De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 7
Zoo maakte dus het geestelijk gewaad allen gelijk. Toch waren het meest de aanzienlijken, die zich onder Boeddha's jongeren lieten opnemen; telkens wordt in de oude teksten gesproken van "de zonen van edele geslachten," die hun huis verlaten om zonder tehuis rond te zwerven. Onder Boeddha's leerlingen waren jonge Brahmanen als Sariputta, Mogallana, Kaccana, adellijken als Ananda, Rahula, Amuruddha, zonen van groote kooplieden en aanzienlijke beambten, in een woord meest personen, die een zorgvuldige opvoeding hadden ontvangen. Dit kan ons niet verwonderen als wij in aanmerking nemen dat ook in onze dagen in 't algemeen een beschouwing van het leven als lijden en kwelling veel meer aantrekkelijks heeft voor de aanzienlijken dan voor de eenvoudigen, die ondanks al hun ontbering in den grond der zaak toch geneigd zijn en blijven het leven als een heilgoed te beschouwen.
Voor de geringen des volks, de gestaalden in 's levens strijd was de verkondiging van het smartelijke van alle bestaan niet te vatten en was de leer van oorzaak en gevolg niet te begrijpen.
Toch, indien zij wilden toetreden, zij waren welkom. En, enkelen lieten zich opnemen in den kring. In de "Theragatha", (spreuken der oudsten), worden aan den "oudste" Sunita deze woorden in den mond gelegd: "Uit een onaanzienlijk geslacht ben ik voortgekomen, ik was arm en behoeftig. Nederig was het werk, mij opgelegd, de verwelkte bloemen opruimen (uit tempels en paleizen). Ik was door de menschen veracht, werd voor gering aangezien en gescholden. Deemoedig betuigde ik aan velen mijn eerbied.
"Daar aanschouwde ik Boeddha met zijn monniken, zooals hij daar heenging, de held, in de voorname stad van Magadha, mijn last wierp ik af om eerbiedig voor hem te buigen. Uit erbarmen voor mij bleef hij staan, hij, de hoogste onder de mannen. Toen boog ik mij tot aan de voeten des meesters, trad aan zijn zijde en verzocht hem, den hoogste onder alle wezens, mij als monnik aan te nemen. Toen sprak de genaderijke meester, de erbarmer over de gansche wereld: "Kom tot mij, monnik," dat was de wijding, die ik ontving. (Sunita vertelt dan verder, hoe hij zich in het woud terugtrok en daar, in peinzen verzonken, de hoogste verlichting bereikte, zoodat de goden kwamen en hem vereerden.)
"Toen zag mij de meester, terwijl de goden mij omgaven en hij sprak deze woorden: "Door heiligen gloed en door kuischen wandel, door intooming en zelfbedwang, daardoor wordt men tot Brahmaan, dat is het hoogste Brahmanendom.""
M. a. w., geen caste stond als zoodanig nader bij het hoogste heil dan een andere: de verlichting kon aan allen ten deel vallen, kon ook verkregen worden door den geringste des volks. Evenals Paulus zeide: "in Christus is geen Jood noch Griek, geen slaaf noch vrije," zoo ook kon Boeddha zeggen: "in den kring der monniken is geen Sudra of Vaisya, geen Kshatrya of Brahmaan." Was daarom het Boeddhisme een soort democratische beweging? Wie dat meent, vergeet dat de ware volgelingen monniken waren, die de maatschappij de maatschappij lieten en wie het alleen te doen was om het hoogste heil te verwerven. Niet om de verdrukten los te maken uit de ketenen van het castewezen, maar om rijk en arm den weg te banen tot het hoogste heil, daarom was het bovenal te doen [46]. Doch, die dat hoogste heil gevonden hadden: zij vormden inderdaad een kring, waarin de oude grenzen waren weggewischt, al stonden ook hier, gelijk onvermijdelijk is, sommigen op den voorgrond.
Daareven noemden wij reeds Sariputta en Mogallana, die beiden reeds in den aanvang van Boeddha's werkzaamheid werden gewonnen door zijn prediking en die hem trouw volgden tot aan hun dood, welke kort voor dien des Meesters intrad. Maar vooral ook moeten wij noemen Boeddha's neef Ananda, tot wien de verhevene zijn laatste woorden sprak, den discipel, dien hij boven allen liefhad. Deze Ananda was het ook, die voor Boeddha's persoon en voor zijn levensonderhoud dagelijks waakte.
