De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 27
Daarop stichtte in 1849 Dabadhaï Naoroja, (een van de voormannen van het nieuw Parzisme, waaraan ik deze mededeelingen ontleen), ten einde meer invloed uit te oefenen, met andere jonge mannen scholen voor meisjes. Zij noemden zich: "Letterkundige en Wetenschappelijke Studentenvereniging." Deze Dabadhaï Naoroja kwam toen juist van de academie. Hij en zijne vrienden gaven 's morgens en 's avonds les en hadden eerst niet weinig tegen de vooroordeelen van de meerderheid van hun volk te strijden. Doch, zij hielden vol; aanzienlijke jongelieden kwamen hen helpen en de scholen kwamen tot gevestigden stand.
Ook hield men lezingen en stichtte men een Parzistisch weekblad. In 1851 werd eene vereeniging gesticht, met den straks genoemden Dabadhaï Naoroja als secretaris, die ten doel had het Mazdeïstische geloof van Hindoesche en Mohammedaansche toevoegselen te zuiveren en, door nauwgezette studie der gewijde boeken, tot zijn oorspronkelijke zuiverheid terug te brengen. Deze vereeniging heette "Rahanumai Mazdiashná" (gids voor de vereerders van éénen God).
Er was tegen deze vereeniging een groote vijandschap: zelfs werd een tegenvereeniging opgericht, die echter spoedig bezweek. Waar het echter gold met Hindoesche en Mohammedaansche ceremoniën te breken, daar was er groote tegenstand bij de vrouwen, zusters en moeders: die toch immers in het huisgezin den toon aangeven. De meisjesschool evenwel had ook in dezen groot succes. Daar leerden deze meisjes immers dit alles als vooroordeel of bijgeloof kennen. Zij kwamen daardoor van zelf in verzet. "Neen, moeder," zeiden zij, de kleine schouders ophalend, "dat is ons geloof niet, dat is niet goed, dat is bijgeloovig." En--de moeder luisterde naar het kind, als zij naar man of broeder niet wilde hooren.
Sedert dien tijd zijn twee geslachten voorbij gegaan. Die kinderen zijn nu zelf moeders en zij zetten de aangevangen hervorming voort.
Ook nog een andere belangrijke schrede tot hervorming werd ongeveer 1853 gedaan. Men weet, dat het oude Parzisme de vrouwen volstrekt niet achterstelde. Evenwel, onder vreemden invloed was er ongelijkheid gekomen: de vrouwen werden weinig geteld. De straks genoemde leider en anderen gingen nu familiesamenkomsten houden en maaltijden, waarbij ook de vrouwelijke leden der familie tegenwoordig waren. Inderdaad hielp dit. Trouwens men kon zich ook beroepen op de volgende woorden van Zarathustra, in de Zend Avesta aangehaald:
"O gij bruiden en bruidegoms, mannen en vrouwen, ik zeg u deze woorden: Leeft in éénen geest; doet te zamen uw godsdienstige plichten in zuiverheid van gedachte, leeft met elkaar in waarheid en door deze dingen zult gij zeker gelukkig worden."
Ook het hebben van meer dan eene vrouw, welk misbruik hier en daar was ingeslopen en wel in dezen vorm, dat men zijne vrouw wegzond om eene andere te nemen, liet men niet onbestreden. Men wist, met eenige moeite, een wet te verkrijgen, waarbij de Parsi's in dezen met dezelfde straffen werden bedreigd als de Engelsche onderdanen.
Ook tegen de, volgens Indische zede gebruikelijke, ook onder de Parsi's ingeslopen kinderhuwelijken trad men op. En wel met zooveel succes, dat ze thans onder hen voornamelijk in Bombay, bijna niet meer voorkomen.
Zoo kwam er dus onder de Parsi's meer belangstelling in hun oude geloof. Evenwel, men bleef geenszins bij de letter daarvan hangen.
Onder den invloed van "Rahanumai", de straks genoemde vereeniging, kwam men er toe, die oude geschriften meer opzettelijk te onderzoeken. Dit leidde tot de volgende resultaten: [190]
Vele boeken, tot nu toe voor kanoniek gehouden, waren dit niet. Met uitzondering van de Gatha's gaven de oude boeken niet weer de woorden van Zarathustra, noch van zijne leerlingen. Verder: de godsdienst van Zarathustra werd uit een radicale hervorming geboren: tegenover het polytheïsme predikte deze den dienst van den grooten, verhevenen God als het begin en einde van den waren godsdienst. Hij alleen was de gever van alles. De oude goden en geesten verwierp de profeet, om zich alleen tot God te richten. "U en u alleen", sprak hij, "ziet het oog mijner ziel." Het monotheïsme van Zarathustra was ondubbelzinnig, eveneens zijne leer van maar eene vrouw te huwen.
