De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 28

Chapter 283,169 wordsPublic domain

Tegenstelling van den Indischen en den oud-Perzischen godsdienst.--Toch beiden uit één stam.--Moeilijkheid om het Mazdeïsme te beschrijven.--Zend-Avesta.--Zoroaster, historisch?--Anquetil du Perron en het Zend-Avesta.--De drie phasen van het Mazdeïsme.--Alexander de Groote.--De Sassaniden (226-636 n. C.).--Wat van de oude literatuur is gebleven.--De Gatha's, vertegenwoordigen oudste phase.--Gemeenschappelijke goden en vereering bij de voorvaderen van Indiërs en Perzen.--Waardoor later zooveel verschil?--Karakter der Zarathustrische hervorming.

II. Het Mazdëisme der Gatha's 248-254

Verhevenheid van Ahura Mazda.--De goede geniussen, die hij den mensch schenkt.--Bescherming van de koe, opgedragen aan Zoroaster.--Oude kosmogonische mythe.--De aarde als de gavenschenkende koe.--Mazda als de Alwetende, éénige God.--Mazda's trawanten (geniussen).--Gematigd dualisme.--De daeva's.--Lot van goeden en boozen.--Eindoordeel.--Hoe Mazda moet worden gediend.--Landbouw en huwelijk in hooge eere.--Geen zachtheid tegenover den vijand.--Offeren.--Gewijde spreuken.

III. Het Mazdeïsme volgens het jongere Avesta 254-271

Waarom en hoe zooveel van het oude volksgeloof weer in den nieuwen godsdienst kwam.--De Amesa-Spenta's, meer zelfstandig.--Sraosa.--Ahuna vairya.--De "rechtvaardigste rechtvaardigheid" en "het hemellicht".--Strijd om het hemellicht.--Atar, god van het vuur.--Apam Napat.--Het hemelvuur.--Anahita.--Zon, maan en sterren.--Planeten als vijandig beschouwd.--Tistrya (Sirius).--Asi.--Haoma.--De roes van den onsterfelijkheidsdrank.--Mithra.--De fravasi's.--Anro mainyu en de booze geesten.--Anro mainyu en Zarathustra.--De helpers van den booze.--De mensch tusschen Mazda en Anro mainyu in.--Voorstelling omtrent heelal en aarde.--De eeuwigheid van Mazda's schepping.--Voorstelling der schepping.--Des menschen levenstaak en dood.--Het toekomstig leven van goeden en boozen. De voleinding der wereld.--De drie Heilanden.--Anro mainyu's nederlaag.--De priesters.--De eeredienst.--Het haoma offer.--De vuurdienst.--De godsdienst in het leven.--Landbouw.--Heilige en onreine plaatsen.--Tegen ascese.--IJverige arbeid.--Eerlijkheid.--Tegen ontucht.--Reinheidseischen.--Heiligheid van vuur, aarde en water.--De dierenwereld.--Plicht tegenover reine en onreine dieren.--Innerlijke reinheid.--Straffen.--Geestelijke straffen.

IV. Het "hervormde" Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi's 272-278

Uitgeweken Perzen in Indië.--Welke twee punten van hun geloof zij vasthielden.--Wat hen wakker maakte.--Strijd met het Christendom.--Nieuwe Zarathustrische catechismus.--Dabadhaï Naoroja.--Scholen.--Lezingen.--Weekblad.--Vereeniging.--Verheffing der vrouw.--Tegen kinder-huwelijk.--Resultaat omtrent de gewijde boeken.--Beteekenis van het Parsisme.

AANTEEKENINGEN

[1] M. von Brandt, Die Chinesische philosophie und der Staatsconfucianismus. Stuttgart 1898.

[2] Bij Indische of "Zend" woorden heb ik de lettergrepen, die, waar onze Hollandsche opvatting anders zou doen vermoeden, lang moeten worden uitgesproken, door een liggend streepje gekenmerkt bv. Surya, Ramayana enz. Korte lettergrepen zijn, waar noodig door [breve] aangewezen, bv. Brahma.

[3] Uit de Atharva. Veta. IV. 16.