Een gansch andere rol heeft vervuld Devadatta, Ananda's broeder. Dit is de Judas van het Boeddhisme, die den Meester naar het leven stond. 't Schijnt dat deze leerling, door eerzucht gedreven, in plaats van den reeds vergrijsden meester zelf de leiding der gemeente in handen wilde hebben. Hij beproefde op allerlei wijze den verhevene uit den weg te ruimen. Doch vruchteloos; wonderen bewaren het leven des heiligen. Uitgezonden moordenaars worden, als zij Boeddha naderen, met vrees en beving geslagen; vriendelijk spreekt hij hen toe en zij bekeeren zich tot het geloof. Als een rotsblok Boeddha dreigt te verpletteren vangen twee bergspitsen het op: zoodat slechts zijn voet wordt gewond. Als een wilde olifant door een nauwe straat op den verlichte wordt losgelaten blijft hij, getroffen door de tooverkracht van dien "vriendelijken denker" eensklaps staan en wijkt terug.
Heeft Devadatta werkelijk den verhevene naar 't leven gestaan? Onwaarschijnlijk is 't niet, al bestaat de mogelijkheid dat men Devadatta, die hierin van den meester afweek, dat hij veel strengere ascetische eischen wilde stellen, ten onrechte dergelijke moordplannen heeft toegeschreven.
Wat die strengere ascese betreft, hij verlangde dat een monnik altijd in het woud zijn verblijf zou houden, terwijl Boeddha gaarne in de nabijheid van steden en dorpen vertoefde. Ook wilde hij dat een monnik slechts leven zou van wat hij op zijn rondgang verzamelde en geen uitnoodiging ter maaltijd van vrome leeken zou aannemen. Zijn gewaad, meende hij verder, mocht slechts uit opgeraapte lompen zijn samengenaaid, enz. Een tijdlang had dit streven eenig succes, doch straks leed het geheel en al schipbreuk. Eene legende verhaalt zelfs, dat Devadatta levend door de hel werd verslonden. Wij zagen boven reeds [47] dat volgens de "twaalf voorschriften" inderdaad eischen, als die welke Devadatta verlangde, aan Boeddha's volgelingen werden gesteld en de vraag komt bij ons op: Ligt er toch misschien in Devadatta iets van het oorspronkelijke Boeddhisme dat men later heeft trachten weg te werken en als ondermijning van het gezag des Meesters te doen beschouwen? Eén ding schijnt mij wel waarschijnlijk, namelijk, dat wij ons de eerste volgelingen van den Verlichte niet moeten voorstellen als rustig levend in hun viharas', [48] maar wel als zwervers, schamel gekleed, al kunnen wij niet aannemen, dat hun gewaad uit opgeraapte lompen moest gemaakt zijn, en evenmin dat zij niet ter maaltijd mochten gaan.
Voor deze opvatting pleit vooral het feit, dat zij, ook nog in de dagen van koning Açoka, die ongeveer tweehonderd jaar na Boeddha's dood leefde, niet als zwijgende monniken in kloosters leefden, maar onder boomen, en er hun eer in stelden om zooveel mogelijk de onbekeerden door hun woord tot bekeering te brengen.
De onbekeerden tot bekeering te brengen, dat geschiedde ook in de dagen van den verlichte zelf. Doch niet allen traden toe tot den kring der jongeren met zijn gestrenge eischen van kuischheid, armoede en gehoorzaamheid. Wij zagen dat er ook waren die, als koning Bimbisara [49] hun toevlucht namen bij Boeddha, Dharma, Sangha (de Verlichte, de Leer, de Gemeente), zonder hun maatschappelijk leven en hun huiselijk bestaan te veranderen. Zij werden de weldoeners en verzorgers der monniken; ook zij, als zij wandelden in eenvoud en in onderdrukking van aardsche hartstochten en begeerten, konden een stap nader komen tot het Nirvana, het hoogste heil. Zij waren voor de Boeddhisten wat Maria en Martha, wat een Nicodemus en Jozef van Arimathea waren voor Jezus en de zijnen. Ook waren zij van den aanvang af onmisbaar; hoe konden der wereld ontvloden monniken leven zonder arbeid, indien geen vrome vrienden en vriendinnen hen verzorgden van de nooddruft des levens?