De tegenwoordig Parsi studenten houden vol dat, de boeken van het Avesta (behalve de Gatha's) door priesters zijn saamgevoegd, die na den dood van Zarathustra de oude geesten weer in eere herstelden, zij het ook in ondergeschikte positie: die geesten, welke men onderstelde over het water, het vuur, de aarde en alle groote scheppingen der natuur te regeeren. Ook maakten die priesters, zoo leeren zij, een ritueel en ceremoniën, die voor hen het meest voordeelig waren. Voorts maakten al de aanroepingen van verschillende geesten geen deel uit van den godsdienst van Zarathustra.
Zij--de tegenwoordige beoefenaars der gewijde Perzische letterkunde--oordeelen dat de Parsi's moeten terugkeeren tot den oorspronkelijken geestelijken, eenvoudigen, zuiveren godsdienst der eerste tijden--en dat uit Zarathustra's woorden volgt, dat slechts de eeuwige beginselen van de regeering van éénen God, zuiverheid in gedachten, woorden en werken voor altijd bindend zijn. Alle gewoonten, ritueel en ceremoniën, aangenomen volgens tijdsomstandigheden, plaats en beschaving, kunnen veranderd worden, naardat de stoffelijke en geestelijke behoeften der gemeenschap dit eischen.
Daarop leggen de tegenwoordige leiders dan ook den vollen nadruk. Blijven zij dat doen, dan kan zeker de betrekkelijk kleine kring van Parsi's in Indië, 84,000 op 254 millioen, als zij waarlijk strijdt voor waarheid, gerechtigheid en deugd toch een in menig opzicht heilzamen invloed uitoefenen.
En ook voor ons westerlingen--vaak zoo ver van natuur en waarheid verwijderd--kan het niet anders dan gunstig werken om met den verhevenen, en toch practischen godsdienst van Zarathustra kennis te maken.
Trouwens, de oude Perzen behooren ook tot onze geestelijke voorouders: hun leer van den duivel en de opstanding, van het wereldgericht en de reiniging der boozen, heeft door het Jodendom heen tot in het Christelijk denken zich een plaats verworven. Steeds klaarder komt dit door de nieuwere onderzoekingen aan het licht.
Doch hierop leggen wij nu niet den nadruk. Het leven des menschen een strijd tegen het booze, waarin God hem ter zijde staat, een strijd, die goede vruchten moet en zal dragen, het ware leven geen sombere ascese, maar ijverig arbeiden in de maatschappij: geen dwaze verachting van de wereld der zinnen, maar heiliging van al het aardsche in den geest der gerechtigheid--zie, dat zijn de onsterfelijke waarheden, ons door Zarathustra toegeroepen. Houden wij die in eere!
BIBLIOGRAPHIE.
G. H. Lamers. De wetenschap van den godsdienst. (Historisch deel), in Nieuwe Bijdragen voor Godgeleerdheid en Wijsbegeerte deel VII en deel IX.
P. D. Chantepie de la Saussaye. Lehrbuch der Religionsgeschichte. Freiburg 1887. J. C. B. Mohr.
P. D. Chantepie de la Saussaye. Vier schetsen uit de Godsdienstgeschiedenis. Utrecht. C. H. E. Breijer 1883.
Religious Systems of the World (a collection of addresses). London. Swan Sonnenschein & Co. 1901.
Monier Williams. Religious Thought and Life in India. Part I. Vedism, Brahmanism and Hinduism. London. John Murray. 1883.
H. Oldenberg. Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. Berlin. W. Hertz. 1881.
T. W. Rhys Davids. Buddhism. London 1899. (Society for promoting Christian Knowledge).
A. Lillie. Buddha and Buddhism. Edinburgh. T. Clark. 1900.
E. Arnold. Het licht van Azië, vertaald door Dr. H. Meyboom. Amsterdam 1881.
H. Fielding. De ziel van een volk. (Het Boeddhisme als volksgeloof in Burma) vert. door F. Ortt. 's Gravenhage. "Drukkerij Vrede" 1900.
M. von Brandt. Die Chinesische Philosophie und der Staatsconfucianismus. Stuttgart. Strecker & Moser 1898.
C. P. Tiele. Geschiedenis van den Godsdienst in de oudheid. Deel II (de Iranische volken). Amsterdam. P. N. van Kampen & Zoon 1895.
