De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 23

Chapter 233,745 wordsPublic domain

In weerwil van de opmerkzaamheid, die de commentatoren aan Mencius wijdden, werden zijn geschriften toch eerst in 1088 n. C. onder de klassieken opgenomen en aan hun vervaardiger een plaats in de tempels van Confucius aangewezen.

De eerste keizer der Ming dynastie, Hungwu, liet hem echter in 1372 daaruit weer verwijderen, daar hij ééne plaats in diens werken als een onvergeeflijke misdaad tegen de vorstelijke waardigheid aanzag. In die plaats wordt namelijk geleerd, dat wanneer een vorst zijn ministers als aarde en gras beschouwt, zij hem als een vijand en roover beschouwen [160].

Terzelfdertijd, dat de naam van Mencius uit de tempels verwijderd werd, maakte men eene verordening, waarin bepaald werd, dat ieder, die tegen deze handelwijze bedenking maakte (nl. tegen het verwijderen v. Mencius' naam) wegens hoogverraad ter verantwoording zou worden geroepen.

De vereerders van den wijze lieten zich echter, met de onverschrokkenheid en vrijmoedigheid, die in zulke gevallen dikwijls aan Chineezen eigen is, daardoor niet afbrengen van protesten tegen den door den keizer bevolen maatregel. Reeds in het volgend jaar werd deze ingetrokken, omdat, zooals een nieuwe keizerlijke verordening het uitdrukte, Mencius zich door het in 't licht stellen en te niet doen van kettersche leeringen een waardig geestverwant van Confucius had getoond. Mencius neemt thans onder die beroemde geestverwanten van Confucius de vierde, d. i. de laatste plaats in, een plaats, die hem in 1530 is aangewezen.

Evenals de gesprekken van Confucius bevatten ook de werken van Mencius gesprekken en naast elkaar opgenoemde uitingen en antwoorden van den meester. Alleen is hier alles beter geordend.

12. Hsiao-king, het boek der kinderlijke liefde.

Dit werk behelst gesprekken over het bovengenoemd onderwerp, welke tusschen Confucius en een zijner leerlingen zijn gehouden en door dien leerling aan een kleinzoon van den wijze, Tsze sze, zouden zijn medegedeeld. De aanduiding van dit werk, als het boek der kinderlijke liefde is voor den inhoud niet geheel passend, want ook andere betrekkingen: als tusschen heer en dienaar (vorst en beambte) worden er in besproken. De juiste titel van dit werk zou zijn: algemeene plichtsbetrachting op den grondslag van kinderlijke liefde.

Na den ondergang der Tsin dynastie werd een exemplaar van Hsiao-king weergevonden, later een tweede. Over de echtheid van dit werk oordeelen de critici zeer verschillend.

13. Het woordenboek Urhya.

Dit werk dagteekent van 500 jaar v. C.; het behelst echter ook oudere gedeelten, speciaal uit de 13e eeuw v. C. Gewoonlijk wordt als schrijver genoemd Tsze hia, een leerling van Confucius. Het boek bestaat uit 19 afdeelingen: de woorden zijn hierin geordend naar de verschillende soorten, bv. onder vogels, planten, huisdieren enz. De beteekenis van dit boek ligt vooral hierin, dat wij het beschouwen kunnen als de eerste vroege poging om orde in het voorhanden materiaal te brengen en dat het de uitdrukkingen verklaart, die in de klassieke en in andere werken voorkomen.

14. Ta-hio, de groote leer.

Over den maker van dit boek is niets bekend. De overlevering schrijft het toe aan Confucius' kleinzoon. Na den val der Tsin dynastie werd dit werk met andere werken teruggevonden. De toen gevonden tekst bleef lang de geijkte. Bij een in de 11e eeuw na C. ondernomen onderzoek van den tekst bracht men hierin een aantal veranderingen. De voornaamste daarvan was, dat als de tweede plicht der vorsten werd gesteld, hun volk "op te voeden", in plaats van "lief te hebben", zooals het vroeger heette.

15. Chung-yung, het onveranderlijke midden.

Dit werk wordt algemeen--en waarschijnlijk te recht--toegeschreven aan Confucius' kleinzoon. Hoewel enkele critici van een ander gevoelen zijn, kunnen wij toch aannemen, dat dit werk vrij volledig tot ons is gekomen.

