De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 6

Chapter 63,793 wordsPublic domain

Als zij dan vervolgens hun twijfel te kennen gaven hoe Gautama, nadat hij door strengheid en zelfkastijding de volle heerlijkheid van het weten en zien van het heilige niet kon bereiken, nu de bovenmenschelijke volkomenheid, de volle heerlijkheid van weten en erkennen van het heilige zou bereikt hebben bij een leven van overvloed, antwoordt de verhevene als volgt:

"De Tathagata, [29] o monniken, leeft niet in overvloed, hij heeft zijn streven niet opgegeven en zich tot den overvloed gekeerd. De Tathagata, monniken, is de heilige, hoogste Boeddha. Doet uwe ooren open, o monniken, de verlossing van den dood is gevonden, ik onderwijs u, ik predik de leer. Als gij overeenkomstig mijn onderwijzing wandelt, zal u binnen een kleinen tijd ten deel vallen de hoogste voleindiging van een heilig streven: dat waarom edele jongelingen hun huis verlaten, om zonder huis te leven; nog in dit leven zult gij de waarheid zelve erkennen en haar zien van aangezicht tot aangezicht."

En, als de verhevene deze redenen nog een paar malen heeft herhaald, dan vraagt hij aan de monniken: "Erkent gij niet, o monniken, dat ik vroeger nooit zoo tot u gesproken heb?" "Dat hebt gij niet, heer." Na antwoord en wederantwoord leert dan de verlichte aldus:

"Twee wegen zijn er, o monniken, waarvan verre moet blijven, die een geestelijk leven wil leiden. Welke beide wegen zijn dat? De eene weg is een leven van genietingen, overgegeven aan lust en genot, dat is min, onedel, ongeestelijk, onwaardig, nietsbeteekenend. De andere weg is een leven van zelfpijniging, dat is droevig, onwaardig, nietsbeteekenend. Van beide deze wegen, o monniken, is de voleindigde ver; hij heeft den weg van het midden leeren kennen, den weg, die het oog opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvana [30] leidt. En welke, o monniken, is deze weg van het midden, dien de Tathagata heeft erkend, die, welke het oog opent en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvana voert? Het is het heilige achtvoudige pad, dat wil zeggen: goed inzien, (vrij van wangeloof); goed bedoelen, (verheven, den ernstigen man waardig); goed spreken, (vriendelijk, openhartig, waar); goed handelen, (vreedzaam, eerlijk zijn); goed leven, (zonder een levend wezen te deren); goed streven, (door zichzelf in tucht te houden); goed gedenken, (waakzaamheid des geestes); goed bespiegelen, (zich verdiepen in de mysteriën des levens). Dit, o monniken, is de weg van het midden, dien de voleindigde heeft erkend, die het oog en den geest opent, die tot rust, tot inzicht, tot verlichting, tot Nirvana voert."

Wat nu is het dat tot het betreden van dit achtvoudig pad moet dringen? De verlichte wijst zijn vroegere leerlingen op vier heilige waarheden: het lijden, de oorzaak van het lijden, de opheffing van het lijden, de weg tot de opheffing van het lijden.

"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het lijden: geboorte is lijden, ouderdom is lijden, dood is lijden, met wat men niet liefheeft vereenigd te zijn is lijden, van wat men liefheeft gescheiden te zijn is lijden, niet verkrijgen wat men begeert is lijden: in één woord, de vijfvoudige [31] gehechtheid is lijden.

"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van het ontstaan des lijdens: de dorst [32] is het, die van wedergeboorte tot wedergeboorte voert, namelijk de dorst naar lust, naar worden, naar ontstaan [33], naar macht.

"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van de opheffing van het lijden: dien dorst opheffen door geheele vernietiging der begeerte; hem varen laten, zich van hem ontdoen, zich van hem losmaken, hem geen plaats geven.

"Dit, o monniken, is de heilige waarheid van den weg tot opheffing van het lijden: het is het heilige achtvoudige pad; d. i. goed inzien (enz.)

"Zoolang ik, o monniken, van deze vier heilige waarheden deze ware erkentenis niet had, zoolang wist ik ook dat ik nog niet in deze wereld en in die der goden, benevens in de wereld van Brahma en die van Mara, onder alle wezens, onder asceten en Brahmanen, onder goden en menschen, de hoogste verlichting bereikt had. Doch nu heb ik die verlichting gevonden èn: onverliesbaar is de verlossing van mijn geest, dit is mijn laatste geboorte, voor mij komen er geen nieuwe geboorten meer."