A. Brodbeck. Zoroaster. Leipzig. W. Friedrich. 1893.
G. de Lafont. Les grandes religions (le Mazdeïsme). Paris Chamuel 1897.
F. Justi. Geschichte des alten Persiens. Berlin. G. Grote. 1879.
INHOUD.
Bladz.
VOORREDE 1-4
Het Brahmanisme 5-37
I. Het Brahmanisme; zijn oorsprong, karakter en eigenaardigheden 5-15
Verhouding van Israëlietischen en Christelijken godsdienst en van Brahmanisme en Boeddhisme.--Pantheïstisch karakter van het Brahmanisme, bij polytheïstisch voorkomen.--Oorsprong van het Brahmanisme. Stamland der oude Indiërs, hun goden en godsvereering, Rishi's, Varuna, Agni, Indra, Surya, verwantschap der goden.--Onsterfelijkheidsgeloof. Yama.--Kastenwezen.--De Veda's.--Ontwikkeling, van den Vedischen godsdienst onder de leiding der Brahmanen, waarde van het offer, zielsverhuizing. Atman, Brahma, het leven van den Brahmaan als leerling, huisvader en kluizenaar.--Opkomst eener philosophisch-ascetische richting, hoe deze zich met het volksgeloof verstond.
II. Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing 16-28
Brahmaansche godenleer, Brahma, Vishnoe en Siva, hun incarnaties, karakter en vereering.--Esoterische opvatting van het Brahmanisme.--Einddoel, waarnaar men streeft.--Vedanta en Sankhya.--Ramayana en Mahabharata, Valmiki, Visvamitra, Yayati. --Op den drempel van het Boeddhisme.
III. Gezuiverd Brahmanisme in den nieuweren tijd (de Brahmo-Samaj) 28-37
Vroegere pogingen tot hervorming.--Karakter der nieuwere beweging.--Rammohun Roy.--Zijn optreden tegen de afgoderij.--Strijd tegen weduwenverbranding.--Zijn streven. Verhouding tot het Christendom.--Eeredienst.--Stichting der Brahmo Samaj.--Zijn dood.--Debendra-nath.--Zijn beginselverklaring.--Liturgie.--Verdeeldheid.--Vier grondbeginselen.--Voornaamste punten der leer.--Narain Bose.-- Keshab Chander Sen.--Zijn doel.--Zijn jeugd.--Toetreding tot de broederschap.--Zijn radicalisme.--Sociale hervormingen, die hij voorstond.--Scheuring en vereeniging der meer vooruitstrevenden in een nieuwe vereeniging.--Program.--Godsdienstoefening. --Mozoomdar.
Het Boeddhisme 38-154
I. Het leven van Boeddha tot aan zijn openlijk optreden 38-54
Het Boeddhisme in het Brahmanisme voorbereid.--Zijn verspreiding. --Zijn uiteenloopende opvatting.--Quaestie over het historische der Boeddha-figuur.--Waarheid en verdichting gemengd.--Boeddha's geboorteplaats.--Wat over zijn jeugd vaststaat.--Zijn wonderbare geboorte.--Asita.--De vier voorteekens.--Voorzorgen van zijn vader.--De vier voorteekenen verschijnen.--Pogingen om de hoogere roeping van Boeddha te vernietigen.--Hemelgeesten sterken hem.-- Hij ziet de verleidelijke vrouwen in haar ware gestalte.--Geboorte van Rahula.--Boeddha's strijd.--Zijn besluit.--Zijn vertrek.--Wat Mara hem voortoovert.--Boeddha bij de kluizenaars.--In 't woud.-- Einde zijner zelfkastijding.--Zijn vijf leerlingen verlaten hem.-- Zijn strijd en overwinning onder den Bo-boom.--Zijn verlichting. --Aarzeling om de leer te prediken.