[4] Die afscheiding was en is voor een goed deel nog van dien aard dat personen van hoogere caste geen huwelijk met die van een lagere mogen aangaan. De ongelukkige paria, die uit een onwettige vereeniging van personen van verschillende caste wordt geboren, is het uitvaagsel der Indische maatschappij. De Brahmanen en Kshatrya's staan als "tweemaal geborenen" bovenaan.

[5] Wij zullen echter straks zien, dat er ook in het Brahmanisme een theïstische strooming was en nog is.

[6] Man der laagste caste.

[7] Zie blz. 9.

[8] Een secte, eenigszins aan het Boeddhisme verwant.

[9] Het theïsme stelt, tegenover het pantheïsme, het zelfstandig bestaan van God, diens persoonlijkheid, op den voorgrond.

[10] Essai sur la legende du Buddha. Paris 1875.

[11] Vleeschwording der godheid, m. a. w. die teekenen zouden toonen dat hij een vleeschwording der godheid was.

[12] Een bekend Boeddhistisch geschrift.

[13] M. a. w. een der vroegere openbaringen van de godheid.

[14] God des doods, zie Brahmanisme op blz. 9.

[15] De vijf gehechtheden, hiermede worden bedoeld: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn. De bedoeling van dezen eenigszins duisteren zin, uit Boeddhistische teksten ontleend, is waarschijnlijk: waar men de vijf gehechtheden heeft achtergelaten zal geen ouderdom, ziekte of dood zijn. Waar men dus verheven is boven strijd en moeite.

[16] Amrita, letterlijk: levensdrank.

[17] Rishi's, zie Brahmanisme blz. 8.

[18] Jina = iemand, die zijn lagere natuur bedwingt.

[19] Dit ziet op vroegere levens van den Boeddha.

[20] De boom, waaronder Boeddha tot het ware inzicht kwam.

[21] = Levensdrank onsterfelijk.

[22] Jaarlijks stierf de zonnegod als zonnepaard (ons sterrenbeeld aries = de ram) om volgens de Indiërs alle vleesch te redden. Vandaar ook het paardenoffer.

[23] M. a. w.: Wat is de oorzaak der wedergeboorte?

[24] M. a. w.: Waar de begeerte is gedood, daar wordt men van wedergeboorte verlost.

[25] Mahavagga I. 5. 2 enz.

[26] Teeken van eerbied.

[27] Zie blz. 50.

[28] Mahavagga I. 6. 10.

[29] "Voleindigde", titel waarmee Boeddha zichzelf noemde, evenals Jezus sprak van "de Zoon des Menschen".

[30] "Nirvana" een woord over welks beteekenis veel verschil is. De Boeddhisten duiden er het hoogste heil mee aan, dat boven alle lust is verheven.

[31] Hiermee worden bedoeld de vijf elementen, waaruit volgens het Boeddhisme de menschelijke persoonlijkheid bestaat. Zij worden ook wel genoemd de vijf Skandha's, en zijn: lichamelijkheid, gewaarwordingen, voorstellingen, neigingen en bewustzijn.

[32] In den zin van "begeerte".

[33] Hernieuwd bestaan.

[34] Een geijkte formule zijn deze woorden ook thans nog in het Boeddhisme.

[35] Feitelijk vormen de Boeddhisten, zooals wij nader zien zullen een monnikengemeente, doch ook als leek kon men den verlichte eeren en hem volgen op een afstand.

[36] Asceet.

[37] Men zie op blz. 51 en 52 Boeddha's bespiegeling onder den Bo-boom.

[38] getiteld: "De vraag van Upatisa" (een andere naam voor Sariputta.)

[39] Sanjaya's leerlingen.

[40] Rishi's, zie over hen blz. 8.

[41] Volgens het Boeddhistische geschrift "Dhamma pada", een verzameling, grootendeels van spreuken.

[42] Jataka: d. w. z. verhalen over vroegere levens.

[43] De leer, de wet.

[44] De Boeddhistische monniken hadden en hebben haar en baard afgeschoren.

[45] De oudste naam der Boeddhisten.

[46] Dat later het Boeddhisme de verdrukten hielp verlossen, zullen wij zien als wij over koning Açoka handelen.

[47] Zie blz. 63.

