De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 8
"In gedachten stelt hij zich voor een ander lichaam, geschapen naar het beeld van dit stoffelijke, met een vorm, organen en leden. Dit lichaam staat tot het stoffelijke als het zwaard tot de scheede, of als de slang tot de mand waarin zij is opgesloten. De asceet dan, gereinigd en volmaakt, begint bovennatuurlijke krachten te ontwikkelen. Hij vindt zich in staat om door materieele hindernissen als muren en wallen heen te dringen, hij kan zijn beeld zichtbaar maken op meerdere plaatsen te gelijk, hij kan op het water wandelen zonder er in te zinken, hij kan door de lucht vliegen als een grootvleugelige valk, ja, hij kan deze wereld verlaten en die van Brahma zelf bereiken. Door deze kracht van zijn wil verwerft hij zich nog een ander vermogen: evenals de ivoordraaier een olifantstand bewerkt volgens zijn phantasie, zoo kan ook hij door zijn gedachten beelden oproepen [57]. Hij verkrijgt het vermogen om te hooren de geluiden der onzienlijke wereld even duidelijk als die van de zienlijke wereld--ja nog duidelijker. Ook is hij--door de macht van Manas [58]--in staat de meest geheime gedachten van anderen te lezen en hun karakter te zien. Hij kan zeggen: "Hier is een geest, door hartstocht bestuurd, daar is een geest, die bevrijd is (van de hartstocht). Deze man heeft eed'le doeleinden, die man heeft geen doel in het oog." Evenals een kind zijn oorringen in het water ziet en zegt: "Dit zijn mijn oorringen", zoo erkent de gereinigde asceet de waarheid. Voorts komt dan over hem de gave van het "goddelijk gezicht" en hij omvat met zijn blik al wat menschen doen op aarde en na hun dood en wanneer zij wederom geboren zijn. Dan ontsluiert hij de geheimen van het heelal en waarom de menschen ongelukkig zijn en hoe hun ongeluk kan ophouden."
Zien wij hierin niet, dat het geenszins aangaat Boeddha voor een atheïstisch gekleurd vrijdenker te houden? [59] Men hoore ook het volgende uit de Tevigga Sutta, een ander Cingaleesch werk.
Toen Boeddha te Manasakata vertoefde, in het mangowoud, kwamen tot hem drie Brahmanen, in de Veda's wel onderwezen, om hem te raadplegen over de vereeniging met den eeuwigen Brahma. Zij vragen hem of zij op den rechten weg zijn om die vereeniging te bereiken. Boeddha antwoordt niet rechtstreeks. Hij onderstelt een vreemd geval. Een man is verliefd geworden op de allerschoonste vrouw van het land. Dag en nacht droomt hij van haar, doch, nimmer heeft hij haar aanschouwd. Hij weet niet of zij lang is of kort, of zij tot de Brahmanen of tot de Sudra's behoort, of zij blank is of bruin, zelfs haar naam kent hij niet.
Dan vraagt hij de Brahmanen of dit verhaal over die vrouw een wijze of een dwaze vertelling is. Zij erkennen dat het "zottepraat" is. Boeddha past nu dezelfde redeneering op de Brahmanen zelf toe. En de Brahmanen, onderwezen in de drie Veda's, moeten bekennen, dat zij Brahma nimmer hebben gezien, niet weten of hij lang is of kort, noch iets wezenlijks omtrent hem en dat alles wat zij zeggen over vereeniging met hem, dwaze praat is. Zij gaan een trap op, waarin eene kromming is en weten niet of zij een woning of een afgrond zullen bereiken. Zij staan op den oever eener rivier en roepen den anderen oever op om tot hen te komen.
Was Boeddha de atheïstische leermeester, dien velen in hem zien, dan had hij hier een schoone gelegenheid gehad om zijn inzichten te doen kennen. De Brahmanen, had hij dan kunnen zeggen, weten niets van Brahma, om de eenvoudige reden, dat zulk een wezen niet bestaat. Doch juist dit doet Boeddha geenszins. Hij tracht te bewijzen dat de Brahmanen daarom niets weten van Brahma, omdat deze zuiver geestelijk is en zij zuiver stoffelijk zijn.