Ziehier de bekende prediking van Benares. Al moge zij wellicht niet letterlijk weergeven wat de Meester zelf heeft gesproken, toch vinden wij hier de grondlijnen van het oorspronkelijk Boeddhisme. De verlossing van het lijden te bereiken door alle begeerte af te sterven, zoodat men geen wedergeboorte meer noodig heeft, ziedaar het hoofdpunt, waar het op aankomt. Zoolang de mensch lusten en begeerten voedt, zoolang werkt zijn leven voort, en moet telkens een nieuwe geboorte plaats hebben. Alle lust, alle begeerte uitdooven is het hoogste streven, dan wordt men boven alle lijden verheven en gaat tot Nirvana in.

Het praktische staat dus op den voorgrond. Het leven, zoo erkent de verlichte, is noodzakelijk vol van lijden; geboorte, ziekte, dood, het beteekent alles lijden. Hoe moet de mensch daarvan verlost worden? Door boven alle begeerte verheven te worden, en alzoo aan het leven, dat lijden is, te ontkomen. Want, juist de dorst, de begeerte doemt den mensch om telkens weer geboren te worden tot nieuw lijden. Is hij van alle begeerte bevrijd, dan behoeft hij niet meer te worden geboren: hij komt tot Nirvana. Tot vernietiging? Neen, doch tot een zijn, boven al 't aardsche verheven. Doch, wij komen hierop nog nader terug, wij willen eerst den verlichte nog volgen op zijn verderen loopbaan.

De vijf vroegere metgezellen waren dan de eersten, die zich bekeerden. Zij vragen hem om als zijn leerlingen te worden opgenomen. "Komt hier, o monniken," luidt dan zijn woord [34], "wèl verkondigd is de leer, wandelt in heiligheid om aan alle lijden een einde te maken." Zoo vormde dan Boeddha zijne gemeente. Een nieuwe rede over de onbestendigheid en de onwezenlijkheid van al het aardsche bewerkt dan dat de ziel dier vijf jongeren den toestand van zondelooze heiligheid bereikt. "In dien tijd", zoo zegt een oud bericht, "waren er zes heiligen in de wereld: Boeddha zelf en deze vijf jongeren."

Straks echter breidt zich de gemeente uit, al spoedig sluiten zich tal van asceten, kluizenaars in de wouden van Uruvela, bij hem aan. Ook koning Bimbisara trekt, als Boeddha straks zijn hoofdstad Rajagriha genaakt, met een groot gevolg den verlichte te gemoet. Hij treedt als leek [35] tot de geestverwanten van den verhevene toe en blijft zijn leven lang een zijner trouwste beschermers.

Ook werden toen Sariputta en Mogallana, die beiden later geëerd werden als de twee voornaamste leerlingen, voor de gemeente van den Verlichte gewonnen. Beide jongelingen waren van Brahmaansche afkomst, en erkenden zekeren Sanjaya, een bedelmonnik, als hun geestelijk hoofd. Innig was hun vriendschapsverbond, zij hadden elkaar beloofd, dat diegene van hen, die het eerst de verlossing van den dood bereikte, het den ander aanstonds zou meedeelen.