[48] d. i. kloosters.

[49] Zie bladz. 58.

[50] Het verhaal over Visakha in Mahavagga. VIII. 15.

[51] Maha Prajapati.

[52] Deze aanhaling zoowel als het thans volgend verhaal naar Digka Nikaya.

[53] H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma). vertaald door F. Ortt. 's-Gravenh. 1900.

[54] Volgens Anguttara Nikaya.

[55] Zie blz. 56.

[56] Een Cingaleesch Boeddhistisch geschrift.

[57] Dit is de waarschijnlijke afwerking van dezen niet afloopenden zin.

[58] De hooge verlichting in de rede.

[59] Ook Prof. Rhys Davis, die overigens daartoe wel geneigd is, erkent het geloof der oude Boeddhisten in een bovennatuurlijke kennis, Abhinna, en bovenzinnelijke vermogens, Iddhi. Men zie zijn Buddhism. 1899. pag. 174.

[60] Hier wordt geteekend "de kracht van vriendelijke gedachten", ook tegenwoordig wel bekend, waarop wij wellicht later nog terugkomen. Men zie ook blz. 76.

[61] Dhammapada.

[62] Dhammapada.

[63] Het licht van Azië. vert. door Dr. H. U. Meyboom. Amsterdam. 1881. blz. 166, 167.

[64] Zie bladz. 172. a. w.

[65] Bhikshu = bedelaar, Muni = zwijgende, omdat de monniken zwijgend rondgingen met hun aalmoezenschaal.

[66] Chineesch spreekwoord.

[67] De boven aangehaalde spreuken zijn aan verschillende Boeddhistische geschriften ontleend.

[68] Uit Mahavagga, deze rede zou gericht zijn tot de duizend kluizenaars van Uruvela.

[69] Men vergelijke ook op blz. 71 het gesprek met een Brahmaan over het ware offer.

[70] Uit Mahavagga.

[71] Uit Doedha-vitakha Sutta.

[72] Naar het water.

[73] Chineesche uitdrukking voor Nirvana.

[74] Soort van vergiftige slang.

[75] Een soort vogel.

[76] Of Iddhi = door haar in "verrukking van zinnen" te brengen.

[77] Letterlijk: oud man, een soort Boeddhistische heilige.

[78] Vrouwenverblijf.

[79] Indische wetboek van voor-Boeddhistischen oorsprong. Thans o.a. nog in Birma geëerd.

[80] Lieden die tot geen caste behooren, dus verachtten in de maatschappij.

[81] Soort muziekinstrument.

[82] Goudstukken.

[83] nl. Boeddha, Dharma, Sangha: de verlichte, de leer, de gemeente.

[84] Mahayana, groote overtocht, Hinayana, kleine overtocht. Alzoo heeten de twee scholen, waarin het oorspronkelijke Boeddhisme zich splitste en die beiden hun eigenaardige opvattingen en litteratuur bezaten.

[85] Açoka was koning over een deel van Indië in de 3e eeuw voor Christus.

[86] Rahat of Arahat: een, die niet meer wederom geboren behoeft te worden.

[87] Zie pag. 56.

[88] Samyuttaka Nikaya.

[89] Zie H. Fielding. De ziel van een volk, vertaald door F. Ortt. Drukkerij "Vrede" 's-Gravenh. 1900.

[90] Vgl. blz. 112.

[91] Dit Atman beschouwen zij als Brahma in den mensch, het goddelijke in ons, vgl. blz. 12, 13.

[92] n.l. diegenen, die als Makhali Gosala, zie blz. 74, gelooven dat het ik, na een aantal zielsverhuizingen doorgemaakt te hebben, 't zij goed of boos, in den dood ondergaat.

[93] Milinda is de Grieksche koning Menander, die ongeveer 100 jaar voor Christus leefde en Indië aan zich onderwierp.

[94] Zie blz. 95 enz.

[95] Uit Dhammapada.

[96] Cariya Pitaka. III. 15.

[97] M. a. w. naar alle vier de windstreken, zie blz. 78, waar hetzelfde onderwerp wordt aangeroerd.

[98] Cullavagga. VII. 3.12.

[99] Zie blz. 100, 101.