Vijf sluiers, zegt Boeddha, bedekken Brahma voor het sterfelijk oog. Zij zijn:
1. De sluier van lust en begeerte. 2. De sluier van boosheid. 3. De sluier van luiheid en traagheid. 4. De sluier van trots en eigengerechtigheid. 5. De sluier van twijfelzucht.
Dan gaat Boeddha voort en vraagt:
"Bezit Brahma vrouwen en rijkdom?"
"Neen, Gautama" antwoordt Vasettha de Brahmaan.
"Is zijn geest vol van toorn, of vrij van toorn?"
"Vrij van toorn, Gautama."
"Vol van boosheid, of vrij van boosheid?"
"Vrij van boosheid, Gautama."
"Is zijn geest bedorven, of zuiver?"
"Zuiver, Gautama."
"Heeft hij zelfbeheersching, of niet?"
"Hij heeft die, Gautama."
Dan doet hij de Brahmanen vragen over henzelven:
"Zijn de Brahmanen, geleerd in de drie Veda's, zijn zij in het bezit van rijkdom, of zijn zij dat niet?"
"Zij zijn het, Gautama."
"Dragen zij iemand een kwaad hart toe, of niet, Gautama?"
"Zij doen dat, Gautama."
"Zijn zij zuiver van hart of niet?"
"Zij zijn het niet, Gautama."
"Hebben zij heerschappij over zichzelf, of niet?"
"Zij hebben die niet, Gautama."
Deze antwoorden stellen, gelijk men begrijpt, in het licht, dat er geen vereeniging kan bestaan tusschen zoo verschillende wezens als Brahma en de Brahmanen. Brahma is vrij van alle verkeerdheid, zondeloos, zichzelf meester, dus kan alleen hij, die zonder zonde is, hopen met hem in overeenstemming te komen. Vasettha stelt vervolgens deze vraag: "Mij is gezegd Gautama, dat de asceet Gautama den weg weet tot den staat van vereeniging met Brahma?"
"Ik ken Brahma Vasettha", is Boeddha's antwoord, "ik ken de wereld van Brahma, en den weg die er heenvoert."
Daarop vraagt de verootmoedigde, in de drie Veda's onderwezen Brahmaan, aan Boeddha: hem den weg te wijzen tot den staat van vereeniging met Brahma.
Boeddha geeft een uitvoerig antwoord: een scherpe tegenstelling makend tusschen het hooge en het lage Brahmanendom, tusschen de "aan huizen gehechte" en de "huislooze" Brahmanen. Die eersten, de huis-Brahmanen, zijn ruw, zinlijk, gierig, onoprecht. Om winst beoefenen zij de zwarte kunst, de waarzeggerij en bedrog. Zij weten bij koningen gehoor te krijgen, broeden oorlogen uit, voorspellen overwinningen, offeren levens op, berooven de armen. Als een tegenbeeld daarvan schildert hij den kluizenaar, die alle wereldsche dingen heeft verzaakt en zuiver, zichzelf meester, gelukkig is.
Om dit hooger leven aan de menschen te leeren wordt "van tijd tot tijd een Tathagatha (voleindigde) in de wereld geboren, gezegend en waardig, overvloeiende van kennis, een gids voor dwalende stervelingen. Hij ziet aangezicht tot aangezicht het gansch heelal, de geesten-wereld van Brahma en die van Mara, den verzoeker. Hij deelt aan anderen zijne kennis mede. De eerste "huislooze" door hem onderricht doet zijn geest een vierde der wereld doordringen met erbarming, sympathie en gelijkmoedigheid, verreikend, groot, bovenmatig." [60]
"Waarlijk, dit is, o Vasettha, de weg tot den staat van vereeniging met Brahma" en hij verkondigt dat "de Bhikshu of Boeddhistische bedelmonnik, die vrij is van toorn, vrij van kwaadwilligheid, zuiver van geest, meester over zichzelf, na zijn dood, als het lichaam ontbonden is, met Brahma zal vereenigd worden." De Brahmanen gevoelen dan de volle kracht van dit woord. Boeddha is in hun oog geen afbreker, maar een behouder van het geloof. Hij houdt het met den ouden geestelijken godsdienst tegenover alles mêesleepende nieuwigheidsleeraars.
