De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 4
Het voornaamste der nieuwe leer was voorts het volgende: "Het inwendig licht en het boek der natuur vormen den oorspronkelijken grondslag van het Brahmaansch geloof, doch de godsdienstige waarheid wordt dankbaar aanvaard, zoowel uit ieder gedeelte der oude Hindoesche geschriften als uit andere gewijde boeken. God is de hemelsche Vader, een persoonlijk wezen met zedelijke eigenschappen. Die God is nimmer vleesch geworden, doch Hij draagt zorg voor het heil Zijner schepselen. Tot Hem te bidden is niet vergeefs. Berouw is de eenige weg tot verzoening, vergeving en verlossing. De mensch is bestemd om ook op godsdienstig gebied zich steeds meer te volmaken. Goede werken, barmhartigheid, kennis verwerven, bespiegeling en vereering zijn de eenige godsdienstige plechtigheden: boetedoeningen en pelgrimstochten zijn zonder nut. Het eenige offer is zichzelf Gode te wijden, de eenige pelgrimstocht is het gezelschap der goeden te zoeken, de eenige ware tempel is het reine hart. Onderscheiding van casten is er niet."
Zoo was het programma, naar men ziet, doortastend genoeg. Toch bleef men in de praktijk aan zeer veel van den ouden godsdienst hangen, en sommigen, daaronder de invloedrijke leeraar Narain Bose stelden ook op den voorgrond dat het doel niet moest zijn den ouden godsdienst af te breken maar dezen te volmaken.
Anderen, die sedert 1858 hun geestelijken leidsman vonden in Keshab Chandar Sen, oordeelden anders. Zij wilden vooral breken met alles in de oude, vastgewortelde maatschappelijke instellingen, wat met hun geestelijken godsdienst niet overeenkwam. Men beseft hoe moeilijk deze taak was, hoeveel stille en openlijke vijandschap er op dezen weg viel te bestrijden, hoeveel misverstand uit den weg te ruimen. Toch, Keshab Chandar Sen, toen 20 jaar oud, deinsde er niet voor terug.
Zijn levensweg was anders geweest dan die van zijn voorganger Rammohun Roy. Eerst opgevoed in een omgeving van Hindoesch bijgeloof, ontving hij later in Calcutta een Engelsche opvoeding. Voor de Europeesche wetenschap bezweek het oude geloof. Doch zonder godsdienstig geloof kon eene natuur als hij niet leven. Hij zocht naar betere kennis van God. Op zekeren dag kreeg hij eenige preeken van Narain Bose in handen en tot zijn verwondering bemerkte hij dat er in Calcutta reeds een Theïstische kerk bestond. Aanstonds sloot hij zich daarbij aan.
Weldra nam hij in de broederschap een belangrijke plaats in. Eerst werkte hij onder leiding van Debendra-nath ongeveer vijf jaar lang, maar een persoonlijkheid als de zijne moest wel op den voorgrond treden.
Keshab Chandar Sen was met de tot nu toe ingevoerde hervormingen niet tevreden. Hij wilde alles wat op casten-verschil wees afgeschaft zien. Als een begin op dien weg bepleitte hij dat allen, die de godsdienstoefeningen der nieuwe kring leidden, het gewijde hemd, waardoor de hoogere casten zich onderscheidden, zouden afleggen. Debendra-nath wilde het zelf wel afdoen, maar zoo'n verplichting anderen niet opleggen.
Dit gaf wrijving tusschen de behoudende en de vooruitstrevende elementen. Trouwens, dit niet alleen, achtereenvolgens kwamen nog tal van hervormingen aan de orde, waarop Keshab Chandar Sen en de zijnen aandrongen. Zoo bijvoorbeeld een verandering in de Sraddha, of den dienst der gestorven voorvaderen, welks ritus niet met de ware Brahmaleer omtrent een toekomstig leven overeenkwam. Dan, wijziging van het ceremonieel bij geboorte, naamgeving en lijkverbranding. Verder, een meer gepaste inwijding voor hen, die tot de gemeente toetraden.
Ook wilde men de vrouwen opvoeden en verheffen. Zij werden aangemoedigd om toe te treden, velen deden dit en woonden dan den dienst bij achter gordijnen of in een afzonderlijk vertrek.