[100] Kant verhaalt dat hij door deze voortgezette oefening deelen van zijn lichaam, die anders niet onder de heerschappij van zijn geest stonden, kon beheerschen.

[101] Samyuttaka Nikaya. vol. I fol. gha.

[102] Ook dit verhaal naar Samyuttaka Nikaya. vol. II. fol. ja.

[103] Blz. 324. a. w.

[104] Geen slangendemon in menschengedaante.

[105] Een der oudere monniken, die hem voordraagt.

[106] Waarschijnlijk vertoefden de oudste volgelingen vooral onder boomen; doch ook tegenwoordig zijn de kloosters altijd met boomen omgeven.

[107] Zeer kleine munt.

[108] M. a. w. zich beroemen op zijn liefde tot een eenzaam, bespiegelend leven.

[109] De ziel van een volk blz. 175.

[110] Waarbij een monnik uit de heilige boeken voorleest.

[111] Pitaka's = korven, de drie heilige boekverzamelingen der zuidelijke Boeddhisten, waarvan het eerste handelt over Vinaya (de orde). Het tweede over Dharma (de leer), het derde over Abhidharma (het geloof). Ieder dier afdeelingen bestaat uit tal van geschriften. Vele zijn uitgegeven en vertaald in de verzameling "Sacred books of the East."

[112] Vlg. op bl. 70 het gesprek met Ananda.

[113] Cullavagga XI. 4.

[114] a. w. blz. 17.

[115] Zie blz. 119.

[116] Fielding a. w. blz. 108 en volg.

[117] Naam, dien Açoka droeg.

[118] Grafteeken, gedenkteeken.

[119] De bedoeling schijnt te zijn dat deze boomen 's nachts de monniken tot toevlucht zullen strekken.

[120] Over het laatstgenoemde zie bl. 109-111 van dit werk. Upatishya of Upatissa is een andere naam voor Sariputta, zie blz. 58 en 59.

[121] Waarschijnlijk waren er ook olifanten bij, die worden heel wat ouder dan menschen.

[122] Zie blz. 118 en 119.

[123] Woorden, die Boeddha zou geuit hebben, toen hem onder den Boddhiboom de verlichting ten deel viel.

[124] Zie blz. 126.

[125] deze zijn: 1 geen leven vernietigen. 2 niet stelen. 3 zich voor onreinheid wachten. 4 niet liegen. 5 geen bedwelmende dranken gebruiken. 6 niet op verboden tijden eten. 7 van dansen, zingen, muziek en tooneelvoorstellingen zich onthouden. 8 geen kransen, parfumerieën, zalven of sieraden gebruiken. 9 geen hoog of breed bed gebruiken. 10 geen goud en zilver aannemen.

[126] Vragen, het ontstaan der wereld betreffende.

[127] Toch had ook deze wijsheid, gelijk wij zien zullen, een "metaphysischen grondslag." Goed staatsburger zijn behoort ook tot het opvolgen van 's hemels ordeningen.

[128] Daar is thans nog de groote tempel ter eere van Confucius, waar den heiligen ouden wijze geschenken worden gebracht.

[129] Wij vergeten daarbij echter het woord niet, dat niemand groot is voor zijn kamerdienaar.

[130] Mannen van rang dragen twee zwaarden.

[131] Hsiao-king.

[132] Tahio.

[133] Chung yung.

[134] Daarom offeren ook gesnedenen, die in hun jeugd door de ouders verkocht zijn om hen te laten ontmannen, aan de gestorven ouders niet, daar dezen hun de vervulling van den plicht der kinderlijke liefde onmogelijk gemaakt hebben. Volwassenen, die zichzelf voor dit doel verkocht hebben, brengen die offers wel: evenals de Boeddhistische (uiteraard ongehuwde) priesters.

[135] De Cynici vormden een wijsgeerige school in het oude Griekenland. Zij versmaadden alle beschaving en trachtten naar den grootsten eenvoud: men denke aan Diogenes en zijn ton!

[136] Diogenes leefde in de 4e eeuw v. C. Van hem is bekend dat hij den strengsten eenvoud betrachtte: een ton was zijn woning. Van Alexander den Groote vroeg hij als gunst slechts dat de vorst wat op zijde zou gaan om hem niet te berooven van 't genot van den zonneschijn.

