De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 26

Chapter 263,738 wordsPublic domain

De boozen gaan alzoo naar de plaats des verderfs, de dienaars van Mazda naar den hemel. Hoe echter dacht men over de toekomst der aarde en die der op haar wonende menschheid? Een oude voorstelling is deze: Aan het einde van de twaalf duizendjarige perioden der wereldgeschiedenis zal Mazda, door de Amesa-Spenta's geholpen, de wereld herscheppen.

Dan zullen de menschen niet meer verouderen of sterven, maar eeuwig leven en bloeien. De dooden zullen opstaan, zielen en lichamen worden vereenigd en de levenden gaan tot de onsterfelijkheid in, de wereld wordt herschapen naar den wil van Mazda in de ordeningen van Asa. Alle booze machten worden ten onder gebracht en vernietigd en de oorsprong van alle kwaad, Anro mainyu, trekt zich in wanhoop terug.

Deze groote gebeurtenis der tweede schepping wordt reeds door de drie voorafgaande wereldeeuwen (van 1000 jaren elk) voorbereid. Elk van deze drie tijdperken heeft zijn Saosyant (heiland, Messias). Deze drie Messiassen, waarvan de laatste de grootste, de eigenlijke wereldvernieuwer is, worden geboren uit het zaad van den grooten profeet Zarathustra, sinds eeuwen bewaard in het meer Kasaya, welk zaad drie jonge maagden, in het meer badend, in zich opnemen. De eerste verlosser heet: de groeiende gerechtigheid, de tweede: de groeiende aanbidding, de derde: de belichaamde gerechtigheid.

De laatste heiland aanschouwt met zijn verstandigen zegenenden blik de wereld en dit reeds is genoeg om haar onsterfelijk te maken. De vromen zijn zijne helpers: zij die, steeds goed in denken, spreken, handelen en gelooven, nooit hun woord hebben gebroken. Voor hen te zamen neemt de demon Aesma de vlucht. Dan nemen ook de hemellingen deel aan den strijd. Asa beslist den slag door de Drukhs: de moeder van alle kwaad, de duistere bij uitnemendheid, te dooden. Wel valt Akem mano, de booze gezindheid, nog aan, doch Vohumano verslaat hem, de waarheid overwint de leugen en Haurvatat en Ameretat maken aan honger en dorst voor immer een einde. Anro mainyu moet, zoo wij reeds vermeldden, zich machteloos terugtrekken. Over zijn verder lot zwijgen de oude teksten. Wel schijnt er ook op den bodem dezer oude voorstellingen reeds de gedachte te liggen, in later dagen nog meer opzettelijk uitgewerkt, dat ten slotte allen gered worden, omdat allen worden geheiligd.

We hebben gezien, wie de oude Perzen boven zich zagen, als bondgenooten in den goeden strijd; welke hun tegenstanders waren en wat voor lot zij verwachtten van de toekomst.

Ons rest nu nog op hun godsdienstig-zedelijk leven zelf onzen blik te vestigen. Achtereenvolgens bespreken wij daartoe: de geestelijkheid, den eeredienst en de zedewet.

Wat de eerste betreft, evenals in andere godsdiensten golden ook hier de priesters als de voornaamsten, de eersten in stand. Zij werden meest atharvans, vuurpriesters genoemd en hunne voornaamste werkzaamheden waren: het brengen van offers, vooral van het haoma offer en het voeden en vereeren van het heilige vuur. Ook waren er onder hen, naar het schijnt, verschillende klassen.

Het komt mij onnoodig voor, om op al die eigenaardigheden van priesterschap en eeredienst uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking moge volstaan over het haoma-offer en den vuurdienst.

Wat dat eerste betreft, het had ten doel het leven op te wekken en te versterken, allereerst bij den offeraar zelf, voorts ook bij de geheele natuur, waarbij deze laatste zinnebeeldig werd voorgesteld door de baresman (gewijde twijgen) en de wateren. Daarom had de heilige handeling hierbij, ook met het oog op dit tweeledig doel, tweemaal plaats en mocht de offeraar bij die tweede handeling eerst van het haoma drinken, als de daarbij behoorende afdeeling uit de heilige boeken geheel was opgezegd. Alles wat bij dit offer te pas kwam, had betrekking op het levensonderhoud, zooals: het wijwater, de melk, het vleesch, de granaatvrucht, de offerkoekjes. Den offeraar geeft het genot van den onsterfelijkheidsdrank deel aan het hemelsche leven, doch ook heeft het een geheimzinnige uitwerking op de natuur en de hemelmachten. De maaltijd bij het offer was oorspronkelijk een gemeenschappelijk maal, waarbij men uitdrukkelijk werd gewaarschuwd toch niet onwaardig de gewijde spijzen, de myazda of offerkoekjes, te eten. De goden werden, volgens hun rangorde, Mazda en de Amesa-Spenta's vooraan, uitgenoodigd bij het offer tegenwoordig te zijn.