Dan stelde men aan de orde, hervorming van het huwelijk. Men wilde afgeschaft zien de kinderhuwelijken, zoo nauw saamgeweven met Indische zeden, maar tot zooveel misbruik en ellende voerend, ook wilde men dat de veelwijverij zou worden opgeheven en dat de weduwen vrijheid zouden hebben te hertrouwen. Ook wilde men tal van dwaze en overtollige ceremoniën bij het huwelijk afschaffen. Dit ongeveer waren de bedoelingen der meer vooruitstrevenden.
Toch, ook de meer behoudenden, gingen in veel mede. Narain Bose was de eerste om in zijn eigen familie het opnieuw huwen van een weduwe toe te laten, waarvoor men hem in zijn geboortedorp haast steenigde. Debendra-nath gaf het voorbeeld door voor grooten eenvoud te zorgen bij het huwelijk van zijn tweede dochter, dat op 26 Juli 1861, in tegenwoordigheid van tweehonderd geloofsgenooten, plechtig, zonder overdreven feestvertoon, werd voltrokken. Dit was de eerste huwelijkswijding volgens den ritus der Brahmo Samaj.
Keshab Chandar Sen ging echter nog verder. Hij voltrok in 1864 een huwelijk tusschen twee personen van verschillende caste: wat Debendra-nath zeer mishaagde.
Chandar Sen voelde zich onder de Brahmo Samaj niet recht thuis: hij zag nog te veel van den ouden castengeest en van het oude bijgeloof en gevoelde de noodzakelijkheid om den bijl te leggen aan den wortel van den ouden stam. 't Eind was dat er een scheuring ontstond tusschen vooruitstrevenden en meer behoudenden. De eersten scheidden zich af en stichtten in November 1866 een nieuwe vereeniging: de Brahmo Samaj van Indië geheeten.
Haar doel was, zooals Chandar Sen in zijn openingsrede op 11 November verklaarde, alle Brahma-vereerders in één lichaam te vereenigen en een organisatie over geheel Indië te verkrijgen. In 1869 opende deze nieuwe gemeente haar bedehuis.
Haar optreden kenmerkte zich door groote godsdienstige bezieling.
Haar programma luidt aldus:
God is de eerste oorzaak van het heelal. Door Zijn wil schiep Hij alle voorwerpen uit niets en onderhoudt Hij deze bij voortduring. Hij is Geest, geen stof. Hij is volmaakt, oneindig, almachtig, vol van genade en heiligheid. Hij is onze Vader, Beschermer, Meester, Koning en Verlosser.
De ziel is onsterfelijk. De dood is slechts de oplossing van het lichaam. Er is geen nieuwe geboorte na den dood: het toekomstig leven is een voortzetting en ontwikkeling van het tegenwoordig leven. De menschen die nu leven zijn de embryo's van de menschen, die zijn zullen.
De ware (heilige) schriften zijn tweeërlei: het boekdeel der natuur en de natuurlijke denkbeelden, in den geest ingeplant. De wijsheid, macht en genade van den Schepper staan in het gansche heelal beschreven. Alle denkbeelden over onsterfelijkheid en zedelijkheid zijn oorspronkelijke overtuigingen, in des menschen zijn gegrond.
God wordt nimmer mensch door een menschelijk lichaam aan te nemen. Zijn goddelijkheid woont in ieder mensch en openbaart zich in sommigen met groote kracht. Mozes, Jezus Christus, Mohammed, Nanak, Cartanya en andere groote leeraren verschenen op bepaalde tijden en brachten vele heilsgoederen aan de wereld. Zij mogen aanspraak maken op algemeene dankbaarheid en liefde.
De Brahma godsdienst is verschillend van alle andere godsdienststelsels der wereld, toch maakt hij het wezen van allen uit. Hij is niet vijandig tegen andere gelooven. Wat daarin waars is, aanvaardt hij. Hij is gegrond op het wezen des menschen en is daarom eeuwig en algemeen, noch ook beperkt tot leeftijd of landstreek.
Alle menschen behooren tot ééne broederschap. De Brahma godsdienst kent geen onderscheid van hooge en lage caste. Het doel van dezen godsdienst is allen tot één huisgezin te vereenigen.
Er zijn vierderlei plichten: 1. plichten tegenover God, zooals: geloof in Hem, liefde, vereering en aanbidding. 2. plichten tegenover onszelf, zooals: bewaring van ons lichamelijk welzijn, verkrijging van kennis, heiliging der ziel. 3. plichten tegenover anderen, zooals: waarachtigheid, rechtvaardigheid, dankbaarheid, het bevorderen van het welzijn van alle menschen. 4. plichten tegenover dieren en lagere schepselen, zooals vriendelijke behandeling.