"Gij hebt overeind gezet, wat was ter neder geworpen" zeggen zij tot hem.
Zoo zien wij hier Boeddha als diengene, die den geestelijken godsdienst weer opricht, door de Brahmanen onder vormen verstikt, evenals Jezus weer opvatte wat door Israëls profeten, die de eischen des levens op den voorgrond stelden was geleerd, doch door de Joodsche schriftgeleerdheid was nedergeworpen.
Doch hij deed nog meer, dat ons aan Jezus doet denken. Evenals deze ons geteekend wordt vol liefde voor gevallenen en verworpenen zoo hebben wij ook van het licht van Azië treffende verhalen, die in het licht stellen zijn liefde ook voor ver verdoolden.
In de Chineesche Dhammapada lezen wij van een schoone zondares, die van Boeddha had vernomen en die op weg ging om zijne prediking te hooren. Op weg zag zij echter in een bron haar schoon gelaat en zij was niet in staat om haar goede voornemen uit te voeren. Toen zij terugkeerde, werd zij ingehaald door een andere courtisane, schooner nog dan zij zelve, en zij reisden te zamen. Toen zij een oogenblik rustten bij een andre bron, werd de vreemdelinge door slaap bevangen en legde zij haar hoofd op den schoot van haar medereizigster. Eensklaps werd het schoon gelaat wasbleek als een lijk, een walgelijk lokaas voor afschuwelijke insecten. De vreemdelinge toch was de groote Boeddha zelf, die deze gestalte had aangenomen om de arme Pundari te bekeeren.
"Daar is een schoonheid, die gelijkt op een fraaie kruik met vuil gevuld: een schoonheid die aan oogen, neus, mond, lichaam toebehoort. Het is die vrouwelijke schoonheid, welke leed brengt, huisgezinnen verdeelt, kinderen doodt".
Deze woorden voorzeker, door den Meester bij een andere gelegenheid geuit, geven den zin weder van dit verhaal en drukken den geest des Meesters uit.
Wij zagen reeds dat deze noch aan offers, noch aan zelfkastijding waarde hechtte, daar dit de weg niet kon zijn om verlost te worden van het lijden.
Daartegenover legde hij allen nadruk op het streven van den mensch zelf. "Werk uws zelfs zaligheid" dat kan een spreuk wezen van Boeddha evengoed als "In eigen hand ligt eigen lot." Een en ander leert hij dan ook uitdrukkelijk, geen uitwendige ceremoniën kunnen baten, geen geloof of gebed kan het doen, zelf moet de mensch den weg bewandelen tot het heil. "Ook de Tathagatha's zijn enkel predikers, zelf moet gij een poging doen." [61]
Nauw in verband met deze meer verhevene opvatting van het heil staat zijne erkenning van de onafwendbare gevolgen die het kwaad heeft op des menschen persoonlijkheid zelve: slechts onze tijd heeft hem hierin geëvenaard. Wel leert Boeddha geen eeuwige straf: ook aan Devadatta, den Judas van het Boeddhisme wordt vergiffenis geschonken, doch, Boeddha kan de gevolgen van zijn booze daden niet wegnemen, deze moeten langzamerhand worden opgeheven in de zuiveringsprocessen van het hiernamaals. Boeddha kent niet de theorie dat een dwaze dweeper op zijn sterfbed eensklaps de rijke liefde en de verheven kennis van een engel zou deelachtig worden. In een volgend leven komt iemand juist in zulk een toestand van geest en gemoed, als die waarin hij voordezen verkeerde, anders is zijn persoonlijkheid verwoest. Dat noemt men de wet der gerechtigheid (Karma).