Hoe hoog echter het Haoma-offer werd gesteld, toch waren de oude atharvans in de eerste plaats vuurpriesters. Het vuur achtten zij hoog, het is immers het levensbeginsel van het gansche heelal, het leeft in mensch en dier en plant, [185] het daalt in den bliksem op aarde neer, het brandt in Mazda's hemel voor zijn aangezicht, het is zijn zoon, tevens zijn geest. Heilig was dus het vuur, ook dat van den huiselijken haard, doch heilig bovenal het zoogenaamde Bahram vuur: het hemelsche vuur onder de menschen, dat door hout en reukwerk zorgvuldig werd onderhouden en dat men slechts naderen mocht, als men met den heiligen gordel was bekleed. Geen adem mocht het verontreinigen, het te blusschen was doodzonde. Onderhouden moest het worden door allen, in de eerste nachtwaak door den huisheer, in de tweede door den veldarbeider, in de derde roept het vuur Sraosa, opdat zijn haan Parodars de menschen wekke, want wie dan de eerste is om het heilige vuur te verzorgen, hij gaat het eerst ten hemel in. Aan dit heilige vuur moet men andere vuren reinigen. De zorg voor dit altaar des heiligen vuurs was niet te vergeefs. Atar, de vuurgod, gaf rijken zegen: waar zijn vlammen waaien, zijn geuren stroomen, worden duizenden daeva's gedood.

De zorg voor het heilige vuur heeft ten allen tijde de aandacht getrokken der buiten het Parzisme staanden: vandaar dat men dikwijls ten onrechte van vuuraanbidders spreekt.

In later dagen ging het met het Parzisme als met andere godsdiensten; de magie, het geloof aan tooverinvloeden, kwam hoe langer hoe meer het terrein van den godsdienst binnen, en zoo had ook het offeren--'t zelfde had trouwens in Indië plaats [186]--minder ten doel in de nabijheid der hemelwezens te komen en hun zegen te verwerven, dan wel macht te verkrijgen over de geesten der duisternis en die af te weren. Zoo ontaardde de eerst zoo verheven godsdienst.

De wederom toegelaten oude volksgoden hadden daartoe aanleiding gegeven, met hen kwam het oude, bekrompen bijgeloof weer terug.

Doch, wij overschrijden reeds het bestek, waarbinnen wij ons thans bewegen: wij willen ten slotte en dit is voor ons niet het minder belangrijke, nog een blik werpen op de wet, de religieuze zedewet van het Parzisme.

Gewoonlijk heet deze: Daena, dat nu eens door "wet", dan weer door "godsdienst" kan vertaald worden. Aan haar wordt groote kracht toegekend: zij neemt de zonden weg, doch niet door vergeving maar door bestrijding, zij wischt bij den vrome slechte gedachten, woorden en daden weg, gelijk de sterke zuidenwind in den dampkring.

Wij merkten reeds op, dat de Zarathustrische godsdienst tevens een sociale hervorming was.

Dit nu komt ook hier uit. Tegenover het aan Mazda gewijd, gezeten leven van den landbouwer, staat het nomadenleven van den daevadienaar.

Gelijk de bebouwde aarde het terrein is van Mazda, zoo is de woeste wildernis dat van zijn tegenstander.

De aarde te bebouwen is volgens deze wetten een der voornaamste plichten. De aarde, zoo heet het, is als eene jonge maagd, die een man verlangt en, met den geliefde vereenigd, een zoon baart. Zoo ook geeft de aarde overvloed, aan wien haar vlijtig bebouwt (bevrucht). Graan zaaien is de wet betrachten. Waar de volle halmen zich verheffen, daar verdwijnen de daeva's.

De landbouw is de vereering der heilige moeder-aarde. Drie plaatsen zijn alzoo het heiligst: waar de vrome zijn huis en erf heeft met het heilige vuur, waar hij het meeste koren, voeder en vruchtboomen doet groeien en dorre plaatsen besproeit, en: waar het meeste vee geboren wordt.