II. Boeddha als prediker van den weg des heils 54-87
Boeddha in het wildpark bij Benares.--De vijf vroegere leerlingen. --Prediking van de vier heilige waarheden en van het achtvoudig pad.--Bekeering der vijf asceten.--Van Bimbisara.--Van Sariputta en Mogallana.--Verzet des volks tegen de Boeddhistische ascese. --Boeddha ontmoet zijn vader.--Ziet Yaçodhara terug.--Boeddha in zijn dagelijksch leven.--Gelijkheid in den kring der leerlingen. --Velen van hen zijn aanzienlijken.--Sunita, leerling uit geringen stand.--Boeddhisme een democratische beweging?--Ananda, de meest geliefde leerling.--Devadatta, de verrader.--Leekenvrienden en vriendinnen.--Visakha.--Haar zorg voor monniken en nonnen.-- Boeddha's denkbeelden over de vrouw.--Gesprek daarover met Ananda --Nonnen minder dan monniken geacht.--Boeddha's strijd tegen de Brahmanen.--Boeddha over het offeren.--Boeddha tegen zelfkastijding.--Boeddha geen "vrijdenker" of "atheïst".-- Getuigenissen daarover.--Boeddha's gesprek met Vasettha over de vereeniging met Brahma.--Boeddha en de schoone zondares.--De vergeldingsleer (Karma).--Aantrekkelijkheid van Boeddha's persoon: zijn figuur geen schepping der verbeelding.--Boeddhistische spreuken.--Boeddha's laatste levensdagen en dood.
III. Boeddha's onderwijs, Boeddhistische redenen en gelijkenissen 87-111
Waarde in het Boeddhisme aan "de leer" gehecht.--Boeddha's onderwijs vooral tot het verstand gericht.--Rede over den gloed der zinnen. Voor niet-ingewijden opklimming van af het eenvoudige tot het hoogere.--Onderricht door vragen: gesprek met Sona,-- Gelijkenis van den waren en verkeerden weg.--Gelijkenis van de vergeving.--Gelijkenis van den godloochenaar.--Gelijkenis van Kisagotami.--Geschiedenis van prins Kunala.--Boeddha op een huwelijksfeest.--Geschiedenis van het meisje Bhadra.--Koning Wessantara.--Koning Bambadat.--De hongerige hond.--Boeddha als vredestichter.--De verloren zoon.--De vrouw aan de bron.-- Geschiedenis van Vasavadatta.--Gelijkenis van het brandend huis. --Gesprek met Rahula over valschheid.
IV. Hoofdpunten van Boeddha's leer 111-119
Hoofdzaak: bevrijding van het lijden.--Schildering der Samsara. --Er is echter verlossing.--Stemming der Boeddhisten in leven en sterven.--"Dorst" de oorzaak van het lijden.--Hoe Boeddha de zielsverhuizing opvatte?--Hoe Nirvana?--De ketterij van Yamaka: conclusie.
V. De weg des heils 119-124
Stations op den weg des heils.--Rechtschapenheid.--De vijf geboden.--Geestelijke oefening in welwillendheid.--Bekeering van Roja.--Geschiedenis van Sama.--Beheersching der zinnen.-- Opmerkzaamheid.--Mara, zijne verzoeking van Boeddha.--Gelijkenis van den schildpad.--Voorsmaak van het hoogste heil hier op aarde: extase.--Boeddha's persoon op den achtergrond.
VI. Het Boeddhisme in de praktijk 124-139
Boeddhistische monniken geen tusschenpersonen tusschen hemel en aarde.--Geen hiërarchie.--Wie van de (monniken) gemeente zijn uitgesloten.--Opname als monnik (Pabbaja en Upasampada).--De vier gestrenge regelen.--De vier groote verboden.--Gelofte niet voor altijd.--Goede daarin.--Tucht van het publiek.--Dagelijksch leven der monniken.--Onderricht der jeugd.--Aanzien, waarin zij staan.--Biechtsamenkomsten.--Biechtformule (Patimokha).--De regentijd.--Hoe die werd doorgebracht in de oudheid.--Hoe thans in Birma.--In Ceylon.--Voorlezing op Zondag uit de H. S.--Vier heilige plaatsen.--Boeddhistische nonnen.--Haar onderworpenheid aan de monniken.--De vrouwen tegenover Boeddha's leer.--Haar gebed.--Boeddhistische leeken.--Hun levensopvatting. --Afkeer van den oorlog.--Individueele op den voorgrond.--Opvattingen over vergelding en boete.--Hoe zij staan tegenover den dood.-- Waardeering der Boeddhistische leer.
VII. De voortgang en ontwikkeling van het Boeddhisme 139-149
Hoofdpunten, hierbij te bespreken.--Oude concilie's.--Van Rajagriha, Vaisali, Patna.--Açoka.--Zijn opschriften.--Açoka's hervormingen op godsdienstig en maatschappelijk gebied.--Zijn liefde voor den innerlijken godsdienst.--Zijn afkeer van den oorlog.--Bescherming van dieren.--Zorg voor kranke menschen en dieren.--Bepalingen ten gunste der monniken.--Het leven der monniken in zijn dagen.--Godsdienstige feesten.--Zendelingen. --Stupa's.--Concilie van Patna (244).--Heilige teksten.--Drie Pitaka's.