Deze leer van Boeddha is grillig verdraaid door sommigen van zijn volgelingen, doch zijn eigen woorden zijn snijdend klaar:
"Een fout, welke men bedreven heeft is als melk, die niet op ééns zuur wordt. Langzaam en zachtkens, als vuur onder de asch zal zij den dwaas verderven. Beide een goede en een slechte daad moeten rijp worden en hunne onvermijdelijke vruchten voortbrengen. [62]"
Hoe Boeddha dit meent, heeft hij aangewezen in een schoone gelijkenis. Daarin worden de gevolgen van het kwaad afgebeeld als een ijzeren vesting der kwelling en de zonden als schoone vrouwen, die den mensch naar dezen zijnen ondergang lokken.
Alles in dit verhaal doet bij den eersten aanblik denken aan een tooversprookje uit de Duizend en Een Nacht (trouwens we zien dikwijls diepe waarheden in zulk een poëtischen vorm gehuld door de Indiërs), koel wuiven de palmen van een schoon eiland en in een heerlijk paleis wordt de slechte zoon, die naar goud zoekt, door vrouwen van bovenaardsche bekoorlijkheid bewaaierd. Hij heeft gesmaakt de onwaardige genietingen van Kamaloça (de lagere wereld) en geniet ze voor een tijd. Van eiland tot eiland gaat de reiziger voort, ieder volgend eiland is schooner dan het vorige, maar ieder is weer dichter bij de stad der boete, de stad met ijzeren muren. Doch: die hem daarheen drijft is geen Ahriman, geen duivel: neen, de wet van oorzaak en gevolg drijft hem voort. Evenwel: daar is geen duivel, dien Boeddha niet kan verzachten, zelfs tot in de hel Avichi is er geen schuilhoek, waar zijn groote liefde niet kan doordringen.
Elk, zoo laat Edwin Arnold [63], den Boeddha zeggen, en wij nemen die woorden over omdat zij zoo goed zijn geest uitdrukken:
Elk heerscht in eigen kring, zoo mensch als God, Want al wat leeft, daarboven, hier omlaag, 't Zij groot of klein, schept door zijn eigen dâan Zijn lot, zijn lust, zijn plaag.
Wat was, bepaalt wat is of worden zal, Het beet're, 't mind're, ontwikkeling, nieuw begin... In blijde heem'len oogsten d'englen 't loon, Van eed'le daden in;
In d'onderwereld dragen duiv'len 't pak Van vroeger boos bedrijf. Het goede, 't kwaad, 't Wordt alles door den tijdstroom meegevoerd, Niets blijft in d'eigen staat.
en zegt hij later van die wet der gerechtigheid, (Karma): [64]
Zoo dwingt haar wet ons tot gerechtigheid. Niet één kan haar weerstaan. Volgt haar gedwee, Liefde is haar innigst wezen en het doel, Dat zij beoogt: Volmaking, Rust en Vrêe.
Liefde is haar innigst wezen. Zij was ook het innigst wezen van den Boeddha. Al zien wij in zijn persoon niet dat gemoedsleven dat een Jezus kenmerkt, toch vervult ons de gestalte van dien koningszoon, die alle aardsche banden breekt om der menschheid het heil te prediken, die vol is van medelijden, met diepen eerbied en wij kunnen ons begrijpen dat zijn volgelingen zeiden dat hij was "God, geopenbaard in de gestalte van barmhartigheid."
Wij kunnen ons niet voorstellen dat zijn beeld, ons zoo treffend geteekend, slechts een mythe zou zijn: er moet een verheven karakter zijn geweest om denkbeelden te verkondigen, die zoo ver waren verheven boven zijn tijd.