De meest onreine plaatsen zijn: de ingang der hel, waar de daeva's vergaderen, de plaatsen waar lijken zijn of holen van aan Anro mainyu toebehoorende dieren, zooals slangen, enz. Lijken op te graven en holen van Anro mainyu te vernielen zijn dus voor den Mazda dienaar heilige plichten.

Van ascese wil men niets weten: om te doen wat Asa voorschrijft zijn noodig welgevoede, krachtige mannen. Een spreuk (mathra), die men van buiten moest leeren zegt: "Hij die niet eet, heeft geen kracht voor het Asa, geen kracht tot den akkerbouw, geen kracht om zonen te telen." Daarmee komt overeen wat het Zend-Avesta voorschrijft, dat men vóór den bijslaap een gebed doe. Zoo stond men lijnrecht tegenover de ascese. Ook vrijwillige armoede, bedelend rondzwerven en zelfkastijding worden veroordeeld. "Bij ons", zoo heet het in een later geschrift, "is het houden van vasten dit, dat wij vasten van zondigen met onze oogen en tongen, onze ooren en handen en voeten--datgene wat in andere godsdiensten vasten is door niet te eten, is in onzen godsdienst vasten door geen zonden te bedrijven."

Op ijverigen arbeid en vroeg opstaan wordt de nadruk gelegd: Parodars, de haan, is de heilige vogel van Sraosa. Doch niet minder op eerlijkheid, trouw en waarheid, terwijl ook de kuischheid in hooge eere stond. Ook mededeelzaamheid wordt als plicht gesteld: de stem van den arme, dien men ongetroost wegzendt, klinkt als een luide aanklacht door 't gansch heelal en bereikt den troon des Alwijzen.

Wat de eerlijkheid betreft: eigenaardig heet het in een der teksten dat wie zijn schuld niet afdoet een dief is, die roof pleegt aan zijn schuldeischer. Ook wordt aangedrongen op het nakomen zijner contracten: zelfs de nabestaanden zijn daarvoor solidair aansprakelijk.

Ontucht wordt met strenge straffen bedreigd. Afdrijving der vrucht en kindermoord zijn hier ten strengste verboden. Een vader is, men ziet dat op dit punt de Perzen ons vooruit waren, verplicht de ongehuwde moeder te onderhouden en voor het kind tot diens zevende jaar te zorgen. De ontuchtige vrouw is vogelvrij: de ontucht is Anro mainyu's geliefde dochter.

Wat betreft de zoogenaamde verwanten-huwelijken (tusschen broeder en zuster, ouders en kinderen), later zijn deze bloedschendige verbintenissen wèl door de Magiërs aangeprezen, doch in het Avesta vinden wij dit niet. Waarschijnlijk zijn zij ontstaan uit de begeerte, om het ras zuiver en onvermengd te houden.

Reinheid eischte de Mazdayasnische wet echter niet slechts op zedelijk, ook op natuurlijk gebied. Daartoe rekende men allereerst den plicht om aarde, water en vuur rein te houden: de drie heilige elementen van Mazda. Vandaar dat de oude Perzen hun dooden niet verbrandden, dat zou het vuur verontreinigen, noch hen begroeven, dat zou de aarde ontheiligen, maar ze neerlegden op een soort torens [187], waar ze door roofvogels konden worden verteerd. De alleroudste wijze van lijkbezorging was echter deze, dat men het lijk ergens neerlegde op zijn eigen kussen of doodslaken, fel beschenen door de zon.

Een lijk begraven is een groote zonde, verbranden echter nog grooter kwaad; wie dàt iemand ziet doen, is volgens de wet verplicht den overtreder te dooden.

Een veld waar een lijk van een mensch of een hond heeft gelegen, mag in geen geval bezaaid worden, voordat het is gereinigd. Een begraven lijk moet althans binnen 't jaar opgegraven worden, wie er twee jaar mee wacht, begaat een onvergeeflijke zonde.

Tegenover de dierenwereld nemen de Parzisten een geheel andere houding aan, dan b.v. de volgelingen van Boeddha. Terwijl toch dezen het leven in alle schepselen heilig achten, is het hier plicht om de aan Mazda gewijde dieren te beschermen, maar de scheppingen van Anro mainyu uit te roeien.

Was het dooden der eerste verboden, toch maakte men uitzondering voor dieren, die den mensch tot spijze dienden en bij de offers aan sommige yazata's werden ook paarden, kameelen, runderen en kleinvee geslacht.