Op zekeren dag zag Sariputta een van Boeddha's leerlingen, Assaji geheeten, bezig om in de straten van Rajagriha aalmoezen in te zamelen, rustig en waardig, den blik naar den grond gericht. Toen hij hem zag dacht hij: "Dat is een van de monniken, die heilig zijn in de wereld. Ik zal tot hem gaan en hem vragen: "Vriend, in wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd? Wie is uw meester en wiens leer erkent gij?"" Doch Sariputta bedacht: "'t Is nu niet de rechte tijd om het dezen monnik te vragen. Hij gaat langs de huizen en verzamelt aalmoezen. Ik zal hem achterna gaan, gelijk men iemand volgt van wien men iets begeert." Toen echter de eerwaardige Assaji te Rajagriha aalmoezen had ingezameld, nam hij de ontvangen gaven en keerde terug. Na de gebruikelijke begroetingen sprak Sariputta tot den eerwaardigen Assaji: "Uw gelaat, o vriend, staat helder, uw kleur is frisch en klaar. In wiens naam hebt gij de wereld vaarwel gezegd en wie is uw meester? En wiens leer erkent gij?" "Mijn meester is," luidde het antwoord, "de groote Samana [36] uit het huis van Sakya, die de wereld is ontvloden. In naam van hem, den verhevene, heb ik de wereld verlaten. De verhevene is mijn meester en zijne leer erken ik. En wat zegt uw meester vriend, en wat leert hij?" "Ik ben nog een nieuweling vriend, nog niet lang heb ik de wereld verlaten, ik ben eerst sinds kort tot deze leer en deze orde gekomen. Niet in haar volle uitgebreidheid kan ik u de leer verkondigen, maar haar korten zin kan ik u zeggen." Toen sprak Sariputta, de bedelmonnik, tot den eerwaardigen Assaji: "Zoo zij het vriend, zeg mij weinig of veel, maar spreek mij van den zin (der leer), daarnaar alleen verlang ik, wat wil ik mij veel om de letter bekommeren?" Toen sprak de eerwaardige Assaji tot Sariputta dit woord der leer: "De wezens, die uit ééne oorzaak vlieten, hun oorsprong leert de voleindigde en het einde dat zij nemen: dat is de leer van den grooten Samana." [37]

Toen Sariputta deze woorden hoorde ging hem het licht der waarheid op, hij begreep dat "alles wat aan ontstaan zijn aanzijn dankt, ook moet vergaan." Daarom zeide hij tot Assaji: "Al was de les ook niets anders dan dit, zoo hebt gij toch de plaats bereikt, waar geen lijden meer is. Wat in tallooze wereldtijdperken niet is gezien, thans is het tot ons gekomen."

Dan gaat Sariputta tot Mogallana, zijn vriend. "Uw gelaat, o vriend, zegt Mogallana, is helder, uw kleur is frisch en klaar. Hebt gij de verlossing van den dood gevonden?" Het antwoord luidt toestemmend, hij verhaalt van zijne ontmoeting met Assaji, en ook aan Mogallana gaat het licht der waarheid op, het reine, wolkelooze. Te vergeefs tracht hun meester Sanjaya hen tegen te houden. Met groote scharen van asceten gaan zij naar het bosch, waar Boeddha woont: Sanjaya komt een stroom bloed uit den mond. Boeddha ziet de beide jongelingen naderen en verkondigt aan zijne omgeving, dat zij de edelsten en besten onder zijne jongeren zullen zijn. Beiden ontvangen van Boeddha zelf de wijding.

Zoo traden velen toe; doch er was ook tegenstand. Hetzelfde oude verhaal, waaruit wij deze geschiedenis ontleenden, [38] deelt ons mede hoe het volk murmureerde: de asceet Gautama, zeiden zij, is gekomen om kinderloosheid, om weduwschap, om ondergang der familie te brengen. Zij waren bevreesd voor de toekomst, als zoovelen der edelste jongelingen tot den verlichte gingen. Geen wonder: waar moest het heen, indien de gelofte van kuischheid zoo algemeen werd, met de toekomst des volks? De Brahmanen vorderden die kuischheid alleen van de jeugd en den ouderdom, maar deze ontrukte aan het maatschappelijk leven de mannen, die een gelukkig gezin zouden kunnen stichten.

Doch, de verlichte liet zich door deze bezwaren niet van zijn doel afvoeren. Al schold men hem en de zijnen met de woorden:

De groote monnik komt getogen naar Magadha's bergstad heen. De Sanjaya's [39] bekeert hij allen, wanneer bekeert hij wel zichzelf?

Zij antwoorden:

De helden, de voleindigden, bekeeren door hun waarachtig woord, Wie zal smaden, den Verlichte, die bekeert door der waarheid macht?

In ieder geval, het Boeddhisme wist zich glansrijk te handhaven en nam hand over hand toe.

Boeddha's bloedverwanten waren niet onbekend gebleven met zijne lotwisselingen en zijn vader, Suddodhana, noodigde hem uit om zijn geboortestad te bezoeken, opdat hij zijn ouden vader nog eens zou zien, voor deze stierf. De verlichte ging dus op weg en nam zijn verblijf in een boschje buiten de stad. Daar kwamen zijn vader, zijn ooms en anderen hem opzoeken: doch deze laatsten waren niet bizonder ingenomen met hun bedelenden stadgenoot: zij namen daarom ook geen levensmiddelen voor hem mede, al was dit anders de gewoonte tegenover heilige kluizenaars.