Onder die leeken-vrienden waren ook vele vrouwen. Als een type dezer vrome vriendinnen kunnen wij beschouwen de voortreffelijke Visakha, wier beeld ons met zooveel liefde in de Boeddhistische overleveringen wordt geteekend. Zij was een rijke burgervrouw in Savatthi, de hoofdstad van het land Kosala: de moeder van bloeiende kinderen, de grootmoeder van vele zonen. Algemeen geëerd werd zij bij elken maaltijd, bij ieder feest genoodigd: haar werden steeds het eerst de spijzen aangeboden, zij werd beschouwd als een gast, die geluk aanbrengt.
In de Mahavagga vinden wij over haar het volgende verhaal, dat ons een aanschouwelijk beeld geeft en ons tevens doet zien, dat ook de Boeddhisten het woord verstonden: "het is zaliger te geven dan te ontvangen."
Op zekeren dag dan neemt Boeddha zijn maaltijd in het huis van Visakha. Na den maaltijd zet deze zich naast hem neer en zegt: "Acht wenschen verzoek ik van den verhevene." "De voleindigden, Visakha", luidt het antwoord, "zijn te verheven om iederen wensch te kunnen vervullen." "Doch wel wat geoorloofd is, Heer, en wat niet misprezen kan worden." "Zoo spreek, Visakha."
"Ik wensch, o heer, mijn leven lang de gemeente regengewaden te geven, vreemde monniken voedsel te reiken, doorreizende monniken te spijzigen, kranke broeders te eten te geven, ziekenverplegers te voeden, zieken medicijnen te geven, dagelijks rijstebrij te verdeelen en aan de nonnen badgewaden te schenken."
"Waarom vraagt gij, Visakha deze dingen aan den voleindigde?" Zij geeft daarop rekenschap, waarom zij aan deze wenschen zooveel waarde hecht.
O. a. zegt zij. "Een monnik die uit den vreemde komt, kent de wegen niet en loopt vermoeid rond om zijn aalmoezen in te zamelen. Heeft hij nu echter genoten, wat ik voor deze vreemdelingen bestemmen wil, dan kan hij eerst uitrusten en vervolgens, als hij uitgerust is, aalmoezen inzamelen. Dit doel, o heer, heb ik in het oog en daarom wil ik mijn leven lang de doortrekkende monniken voedsel geven.
"En wederom, heer, een doortrekkende monnik zal, als hij zelf zijn voedsel moet zoeken, achterblijven van zijn gezelschap of, waar hij rust wilde houden, zal hij moede door de straat gaan. Heeft hij echter de spijzen genoten, die ik aan de doortrekkende monniken wil schenken, dan zal hij niet achterblijven; waar hij rust wil houden zal hij op tijd aankomen en uitgerust zal hij door de straten gaan."
Zoo legt zij vervolgens het doel van al hare acht wenschen uit en de verlichte spreekt: "Edel, Visakha, edel handelt gij, dat gij, naar dezen prijs trachtend, den voleindigde bidt om vervulling uwer wenschen. Ik sta u, Visakha, uwe acht wenschen toe."
En dan prijst hij haar met de volgende woorden:
Die spijs en drank verleent, van eed'le blijdschap vol. Des heil'gen leerling, rijk aan deugden, Die zonder afgunst gaven schenkt om 't hemelsch loon, Die smarten stilt, die vreugde steeds verspreidt, Verkrijgt des hemels heerlijk lot. Zij wandelt voort op 't pad des lichts, 't gepreez'ne. Van smarten vrij geniet zij langen tijd, Het heerlijk loon der goede daad in 't zalig hemelrijk.
In deze Visakha vonden wij een type van vrouwen die, zooals het in het N. Testament zou heeten "den Heer dienden van hare goederen." [50]
Overigens moeten wij niet meenen dat Boeddha de vrouwen hoog stelde, al is b.v. in het Boeddhistische Birma de praktijk beter dan de theorie. Neen, eene van de leerstukken van het Boeddhisme is dat de vrouw, voor zij tot het hoogste heil kan geraken, altijd weer eerst als man in de wereld moet komen.
Toch werd de vrouw in oud-Indië geëerd. De afsluiting der vrouw van het maatschappelijk leven, door latere zeden gewettigd, was ook in het oude Indië niet zoo sterk. Integendeel, de vrouwen namen deel aan het geestelijk leven van hun volk: de edelste dichters toonen ons dat het oude Indië de waarde der vrouw gevoelde en haar bewonderde en eerde.