Waarom nu sommige dieren heilig, andere onrein werden geacht, is vaak moeilijk na te gaan. Het nut besliste zeker menigmaal, doch niet altijd. Heilig zijn boven alles de koe en de hond. Zoo ook de egel en de otter; den laatste hield men voor een soort hond. Ook de kat en de uil, de vogel van Vohumano, zijn heilig als bestrijders van het ongedierte, dat het graan opeet: de muizen. Eveneens de gier, de bekende straatreiniger van het Oosten.

Onrein zijn: slangen, ratten, muizen, mieren, padden, kikvorschen, deze moeten worden gedood.

De Perzen schenen, wat de onreinheid betreft, den stelregel toegedaan: "het bederf van het beste is het slechtste." Immers juist de overblijfselen van een mensch en een hond, en onder menschelijke overblijfsels vooral dat van een priester waren ten zeerste onrein. Zooveel mogelijk moest men zich daarvoor wachten. Verontreiniging was echter, bij de lijkbezorging, niet steeds te vermijden. Water, aarde, doch vooral de urine der koe, waren de gewone zuiveringsmiddelen. Wie b.v. een lijk had aangeraakt, moest een vrij omslachtige reiniging ondergaan, waarbij de priesters met besprengingen en gebeden dienst moesten doen.

Zoo was reinheid een strenge eisch, doch om al het ritueele werd het innerlijke niet vergeten.

"Reinig u zelf, o gerechte, klinkt het ons tegen; dit toch is in de stoffelijke wereld voor ieder de reiniging van deze zijn eigen persoonlijkheid, o gerechte, dat hij haar reinige door goede gedachten, woorden en daden."

Wat nu de straffen aangaat, door de wet voor de overtreders bepaald, meestal waren zij niet gestreng. Slechts op groote onreinheden, grove ontucht en ketterij stond de doodstraf, overigens waren het lijfstraffen, die den overtreder hier bedreigde; later werden deze door geldboeten vervangen.

Men had echter ook geestelijke straffen, waarbij men in meerdere of mindere mate van de gemeenschap der vromen was uitgesloten. Een der grootste straffen was: de verbanning uit der menschen gedachtenis, waarbij men dus werd dood verklaard. De allerzwaarste die: waarbij men van de godsdienstige gemeenschap werd uitgesloten en onder smaad en gejouw werd weggejaagd. Toch, ook dan nog kon men zich genade verwerven: als men namelijk een der felst gehate overtreders doodde.

We hebben hiermede ons overzicht van het oude Mazdeïsme ten einde gebracht en het leeren kennen, als een bij uitstek praktischen, verstaanbaren godsdienst: althans in zijn hoofdtrekken. We weten ook--straks komen wij daarop terug--dat deze godsdienst ook nu nog hier en daar in Perzië zelf, maar vooral onder de naar voor-Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi's, voortleeft. Doch, minder gemakkelijk is nog de vraag: waar en wanneer is deze godsdienst eigenlijk geldig geweest? Daarover is onder de geleerden veel verschil, waarop wij hier niet kunnen ingaan. We volstaan met als ons gevoelen mee te deelen dat de Zarathustrische godsdienst, nagenoeg zooals wij dien uit het jongere Avesta leerden kennen, de heerschende godsdienst is geweest onder Cyrus (558-529 v. C.) en zijne opvolgers, de zoogenaamde Achaemeniden. Aan hun rijk maakte Alexander de Groote (336-323) een einde en tevens schijnt hij tegen het Mazdeïsme en zijn gewijde boeken te hebben gewoed. Het gevolg is geweest dat deze godsdienst in diep verval geraakte, al bleef hij in enkele landstreken vrij zuiver bewaard. Later echter kwam er een tijd van herleving en wel onder de Sassaniden, welk vorstenhuis vanaf 226 n. C. regeerde, totdat de Islam zich ook in Perzië vertoonde en Mohammed Zarathustra verdrong, toen in 651 het rijk der Sassaniden bezweek.

Toch bleven er eenige weinige getrouwen tot op dezen dag; vooral werden de Parzische instellingen en leeringen trouw bewaard door naar Indië uitgewekenen, de zoogenaamde Parsi's, welke laatsten zelfs trachten hun ouden godsdienst in diens oorspronkelijke zuiverheid te herstellen. Naar het mij voorkomt is dit verschijnsel belangrijk genoeg, om er nog een oogenblik bij stil te staan en ook aan dit nieuwe, herstelde Parzisme nog een enkele bladzijde te wijden.

