De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 22

Chapter 223,683 wordsPublic domain

Naar deze grondslagen fantaseerde Kung Ngan Kwoh, een afstammeling van Confucius in het 12e lid, een man die in de 2e eeuw voor Christus bij het terugvinden en verklaren der kanonieke geschriften een groote rol speelde, de volgende geschiedenis: Een draak (een gevleugeld paard) steeg op uit de wateren der gele rivier. Hij vertoonde op zijn rug een rangschikking van zinnebeelden, waaruit de (fabel) keizer Fu hi het systeem van Pa kwa (acht maal drie letters) afleidde. Ook toonde een goddelijke schildpad aan den witten Yü een rol, die beschreven was met getallen van uit één tot negen teekens bestaande waaruit dan Yü den grondslag zijner negenvoudige wijsbegeerte zou hebben gevormd.

Sedert de dynastie van Han hebben de Chineesche geleerden zich met deze beide mystieke openbaringen (het plan en de rol) het hoofd gebroken, doch onder de dynastie van Sung werd, voor het eerst tijdens de regeering van keizer Hwei Tsung (1106-1125) beproefd om die zinnebeelden in beeld te brengen en uit hen de grondslag eener diepzinnige of kinderachtige (het oordeel hierover is verschillend) philosophie der getallen af te leiden. Eerst onder Sung's regeering nam men echter deze quaestie met ernst ter hand en slechts een enkele geleerde dier dagen, An yang sin, die van 1017-1072 leefde, heeft het gewaagd het bestaan van het paardeplan en de schildpadrol te loochenen.

De volgende eeuwen hielden aan de commentaren van Chu hi [150] en zijn school vast; eerst tegen het einde van de 16e eeuw begon zich de kritiek daartegen te verheffen, en korten tijd voor den val van den laatsten keizer uit de dynastie Ming richtte een aantal van beroemde geleerden aan dezen het verzoek om de oudere teksten en commentaren aan de staatsexamens ten grondslag te leggen: dat wil zeggen den invloed der Boeddhistische en Taoïstische leeringen op het staats-Confucianisme te breken.

De met den ondergang der Ming-dynastie en der verovering van China door de Mandschoeren gepaard gaande strijd en onrust lieten het denkbeeld echter niet tot uitvoering komen, maar het telt nog talrijke aanhangers onder de Chineesche letterkundigen, al vindt het ook in den nieuweren tijd geen bepaald officieuse uitdrukking in een protest tegen het aanhouden der nog steeds als orthodox geldende verklaringen van Chu hi.

De thans in China regeerende Mandschoe-dynastie heeft meer dan een harer voorgangsters voor de bewaring en onderhouding van het Confucianisme gedaan. Zeker wel omdat zij, door eerbied voor wat den Chineezen het dierbaarste is, de vreemde overheersching minder drukkend wilde doen schijnen. Zij heeft echter ook meer dan eene der vroegere regeeringen het Confucianisme voor haar doeleinden gebruikt en zijne leeringen voor staatsdoeleinden pasklaar gemaakt. De sterkste uitdrukking vindt deze politiek in het door keizer Kang hi in 1670 bekend gemaakte "heilige edict", dat in zestien afdeelingen alles samenvat, wat de onderdaan heeft in acht te nemen.

De keizer gaf deze verordeningen, toen hij 16 jaar oud was: waarschijnlijk daartoe genoopt door het politiek drijven van met het Taoïsme samenhangende vereenigingen. Als grond van zijn edict gaf hij deze overweging, "dat de zedelijkheid sedert eenigen tijd dagelijks was afgenomen en de harten der menschen niet meer dezelfde waren als vroeger." Als vader zijns volks wilde hij in weinige stellingen de grondregelen aangeven, die zijn leerlingen tot richtsnoer in alle betrekkingen des levens moesten dienen en wier opvolging hen zelve goed en gelukkig, hem echter tot heerscher van een talrijk, goed gevoed en beschaafd volk zou maken.

Het edict moest op den 1en en den 15en van iedere maand overal openlijk worden voorgelezen, wat ook thans nog in zooverre geschiedt, dat een der afdeelingen wordt voorgelezen, verklaard en uitgelegd. Behalve de beambten, die daarbij krachtens hun betrekking tegenwoordig moeten zijn, komen er echter gewoonlijk slechts enkele toehoorders.