Boeddha echter vond de vrouwen een gevaar: in haar waren verpersoonlijkt alle machten der verleiding, die den geest binden aan deze wereld. "Ondoorgrondelijk" zoo leert de moraal van een oude vertelling, "verborgen, als de weg van den visch in het water, zoo is het wezen der vrouwen, der uitgeslapen rooverinnen, bij wie de waarheid moeilijk is te vinden, voor wie de leugen is als de waarheid en de waarheid als de leugen."
En wat dunkt u van het volgende gesprek van Boeddha en Ananda? De laatste vraagt: "Hoe zullen wij ons tegenover eene vrouw gedragen?" "Haar aanblik vermijden, Ananda". "Maar als wij haar toch zien, wat moeten wij dan doen?" "Niet tot haar spreken, Ananda." "En als wij toch tot haar spreken, wat dan?" "Dan moet gij over uzelven waakzaam zijn, Ananda." Boeddha ging er dan ook slechts noode--na herhaald aandringen zijner pleegmoeder [51]--toe over om vrouwen als zijne leerlingen in de orde op te nemen, en gaf tegen Ananda te kennen, dat het heilige leven en de heilige leer zonder vrouwen 1000 jaar, met haar slechts 500 jaar zou kunnen bestaan.
Zoo was Boeddha's geest: en de nonnen stonden ook altijd bij de monniken ten achter, zij werden geduld, veel meer ook niet. Merkwaardig is het dat ook in den tegenwoordigen tijd tegenover tallooze Boeddhistische monniken in Birma--ieder heeft daar zijn klooster--slechts weinige nonnen worden gevonden. En wel, omdat blijkbaar dat strenge en koude haar niet aantrekt. Een vrouw, zegt de Boeddhist in Birma ook nog heden, begrijpt het zoo niet. 't Kan ons niet verwonderen als wij bedenken dat er zoo weinig gemoedelijks in dezen godsdienst is, hoe hoog hij overigens moge staan.
Hebben wij stilgestaan bij Boeddha's vrienden, wij vragen thans, met welke vijanden had hij te strijden? Allereerst met de priesterlijke Brahmanen, wier instellingen en positie in strijd waren met zijn beginselen en die hij geenszins ontzag.
Openlijk sprak toch de Verlichte het uit, dat hij aan offers geen waarde hechtte, ja, dat de deugd der Ahinsa (eerbied voor het leven) het dooden van dieren verbood. Onomwonden kwam hij op tegen den waan dat de Brahmaan als zoodanig nader zou staan bij het hoogste heil: het achtvoudige pad, dat naar Nirvana leidde, stond voor iedereen open.
Niet minder verhief hij zich tegen het zweren bij schriftgeleerdheid, tegen de meening als ware het genoeg de woorden van de Veda's in het hoofd te hebben. "Wie," zeide Boeddha, "de liederen en spreuken der oude wijzen nabidt en zich dan zelf een wijze dunkt, die is even als een slaaf of gering mensch, die zich op de plaats stelt, waar de koning tot zijn gevolg sprak, dezelfde woorden bezigt en zich nu ook een koning dunkt." [52] De scholier gelooft wat de meester gelooft, de meester wat hij van vroegere meesters ontvangen heeft.
We zien hierin hoe hij het autoriteitsgeloof verwierp. Hoe hij over het offer dacht, daarvan hebben wij een merkwaardig verhaal, dat aldus luidt:
Boeddha had eens een gesprek met een aanzienlijk Brahmaan, die hem vroeg wat de eigenschappen waren van een goed offer. Als antwoord verhaalt Boeddha dan de geschiedenis van een wijs en gelukkig koning uit oude dagen, die, na vele overwinningen te hebben behaald en de heele wereld te hebben veroverd, het besluit nam een groot offer aan de goden te brengen. Hij liet zijn huispriester komen en vroeg dezen hoe hij zijn voornemen het geschiktst zou volvoeren.
De priester vermaande hem, om vóór zijn offer te brengen eerst in zijn rijk rust, welstand en veiligheid te doen wonen. Hij gaat dus niet tot het offeren over, voor hij alle schade heeft hersteld. En bij zijn offer verwoest men geen levens van bezielde wezens, geen rund of schaap wordt geslacht. De dienaren des konings doen hun werk bij het offer niet onder tranen en door dwang: vreezend voor den stok der opzieners: ieder doet vrijwillig, wat zijn eigen hart hem ingeeft. Melk, olie en honig worden aangebracht en zoo wordt het offer des konings der godheid geboden.