Den volgenden dag ging Gautama, door zijn leerlingen vergezeld, met zijn schaal rond om zijn voedsel te bedelen. Eerst wilde hij bij de stadspoort gekomen, regelrecht naar het paleis van den rajah gaan; doch hij besloot zich aan den gewonen regel te houden, volgens welke een bedelaar van huis tot huis gaat. Men begrijpt dat de rajah al spoedig vernam dat zijn zoon bedelend door de straten ging: iets wat hem lang niet aanstond. Hij haastte zich dezen te gemoet te gaan en sprak:

"Waarom, meester, doet gij ons schande aan door te bedelen om uw voedsel? Meent gij dat wij zoovele bedelaars niet kunnen voeden?" "O, groote rajah," was het antwoord, "dit is de gewoonte van ons allen." "Doch," luidde het wederantwoord, "wij stammen af van een beroemd geslacht van krijgslieden en niet één van hen heeft ooit zijn brood gebedeld."

"Gij en uw familie," hernam Gautama, "moogt u beroemen van koningen af te stammen, mijn geslacht is dat der profeten [40] van ouds en zij hebben altijd van aalmoezen geleefd, die zij bijeen bedelden. Doch, mijn vader, indien een mensch een verborgen schat heeft gevonden, is het zijn eerste plicht om aan zijn vader de kostbaarste juweelen aan te bieden." Overeenkomstig dit woord richtte hij zich in de volgende verzen tot zijn vader: [41]

Sta op, vertoef toch niet, Betracht het rechte, ware leven, Die deugd beoefent, hij vindt rust. In dit en in een volgend zijn. Volg niet het kwaad! Die deugd beoefent, hij vindt rust In dit en in een volgend zijn.

Suddhodana antwoordde niet, doch nam de schaal van zijn zoon over en leidde dezen het huis binnen, waar de familieleden hem hulde brachten. Doch Yaçodhara kwam niet. "Indien ik," zoo sprak zij, "eenige waarde heb in zijn oog, dan zal hij zelf komen en kan ik hem beter hier begroeten."

Gautama bemerkte haar afwezigheid, en, gevolgd door twee zijner leerlingen ging hij naar de plaats, waar zij zich bevond, nadat hij hun eerst had gezegd, dat zij haar niet zouden tegenhouden, indien zij trachtte hem te omhelzen, hoewel anders geen lid der orde een vrouw mocht aanraken of door haar aangeraakt mocht worden.

Daar zag zij hem binnentreden, den eens zoo geliefden echtgenoot, nu een monnik, in 't geel gekleed met gladgeschoren hoofd en aangezicht. Zij wist wel dat hij er zoo zou uitzien, doch zij kon zich toch niet inhouden. Zij viel op den grond neer, greep zijne voeten en barstte in tranen uit. Toen herinnerde zij zich de onoverkomelijke kloof tusschen hen beiden, stond op en plaatste zich naast hem.

De rajah sprak haar aan; hij deelde Gautama mede dat zij hem altijd was blijven liefhebben. Alle weelde, die hij zich had ontzegd, had zij zichzelve ook onthouden, slechts één maaltijd nam zij iederen dag, en zij sliep niet in een bed, maar op een mat, uitgespreid op de vloer. Boeddha schijnt toen niet veel te hebben geantwoord, alleen vermelden ons de bronnen dat hij een Jataka-geschiedenis [42] verhaalde over haar deugd in een vroeger bestaan. Zij werd een ernstig onderzoekster der nieuwe leer, en toen Boeddha later, eigenlijk tegen zijn zin, doch door de omstandigheden gedwongen, een orde van nonnen instelde, was zijn verlaten vrouw een der eerste leden dezer orde. Ook zijn zoon, Rahula, en zijn broeder, Nanda, werden als monniken in de orde opgenomen.