Nooit verandert zijn verheven welwillendheid. Hij bekeert de verdorvenste zondaars. Hij spreekt tot de dochters der zonde. Als hij de aarde bezoekt is het licht tot in de diepste der hellen, hij maakt duivelen en goede menschen beide gelukkig. Een dwaas beleedigt hem. "Mijn zoon" antwoordt hij "beleediging tegen den hemel is als speeksel, dat men tegen het uitspansel richt: het keert terug op wie het uitwerpt."
"Een Tathagatha," zegt hij tot zijne leerlingen, "kan door slechte daden en beleedigingen niet worden vertoornd: deze kunnen alleen zijn barmhartigheid en liefde verdubbelen."
Bedenken wij nu daarbij dat het beginsel der vergelding (oog om oog, tand om tand) de politiestok was voor de maatschappij van die dagen, dat oorlog, plundering en wraak aan geheele kringen eigen waren als dagelijksch bedrijf en broodwinning, hoe verheven klinken ons dan tegen woorden als deze:
"Slechts door liefde bedwingen wij wrok. Door goed alleen overwinnen wij kwaad. De heele wereld vreest geweld. Alle menschen beven in tegenwoordigheid van den dood. Doe aan anderen wat gij wilt dat zij u zouden doen. Dood niet. Veroorzaak geen dood.
"Zeg geen harde woorden tot uw buurman. Hij toch zal u antwoorden in denzelfden toon.
"Zij die zeggen: "Ik ben verongelijkt en uitgetart, ik ben geslagen en geplunderd" zullen nooit ophouden te haten.
"Wat de haat in de wereld kan doen ophouden is niet de haat, maar de afwezigheid van haat.
"Als gij--evenals een trompet, die in den krijg is vertreden--geen klagelijk geluid meer voortbrengt, dan hebt gij Nirvana bereikt.
"Stil zal ik misbruik verduren evenals de strijd-olifant de pijl van den schutter ontvangt.
"De mensch, die ontwaakt is, gaat niet op wraak uit, maar vergeldt met vriendelijkheid zelfs wie hem onrecht doet: evenals de sandelboom zijn geur nog meedeelt aan de bijl van den houthakker, die hem velt."
Hebben deze schoone uitspraken vooral betrekking op het kwaad met goed vergelden, de volgende die zich op verschillend gebied bewegen zijn niet minder merkwaardig.
"De zwanen gaan op het pad der zon. Zij gaan door de lucht, dank zij hun wonderbare macht. Zoo gaan de wijzen deze wereld uit, als zij Mara en diens gezelschap hebben overwonnen.
"Niet door uitwendige daden is men een (waar) asceet (Samana).
"Niet de tonsuur maakt van den onopgevoeden mensch een Samana.
"Geen regenbui van goudstukken kan de lust ooit voldoen.
"Een mensch is geen Bhikshu alleen omdat hij aalmoezen vroeg, geen Muni [65] omdat hij stilzwijgt. Niet door discipline en geloften, niet door groote geestelijke kennis, niet door alleen te slapen, niet door heilige inspiratie, kan ik die vrijheid verkrijgen, welke geen wereldling kent. De ware Samana is hij, die alle kwaad ter rust heeft gebracht. Indien een mensch in den strijd duizend maal duizend man overwint en een ander overwint zichzelf, dan is de laatste de grootste overwinnaar.
"Weinigen zijn er die aankomen aan de overzijde, de meesten loopen langs den oever heen en weer.
"Laat de dwaas verlangen naar een waardelooze reputatie, naar voorrang onder de Bhikshu's, naar heerschappij in de kloosters, naar vereering door andere menschen.
"Een bovennatuurlijk persoon wordt niet gemakkelijk gevonden. Hij wordt niet overal geboren. Het ras, waaronder zulk een wijze geboren wordt, bloeit.
"Roep mij niet uit op den weg alsof ik de god Brahma was. [66] Godsdienst is niets anders dan het vermogen om lief te hebben.
"Het huis van Brahma is waar kinderen gehoorzamen aan hun ouders.