[137] Zie blz. 165.

[138] vgl. Ev. n. Johannes, hfdst. I.

[139] "Jehovah". Een juistere uitspraak is Jahve.

[140] Zie blz. 176 enz.

[141] Wij zouden hier eerder "bemoeizucht" verwachten.

[142] of liever Boeddhistisch in den geest van "den grooten overtocht", het latere, sceptische Boeddhisme, zie blz. 118 en 119.

[143] Alchimie = het zoeken van den steen der wijzen, necromantie = het bezweren der dooden.

[144] Dat de mensch in een droom of onder suggestie in een ongelooflijk korten tijd veel kan doorleven is een feit, door nieuwere onderzoekingen bevestigd.

[145] De aanhangers van Confucius en Mencius.

[146] de Taipings, die in 1864 van zich deden spreken, wilden de Mandschoe dynastie verdrijven en het zuiver Chineesche element op den voorgrond stellen. De gansche beweging werd echter in bloed gesmoord.

[147] men zie over het Lamaïsme blz. 150 enz. van dit werk.

[148] incubi zijn geesten, die als mannen met vrouwen den bijslaap uitoefenen, succubi zijn geesten, die dit als vrouwen met mannen doen.

[149] deze laatsten wilden wel de Joodsche traditie handhaven, doch hadden zeer veel aan de denkbeelden der Grieken ontleend en in hun philosophie opgenomen.

[150] de vertegenwoordiger van het "gewijzigde" Confucianisme, zie blz. 182, 216 en 221.

[151] Zie blz. 216 enz.

[152] In China zijn geen wettig aangestelde advocaten, daardoor werden rechtszaken behandeld door "winkeladvocaten", die niet zeer in eere staan, doch bij domme menschen toch maar al te veel invloed hebben. In de omschrijving van deze sententie worden zij geducht doorgehaald, o. a. dit: heeft men ooit gehoord dat een dezer lieden een natuurlijken dood stierf? (m. a. w. zulke ellendelingen treft des hemels straf).

[153] Zooals men weet leeft de zijderups op den moerbeiboom.

[154] Met die valsche leeringen wordt niet alleen op het Taoïsme en het Boeddhisme, maar ook op het Christendom, bepaald in zijn Roomsch-Katholieken vorm gedoeld. Over het Christendom handelt deze omschrijving: "Zelfs de leer van de "secte van den heer des hemels" (zoo noemen de Chineezen het R. K. geloof) die over den hemel spreekt en over de aarde zwetst en over dingen zonder schaduw en wezen, is valsch en bedorven. Dewijl echter de leeraren van dezen godsdienst met de sterrekunde bekend zijn en in de wiskunde ervaren, gebruikt de regeering hen om den kalender te verbeteren. Dat bewijst echter bij lange niet, dat hun godsdienst goed is. Gij moet hen tot geen prijs geloof schenken. De wet is streng tegen al deze valsche secten. De straf die hen treft is dezelfde als die voor mannelijke en vrouwelijke toovenaars is vastgesteld. De regeering heeft deze wet uitgevaardigd om het volk te verhinderen kwaad te doen en het aan te moedigen goed te doen, van verdorvenheid te wijken en tot de waarheid terug te keeren, gevaar te vermijden en rust te verkrijgen."

Deze uitspraak is een van de krachtigste hindernissen, die de toelating van het Christendom in den weg staan en misschien nog lang zal nawerken.

[155] de bedoeling is deze: iedere klasse heeft hare eigene bezigheid, waaraan zij vast moet houden: de geleerde, de landman, de handwerksman, de koopman. Doen zij dat niet, dan ontbreekt hun bestendigheid, en al arbeiden zij ook den ganschen dag, zoo brengen zij toch niets tot stand. Daarom moet ieder vasthouden aan datgene, wat hij eenmaal begonnen heeft. Behalve de vier zooeven genoemde klassen zijn er nog soldaten--verder nog een klasse van arme lieden, die geen land hebben om te bebouwen, geen geld om handel te drijven, en die geen handwerk hebben geleerd. Tot dezen wordt hier gezegd: "Gij kunt niet anders dan u als daglooners verhuren om in uw levensonderhoud te voorzien, uw rug en uw schouders moeten dragen, weest echter eerlijk en vlijtig, en noch aan eten noch aan drinken zal het u ontbreken."