IV. Het "hervormde" Mazdeïsme der tegenwoordige Parsi's.

Wij vermeldden reeds, dat er in oude dagen, aan hun godsdienst getrouwe Perzen naar Indië uitweken. Gastvrij werden zij daar ontvangen, alleen hun wapens moesten zij afleggen, hun kleeding veranderen en geen koeien meer dooden. Daar, in Indië, vergaten zij hun taal, ook al konden zij nog een enkel gebed in de oude taal uitspreken en werden hun ook in het maatschappelijk leven allerlei gewoonten eigen, aan de Hindoes, later ook aan de Mohammedanen ontleend. Toch: twee punten van hun oud geloof hielden zij vast: er was maar één God, en: een man mocht slechts huwen met ééne vrouw. Ook bleven zij hun heilige boeken bewaren.

Het Engelsch bewind gaf hun meer vrijheid en deed de kracht van het energieke volk, (de flinkste kooplieden van Bombay zijn allen bijna Parsi's) ontwaken. Verder werden zij nog meer wakker geschud uit hun verdooving door de werkzaamheid van Christenzendelingen. Toen er enkelen van hen voor het Christendom waren gewonnen, begrepen de anderen, dat zij--wilde hun godsdienst en gemeente bestaan blijven--wat meer voor de godsdienstige opleiding hunner kinderen moesten doen, dan hen enkele spreuken en gebeden uit het Zend-Avesta te laten leeren in de oorspronkelijke taal, welke zij niet begrepen. De vrucht dezer beweging was de uitgave van een Parzischen catechismus, onder den titel:

"Eenige vragen en antwoorden om de kinderen van de heilige Zarathustrische gemeente bekend te maken met den Mazdeïstischen godsdienst. Gesprek tusschen een Zarathustrischen meester en zijn leerling."

We halen uit dit werkje een gedeelte aan, vooral om er uit te doen zien, hoe de Parsi's hierin trachten terug te keeren tot het oude, zuivere geloof, toen het nog niet door den invloed der schare was verbasterd.

"Waarin gelooven wij, leden der Zarathustrische gemeente?"

"Wij gelooven slechts in één God, en in niemand behalve in Hem."

"Wie is die ééne God?"

"De God, die de hemelen, de aarde, de engelen, de sterren, de zon, de maan, het vuur, het water (of de vier elementen) en alles, wat in de twee werelden is "schiep". In dien God gelooven wij, Hem dienen wij en vereeren wij, Hem roepen wij aan."

"Gelooven wij niet in eenig ander God?"

"Wie in eenig ander God gelooft, is een ongeloovige; hij zal de straffen der hel ondergaan."

"Welke gedaante heeft onze God?"

"Onze God heeft geen gelaat of vorm, kleur noch gestalte, noch een bepaalde woonplaats."

"Niemand is aan Hem gelijk. Hij is zoo heerlijk, dat wij Hem niet kunnen beschrijven of beoordeelen, noch Hem begrijpen."

"Is daar eenig ding, dat God niet kan scheppen?"

"Ja, daar is één ding, dat God zelf niet kan scheppen."

"Wat dat is, moet gij mij uitleggen."

"God is de Schepper aller dingen, maar indien Hij iets zou willen scheppen, dat Hem gelijk ware, Hij zou het niet vermogen. God kan geen ander scheppen, Hem zelf gelijk."

"Hoeveel namen zijn er voor God?"

"Men zegt, dat er duizend en één zijn, doch daarvan zijn er nog honderd en één overgebleven."

"Waarom zijn daar zoovele namen van God?"

"De namen van God, die zijn natuur weergeven, zijn twee: Yazdan (almachtig) en Pauk (heilig). Ook wordt Hij genoemd Hormuzd (de hoogste der geesten), Dádár (die gerechtigheid geeft), Purvurdegar (voorziener), Purvurtur (beschermer). Door deze namen prijzen wij Hem. Er zijn ook vele andere namen, die Zijn goede daden beschrijven."

"Wat is onze godsdienst?"

"Onze godsdienst is: Dienst van God."

"Sedert wanneer ontvingen wij onzen godsdienst?"

"Gods ware profeet--de waarachtige Zurthost (Zoroaster) Asphantaman Anoshirwan--bracht ons van Godswege het ware geloof."

"Waarheen moet ik het aangezicht wenden, als ik den heiligen Hormuzd vereer?"

