heiligheid, gedaan de plicht, geen terugkeer is er meer tot deze wereld: alzoo is zijn inzicht."
Voor ons zou een dergelijke toespraak geen groote aantrekkelijkheid hebben, doch voor de leerlingen van Boeddha, die aan een dergelijken redeneertrant, ook van andere leeraars gewoon waren, was dat een ander geval.
Voor de niet ingewijden sloeg de meester gewoonlijk een eenigszins anderen toon aan, dan waren de redeneeringen niet zoo abstract. Zoo wordt ons b.v. in de Mahavagga, hetzelfde werk, waaraan de juist vermelde toespraak is ontleend, ook verhaald hoe de verhevene aan "tachtigduizend dorpsoudsten" het woord predikte. "Hij erkende", heet het daar, in zijn geest de gedachten der dorpsoudsten en predikte hun het woord naar de orde, namelijk de prediking van het geven, de prediking van de rechtschapenheid, de prediking van de hemelen, de verderfelijkheid, ijdelheid, onreinheid der lusten, den zegen van het vrijzijn van lust. Toen nu de verhevene erkende, dat hunne gedachten goed, ontvankelijk, vrij van hindernissen waren, verheven en naar hem toegewend, toen predikte hij hen, wat in 't bizonder de prediking der Boeddha's is: het lijden, het ontstaan van het lijden, de opheffing van het lijden, den weg tot opheffing des lijdens. Vervolgens wordt dan geschetst hoe in die dorpsoudsten het oog der waarheid opengaat en zij inzien dat "alles wat aan de wet van het ontstaan onderworpen is, ook aan de wet van het vergaan onderworpen is."
M. a. w. hier wordt ons te zien gegeven, hoe Boeddha van het eenvoudige opklimt tot de verborgenheden, tot het wezenlijke, het eigenaardige zijner leer. Nu, al mogen wij ook allerminst vaststellen dat deze leer alzoo is uitgesproken (die verzameling van 80.000 dorpsoudsten is althans zeker een fictie) toch kunnen wij aannemen dat iets dergelijks aan de leerwijze van den Verlichte is eigen geweest [69].
Soms ook vinden wij gesprekken, waarin Boeddha uit het dagelijksch leven opklimt tot het geestelijke, en wel in dier voege, dat hij zijn toehoorder door verschillende vragen langzaam brengt, waar hij hem hebben wil: alzoo de methode van Socrates, die ook vooral door vragen leerde.
Zoo b.v. een gesprek van den Meester met Sona, een zijner leerlingen. Deze Sona had zichzelf tot de uiterste ascese gedwongen, doch was ten slotte tot het inzicht gekomen dat zulk een streven geen goede vruchten droeg. Hij liep nu gevaar tot het andere uiterste over te slaan en terug te keeren tot een leven voor het genot.
Boeddha zegt dan tot hem: "Hoe is het Sona, waart gij vroeger, voor gij uw huis verliet, met het snarenspel bekend?" "Ja, heer." "Wat dunkt u dan Sona, als de snaren al te strak zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn". "Dat zal zij niet, Heer." "En wat dunkt u, als bij uwe luit de snaren al te slap zijn gespannen, zal dan de luit den rechten toon geven en voor bespelen geschikt zijn?" "Dat zal zij niet, Heer." "Hoe echter, Sona, indien bij uwe luit de snaren niet te strak en ook niet te slap gespannen zijn, als zij de juiste maat houden, zal dan de luit den rechten toon geven en voor het spel geschikt zijn?" "Ja, heer."
"Zoo ontaardt ook, Sona, de al te sterk gespannen kracht in overmaat, en de al te veel overgelaten kracht in slapheid. Daarom Sona, voleindig in uzelf het evenwicht uwer kracht en tracht te komen tot evenwicht van uw geestelijk vermogen, houd dit doel in 't oog." [70]
Somtijds vinden wij ook in het onderricht van Boeddha meer uitgewerkte gelijkenissen. Enkele daarvan willen wij U medededeelen, omdat zij ons zoo goed den geest des meesters doen kennen. We merken hierbij echter op, dat zeker niet al deze gelijkenissen van den Meester zelf afkomstig zijn.