Overigens vinden wij over dezen tijd van Boeddha's leven, het veertigtal jaren tusschen den aanvang zijner prediking en het einde zijner loopbaan, wel eenige gesprekken of uitspraken, maar geen geregeld verhaal. Toch, een beeld van de wijze waarop de verlichte leefde en werkte, kunnen wij ons daaruit wel vormen. Hoe dan hebben wij ons het leven van den Meester en zijn leerlingen voor te stellen? Allereerst staat vast dat voor hen, zoo goed als voor andere asceten, het jaar in twee afwisselende tijdperken was verdeeld; de regentijd, waarin men zich rustig in zijn verblijf hield, de zoogenaamde "was"tijd, waarin meer bepaald de leerlingen zelf werden onderricht in de moeilijkste deelen der leer, en het overige deel des jaars, waarin de verlichte en zijne leerlingen leerend en predikend het land doortrokken. Die verdeeling des jaars was door de natuur zelve aangewezen en onvermijdelijk; trouwens indien men in den regentijd had willen rondtrekken had men dat niet kunnen doen zonder tallooze planten en kleine dieren onwillekeurig te dooden: geheel in strijd met de leer van den verlichte, die ook het kleinste leven heilig houdt.

In dien regentijd was de verlichte door tal van jongeren omgeven, en de aanzienlijken des lands beijverden zich om voor hem en de zijnen te zorgen. Later ging men wederom uiteen en Boeddha en zijn jongeren reisden langs de groote wegen, soms door vrienden geherbergd, maar gewoonlijk rustend en overnachtend onder de boomen des wouds. Vorsten en aanzienlijken waren echter vaak de dakloozen ter wille: zoo vernemen wij dat koning Bimbisara, van wiens bekeering wij reeds gewag maakten, een zijner bosschen of parken, het Veluvana (bamboeswoud) ter beschikking stelde van den verlichte, en dat de groote koopman Anathapindika, hem het nog beroemder Jetavana-park schonk: een park, dat naar luid der legende, door dezen koopman voor zooveel goud was gekocht, dat het den bodem van het gansche terrein kon bedekken.

Sommige schrijvers stellen zich voor dat ook toen reeds de monniken in Vihara's, kloosters, woonden. Doch, om verschillende redenen is dit niet waarschijnlijk te achten; de propaganda vereischte juist personen zonder vast tehuis en oude berichten teekenen ons de "monniken van Sakya" als levende onder de boomen des velds; de boomen, waar immers ook voorheen de "Rishi's," de oude zieners, geacht werden hun openbaringen te ontvangen. Ook uitspraken van Megasthenes, een gezant van koning Seleucus Nicator van Syrië (302-298 v. Christus) spreken van Boeddha's volgelingen als van personen, die, noch in de steden wonen, noch een dak hebben boven hun hoofd, maar die gekleed zijn in boombast, met noten zich voeden en water drinken uit de hand. Ook wordt in datzelfde bericht van hen gezegd "dat zij geen huwelijk kennen, noch kinderen verwekken."

Dus, gansch iets anders dan leven in Vihara's. En ofschoon nu dat getuigenis betrekking heeft op een tijd, lang na Boeddha's dood, mogen wij het er toch voor houden, dat het in de dagen van den verlichte niet anders was. Hij toch zeide tot zijn volgelingen, "Een groote plicht rust op u, te werken voor het heil van menschen en geesten. Laten wij uiteengaan, ieder in verschillende richting, geen twee op hetzelfde pad. Ga en predik Dharma [43]."

In "de twaalf voorschriften", een noordelijke bron, m. a. w. ontleend aan een heilige schrift der noordelijke Boeddhisten, wordt aan de "bedelaarstroep" zooals Boeddha zijn volgelingen noemde, uitdrukkelijk verboden om een ander dak te hebben dan een boom. Hun eenige zitplaats mag de moeder aarde zijn. Hun kleeren lompen van de mesthoop of het kerkhof. De boom, die den bedelaar beschut, moet liefst op een kerkhof staan. Niet tweemaal mag hij slapen onder denzelfden boom.

Nu is het wel zeker, dat deze "twaalf voorschriften" een strengere ascese vertegenwoordigen dan het oorspronkelijk Boeddhisme, doch, de voorstelling dat Boeddha en zijn volgelingen overal in sierlijke "vihara's" waren gehuisvest is toch zeker niet juist. Mij komt het voor dat zij een zwervend leven leidden, in grooten eenvoud, doch niet zoo, dat zij zich aan alle maatschappelijk verkeer onttrokken, dat immers noodig was om hun leer tot allen te brengen.