[156] Tien of honderd familiën vormen eene vereeniging, die solidair voor elkaars medeleden verantwoordelijk is. Zoo worden b.v., als iemand een deserteur heeft geherbergd, de vijf huizen rechts en de vijf huizen links medegestraft. Toen er in 1891 opstand in Mongolië was, werd deze organisatie weer in herinnering gebracht en scherp doorgevoerd. In ieder huis moest een tafel zijn, waarop de namen van alle bewoners van het huis stonden vermeld.

[157] Trigrammen, uit drie, hexagrammen, uit zes letters bestaande teekens, waaraan men een geheimzinnige waarde toekende. Zie ook blz. 221 en 222.

[158] 220-205 v. C.

[159] deze leefde van 371-288 v. C.

[160] Zie blz. 180.

[161] zie bladz. 228 enz.

[162] Zie blz. 191.

[163] Zie blz. 202 enz.

[164] Zie blz. 193 enz.

[165] Iran omvat de landstreek tusschen den Indus ten oosten en de Tigris en Euphraat ten westen, den Oxus ten noorden en de Perzische golf ten zuiden. Perzië en Medië vormen hiervan gedeelten.

[166] Anquetil du Perron. Zend-Avesta, ouvrage de Zoroastre en 3 vol. 4o, Paris 1771.

[167] zij zijn: de oude Gatha's, de jongere Gatha's en het jonger Avesta.

[168] zie bladz. 8 en 9 van dit werk.

[169] Yasna 44, 3-7.

[170] Yasna 31, 11.

[171] Yasna 44. 3, 4, 7.

[172] zie blz. 8.

[173] zie bladz. 250 enz.

[174] Zij zijn dus: Vohumano, Asa, Armaiti, Khsatra, Haurvatat en Ameretat.

[175] zie blz. 251.

[176] Dit gebed luidt: Waar het gewenschte (ware) leven is, daar is de ordening uit gerechtigheid (Asa), die de daden des levens van vromen zin schept en behoort aan Mazda Ahura het rijk, dat hij geschapen heeft tot bescherming der vervolgde geloovigen.

[177] Zie blz. 251.

[178] Tevens vuurgod en wel god van het bliksemvuur, dat de bovenaardsche wateren doet stroomen.

[179] Hemelsche geesten.

[180] De onderdanen van koning Yima, de menschen der oudheid, werden niet ouder dan dien leeftijd: zij hadden een eeuwige jeugd.

[181] Zie Brahmanisme, blz. 8.

[182] Vayua, de god van den dampkring, is slechts aanbiddelijk voorzoover hij tot Asa's rijk behoort.

[183] of: na.

[184] In den hier aangehaalden tekst wordt gedacht aan dienaren van Mazda, die zelfs hun bebouwde velden en de heilige stroomende wateren verlaten om niet met de daevadienaren besmet te worden.

[185] Het zaad en de adem hadden ook hun kracht aan het vuur te danken. Bij het gebed hield de Mazda-dienaar een linnen doek voor den mond om het "vuur van den adem" zuiver te houden.

[186] Zie Brahmanisme blz. 11.

[187] Dakhma's geheeten.

[188] "Kibleh", letterlijk: het tegenovergestelde, dus: het tegenbeeld. We denken hierbij aan een bekend Hervormd Kerkgezang, namelijk Gezang 15:1, daar heet het o.a. van de zon: "Zij is de spiegel, die ons 't beeld, Van uwe volheid mededeelt En uitlokt tot vertrouwen."

[189] Drie dagen lang liet men een lijk geheel onaangeroerd. Volgens het Zend-Avesta was eerst daarna de scheiding tusschen lichaam en ziel volkomen.

[190] Prof. C. P. Tiele kwam tot dezelfde resultaten in zijn werk "Geschiedenis van den Godsdienst in de Oudheid", Deel II. 1ste helft. De godsdienst onder de Iranische volken.