Van den verzoeker, die tracht de menschen den weg des heils te doen bijster worden en van den verlosser, die hen op den rechten weg terugvoert, wordt ons de volgende gelijkenis verhaald, die wij kunnen noemen:
De ware en de verkeerde weg. [71]
"Wanneer, o jongeren, in het woud, op een berghelling, een groote vallei met water is, waarbij een groote kudde wild leeft en er komt een man die het wild plagen en ongelukkig maken wil, dan sluit deze man den weg, [72] die goed, veilig en wel begaanbaar is af en opent een verkeerden weg, een moeraspad. Dan zal, o jongeren, die groote kudde wild schade lijden en verminderen. Wanneer er nu echter, jongeren, een man komt, die tracht naar gedijen, welzijn en heil voor deze groote kudde wild: dan maakt deze den goeden weg weer open en vernielt het moeraspad. Dan zal, o jongeren, de groote kudde wild voortaan gedijen, wassen en toenemen. Een gelijkenis, jongeren, heb ik verteld, om u den zin bekend te maken. De zin nu is deze:
"De groote vallei en het water zijn de lusten, o jongeren. De groote kudde wild, jongeren, zijn de levende wezens. De man, die schade en onheil voor hen tracht te bewerken is Mara, de booze. De verkeerde weg, jongeren, is de achtvoudige verkeerde weg, namelijk: verkeerd geloof, verkeerd bedoelen, verkeerd woord, verkeerde daad, verkeerd leven, verkeerd streven, verkeerd gedenken, verkeerd bespiegelen. De moerasweg, o jongeren, is vreugde en begeerte. Het moeraspad, jongeren, is het nietweten. De man, jongeren, die naar gedijen, welzijn, heil tracht is de voleindigde, de heilige hoogste Boeddha. De zekere, goede weg, die wel te begaan is, is de heilige, achtvoudige weg, dat is: goed gelooven, goed bedoelen, goed woord, goede daad, goed leven, goed streven, goed gedenken, goed bespiegelen. Alzoo, heb ik, o jongeren, den veiligen, goeden weg geopend, die wel te begaan is, de valsche weg is toegesloten, het moeraspad vernietigd. Alles, jongeren, wat een meester doen moet, die naar het heil zijner jongeren tracht, die zich hunner erbarmt: uit erbarmen voor u heb ik dat gedaan."
Dit bovenstaande verhaal kan terecht den naam van gelijkenis dragen, wij vinden echter in de oude Boeddhistische boeken ook nog meer uitgewerkte verhalen, die wel eenigszins aan gelijkenissen doen denken, maar toch nog beter "leerzame verhalen" kunnen worden genoemd. Enkele daarvan, deels van Boeddha, deels van zijn volgelingen afkomstig, willen wij hier laten volgen, omdat zij ons den geest van zijnen godsdienst zoo goed leeren kennen. Allereerst noemen wij u:
De gelijkenis van de vergeving.
In een vroeger bestaan was Boeddha de asceet Jin Juh en woonde hij in een bosch. "Wouden zijn heerlijk" verklaarde hij. "Waar de wereldling geen genoegen vindt, vindt de "ontwaakte" mensch genot."
In dien tijd was er een koning, Ko Li geheeten, een man van wreed, slecht karakter. Op zekeren dag nam deze koning zijn vrouwen met zich en ging jagen in het bosch. Vermoeid geworden viel hij in slaap. Toen gingen al de vrouwen het bosch in om bloemen te plukken; zij kwamen bij de kluis van den asceet Jin Juh en luisterden naar zijn onderricht. Na eenigen tijd ontwaakte de koning, en zijn vrouwen missende, werd hij jaloersch, trok zijn zwaard en ging haar zoeken. Toen hij haar allen zag staan tegenover de kluis van den asceet, werd hij zeer toornig.
"Wie zijt gij?" sprak de koning.
"Ik ben de asceet Jin Juh."
"Hebt gij alle aardsche hartstochten overwonnen?" vervolgde de koning. De ander antwoordde dat hij hier was om met zijn hartstochten te strijden. "Indien gij "Sheung te teng" [73] niet hebt bereikt, zie ik niet in dat gij beter zijt dan de philosophen," (Fan Fuh) èn met de wreedheid van een Oostersch tyran hakte hij den armen kluizenaar handen en voeten af.