"Wij behooren den heiligen rechtvaardigen Hormuzd te vereeren, met ons aangezicht gewend naar een zijner scheppingen van licht, heerlijkheid en verhevenheid."

"Welke zijn deze voorwerpen?"

"Deze zijn de zon, de maan, de sterren, het vuur, het water en andere heerlijke dingen. Naar deze zijne scheppingen wenden wij ons gelaat, en beschouwen die als ons "kibleh" [188] omdat God in haar een klein deel zijner heerlijkheid heeft neergelegd en zij daarom in de schepping meer verheven zijn en geschikt om ons "kibleh" te wezen."

"Welke godsdienst heerschte er in Perzië vóór den tijd van Zurthost?"

"De koningen en het volk waren dienaars van God, doch zij hadden, evenals de Hindoe's, beelden van de planeten en afgodsbeelden in hun tempels."

"Welke geboden heeft God ons gegeven door zijnen profeet, den verheven Zurthost?"

"Vele geboden, doch ik geef u het voornaamste, dat gij u altijd moet herinneren en waardoor gij u moet laten leiden:

"God als Eén te erkennen. Den profeet, den verheven Zurthost als zijn waren profeet te eeren. Zijn godsdienst en het Avesta, door hem gebracht, als ontwijfelbaar waar aan te nemen. Te gelooven in de goedheid van God. Geen der geboden van den Mazdeïstischen godsdienst ongehoorzaam te zijn. Booze daden vermijden, goede daden verrichten, vijfmaal 's daags bidden. Te gelooven in vergelding en gerechtigheid op den vierden dag na den dood. [189] Op den hemel te hopen en de hel te vreezen. Zonder twijfel te gelooven in den dag der algemeene vernietiging en reiniging (van alle zielen, die lijden). Altijd te bedenken, dat God doet, wat Hij wil en zal doen, wat Hij wil. Eenig lichtend voorwerp aan te zien als wij God aanbidden."

"Als wij eenige zonde begaan, zal onze profeet ons dan behouden?"

"Nooit moeten wij, volgens ons geloof, eenige zonde begaan: onze profeet, onze gids in het rechte spoor, heeft ons uitdrukkelijk gezegd: "gij zult ontvangen, naar wat gij doet." Onze daden beslissen over onzen terugkeer in de andere wereld. Als gij deugdzame en vrome daden verricht, zal de hemel uwe vergelding zijn. Als gij zondigt en slechte dingen doet, zult gij in de hel worden gestraft. Daar is niemand dan God, die u kan redden van de gevolgen uwer zonden. Als iemand een zonde begaat, in het geloof dat hij door iemand zal worden gered, zoo zullen, zoowel hij, die hem (hierin) bedriegelijk voorgaat, als de bedrogene veroordeeld zijn tot op den dag van de voleinding der wereld."

"Welke zijn de dingen, waardoor een mensch gezegend en beweldadigd wordt?"

"Door deugdzame daden te doen, mild te geven, voorkomend en need'rig te zijn, zachte woorden te spreken, anderen het goede toe te wenschen, een rein hart te hebben, kennis te verkrijgen, de waarheid te spreken, den toorn te onderdrukken, geduldig te zijn en zichzelf te beheerschen, vriendelijk te zijn, schaamte te gevoelen, behoorlijken eerbied te toonen voor oud en jong, godsdienstig te zijn, uw ouders en leermeesters te eeren. Alle deze deugden zijn de vrienden van goede, de vijanden van slechte menschen."

"Door welke dingen gaat een mensch verloren en wordt hij verlaagd?"

"Door onwaarheid spreken, stelen, dobbelen, met booze begeerten eene vrouw aanzien, verraad plegen, misleiden, boos zijn, anderen kwaad toe wenschen, trotsch zijn, spotten, lui zijn, kwaadspreken, gierig zijn, oneerbiedig zijn, onbeschaamd, oploopend zijn, nemen wat eens anders eigendom is, wraakzuchtig, onzindelijk, hardnekkig, afgunstig zijn, iemand leed berokkenen, bijgeloovig zijn en tegenover anderen booze en vijandige daden plegen.

"Dit zijn de vrienden van den slechte, de vijanden van den deugdzame."

Deze catechismus was de eerste poging om godsdienstig onderricht aan de jeugd te geven. Ook werden de oude, gewijde boeken in de Gujarati taal overgezet, doch: deze vertaling was te letterlijk en daardoor onverstaanbaar.