VIII. Uitbreiding en ontaarding van het Boeddhisme 149-154
Uitbreiding over Ceylon, Birma enz.--Ondergang in Indië.--Oorzaken daarvan.--Het Boeddhisme in Tibet.--Overeenkomst met het Roomsch-Catholicisme.--Beschrijving eener godsdienstoefening in de kathedraal van Lhassa.--Slot.
De Chineesche philosophie 155-245
I. Inleiding 155-158
Hoofddoel van deze uiteenzetting.--Het oude en standvastige der Chineesche beschaving.--De twee hoofdrichtingen der Chineesche philosophie.--Strijd van Confucianisme en Taoïsme.--Overwinning van Confucius.--Vreemde invloeden in het Confucianisme zelf.--Wat aan het Confucianisme het overwicht gaf.--Oud-Chineesche wijsgeer-profeten.--Keizer Wuwang (1110 v. C.)--Zijn fout.
II. Confucius, zijn leven en leer 157-178
Zijn geboorte, naam, familie.--Zijn jeugd en huwelijk.--Bekleedt verschillende betrekkingen.--Zijn roem.--Confucius' vlucht uit Lu.--Keert terug.--Wordt beambte der stad Chungtu.--Klimt ten slotte tot minister van justitie op.--Valt in ongenade.--In ballingschap.--In 483 in Lu terug.--Zijn dood en laatste woorden.--Eerst lang na zijn dood in eere.--Ten slotte afzonderlijke tempels voor hem.--Ook thans bij de Mandschoe regeering zeer geëerd.--Confucius' leer niet nieuw.--Stelde het ordelijke, regelmatige op den voorgrond.--Afkeer van bespiegeling over 's menschen toekomst.--Confucius' nauwgezetheid en vormelijkheid.--Welken indruk wij van zijn persoon krijgen.--Zijn ontmoeting met Lao-tsze.--Oordeel van Taoïstische werklieden.--Confucius en de roover Kih.--Oordeel van Wang-Chung.--Oordeel zijner leerlingen.--Confucius kind van zijn tijd en volk.--Kritiek van zijn leerling Tsze lu.--Zijn grief, dat hij miskend werd.--Zijn zwakheid.--Zijn leer der wederkeerigheid.--Zichzelf en anderen opvoeden.--Opvatting van gehoorzaamheid.--Kinderlijke liefde begin van alle deugd.--Aanprijzing van zelfopvoeding.--Goed voorbeeld geven.--Zijn ware natuur volgen.--Harmonie bewaren.--Anderen behandelen, zooals men zelf behandeld wil zijn.--Ideaal van den wijze.--Fouten zoeken in zichzelf.--De vijf wederkeerige plichten.--De drie eigenschappen.--Waardoor zij uitgeoefend worden.--Negen regels voor de beheerschers des rijks.--Vorm, waarin Confucius zijne leer kleedt ook niet oorspronkelijk.--Wat Confucius eens op een beeld las in 517 v. Chr.--Verval van Confucius' leer na zijn dood.
III. Mencius 178-190
Zijn jeugd.--Zorg zijner moeder.--Zijn leerjaren.--Leeraar.--Politiek hervormer.--Mencius' ontgoocheling.--Ambteloos burger.--Zijn dood.--Canonisatie.--Verschillend karakter van Confucius en Mencius.--Mencius' strijd tegen Cynici en Mihisten.--Mencius' democratie.--Zijn erkenning van de waarde der Chineesche beschaving.--Zijn leer der "voorbeschikking".--Acht den mensch van nature goed.--Leer van Han yü en Chu hi over 's menschen natuur.--De vijf en de drie dingen, in strijd met de kinderlijke liefde.--Mencius tegenover de secte van Shin nung.--Erkent de waarde van elken heilzamen arbeid, vooral van dien des wijzen.--Zijn vijf eischen ten opzichte van het staatsbestuur.--Komt op tegen uitbuiting des volks.--Zijn strijd tegen Mih ti's leer der algemeene liefde.--Leer van Mih ti.--Hoe Mencius dit systeem omverwierp.--Mencius' strijd tegen den Taoïst Yang Chu (pessimist).--Mencius' leer over de "hartstocht".--Verwante denkbeelden bij den psycholoog Ribot.