Er is echter, zegt Boeddha, nog een hooger en gezegender offer, ook gemakkelijk te brengen: als men gaven schenkt aan vrome monniken, woonplaatsen verschaft aan Boeddha en zijn gemeente.
En nog hooger offer is het: als men met een geloovig hart bij Boeddha, bij de leer en bij de gemeente (Boeddha, Dharma, Sangha) zijn toevlucht neemt, als men geen wezen van het leven berooft, leugens en bedrog verre van zich houdt.
Nog hooger offer is het, als men als monnik van vreugde en leed beide afscheid neemt en in heilige rust peinzend zich verdiept.
Het hoogste offer dat een mensch kan brengen en tevens de grootste zegen, die hij kan verwerven is echter: als hij de verlossing bereikt en de zekerheid krijgt: ik zal niet weer tot deze wereld terugkeeren. Dat is de hoogste voleindiging van alles wat offer heet.
De Brahmaan, die zelf een groot offer had willen brengen en honderde dieren daarvoor in gereedheid hield, nam geloovig deze prediking aan en sprak: "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha, bij de leer en bij de gemeente." "De dieren", zoo sprak hij, "laat ik vrij, mogen zij het groene gras genieten, koel water drinken, moge de frissche wind hen omzweven."
Nam Boeddha het op tegen het brengen van offers, misprees hij den castengeest en het gezagsgeloof, niet minder stond hij tegenover vele asceten, die in eindelooze zelfkwelling en zelfkastijding den weg des heils meenden te bereiken. Hij immers wist uit eigen smartelijke ervaring dat zichzelf te kwellen vruchteloos was. Hem was het geworden tot een heilige zekerheid, dat geen vasten de aardschgezinde gedachten of hartstochten doet verdwijnen.
Neen, het werken aan opbouwing van zijn geestelijk leven, het trachten naar kennis, dat is het, wat de overwinning geeft en de kracht tot dezen goeden strijd vindt men in een leven, dat even ver verwijderd is van weelde als van ontbering en zichzelf opgelegde smart. Zoo waren de gedachten van Boeddha, die tegenover de ziekelijke afdwalingen van het Indische ascetisme op den naam van gezonde opvattingen mogen aanspraak maken.
Boeddha staat hier tegenover zijn tijdgenooten als de man van praktijk en gezond verstand. Moeten wij dat echter zoo verstaan, dat hij feitelijk alle geloof aan God en een hooger leven als bijgeloof verwierp? Sommigen oordeelen zoo en geven ons van Boeddha een beeld als van een godloochenaar of minstens een positivist uit langvervlogen dagen. Feitelijk, zoo roepen zij ons toe, geloofde Boeddha aan geen God en geen volgend leven. Zijn Nirvana, het einddoel, was eigenlijk het ophouden van alle bestaan, zijn God was slechts de eeuwige wet van oorzaak en gevolg, waarvan alleen 't Nirvana verlost.
Wij zullen wellicht later nog uitvoeriger op deze belangrijke punten terug komen. Nu merken wij alvast op: 1e dat het Boeddhistische geschrift, Brahmajala sutta geheeten, waarin vooral Boeddha als een soort scepticus optreedt, door vele bevoegde beoordeelaars niet gerekend wordt tot de geschriften van het oorspronkelijk Boeddhisme, maar van de zoogenaamde Mahayana, (de groote overtocht) een latere ontwikkeling (of verbastering?) van Boeddha's leer, en dat er een sterk en welgegrond vermoeden bestaat, dat de invloed der Mahayana bij meer geschriften, die een gelijken indruk van Boeddha ons geven, is in het spel geweest.