De monarch zag tot zijn verbazing een verheven kalmte op het gelaat van den gekwelden asceet en vroeg hem of hij geen toorn gevoelde.
"Neen, koning, en ik zal u eenmaal leeren ook uw dierlijke hartstochten te bedwingen. Als ik, in een ander bestaan, Sheung te teng bereik, zult gij, o koning, mijn eerste bekeerling zijn."
In een volgend bestaan werd koning Ko Li de leerling Kaundiliya.
De hierop volgende geschiedenis is waarschijnlijk een protest van de Hinayana (de kleine overtocht, dat wil zeggen het meer oorspronkelijke Boeddhisme) tegen de "valsche leeraars" van de Mahayana (de groote overtocht) die het Boeddhisme als een soort atheïsme gingen opvatten. Zij kan genoemd worden:
De gelijkenis van den godloochenaar.
Angati, de koning van Tirhut, had eene dochter, Ruchi. Eerst leefde hij godsdienstig, doch later hoorde hij verkeerde leeraars, die verklaarden dat er geen toekomende wereld is en dat de mensch na den dood, in water en andere elementen wordt opgelost. Van toen af meende hij dat het beter was het tegenwoordige te genieten en werd hij wreed.
Op zekeren dag ging Ruchi tot den koning en vroeg hem haar duizend goudstukken te geven, daar het den volgenden dag een feestdag was en zij een offer wenschte te brengen. De koning antwoordde dat er geen toekomstig leven was, geen vergelding voor verdienste. Godsdienstige vormen waren zonder waarde en het was beter om van het tegenwoordige leven te genieten.
Nu had Ruchi het innerlijk gezicht: zij kon dus in haar leven teruggaan tot op veertien vroegere bestaansvormen. Dus sprak zij tot den koning dat zij vroeger een edelman was geweest, doch een overspeler en dat zij nu voor straf slechts een vrouw was. Als verdere straf was zij geweest monnik, jonge koe en geit en eens was zij geboren in de hel Avichi. De koning wilde zich niet door eene vrouw laten onderrichten en bleef ongeloovig. Toen riep Ruchi, door betoovering, een geest te hulp, en Boeddha zelf, in de gedaante van een monnik, kwam in de stad. De koning vroeg hem vanwaar hij kwam. De monnik antwoordde dat hij uit de andere wereld kwam. De koning zeide daarop lachend:
"Als gij van de andere wereld komt, leen mij dan honderd goudstukken en als ik naar die wereld ga zal ik er u duizend teruggeven."
Boeddha antwoordde ernstig: "Als iemand geld leent moet dat zijn aan de rijken, als hij geld geeft aan de armen, is het een gift, want de arme kan niet terugbetalen. Daarom kan ik u geen honderd goudstukken leenen, want gij zijt arm en berooid."
"Gij spreekt logen" was het toornig antwoord des konings. "Is niet deze gansche rijke stad mijn eigendom?"
Boeddha antwoordde: "Over korten tijd; o koning, zult gij sterven. Kunt gij uw rijkdom meenemen naar de hel? Daar zult gij in onuitsprekelijke ellende leven, zonder kleeding, zonder voedsel. Hoe kunt gij mij dan mijn schuld betalen?" Zoo sprak Boeddha en op zijn aangezicht lag een zonderlinge glans, die den koning verblindde.
Ook het volgende verhaal is zeer populair, het heet:
Boeddha's gelijkenis van Kisagotami.
Eens leefde er een nederig paar in Sravasti. Zij verkochten erwten, rijst en houtskool in kleine ondiepe mandjes, door een matje tegen de middagzon bedekt. Zij hadden een eenige dochter, Kisagotami. Op zekeren dag zond haar vader haar het bosch in om hout te zoeken. Zij bleef in de jungle bloemen zoeken, totdat zij eensklaps van uit het dichte riet de oogen van een cheetah [74] op haar gevestigd zag. Zij stierf bijna van schrik. Plotseling suisde er iets langs haar en de cheetah lag dood aan haar voeten. De pijl was geschoten door een jongeling, als jager in dienst bij den Rajah. Spoedig daarna wilde hij trouwen met Kisagotami, die zeer op hem gesteld was. Doch de ouders, die reeds op jaren kwamen zeiden dat zij hun eenige dochter niet konden missen.