Iedere zondaar moet de gevolgen van zijn eigen zonden dragen, vroeg of laat, in dit of in een volgend leven.
De mensch moet naar heiligheid streven door vereering van God, onderdrukking der hartstochten, berouw, de natuur en goede boeken te onderzoeken, goed gezelschap te zoeken en in de eenzaamheid te overpeinzen. Deze dingen zullen, door de werking van Gods genade, tot verlossing leiden. Verlossing is bevrijding der ziel van den wortel van het bederf en haar voortdurend groeien in heiligheid. Dit groeien duurt tot in eeuwigheid, en de ziel wordt meer en meer goddelijk en gelukkig in Hem, die de bron is van oneindige heiligheid en vreugde. Het nabijzijn van God is de hemel der Indische Theïsten.
Naar men ziet zijn hier verscheiden denkbeelden aan het Christendom ontleend. Ook de godsdienstoefeningen hebben gewoonlijk op Zondag plaats. Zij zijn ongeveer aldus ingericht: eerst een lied, dan een aanroeping van God door den leeraar, door een ander lied gevolgd. Vervolgens vereering van God, gezongen door de geheele gemeente, voortgezet door den voorzanger alleen. Dan eenige minuten van stille overpeinzing en gemeenschap met God. Vervolgens wordt, door de geheele gemeente, staande, het volgende gebed gesproken:
"Leid ons, o God, van onwaarheid tot waarheid, van duisternis tot licht, van dood tot onsterfelijkheid. O, Vader der waarheid, openbaar u toch aan ons. Gij zijt genadig, bescherm ons steeds in uwe grenzenlooze goedheid. Vrede! Vrede!" Dan volgt een gebed voor de gansche wereld, door den voorganger alleen, gevolgd door een ander lied en door het zeggen van teksten uit Hindoesche en andere gewijde schriften. Eindelijk een preek, gevolgd door gebed, zegen en lied.
Jammer genoeg ontstond er in deze vereeniging in 1878 weer een nieuwe scheuring. De uitgetredenen stichtten zich een eigen bedehuis. Doch op al de bijzondere lotgevallen der verschillende Indische Theïstische groepen in te gaan zou ons te ver voeren. Wij merken alleen nog op, dat er reeds in 1883 over Engelsch Indië 170 gemeenten bestonden, de een wat meer behoudend, de ander wat meer kritisch staande tegenover de Hindoesche overlevering, maar toch allen getuigenis afleggend van nieuwen levensgloed. Onder de hoofdleiders moeten wij nog noemen Mozoomdar, die eenige jaren geleden op het parlement der godsdiensten in Chicago zoo meesleepend wist te getuigen.
Van harte hopen wij dat deze verlichte Indiërs hun vaderland van bijgeloof mogen zuiveren en dat zij de vele schatten, in de gewijde boeken van hun volk verborgen, in ruime mate ook tot de westerlingen mogen helpen brengen. Want, de tempel der toekomst zal worden saamgevoegd uit vele kostelijke steenen, aangebracht uit vele landen.
HOOFDSTUK IV.
Het Boeddhisme.
I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden.
In ons overzicht van het Brahmanisme hebben wij gezien hoe er in het oude Indië, hoe langer hoe meer, gevoeld werd niet alleen door verlichte priesters, maar ook door leeken, dat niet in offers en uitwendige vereering der goden, doch in het streven naar verlossing van alle begeerten, naar onderdrukking van alle hartstocht het ware levensdoel kan bestaan. Niet door het streven naar bovennatuurlijke krachten, niet door boetedoeningen om eenig aardsch voordeel te verkrijgen, maar door, tot zichzelf inkeerende, de ongenoegzaamheid van al het aardsche in te zien en dan ook van alle begeerte afstand te doen, komt men tot het hoogste heil. Dat werd gevoeld door vele eenzame vromen in het stille woud, maar lag ook op den bodem van de ziel van het Indische volk; het Boeddhisme zou het straks doen doordringen tot een wijden kring.
Een wijden kring: de godsdienst van den Indische wijze wordt thans nog beleden door ongeveer een derde der geheele menschheid. Uit zijn oude bakermat, Voor-Indië, is het voor het grootste gedeelte later weer door het Brahmanisme verdrongen. Doch in tal van andere landen heeft het zich zeer uitgebreid. Wij noemen onder de voornaamste landen, waar deze godsdienst heerscht: Ceylon, Birma, Siam, Annam, Tibet, China en Japan.