"Schoonheid en rijkdom zijn als een mes, met honig besmeerd. Het kind zuigt er aan en wondt zich. [67]"
Zoo vormen de woorden en daden van Boeddha een schoon geheel, zooals hij leerde, zoo leefde hij. En zooals hij leefde, zoo stierf hij ook.
Achttien mijlen oostwaarts van Kapilavastu is thans een nederig dorp, geheeten: Matha Kuär (de doode prins). Waarom die naam? Hwen Thsang, de Chineesche pelgrim, die in de 4de eeuw Indië bezocht, kan het ons vertellen. Daar was in zijne dagen een "doode prins" van marmer, rustende onder een prachtig tempeldak (canopy), waarvan nog ruïnen zijn overgebleven. Op de plaats van dien tempel stonden 477 jaar voor Christus eenige boomen waaronder toen, in doodslaap verstijfd, de "beste vriend der wereld" rustte, zooals de Indiërs hem noemden. Hooren wij, wat een in hoofdzaak betrouwbaar verhaal ons van zijn dood meldt.
Boeddha gaat van Rajagriha, de hoofdstad van Magadha-land het noorden in. Hij gaat den Ganges over, waar toen juist de toekomstige hoofdstad van Indië, de koningstad Pataliputta werd gebouwd. Hij ziet in den geest de toekomstige grootheid dier stad en voorspelt deze aan zijn jongeren.
In het dorp Beluva nabij Vaisali wil hij zijn leerlingen laten heengaan om daar in stille eenzaamheid den regentijd door te brengen. Doch daar grijpt een smartelijke krankheid hem aan: den dood erkent hij als nabij. Nu denkt hij aan zijne jongeren: hij wil Nirvana niet ingaan voor hij tot hen gesproken heeft. Alzoo bedwingt hij zijne krankheid en houdt het leven vast. Hij staat op, gaat uit het huis en zet zich voor de deur op de plaats, die men hem bereid heeft. Ananda spreekt dan tot hem: "Ik zie, Heer, dat de verhevene beter is en het hem minder moeielijk valt. Mij, Heer, hadden de krachten verlaten, ik duizelde, de gedachten vloden heen door de ziekte van den verhevene. Doch een troost had ik, Heer, de verhevene zou niet in het Nirvana ingaan, voor hij zijn wil omtrent de gemeente den jongeren verkondigd heeft."
"Wat begeert de gemeente der jongeren van mij, Ananda? Ik heb de leer verkondigd en geen verschil gemaakt tusschen binnen en buiten. Hij die zegt: "Ik wil heerschen over de gemeente" of "laat de gemeente mij onderworpen zijn," hij moge Ananda, zijn wil verklaren in de gemeente... De voleindigde evenwel zegt niet: "Ik wil over de gemeente heerschen." Ik ben nu afgeleefd, bejaard, een oud man, die zijn reis heeft volbracht. Tachtig jaar ben ik oud--Wees gij, Ananda, uw eigen licht, uw eigen toevlucht. Zoek geen andere toevlucht. Wie nu, Ananda, of na mijn verscheiden, zijn eigen licht zal zijn, zijn eigen toevlucht en geen andere toevlucht zal zoeken, hij zal voortaan mijn ware discipel zijn, die het rechte pad bewandelt."
Boeddha laat des avonds alle monniken, die nabij Vaisali wonen samenroepen en wijst hen nog eenmaal op de kennis des heils, die hij hun predikte, opdat zij daarnaar zouden wandelen en die zouden vermeerderen en dan laat hij volgen: "Welaan monniken, ik zeg u, al het aardsche is der vergankelijkheid onderworpen, worstelt zonder ophouden. Over een kleinen tijd breekt het Nirvana van den voleindigde aan, nu over drie maanden zal hij in het Nirvana ingaan."
En, ging hij voort:
"Mijn aanzijn rijpt voor 't eind, na is mijns levens doel. 'k Ga heen: Gij blijft nog hier: het oord der toevlucht wacht, weest waakzaam steeds, en heilig zij uw wandel. Bewaart met kloeken moed, o jong'ren, uwen geest.