Bij herhaling heeft men beproefd om bij deze voorlezingen een grooteren kring van toehoorders bijeen te brengen; zoo voor eenige jaren in Canton, met het doel om de zendelingen tegen te werken.

Iedere afdeeling bestaat uit zeven teekens, van welke de eerste drie het voorschrift behelzen, de laatste drie het doel, dat men door de opvolging van het geschrift bereikt: een in China zeer gebruikelijke verbinding van nuttigheid en leering. Het vierde teeken is in iedere afdeeling hetzelfde en beteekent "om" of "opdat".

Van ieder der 16 sententiën schreef keizer Yung Cheng, de zoon en opvolger van Kang hi, in 1724 een verklaring, welke bij de voorlezingen de plaats van vroegere verklaringen inneemt. Een nog uitvoeriger omschrijving werd later in 't licht gegeven door zekeren zout-commissaris in Shensi, Wang Yü po geheeten. Deze wordt als een waar meesterstuk beschouwd, omdat zij zoo begrijpelijk is en door het invlechten van historische voorbeelden, aanhalingen en spreekwoorden zoowel leerzaam als onderhoudend mag heeten. De straks aangehaalde pleitrede tegen Boeddha en Tao [151] is hier weggelaten. Overigens zijn er vele pogingen gedaan om "het heilige edict" populair te maken. In 1681 gaf zekere districts-magistraat in Anhui, Liang Yen nien, een werk uit met 200 platen, welke, evenals de daarbij behoorende geschiedenissen bestemd waren om de voorschriften des keizers op te helderen en te illustreeren.

In 1879 werd een ander dergelijk werk in Shanghai door een Chineesch photographisch instituut gepubliceerd en in Canton bestaat een omschrijving van het edict in verzen.

We laten nu, hier en daar een enkele opmerking makend, de verschillende sententiën van dit edict volgen:

1. Neemt de kinderlijke en broederlijke plichten in acht, opdat de wederkeerige betrekkingen des levens behoorlijk in stand blijven.

2. Acht uw bloedverwanten, opdat gij de voordeelen van een goede verstandhouding moogt toonen.

3. Leeft op goeden voet met uw naburen, opdat gij rechtsquaesties moogt vermijden. [152]

4. Legt u toe op den landbouw en het kweeken van moerbeiboomen [153] om voldoende voeding en kleeding te hebben.

5. Weest spaarzaam om onnuttige uitgaven te vermijden.

6. Houdt de studie der wetenschap in eere, opdat gij de leerlingen leidt op den rechten weg.

7. Vernedert valsche leringen, [154] om de ware leer te verhoogen.

8. Verklaart de wetten, om de onwetenden en hardnekkigen te waarschuwen.

9. Weest hoffelijk en toegevend om de zeden te verbeteren.

10. Blijft getrouw aan uw eigenlijke bezigheden, opdat de wil des volks onveranderlijk zij. [155]

11. Onderwijst de jeugd, opdat zij verhinderd worde kwaad te doen.

12. Laat alle valsche beschuldigingen achterwege, opdat de onschuldigen beschermd worden.

13. Waarschuwt allen, geen deserteurs (die het vaandel verlaten) bij zich op te nemen, opdat zij niet in hun straf deelen.

14. Betaalt uwe belastingen, opdat gij niet dikwijls gemaand behoeft te worden.

15. Vereenigt u tot tien en honderdtallen, om roof en diefstal uit te roeien. [156]

16. Weest verdraagzaam jegens elkaar, opdat het leven in achting blijve (opdat er bij den strijd geen verwondingen en doodslagen voorvallen.)

Het gezond menschenverstand, dat in de aangehaalde plaatsen, welke uit de geschriften van orthodoxe philosofen getrokken zijn, een zoo groote plaats beslaat, is, indien men allerlei bluf en versiering, alsmede de later eerst opgekomen speculaties van Boeddhisme en Taoïsme er buiten rekent, nog altijd de grondslag van de tegenwoordige philosophie, die onder den naam van Confucianisme de gansche Chineesche maatschappij, van de familie tot den staat toe, doortrekt.