Naar de oude opvatting behooren "de groote leer" en "het onveranderlijke midden" bijeen. Een beroemd geleerde uit de 2e eeuw zegt daarover het volgende: "Toen Kung kih (d.i. Tsze sze) in nood en ellende in Sung leefde, vreesde hij, dat datgene, wat de oude wijzen geleerd hadden, later niet meer verstaan zou worden en dat alzoo de grondstellingen der oude keizers en vorsten in duigen zouden vallen. Daarom vervaardigde hij "de groote leer" als den inslag en het "onveranderlijke midden" als de schering.

Inderdaad valt een innerlijke samenhang tusschen deze beide werken, die volgens Chu hi in oude tijden den grondslag voor de opvoeding der jeugd vormden, geenszins te miskennen.

"De groote leer" onderwijst: "de deugd in daden te toonen, het volk op te voeden (of lief te hebben) en in de volkomenheid te blijven." Het "onveranderlijke midden" zegt: "Wat de mensch van den hemel ontvangen heeft is zijne natuur, wie in overeenstemming met deze handelt, wandelt op den weg van den plicht, dit pad te gaan leert de mensch door onderwijzing."

Als een roode draad loopt door beide werken de grondstelling, dat ieder, in 't bizonder echter de vorst, door zijn voorbeeld kan en moet werken, en dat alzoo ieder, die dezen invloed wil uitoefenen, eerst zelf naar volkomenheid moet streven, terwijl de rechte weg om deze te bereiken, tusschen de beide uitersten ligt, welke moeten worden vermeden.

16. Tshu-shu, de bamboeboeken.

De bamboeboeken, d. w. z. een aantal bamboetafeltjes met daarop 100.000 teekenen, schijnen in het jaar 279 n. C. gevonden te zijn in het graf van koning Sêang van Wei (deze stierf 295 v. C.). Deze tafeltjes, die reeds vroeger door ouderdom en vochtigheid veel hadden geleden, werden toen neergelegd in de keizerlijke bibliotheek. Een commissie van onderzoek, benoemd om er rapport over uit te brengen, ontdekte daarin 15 werken, waaronder een afschrift van I-king [161], benevens een aantal jaarboeken. Deze laatsten worden dan als de bamboeboeken aangeduid.

Deze jaarboeken beginnen met de geschiedenis van China vanaf 3000 v. C. Over 960-369 v. C. handelen zij over de geschiedenis van het vorstendom Tsin. Over 369 v. C.-295 n. C. over die van het vorstendom Wei. Met den dood van koning Sêang breekt de geschiedenis dan af.

De beroemde geleerde en staatsman Fu Yü (222-284 n. C.) maakt er van gewag, als zoo juist geschied. Toch wordt aan de echtheid der bamboeboeken dikwijls getwijfeld. Waarschijnlijk omdat men hier, naast historische feiten, ook tal van fabelen en mystieke bespiegelingen vindt, die doen denken òf aan oorspronkelijke, sterk-Taoïstische invloeden, òf aan eene latere omwerking in dien geest. Eén van de in het graf gevonden werken is het reisverhaal van keizer Mu uit de dynastie Chau (1001-983 v. C.) Deze zou de westelijke goddelijke moeder, Si wang mu, in het Kuenlüngebergte bezocht hebben: de fabelachtigste voorvallen worden aangaande het vinden dezer boeken, met dag en datum, opgenoemd.

Een werk, dat zich bezig houdt met het leven en met de uitspraken van Confucius en dat hoewel zeker apocrief, toch wegens de vele overleveringen, welke uit den tijd van zijne vervaardiging, de 3e eeuw n. C. afkomstig zijn, in een grooten roep staat, is Kung tsze kia yu d.i.: uitspraken van Confucius in den kring zijner leerlingen. Zulk een boek bestond reeds vóór het begin onzer jaartelling. Dat oude werk is echter verloren gegaan. Wat wij nu hebben is een werk van zekeren Wang Suh, die zich de vervaardiger van den bijbehoorenden commentaar noemt, doch den tekst, naar hij beweert, van een der nakomelingen van Confucius heeft ontvangen.

Behalve de klassieke boeken of andere, die daartoe min of meer worden gerekend, zijn er een groot aantal andere boeken, wier schrijvers, hoewel eveneens kanoniek verklaard en met de hoogste titels na hun dood vereerd, toch geen plaats hebben gevonden in het orthodoxe Pantheon: de tempels van Confucius.