2e. dat wij zeer eigenaardige episoden uit Boeddha's leven bezitten, waarin een gansch andere geest doorstraalt, en waaruit wij de conclusie trekken, dat Boeddha met dat komen tot de verlossing, dat hij, zooals wij daareven zagen aanprijst als het hoogste offer, niet bedoelt een verlost worden van het bestaan, maar het verheven zijn boven het koortsachtige, rustelooze, dat het zoeken van het eigen ik aan 't leven geeft, een zijn, dat zoo verheven is, dat ook Boeddha zich aan geen beschrijving waagt, en dat hij het niet vergeleken wil hebben met leven in den meer gewonen zin des woords. Willen wij trouwens voor het woord Nirvana een Nederlandsch gewaad zoeken, dan moeten wij bedenken dat het staat, geenszins tegenover leven, maar tegenover dorst (trishna) tegenover het begeeren, dat altijd weer de ziel verteert en onrustig maakt. En dan drukt het woord dat F. Ortt [53] er voor geeft "de groote vrede", het best Boeddha's gedachten uit.
Doch laten wij tot bevestiging van onze opvatting Boeddha's getuigenis zelve hooren. Boeddha dan verklaart zekeren asceet en philosoof Makkhali Gosala voor den ergsten aller dwaalleeraars. [54]
Wat nu leerde deze? O. a. dat de mensch geen vrijen wil had. Hij zeide namelijk: "Er is geen macht (om te handelen), er is geen kracht, de mensch heeft geen invloed, alle wezens, alles wat ademt, al wat is, al wat leeft is onmachtig, machteloos, krachteloos, door toeval, door leiding, door natuur wordt het naar zijn doel gevoerd."
"Ieder wezen," leerde deze leeraar verder, "maakt een bepaald aantal wedergeboorten door, aan wier slot zoowel de dwaas als de wijze het einde des lijdens bereikt."
Had Boeddha zóó over diens leer kunnen spreken als hij zelf een verkapt loochenaar van God en een hoogere wereld was geweest? Immers neen. En wat dunkt u, lezer, van de volgende gelijkenis van den verhevene?
Eens, zoo sprak Boeddha, was daar een blind geboren man, die zeide: "Ik kan niet gelooven in een wereld van verschijnselen. Kleuren die helder of dof zijn bestaan niet. Daar is geen zon, geen maan, geen sterren. Niemand heeft daarvan goede getuigenis." Zijn vrienden beknorden hem, doch hij herhaalde dezelfde woorden.
In die dagen was daar een Rishi, die het "innerlijk gezicht" had, hij ontdekte op de helling van de Himalaya vier kruiden, die de macht hadden om den man, die blind geboren was te genezen. Hij zocht die op, bereidde ze met zijn tanden en diende ze toe. Eensklaps riep de blindgeborene: "Ik zie kleuren en verschijnselen. Ik zie schoone boomen en bloemen. Ik zie de heldere zon. Niemand heeft ooit te voren zoo iets aanschouwd."
Daarop kwam er een heilig man tot den blind geboorne en sprak tot hem: "Gij zijt ijdel en trotsch en bijna even blind als voorheen. Gij ziet de buitenzijde der dingen, niet de binnenzijde. Hij, wiens bovennatuurlijke zintuigen zijn ontwaakt ziet de lazuren velden van de Boeddha's van het verleden, hij hoort hemelsche geluiden op vijf yogana's afstand. Ga naar een woestijn, of een woud, of een hol in de bergen en overwin uw dorst naar aardsche dingen."
De blindgeboorne gehoorzaamde en de parabel eindigt met deze uitlegging: "Boeddha is de oude Rishi, de vier kruiden zijn de vier groote waarheden." [55] Hij brengt de menschen van het lager leven af en opent de oogen der blinden.
Wij zien duidelijk hieruit, dat ook het mystieke--trouwens wij mogen hier, gelet op wat de wetenschap in onze dagen leert over telepathie, clairvoyance enz. en op wat getuigenissen uit alle eeuwen bevestigen, van gezonde mystiek spreken--bij Boeddha geenszins ontbrak en dat het doel dat hij zich met zijn leerlingen voorstelde geen ander was dan hen van het aardsche los te maken en tot het hooger leven te brengen. In dat denkbeeld worden wij bevestigd door de Samana Phala Sutta. [56] Daar leert Boeddha ongeveer het volgende:
"De mensch heeft een lichaam, saamgesteld uit de vier elementen.
"Dit lichaam is de vrucht van de vereeniging van zijn vader en van zijn moeder. Het wordt gevoed met rijst en meelpap en kan worden verminkt, gekruisigd, vernietigd. In dit vergankelijk lichaam is des menschen verstand geketend. De asceet, zichzelf dus opgesloten gevoelend, richt zijn geest op het scheppen van een vrijer hulsel.