IV. Lao tsze 190-202
Zijn geboorte.--Latere verdichtselen daarover.--Zijn werk Tao teh king. Ook Lao tsze slechts bewaarder der oude leer.--Het Tao.--Wat daaronder te verstaan?--Iets onpersoonlijks.--Getuigenis van Lao tsze, van Huai nan tsze.--Tao de natuur (natura naturans).--Taoïsten over de wording van het heelal (Chwang tsze).--Vergeleken met hedendaagsche beweringen.--Uitspraak van Lieh tsze over Tao als het ongeschapene.--Verhouding van Tao en God.--Evolutie door de Taoïsten erkend.--Plaats van den mensch in het heelal volgens het Taoïsme.--Beschouwing van den dood.--Van 's menschen roeping.--De "hemelsche" natuur te volgen.--Niet "actief" zijn.--Hoe dit leidde tot ander politiek en sociaal optreden dan van Confucius en de zijnen.--Lao tsze prijst rust en nederigheid aan.--Overeenkomst met Confucius in lof der oudheid en afkeer van druk.--Lao tsze wil weinig regeeren.-- Hoe hij de ontaarding der regeering schetst.--Zijn regeeringsideaal.-- Zijn aanprijzing van rust.--Droefgeestig beeld van zijn eigen persoon.
V. Chwang tsze, Lieh tsze, Yang Chu en de ontaarding van het Taoïsme 202-215
Chwang tsze en de vorst van Tsu.--Hoe hij begraven wilde worden.--Valt Confucius en diens leer scherp aan.--Waarschuwing tegen acht gebreken en vier fouten.--Keurt af Confucius' rusteloosheid en bemoeizucht met anderen.--Gispt de veeleischendheid der tegenwoordige heerschers.--Chwang tsze over den dood.--Chwang tsze en de schedel.--Zijn besef van het onbevredigende des levens.--Lieh tsze.--Het betrekkelijke der kennis (de krankzinnige).--De man uit Yin (het vergankelijke).--Tchung lu tsi, de man uit Ki en Lieh tsze spreken over het vergaan der wereld.--Lieh tsze over leven en dood (het doodshoofd).--Yang Chu.--Het korte leven dat zooveel droefs heeft.--Onbezorgd genieten.--Keizer Muh en de Magiër.--Keizer Tsin Shi Wang Ti geeft zich aan Taoïstische kunsten over.--De Taoïstische "doktoren der rede" en het bijgeloof.--De Taoïstische paus.--Invloed van het Taoïsme op het volk.
VI. De "geleerden" tegenover Taoïsme en Boeddhisme 215-227
Argumenten van weerszijden gebezigd.--Het onbloedige der vervolgingen.--Boeddhistische wijsbegeerte ten slotte zelfs in de zedeleer der "geleerden" ingedrongen.--Oud en nieuw Confucianisme.--Het heilige edict (tegenover Tao en Boeddha).--Het groote plan van Ho en de rol van Loh.--Reactie tegen het inkruipen van Taoïstische en Boeddhistische leeringen in het Confucianisme.--De Mandschoe regeering en het Confucianisme.--Het heilige edict, overwegingen, afkondiging, indeeling, verklaringen, pogingen om het populair te maken.--Zijn 16 sententiën.--Waarde van het Staats-Confucianisme.--Schaduwzijde.
VII. De klassieke boeken der Chineezen 227-243
De vijf groote en de vier kleine klassieken.--De dertien klassieke werken.--Nog drie andere klassieken.--Geijkte verklaringen.--I-king.--Shu-king.--Shi-king.--Chau-li.--I-li.-- Li-ki.--Chun Chiu.--Lun-yü.--De werken van Mencius.--Hsiao-king. --Het wonderboek Urhya.--Tahio.--Chung-yung.--Tshu-shu.--Kung tsze kia yu.
Werken der Taoïsten: Tao teh king.--Commentaren.--Kwan yin tsze.--Werken van Lieh tsze en Chwang tsze.--Liu Ngan (Huai nan tsze).
Oorzaken der gapingen in de klassieke literatuur.--Vernietiging der boeken door de dynastie Tsin.--Voorstelling van Sze ma tsien.--Latere "bibliotheek-rampen".--Verdienste der Chineesche geleerden.--Vervalschingen.--Schade in den nieuwen tijd.--Slecht onderhoud der bibliotheken.--De ijver der Chineesche letterkundigen te prijzen.--Besluit.
Het Mazdeïsme 244-278
I. Inleiding 244-248