Dit zijn namelijk de geschriften der Taoïsten, een literatuur, die zóo grooten invloed op den ontwikkelingsgang der Chineezen heeft uitgeoefend, dat wij haar niet onvermeld mogen laten. Wat dien invloed betreft: deze werd niet zoozeer uitgeoefend door het zuivere Taoïsme, als wel door de latere ziekelijke ontaardingen der leer, die feitelijk met de oorspronkelijke slechts in verwijderd verband staan. Het hoofdwerk der Taoïstische richting is het: Tao teh king, het boek van den weg en van de deugd. Als de vervaardiger daarvan, wordt algemeen Li R. beschouwd gewoonlijk Lao tsze genoemd. Deze leefde waarschijnlijk tegen het einde der 6e eeuw v. C. en bekleedt in het Taoïsme dezelfde plaats als Confucius in de naar hem genoemde leer. Beiden waren verklaarders en verbreiders: geen eerste apostelen hunner leer. De oude geschriften en overleveringen, waaruit Lao tsze putte, zijn echter niet meer aanwezig. Het Tao teh king is vaak moeilijk te verstaan, soms geheel onbegrijpelijk en heeft daardoor aan uitleggers en vertalers een welkome gelegenheid gegeven om hun scherpzinnigheid te toonen.

De oudste commentaar dateert uit de 3e eeuw onzer jaartelling en is door Wang Pi gemaakt. Ook aan den bevelhebber der Hanku pas, Yin Hi, voor wien naar de legende, Lao tsze het Tao teh king schreef [162], wordt een werk, Kwan Yin tze genaamd toegeschreven. In het gedeelte der Han kroniek, dat zich met de verschillende boeken bezig houdt, wordt dit werk genoemd, zonder dat het echter verder bekend schijnt. Eerst in de 12e eeuw komt het plotseling voor den dag als een bezit der familie Sun Ting, met een voorrede van Liu Hiang (80-9 v. C.) Dit werk is zeer zeker een vervalsching, doch, eene uit oude dagen. Een geleerde van beteekenis moet het hebben geschreven.

Twee leerlingen van Lao tsze, Lieh tsze en Chwang tsze, de eerste tot de 5e, de ander tot de 4e eeuw voor Christus behoorende, [163] hebben eveneens werken nagelaten, die door hunne leerlingen naar mondelinge overleveringen zouden zijn opgeschreven. Bij beiden treedt de mystiek op den voorgrond, bij Chwang tsze ook een zekere Cynische richting. Beide werken hebben hun grooten invloed uitgeoefend om het Taoïsme ver van zijn oorspronkelijke koers af te voeren. De belangrijkste commentaren op deze twee werken zijn eerst uit de 4e eeuw n. C. terwijl hun hoofdinvloed in de 8e eeuw, onder de dynastie Tang zich deed gelden.

Een ander belangrijk voorstander van het Taoïsme is Huai Nan Tsze [164]. Deze naam is een aangenomene, waaronder prins Liu Negan, kleinzoon van den stichter der Han dynastie, schreef. Als ijverig aanhanger der Taoïstische leer, in het bizonder van de alchemistische richting daarin, verzamelde hij vele honderden van aanhangers en zocht met hen naar het elixer der onsterfelijkheid en den steen der wijzen. Hij stierf in 112 v. C. door zijn eigen hand, nadat een poging om zich van den troon meester te maken was mislukt. Zijn geschriften zijn eveneens door Liu Hiang uitgegeven.

De verschillende opgaven, hierboven gedaan, hebben voldoende in het licht gesteld, hoe groote gapingen er zijn in de overlevering der gewijde teksten, en hoe er vaak eeuwen liggen tusschen de vervaardiging der oude teksten zelf en het verschijnen der ons bewaard gebleven, onontbeerlijkste commentaren.

De oorzaak van deze, voor de kennis van het oude China en zijn philosophische lectuur betreurenswaardige gapingen is tweeërlei: 1e. de gebrekkige ontwikkeling van het schrift en het schrijfmateriaal: tafeltjes uit bamboe, waar men de teekens met een scherpe stift inkraste of instak. 2e. in de door keizer Tsin Shi Hwang ti in 213 v. C. bevolen vernietiging der meeste klassieke werken, waarbij slechts min of meer verminkte exemplaren aan het vuur ontsnapten.