Trots alle bijgeloovige uitwassen, die uit Boeddhisme en Taoïsme zijn voortgekomen, of die zich in aansluiting daaraan uit den ouden staatsgodsdienst ontwikkelden en die in de hoogste, zoowel als in de laagste kringen hunnen invloed doen gelden: ja, officieel worden gehuldigd--trots dat alles ligt er toch in het Staats-confucianisme een voor familie en staat zeer beschavende macht.

Aan den invloed dezer, zich tegen alle ruwheid en onzedelijkheid verzettende leer op de omliggende volken heeft China het te danken gehad, dat zijn philosophie tegenover deze volken een zelfde rol heeft vervuld, als in Europa de Grieksche en Romeinsche beschaving en later het Christendom.

Natuurlijk hebben echter die omliggende volken niet alleen de deugden, maar ook de gebreken dezer beschaving overgenomen. Bij die gebreken denken wij vooral aan de steeds grootere afsluiting van andere geestelijke stroomingen en de daaruit voortvloeiende zelfoverschatting, waaruit zich dan de levenlooze onbewegelijkheid ontwikkelde, die wij in China, Annam en Korea ontmoeten, en waaraan slechts Japan zich--zeker ook omdat het Mongoolsche bloed hier niet onvermengd is--heeft ontworsteld.

Welke verwijten men in dezen echter aan de Chineesche philosophie moge doen, men mag niet vergeten, dat zij China voor vele droevige verschijnselen, die wij in de snel voortgaande westersche beschaving opmerken, bewaard heeft.

Men denke aan de inquisitie en het anarchisme, beiden door zoo talrijke klassen in het westen verheerlijkt. Voor zulke dingen is China gespaard gebleven. Nu moge men zeggen, dat ook in China de praktijk soms niet beantwoordde aan de theorie, wij vragen, waar dat geheel het geval is en merken op, dat de philosophie van Confucius heeft bereikt, wat voor andere stelsels onbereikbaar is gebleven, namelijk dat zij niet slechts het eigendom werd van enkele bevoorrechten, maar van de geheele volksmassa.

Ook merken wij op, dat het zijn waarde kan hebben om, waar de tegenwoordige Europeesche philosophie in een alles afbrekend en vergiftigend pessimisme en cynisme ontaardt, zich in zijn zwartgallige, onpraktische bespiegeling eens te laten temperen door de wereldwijsheid der oude Chineezen, al moge zij wat "huisbakken" zijn.

Waar nu de philosophische leeringen van oude tijden af tot nu toe zulk een grooten invloed uitoefenden op de denk- en handelwijze van het geheele Chineesche volk en deze zeker ook in de toekomst zullen uitoefenen, moeten wij, behalve deze leeringen, ook de werken kennen, waarin zij ons zijn bewaard gebleven.

Wij willen daarom, vooral voor hen, die lust mochten hebben op dit gebied wat dieper dan de oppervlakte te gaan, een kort overzicht van namen, schrijvers, inhoud en ouderdom dier werken geven.

VII. De klassieke boeken der Chineezen.

De Chineezen spreken gewoonlijk van de "vijf Kings" en de "vier Shu's". De eersten zouden wij de vijf groote, de anderen de vier kleine klassieken kunnen noemen.

De groote klassieken zijn volgens deze indeeling de volgende:

1. I-king, het boek der veranderingen. 2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen. 3. Shi-king, het boek der liederen. 4. Li-ki, het boek der ceremoniën. 5. Chun-chiu, de kroniek van Confucius met het geschiedkundig verhaal van Tso chiu ming.

De kleine klassieken zijn:

1. Lun-yü, de gesprekken van Confucius. 2. Ta-hio, de groote leer. 3. Chung-yung, het onveranderlijke midden. 4. De werken van Mencius.