Doch, al wordt in al deze landen Boeddha in eere gehouden, er is een groot verschil. Het Boeddhisme van Ceylon en Birma is in vele opzichten gansch iets anders dan dat van Tibet. 't Is er mee als met het vrijzinnig-Protestantsch en het Roomsch-Catholiek Christendom. Beiden willen Jezus eeren, doch de eersten beschouwen den stichter van hun godsdienst als mensch en vinden in 't naleven zijner levensbeginselen de hoofdzaak. De anderen erkennen hem als een Godheid, die door plechtig ceremonieel nog meer wordt gediend dan door overpeinzing en betrachting zijner leer. Zoo is het ook met het Boeddhisme. Komt ge in Birma, dan hoort ge weinig van Boeddha als godheid, maar wordt de beteekenis van zijn strijd en overwinning als mensch diep gevoeld. En in een leven van eenvoud en liefde voor al wat leeft, drukt men de voetstappen des Meesters. Doch in Tibet heeft Boeddha goddelijke eer, ja een plaatsvervanger op aarde, voor wien men zich als voor Rome's Paus nederbuigt. Daar worden tal van formulier-gebeden voor hem opgezegd, tal van geheimzinnige plechtigheden voor hem verricht. De eeredienst is er oneindig luisterrijker en samengestelder dan in de zuidelijke landen als Birma en Ceylon. En in China en Japan is het Boeddhisme met andere godsdiensten als ineengevloeid en heeft daarbij een deel van zijn oorspronkelijk karakter ingeboet.
Doch, dezen godsdienst in al zijn ontwikkelingen en zijwegen te volgen ligt niet op onzen weg. 't Is ons voornamelijk te doen om den geest van den wijze, dien Edwin Arnold niet zonder reden het licht van Azië noemde, te leeren kennen.
Dat nu is, ofschoon er genoeg over het Boeddhisme geschreven is en geschreven wordt, niet zoo gemakkelijk als het schijnt. Allereerst is er quaestie over de persoon van den Boeddha. Was hij een historisch persoon, of berust zijn gansche levensgeschiedenis, zooals die uit vroegere en latere Boeddhistische geschriften wordt gekend, op verdichting? Er zijn geleerden, die dit beweerd hebben. De Fransche geleerde Sénart [10] tracht de gansche, in zoo menig opzicht aantrekkelijke legende van den Boeddha tot een zonnemythe te herleiden, en brengt op vernuftige wijze alle bijzonderheden daarvan met deze opvatting in verband.
Doch: waarschijnlijk is deze opvatting alles behalve. Ten eerste omdat gewoonlijk een groote godsdienstige beweging haar oorsprong vindt in een krachtige persoonlijkheid, ten tweede, omdat er toch veel waarschijnlijks en natuurlijks achter het phantastische der levensbeschrijving verborgen ligt. En in de derde plaats vooral omdat inderdaad de oudste Boeddhistische boeken, die wij bezitten, wellicht niet veel langer dan een eeuw na den dood van den stichter van dezen godsdienst zijn opgesteld.
Om nu echter in de Boeddha-legende overal waarheid en verdichting te scheiden--ziedaar een taak, die boven onze krachten ligt. 't Is er mede als met de levensgeschiedenis van Jezus in de Evangeliën, die ons wel in hoofdzaak het leven van den Meester doen kennen, maar ons toch ook vaak in aanraking brengen, niet met wat de Meester dacht, maar met wat zijn volgelingen gevoelden. Doch: is ook dat niet een sleutel der kennis voor wie een godsdienst wil leeren kennen? We kunnen daarom niet beter doen, ten einde in den geest van den stichter en zijn godsdienst u in te wijden, dan in de eerste plaats een blik te werpen op de levensgeschiedenis van den Verlichte, zooals zijn volgelingen in oude dagen ons die verhaalden. We zullen daarbij zien dat er dikwijls een eigenaardige overeenkomst is, tusschen wat ons van Jezus en van dezen Indischen wijze wordt verhaald.
Boeddha werd geboren in Kapilavastu: de stad van Kapila, ongeveer 550 jaar voor Christus. Lang hebben de geleerden getwijfeld of dit wel een werkelijke stad is geweest: doch in 1893 vond men, in de jungle's van den Taraï, het machtige woud aan den voet van de Himalaya, overblijfselen van een stad, onder slingerplanten en boomen verborgen. En daarin een zuil, opgericht door koning Açoka--den grooten beschermer van het Boeddhisme--ongeveer 257 voor onze jaartelling, een zuil, die het opschrift behelsde:
"Koning Piyadasi (Açoka) de beminde der goden, bracht hier, toen hij twintig jaar (als koning) gezalfd was, zijne vereering en sprak: Hier is Boeddha (de verlichte), Sakya-Muni, geboren." En hij zorgde dat een steenen zuil werd opgericht met de verklaring er op: "Hier is de eerbiedwaardige geboren."