De Chineesche schrijver Sze ma tsien (163-85 v. C.) heeft in zijn "historische opteekeningen" het uitvaardigen van het keizerlijk edict, dat de vernietiging der boeken en de bewaking der geleerden voorschreef zeer dramatisch voorgesteld. In werkelijkheid is zeker deze maatregel wel de vrucht van rijp overwegen geweest.

Sze ma tsien dan bericht het volgende:

"In 212 v. C. kwam de keizer van eene reis naar het zuiden terug. Hij gaf toen een feest in het paleis, waar ook de 70 groote geleerden (de professoren der keizerlijke academie) verschenen en hem begroetten. Een der ministers, Chau tsing shin, trad naar voren en sprak: "Vroeger was het rijk van Tsin slechts 1000 Li groot, doch uwe hoogheid heeft met een kracht en een verstand als van de godheid het gansche rijk tot rust gebracht en alle barbaarsche stammen verdreven, zoodat, zoover zon en maan schijnen, allen u als gasten hun onderdanigheid betuigen. Gij hebt de staten der verschillende vorsten in provinciën en districten veranderd, waarin het volk een gezegende rust geniet, vrij van de gevaren van den oorlog en van den strijd om de heerschappij. Deze toestand zal 10.000 geslachten duren. Nooit, sedert de oudste tijden, is iemand in verheven deugd aan uwe hoogheid gelijk geweest."

Deze vleitaal beviel aan den keizer. Toen trad Shun Yu yüe, een der grootste geleerden, naar voren en zeide: "de heerschers uit het geslacht van Yin (Shang) hebben sedert meer dan duizend jaar hunne zonen, jongere broeders en verdienstelijke ministers met bezit en macht beleend en vonden zoo bij hen hulp en steun, gelijk ik wel vernomen heb. Nu echter heeft uwe hoogheid bezit genomen van alles, wat er tusschen de vier zeeën is, en uwe zonen en jongere broeders zijn personen zonder gezag. Het gevolg daarvan zal zijn, dat er één zal optreden om te doen als de oproermakers in vroegere tijden. Waar wilt gij dan, zonder de ondersteuning uwer familie, de hulp vinden, die gij dan wellicht noodig hebt? Dat een toestand, die niet op de leeringen der oudheid berust, lang kan bestaan, heb ik nog nooit gehoord. Tsing staat voor u als een vleier, die de dwalingen van uwe majesteit vermeerdert, doch niet als een trouw minister."

De keizer verlangde daarop het oordeel der anderen over deze zaak te weten, waarop de eerste minister Li sze sprak: "De vijf keizers waren niet allen de een het voorbeeld van den ander, evenmin volgden de drie dynastiën elkaars maatregelen na. Ieder had zijn eigen regeeringssysteem, niet om wat anders te bedenken, maar omdat de veranderde tijden dat eischten. Uwe hoogheid heeft thans den grondslag der keizerlijke macht voor 10.000 geslachten gelegd. Dat is meer dan een eenvoudig professor kan verstaan. Buitendien spreekt Yüe slechts over zaken, die op de drie dynastiën betrekking hebben en die als voorbeelden voor u niet geschikt zijn. Vroeger, toen de vorsten tegen elkaar streden, zocht ieder hunner geleerden om zich heen te verzamelen, nu echter staat het rijk vast en welgegrond en de wetten en verordeningen gaan van één hoogste macht uit. Zij, die in hun woonplaatsen blijven, behooren hunne krachten aan den landbouw te wijden; zij, die geleerden willen zijn, behooren de verschillende voorschriften en wetten te bestudeeren. In plaats echter van alzoo te handelen, leeren de geleerden niets, dat op den tegenwoordigen tijd betrekking heeft: doch bestudeeren de oudheid. Zij gaan voort den tegenwoordigen tijd te veroordeelen, het volk op een dwaalspoor te brengen en het tot wanorde te verleiden.