Eens ging een blinde man het winkeltje voorbij, hij speelde en zong. De oude moeder luisterde en hij zong:
"Zonder een metgezel wordt de Kokila [75] stil op haar tak, stil-stil-stil voor altijd."
Zij bracht dit in verband met hare dochter, die inderdaad kwijnend en ziekelijk was geworden na hare teleurstelling en begon zich over deze bezorgd te maken. Zoo trad het meisje, na verloop van tijd, door den invloed van haar moeder, in het huwelijk. In die dagen richtte een wreede tijger verwoestingen aan en doodde vele dorpelingen. De vorst beloofde een groote som aan wie den tijger doodde. Kisagotami's man werd er door verlokt, hij viel den tijger aan, maar werd door diens klauw doodelijk gewond.
De weduwe en een klein kind keerden naar Sravasti terug en helaas: ze ontmoetten een stoet van weenende vrouwen, die haar ouders naar het graf brachten. Een maand later zag men de arme weduwe met een dood kind in de armen, telkens klagende. "Geef mij een geneesmiddel voor mijn arm kind."
Een antwoordde: "Ga naar den Sakyamonnik, den Boeddha (verlichte).
Kisagotami ging naar Boeddha's kluis en sprak: "Heer en meester, kent gij eenig geneesmiddel dat mijn jongen zal genezen?"
Boeddha antwoordde: "Ik moet een handvol mosterdzaad hebben."
Het meisje beloofde het te bezorgen, maar Boeddha voegde er bij: "Ik moet mosterdzaad hebben uit een huis, waar geen zoon, echtgenoot, ouder of slaaf is gestorven."
De arme Kisagotami ging met haar dood kindje van huis tot huis. Medelijdende menschen zeiden: "Hier is mosterdzaad, neem het." Maar als zij vroeg of er geen zoon, of echtgenoot of ouder of slaaf in dat huis was gestorven, dan ontving zij ten antwoord: "Vrouw, de levenden zijn weinigen, dooden zijn er velen: tot ieder huis komt de dood."
Ten slotte zat Kisagotami, vermoeid en zonder hoop aan den weg neer en keek naar de lichten in de steden, die één voor één werden uitgedoofd. Op dat oogenblik deed Boeddha, door de macht van Siddhi [76], haar zijne verschijning zien en deze sprak: "Alle levende wezens gelijken op deze lampen. Zij worden opgestoken en flikkeren dan voor een wijle, daarop heerscht de zwarte nacht over allen. De verschijning predikte toen de wet aan haar, en volgens de woorden der Chineesche vertaling, bracht hij aan: "heil en redding, het pad wijzende dat leidt tot de eeuwige stad."
De geschiedenis van prins Kunala.
Koning Açoka had een jongetje, wiens oogen zoo schoon waren dat zijn vader hem Kunala noemde: daar is een vogel van dien naam, welke onder de rhododendrons en pijnboomen van de Himalaya woont en die beroemd is om zijn lieftallige oogen. De jonge prins groeide op en ieder sprak over zijn schoonheid in het gansche land des konings. Geen vrouw kon hem in de oogen zien, zonder verliefd op hem te worden. Een Sthavira [77] sprak eens ernstige woorden tot hem en zeide: "De trots van het oog mijn zoon, is ijdelheid. Pas op."
Op jeugdigen leeftijd huwde Kunala een meisje, Kanchana geheeten. Op zekeren dag zag een van de vrouwen des konings den jeugdigen echtgenoot en werd wanhopig verliefd op zijn schoone oogen. Kunala was door schrik getroffen.
"Zijt gij niet," sprak hij, "in de zenana [78] van den koning, mijn vader?" Dit woord veranderde haar liefde in bitteren haat.
In dien tijd stond de stad Taxila tegen koning Açoka op. De monarch wilde er aanstonds zelf heengaan, doch de ministers raadden hem om prins Kunala te zenden in zijn plaats. De prins ging naar de oproerige stad en wist spoedig de rust te herstellen. Het volk verzekerde hem dat zij de afpersingen en onderdrukkingen van des konings beambten hadden weerstaan, doch niet den koning zelf.