Boeddha, of liever Siddhartha (de eerste naam is feitelijk een eeretitel) de verlichte: werd uit aanzienlijke ouders geboren. Het geslacht der Sakya's was om zijn ouden adel en zijn rijkdom beide beroemd. Latere legenden hebben Boeddha zelfs tot een koningszoon gemaakt.
De moeder van Siddhartha, Maya, bracht haar zoon ter wereld en stierf weinige dagen daarna, zoodat de andere echtgenoote van Siddhartha's vader hem verder opvoedde. In Kapilavastu bracht hij alzoo zijn jeugd door, daar dwaalde hij rond in de schaduwrijke tuinen van zijns vaders paleis. Reeds vroeg trad hij in het huwelijk met eene door lichaamsschoon en liefderijk karakter uitmuntende bloedverwante, gewoonlijk Yaçodhara geheeten, die hem een zoon schonk, met name Rahula. Dat zijn de bijzonderheden die over zijn jeugd vrijwel vaststaan. Ware hij niet werkelijk gehuwd geweest, dan zou een latere legende--in aanmerking genomen dat de ongehuwde staat voor de Boeddhistische monniken verplichtend is--dit nooit aangaande hem hebben verdicht.
De legende weet echter veel meer te verhalen. Zij spreekt van een wonderbaren droom, dien Maya voor de geboorte van haar beroemden zoon had: een witte olifant, meer lichtend dan zon en maan, naderde haren schoot. De drie werelden (aarde, hemel en hel) zag zij verlicht door een groot licht, schijnende in de duisternis, en duizende geesten zongen haar lof. Ook werd aan haar echtgenoot bekend gemaakt dat de toekomstige Boeddha op aarde zou komen in Maya's schoot. De verlichte was zichtbaar in de moederschoot en toen hij ter wereld kwam zongen hemelsche geesten zijn lof. Na vijf dagen werd hem een naam gegeven en werd hij in den tempel gebracht. Asita--een heilige kluizenaar--die de acht magische vermogens had verworven en daardoor in den geest kon zien wat in de hemelen gebeurt, wordt daar onderricht dat een machtige Boeddha is geboren. Als hij daarna het goddelijk geestesoog laat wijden over de wereld ziet hij het kind in het paleis, glanzend van zuivere daden, door al de werelden vereerd.
Asita gaat naar het paleis. Hij neemt het kind in zijn armen en weent. "Waarom deze tranen, heilige man?" "Ik ween," is het antwoord, "omdat deze de groote Boeddha zal zijn en ik daarvan geen getuige meer kan wezen."
Merkwaardig is echter het volgende verhaal, dat ons als in allegorischen vorm doet lezen in het zieleleven van den toekomstigen wereldverlosser.
Waarzeggers door den koning geraadpleegd, verklaarden:
De jongeling zal zonder twijfel òf een koning der koningen of een groote Boeddha worden. Als hij bestemd is een groote Boeddha te worden, dan zullen vier voorteekenen zijn zending duidelijk maken. Hij zal zien:
1. Een oud man. 2. Een kranke. 3. Een lijk. 4. Een heiligen kluizenaar.
Indien hij deze vier voorteekens van een avatara [11] niet ziet, zal hij slechts een aardsche heerscher zijn.
De koning Suddhodana, die droomen van wereldsche grootheid over zijn zoon in 't hart koesterde, werd door die laatste verzekering van de waarzeggers heel wat gerustgesteld. Hij dacht bij zichzelf: Het zal gemakkelijk genoeg zijn om deze vier voorteekenen van den prins verre te houden. Hij gaf dus bevel dat er drie prachtige paleizen, de schoonste op aarde: het voorjaars-, het zomer- en het winterpaleis, zouden worden gebouwd. Zij wedijverden in glans met Vaijayanta, het onsterfelijk paleis van Indra zelf.