Zoo lezen wij b.v. van aanzienlijken, die den verhevene ter maaltijd noodden, van Brahmanen-leerlingen, die in een twistgesprek met den beroemden leeraar hun sporen trachtten te verdienen, van tegenstanders, die hem strikvragen deden. Daarbij worden zij dan natuurlijk dikwerf overwonnen, en menigmaal lezen wij dan hoe zij den verlichte en zijn leerlingen het verzoek doen: moge de heer, de verhevene, morgen bij mij met zijn leerlingen het middagmaal komen gebruiken. Boeddha geeft door zwijgen zijn toestemming te kennen. Is dan den volgenden dag de maaltijd gereed, zoo zendt de gastheer een bode met het verzoek: "het is tijd, heer, de maaltijd is bereid." Daarop neemt dan Boeddha zijn aalmoezenschaal en opperkleed en gaat met de zijnen ter maaltijd. De gastheer en zijn familie bedienen zelf hun gasten. Is de maaltijd geëindigd, dan worden de handen gewasschen, de gastheer neemt met de zijnen aan Boeddha's zijde plaats en deze richt tot hen een woord van vermaning en leering.

Had men op een dag geen uitnoodiging, dan onderneemt Boeddha zijn bedelgang door stad of dorp, nadat eerst de vroege morgenuren in geestelijke oefeningen of in het verkeer met de leerlingen zijn doorgebracht. Zwijgend ging dan de man, wiens naam door gansch Indië werd genoemd, voor wien koningen bogen, met zijn schaal rond, met neergeslagen blik, zonder te spreken afwachtend of men hem eenige spijze zou geven. Was die rondgang afgeloopen, dan noodde de middag tot rust in de koelte van het woud, totdat de avond aanbrak en hij weer onder de menschen optrad, vriend en vijand leerend en onderrichtend.

Zoo gingen de dagen van den verlichte, wiens zwervend leven en aanraking met allerlei personen ons telkens aan Jezus doet denken, vredig voorbij. Hoe was nu echter het leven van den meester met zijn vertrouwden, de leerlingen, die hem vergezelden? Waarschijnlijk heerschte er in dien intiemen kring een rustige toon: een stemming van kalme goedheid en stille vreugde, die aan der wereld ontvlodenen paste.

In dien kring waren voorts de gewone grenzen der maatschappij vrijwel weggewischt. Wie geluisterd had naar het woord (een vaststaande formule), "Kom, o monnik, wèl verkondigd is de leer, wandel in heiligheid, om aan alle lijden een einde te maken," dat de Boeddha tot diegenen richtte, aan wie hij zijne leer had verkondigd, wie dus het gele kleed en de tonsuur [44] had aangenomen, alle familiebetrekkingen had opgegeven, op geen bezit meer aanspraak maakte en strenge kuischheid in acht nam: hij maakte deel uit van een gewijden kring, waarin het casten-onderscheid was opgeheven.

Evenals, zeide de verlichte, rivieren hun naam verliezen, als zij opgenomen worden in den grooten oceaan, zoo verliezen ook adelijken en Brahmanen, Vaisya's en Sudra's hun oude namen, wanneer zij voor de leer van den Voleindigde hun huis verlaten. Den ouden naam en het oude geslacht hebben zij dan achtergelaten, voortaan heeten zij slechts "asceten, die den zoon van Sakya aanhangen [45]."

Merkwaardig is in dit opzicht ook het gesprek, dat Boeddha voerde met koning Ajatasattu. Deze vroeg welk loon ten deel viel aan hem, die zijn huis verliet om een geestelijk leven te leiden. In den loop van dat gesprek zeide de Verlichte: "Indien een slaaf of dienaar des konings het gele gewaad aantrekt en als monnik in gedachten, woorden en werken onberispelijk leeft, zoudt gij dan zeggen: laat deze man weder mijn slaaf en dienaar zijn, die vóór mij opstaat en nà mij ter ruste gaat, die op zich neemt wat ik hem gebied, die voor mijn genoegen leeft, wat mij aangenaam is spreekt en naar mijn gelaat ziet?" Toen antwoordde de koning:

"Neen, Heer, ik zou mij voor hem buigen, voor hem opstaan, hem uitnoodigen plaats te nemen en hem aanbieden wat hij aan kleeding, spijze, beschutting en medicijnen noodig kon hebben; ik zou hem beschermen en bewaken, gelijk het behoort."