Niet lang daarna werd de koning door een walgelijke ziekte aangetast en moest ten behoeve van zijn zoon afstand doen van den troon. De koningin Tishya Rakshita, dezelfde die den prins zoo haatte, dacht in haar hart: "Als Kunala den troon bestijgt ben ik verloren."
Zij beval een slaaf haar een man te brengen, door dezelfde ziekte als de koning aangetast. Zij vergiftigde den man en onderzocht hem van binnen. Een groote worm voedde zich met zijn ingewand. Zij gaf dien worm peper en gember: hij bleef er even gezond bij. Zij gaf hem uien en hij stierf.
Aanstonds ging zij naar den koning en beloofde hem te genezen als hij haar een verzoek wilde toestaan. De koning beloofde haar alles te geven, wat zij zeggen zou. Zij sprak tot hem: "Neem deze ui en gij zult beter worden."
"Koningin," sprak de koning, "ik ben een Kshatrya en de wet van Manoe [79] verbiedt mij uien te eten." De koningin vertelde dat het een geneesmiddel was, gèèn voedsel. Hij at de ui en werd genezen.
De koningin verzocht nu, als belooning voor deze genezing, een week lang de zaken des konings te mogen besturen. De koning aarzelde, maar liet zich overhalen.
Aanstonds zond de koningin een verzegelde order met 's konings zegel voorzien, dat prins Kunala bedelaarskleeren moest dragen en zijn oogen moesten worden uitgestoken: een blinde prins immers mag den troon niet bestijgen.
De goede menschen van Taxila waren diep geschokt door dit bevel, maar zij zeiden tot elkaar: "Als de koning zoo onbarmhartig is voor zijn zoon, wat zal hij dan wel doen, als wij hem niet gehoorzamen?" Eenige Chándalas [80] werden er voor uitgekozen: doch zij hielden veel van den prins en wilden het wreed bevel niet uitvoeren. Op het laatst kwam er een afschuwelijke kerel, een mensch met wel achttien misvormingen en afwijkingen en rukte den prins de oogen uit.
Weldra was deze als bedelaar op den grooten weg: zijn vrouw, Kanchana, was ook bij hem, in lompen gekleed. De arme prins herinnerde zich de plechtige woorden van den Sthavira.
"Is niet de buitenwereld", zoo sprak hij tegen zijn vrouw "slechts een klomp vleesch?"
De prins was altijd ziekelijk geweest en om nu in zijn onderhoud te voorzien speelde hij op de vina [81]. Na vele zwerftochten bereikten zij Palibothra (Patna) en kwamen bij het paleis des konings. Doch de wachters wierpen de twee vuile bedelaars er uit. Ten slotte dringen echter de tonen der vina tot den koning door. "Het is mijn zoon," zeide hij. Hij zond beambten uit om hem te halen. De koning was verbaasd over den toestand, waarin hij hem aantrof. Toen hij te weten kwam wat er gebeurd was riep hij de schuldige koningin bij zich en gaf bevel haar levend te verbranden.
Doch prins Kunala was een ander mensch geworden. Toen hij, zooals hij meende door zijn aardschen vader verlaten was, was hij een zoon van Boeddha geworden. Zijn "lichamelijk oog" was weg, doch hij voelde dat zijn "geestelijk oog" thans voor het eerst was geopend. In plaats van de zachte kleederen der hovelingen droeg hij nu de lompen van Boeddha's verheven bedelaars.
Hij wierp zich voor de voeten van zijn vader en smeekte hem der koningin het leven te sparen: "Ik voel geen haat, geen smart, slechts dankbaarheid, dood haar niet."
Açoka, de machtige zonnekoning, was bestemd om heel Indië te regeeren: zijn scepter reikte verder dan dien van den groot-Mogol. Hij ook zou eenmaal zijn prachtige paleizen verlaten en langs den weg zijn brood bedelen, ook hij werd Bhikshu.
Een Boeddha op een huwelijksfeest.
Koning Sudarsana was een modelkoning. In zijn rijk was geen doodstraf noch geeseling bekend, geen krijgswapen om te martelen of te verderven. Zijne stad, Jambunada, was gebouwd van kristal en kornalijn, zilver en goud. Eens bezocht een Boeddha deze plaats.