"Zelfs al zou mijn leven er gevaar door loopen, moet ik, de eerste minister, u dit zeggen. Vroeger, toen het rijk oneenig en vol onrust was, was er niemand, die het eenheid kon geven. Daarom stonden de vorsten op, ieder beriep zich op het verleden: tot schade van het tegenwoordige: allerlei bewegingen zonder grond werden opgesteld: de werkelijkheid sloeg men in het aangezicht. Velen pronkten met hun eigen wetenschap om te veroordeelen, wat hun vorst beval. En zelfs nu, nadat uwe hoogheid het rijk in vaste eenheid heeft gegrondvest, zelfs nu prijzen zij hun eigen wetenschap en steken de hoofden bijeen. Zij leeren aan het volk wat met de wet in strijd is. Hooren zij dat eene verordening zal worden uitgevaardigd, dan begint ieder daarover zijn wijsheid uit te kramen. Aan het hof houden zij hun misnoegen vóór zich: buiten op de straat schreeuwen zij het uit. Terwijl zij doen, alsof zij hun meester prijzen, is toch ieder er trotsch op, zijn eigen vreemdsoortige inzichten te hebben. Zoo brengen zij het volk tot oproerige woorden. Indien zulke dingen niet verboden worden, zal het gezag van uwe majesteit schade lijden en er zullen zich in den staat partijschappen vormen. Daarom: verbied ze. Ik verzoek u, dat alle kronieken, die in de handen der geschiedschrijvers zijn, met uitzondering alleen van die van het huis van Tsin, worden verbrand. Eveneens, dat in het gansche rijk allen, die exemplaren van den Shi-king of den Shu-king, of van de boeken der 100 scholen bezitten, met uitzondering van de professoren der academie, deze aan de beambten der districten moeten inleveren, om ze te verbranden. Dat voorts allen, die samen over Shu-king of Shi-king spreken, worden gevonnist en hun lichaam op de marktplaats worde terechtgesteld, dat zij, die het verledene prijzen ten koste van het heden, met al hun bloedverwanten worden gedood. Dat beambten, die kennis dragen van de overtreding dezer geboden en de overtreders niet aanwijzen, worden gestraft evenals de overtreders zelve, en dat, wie zijn boeken niet binnen 30 dagen na uitvaardiging dezer verordening heeft verbrand, gebrandmerkt wordt en naar den grooten muur wordt gezonden, om daaraan vier jaren te arbeiden. De eenige boeken, die men sparen kan, zijn die over de geneeskunde, de waarzeggingskunst en den landbouw. Wie de wetten wenscht te leeren kennen, kan naar de ambtenaren gaan en ze daar vernemen. Het keizerlijk besluit worde alzoo vastgesteld."

Een jaar na de uitvaardiging van het edict werd de toorn des keizers opnieuw opgewekt door de vlucht van twee geleerden, die zijn bizondere gunstelingen waren geweest. Hij liet dus nauwkeurige nasporingen doen, of ook iemand van de geleerden booze woorden over hem gesproken had, of het volk tegen hem had opgestookt. Het bleek nu, dat meer dan 460 geleerden het verbod hadden overtreden. Zij werden allen, tot waarschuwend voorbeeld voor het volk, levend begraven, terwijl de wetten, tegenover alle verdachten, met verdubbelde strengheid gehandhaafd werden. Deze vervolging der geleerden en verbranding der boeken is niet de eenige slag geweest, welke de Chineesche literatuur heeft getroffen. Bij den val der Tsin dynastie werd, in den strijd om de heerschappij, de hoofdstad des rijks een prooi der vlammen. Deze woedden er weken lang en hebben vermoedelijk minstens evenveel, uit de verwoesting der klassieken geredde exemplaren vernield, als het den Tsin keizer gelukt was te vernietigen. Dergelijke "bibliotheekrampen", zooals de Chineezen zeggen, volgden elkaar met korte tusschenpoozen op. In de eerste jaren onzer tijdrekening werd bij een opstand de, met veel moeite en tijdopoffering bijeengebrachte, 12000 deelen (bundels van tafeltjes) tellende, rijksbibliotheek verwoest. Eveneens ging het met eene verzameling, door de latere Han dynastie bijeengebracht. Deze ging tegen het einde der 2e eeuw n. C. verloren, gedeeltelijk bij een brand van het keizerlijk paleis, gedeeltelijk bij de overbrenging van het hof naar Schensi en de daarop gevolgde beroeringen. Hetzelfde lot deelde in 311 eene door de keizers der dynastie Wei en Tsin aangelegde bibliotheek van bijna 30.100 boeken (rollen, want leer en zijde hadden toen de plaats van het bamboe ingenomen). Een vijfde groote ramp volgde in 554, toen keizer Yuanti in Nanking zijne verzameling van 70.000 boeken aan de vlammen prijsgaf.