Kostelijke paviljoenen werden overal opgetrokken, met prachtige voorportalen en gepolijste deuren. Torentjes en kanteelen verhieven zich in de lucht. Door sierlijke vensters viel het licht in de prachtige vertrekken. Galerijen, balustraden en fijn traliewerk waren in overvloed aanwezig. Duizend klokjes klonken op ieder dak. In één woord: een beeld als van de paleizen in Chineeschen stijl, die naar het schijnt in oud-Indië werden gebouwd. Even prachtig waren de tuinen, waar in koele meren de heerlijkste kraanvogels en zwanen zich verlustigden, en waar de schoonste boomen geur en schaduw verspreidden. De lucht was vervuld met de geur van tube-rozen en jasmijnen.
Rondom de paleizen van Kapilavastu waren voorts sterke wallen om alle ouden van dagen, kranken en kluizenaars te weren en om den prins daarbinnen te houden.
Nog een betere en machtiger bewaking werd te werk gesteld. Toen de prins den leeftijd had bereikt om in het huwelijk te treden werd zijn paleis met schoone vrouwen bevolkt. Doch, een schok trof den koning.
Dit geschiedde als volgt. De koning had een park aangelegd, nog schooner dan de tuin van het zomerhuis. Een ziener had hem verhaald, dat, indien hij den prins er toe krijgen kon om dezen tuin te bezien, deze daar voor altijd met zijn vrouwen zou willen blijven. Geen taak scheen gemakkelijker, en op zekeren dag zou de prins er met zijn wagen heenrijden. Groote voorzorgen waren genomen om alle oude menschen, alle kranken, alle lijken ver uit zijn gezicht te houden. Een heel leger soldaten was er voor opgeroepen, met vlaggen was de stad versierd. De weg, waarlangs de prins kwam, was met bloemen bestrooid en met vazen vol welriekende planten versierd. Prachtige guirlandes en sierlijke klokjes waren overal opgehangen. Doch zie! toen de prins uitreed zag hij eensklaps, bijna onder de wielen van zijn wagen, tusschen de in zijde gekleede edelen en de krijgslieden met schilden en speren een ongewoon schouwspel. Het was een oud man, afgeleefd en verlamd. Zijn aderen en peezen waren zoo gezwollen, dat ze te zien waren, zijn tanden klapperden, het gelaat vol rimpels, het hoofd bijna kaal en de weinige haren spierwit. Zoo strompelde hij voort, bijna dubbel gebogen, leunend op een stok.
"Wat is dit, wagenmenner?" riep de prins. "Een man wiens bloed is opgedroogd en wiens spieren aan zijn lichaam als vastgekleefd zijn. Zijn hoofd is wit, zijn tanden slaan tegen elkaar, nauwelijks kan hij zich bewegen, zelfs niet met behulp van een stok."
"Prins" zeide de wagenmenner "dit is de ouderdom. Zijn zinnen zijn afgestompt, het lijden heeft zijn geest verstoord, veracht is hij door zijn naburen. Niet in staat om zichzelf te helpen heeft men hem in dit woud aan zijn lot overgelaten."
"Is dit," vroeg de prins "een eigenaardigheid van zijn familie of is dit de wet der wereld. Zeg mij dat spoedig."
"Prins" zeide de wagenbestuurder, "dit is noch een wet van die familie, noch van dit koninkrijk alleen. In ieder wezen wordt de jeugd overwonnen door den ouderdom. Uw eigen vader en moeder zullen in ouderdom eindigen: ook al uw bloedverwanten. Daar is geen andere weg voor de menschheid."
"Dan is de jeugd blind en onwetend," zeide de prins, "en ziet de toekomst niet. Als dit lichaam het verblijf zal worden van den ouderdom, wat heb ik dan aan het vermaak en zijne bedwelming? Laat den wagen keeren en breng mij terug naar mijn paleis."
Ontsteltenis was in de harten van alle hovelingen over deze onaangename gebeurtenis, en het ergste was, dat niemand de ongelukkige oorzaak er van straffen kon. De oude man was nergens te vinden. De koning was buiten zichzelf van droefheid. Soldaten werden uit verwijderde districten gesommeerd en vier mijlen in het rond werd een cordon getrokken om de andere voorteekenen van den prins verwijderd te houden. Langzamerhand echter kwam de koning een weinig tot rust. "Als mijn zoon den tuin des geluks ziet, zal hij nimmer een kluizenaar worden," had de koning gezegd, doch een belachelijk voorval had zijn plan verstoord. Nogmaals zou het echter worden beproefd en de voorzorgen werden ditmaal verdubbeld.
Was de prins de eerste maal door de oostpoort uit het zomerpaleis gegaan, nu ging hij de zuidpoort uit.