"Die zonder wank'len steeds het woord der waarheid volgen.
"Zij komen tot het doel, geboort, en dood voorbij."
Den volgenden dag doet Boeddha nog eenmaal zijn bedelgang door Vaisali: ziet voor de laatste maal op de stad terug en begeeft zich met vele jongeren op weg naar Kusinara, om daar het Nirvana in te gaan.
Te Pava--onderweg--overvalt hem de krankheid, die aan zijn leven een einde zal maken.--Cunda--zoo verhaalt het oude bericht naïef tusschen de afscheidsgesprekken van den verlichte door--Cunda, de zoon van een goudsmid te Pava zette den verhevene zwijnenvleesch voor, ten gevolge waarvan hij ziek werd. Moede ging de meester verder, hij baadde zich in de rivier en dronk een weinig. Na eenige rust kwam hij te Kusinara. Daar moest Ananda hem tusschen twee boomen een rustplaats bereiden, waarop hij het moede hoofd nederlegde.
Het was niet de tijd dat de Salaboomen bloeiden, doch deze beide waren van onder tot boven met bloesems bedekt.
Toen sprak de verhevene tot Ananda: "Geheel met bloemen bedekt, hoewel het de bloeitijd niet is, zijn de beide tweelingsboomen: hun bloesems vallen in menigte op het lichaam van den voleindigde: hemelsche melodieën weerklinken in de lucht om hem te eeren.
"Doch den Voleindigde, Ananda, komt een andere eer toe, een andere verheerlijking, prijs, vereering, eerbied. Ieder monnik Ananda, en iedere non en iedere leek en leekenzuster, die in het groote en in het kleine in de waarheid leeft en naar de wet leeft en ook in het kleine naar de waarheid wandelt: zij zijn het die den voleindigde brengen de hoogste eer, verheerlijking, prijs en vereering. Daarom, Ananda, moet gij u oefenen en steeds bedenken: wij willen in het groote en het kleine naar de waarheid leven, wij willen naar de wet leven en ook in het kleine in de waarheid wandelen."
Weenend ging Ananda het nabijzijnde huis binnen en sprak: "Ik ben van zonden nog niet vrij, ik heb het doel nog niet bereikt, en mijn meester, die zich mijner erbarmde, zal in het Nirvana ingaan."
Toen zond Boeddha een der leerlingen tot hem: "Ga heen, leerling, en spreek uit mijn naam tot Ananda: de Meester wil met u spreken, Ananda." Toen ging Ananda tot den Meester, boog zich en nam aan zijne zijde plaats. Boeddha echter sprak: "Niet alzoo, Ananda, klaag niet, jammer niet. Heb ik u niet van te voren gezegd, Ananda, dat men scheiden moet van alles wat men liefheeft en waarin men zich verheugt? Hoe ware het mogelijk, Ananda, dat niet zou vergaan datgene wat geboren, geworden, gemaakt, der vergankelijkheid onderworpen is? Dat gaat toch niet. Gij echter Ananda, hebt langen tijd den Voleindigde geëerd, in liefde en goedheid, met vreugde zonder valschheid, zonder einde: in gedachten, woorden en werken. Gij hebt goed gedaan Ananda, ga voort, weldra zult gij van zonden vrij zijn."
Toen de nacht aanbrak stroomden de edelen van Kusinara met vrouwen en kinderen naar het bosch om voor het laatst den stervenden meester hunne vereering te brengen.
Subhadra, een andersgezind asceet, die gekomen was om met hem te spreken bekeerde zich tot hem als de laatste der geloovigen, die den Meester zelven aanschouwden.
Kort voor zijn heengaan sprak Boeddha nog tot Ananda: "Wellicht, Ananda, zult gij denken; het woord heeft zijn meester verloren, wij hebben geen meester meer. Zoo moet gij niet denken, Ananda. De leer, Ananda, en de orde, die ik u geleerd en verkondigd heb, dat is uw meester, als ik ben heengegaan."