Dat er nu, trots al deze ongelukken, nog zoo veel van de oude literatuur bewaard is, hebben wij te danken aan den wakkeren ijver, de lust tot verzamelen en den kritischen geest der Chineesche geleerden. Ook werd hun ijver door de belangstelling en de mildheid van verschillende heerschers aangespoord. Dat bij de verschillende pogingen tot herstel van deels verloren gegane en verminkte teksten (want slechts in dezen vorm zijn de brokstukken van vóór-Confuciaansche werken tot ons gekomen, wat trouwens ook met menig geschrift uit later tijd het geval is), vele vervalschingen zijn voorgekomen kan niemand verwonderen, die de voorliefde en den tact van de Chineezen voor dergelijke bedriegerijen in iederen tak hunner vaderlandsche bedrijven kent. In vele gevallen is het aan de latere kritiek, soms echter eerst na eeuwen, gelukt om de vervalschingen te ontdekken en de oude, wèl onvolledige, doch minder verdachte teksten weer voor den dag te brengen.

Ook in den nieuweren tijd, zelfs na het uitvinden en de algemeene toepassing van de boekdrukkunst, is het aantal der verloren gegane werken, waarvan men het bestaan nog slechts kent door een titel in een catalogus, of door citaten in andere geschriften, zeer belangrijk. De reden daarvan ligt voor een goed deel in de vele inwendige onlusten, waarbij weinige steden de verwoesting ontgingen. Zoo heeft de bekende Taiping-opstand vreeselijke, onherstelbare schade aangericht, terwijl bij de verwoesting van het zomerpaleis door de Engelschen in 1860 de daarin aanwezige schoone keizerlijke bibliotheek werd vernield. Een ander ongeluk is, dat het aantal exemplaren van een werk, door overschrijven of drukken verveelvoudigd, vaak zeer beperkt was. Dit geldt natuurlijk vooral van grootere werken: handboeken, encyclopaediën enz., welke vaak slechts bestemd waren voor een kleinen kring.

In vele gevallen zijn dan de daarvoor afzonderlijk bestemde metalen typen gestolen of de gewoonlijk voor het afdrukken bestemde houten platen verloren gegaan, vernield, of onbruikbaar geworden en is het nooit tot een tweede uitgave gekomen. Ook aan den in China zeer te vreezen boekenworm, is de vernieling van vele werken, soms zelfs van de houten platen te wijten.

Men behoeft maar eenmaal een blik geslagen te hebben in de bibliotheek van een der vele kloosters in den omtrek van Peking, of Dr. Martin's beschrijving der bibliotheek van het Hanlin collegium te lezen, om zich te kunnen voorstellen, hoe vochtigheid en wormen opruiming hebben gehouden onder de letterkundige werken van China en hun vernielingswerk nog dagelijks voortzetten. In de kloosterbibliotheken is er onder duizend ongeordende, omzwervende deelen niet één, welks bladen niet half vergaan of met wormgaten doorboord zijn. En, te oordeelen naar den toestand, waarin vele werken, die uit keizerlijke of particuliere bibliotheken het licht zagen, zich bevinden, schijnt het in deze plaatsen der geleerdheid er ook niet veel beter uit te zien. Veel schuld heeft ook het slechte papier en het slordig openmaken, der uit los te zamen genaaide bladen bestaande deeltjes. De hoofdoorzaak van het verval is echter, dat de verzamelingen niet toegankelijk zijn voor het publiek en dat het administratief toezicht ook hier, als in zoovele andere gevallen in China, slechts een opzicht in naam is. Gevolg daarvan is, dat de boeken zoek raken of op andere wijze te gronde gaan, zonder dat iemand roeping gevoelt om ordenend en reddend den Augiasstal onderhanden te nemen.

Het ontbreekt niet aan berichten en keizerlijke edicten, doch men laat het dikwijls bij fraai klinkende, schoon gevormde zinnen. Hier kan men de ware mierenvlijt der letterkundigen, die anders in zoo menig opzicht storend op de ontwikkeling van het land hebben ingewerkt, niet genoeg prijzen. Aan dien ijver toch is het te danken, dat van de letterkundige schatten des lands nog zooveel gered is en behouden zal blijven. Zonder dien ijver ware het ons niet mogelijk geweest, u de Chineesche philosophie eenigszins te doen kennen. Moge, wat wij daarover mededeelden, u tot de overtuiging hebben gebracht, dat ook deze Chineesche "denkers" onze aandacht verdienen.

HOOFDSTUK VI.

Het Mazdeïsme.

I. Inleiding.