Noch het getal der werken, noch de boeken, die tot ieder der hoofdwerken behooren, noch de bestanddeelen dier kleinere werken of hun namen zijn altijd dezelfde geweest; er zijn vijf, zes, negen, tien en dertien "kings" geweest. Deze naam "Kings" is eerst sedert de dynastie van Han, in de laatste twee eeuwen vóór onze jaartelling voor alle boeken gebruikelijk geworden, die men als kanoniek en van onwankelbaar gezag beschouwde. Tegenwoordig, onder de Mandschoe dynastie, welke sedert 1643 in China heerscht, wordt, behalve van de "vijf kings" en de "vier shu's" ook dikwijls van de dertien "klassieke werken" gesproken. Deze zijn dan:

1. Het boek der veranderingen. 2. Het boek der geschiedkundige aanteekeningen. 3. Het boek der liederen. 4. Chau-li, het boek over de staatsinstellingen onder de Chau dynastie. 5. I-li, het boek der gebruiken. 6. Het boek der ceremoniën. 7. De kroniek van Confucius met het geschiedkundig verhaal van Tso chiu ming. 8. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Kung yang. 9. Dezelfde kroniek met het geschiedkundig verhaal van Ku liang. 10. De gesprekken van Confucius. 11. De geschriften van Mencius. 12. Hsiao-king, het boek van de kinderlijke liefde. 13. Het oude woordenboek Urhya.

Onder die dertien worden niet genoemd de volgende drie werken, die echter ook als klassiek gelden:

14. Ta-hio, de groote leer. 15. Het onveranderlijke midden (Chung yung). 16. De Bamboeboeken.

Wat het ontstaan, de schrijvers en voor een deel ook den inhoud dezer werken aangaat; daarover zijn bijna evenveel meeningen, als er Chineesche critici zijn, die zich met deze vragen hebben beziggehouden. Dit is niet te verwonderen, daar bijna geen dezer boeken ons ongeschonden is overgeleverd en de tekst dikwijls onverstaanbaar is. Wat de een beslist voor waarheid aanneemt, wordt door den ander met evenveel beslistheid verworpen. Zelfs de gedurende langen tijd als gezaghebbend erkende verklaringen van Chu hi en zijne leerlingen in de 12e eeuw, zijn onder de tegenwoordige dynastie dikwijls bestreden. Evenwel vertegenwoordigen zij nog altijd de geijkte opvatting, waarvan men bij bekendmakingen van staatswege uitgaat. De nu volgende opgaven geven de thans vrij algemeen geldende opvattingen over de klassieke werken weer.

1. I-king, het boek der veranderingen.

De I-King is een boek, bestemd om de voor doeleinden van waarzeggerij gebruikte, uit heele en gebroken lijnen bestaande 8 trigrammen, evenals de daaruit afgeleide 64 hexagrammen te verklaren. [157] Die teekenen zelf zijn zeker ouder dan de 12e eeuw voor Christus. De korte verklaringen bij de hexagrammen en de uitweidingen over de onderdeelen, waaruit deze samengesteld zijn, worden gezegd afkomstig te zijn van Wen Wan (1251-1135 v. C.), den vader van den eersten keizer der Chau-dynastie en van Chau kung, den broeder van dien eersten keizer. De andere tien afdeelingen van het werk worden--waarschijnlijk ten onrechte--aan Confucius toegeschreven.

Op een onbevooroordeeld lezer maken de oudste gedeelten van den I-king den indruk van een waarzeggersboek van weinig meer waarde en beteekenis, dan dergelijke werken gewoonlijk hebben. Eerst in het laatste, meer exegetische deel van het werk, wordt beproefd om in de oorspronkelijk geomantische verklaringen een philosophische beteekenis te leggen. Dit kan ons niet verwonderen, want ook bij andere volken zijn alchemie, astrologie en andere zwarte kunsten sterk met philosophische symboliek en mystiek dooreengewerkt.

Het belangrijkste gedeelte van het werk, waaraan echter de bekende Duitsche wijsgeer Leibnitz een zeker te groote waarde toekende, is wel de derde der laatste verhandelingen (afdeeling 5 en 6). Deze bevat naast uitvoerige mededeelingen over de wijze van het verklaren van teekenen een rijk magazijn van oudheidkundige aanteekeningen en bespiegelende wijsbegeerte.

Confucius stelde den I-king zeer hoog. Driemaal moesten de riempjes, welke de plankjes bijeenhielden, waarop in zijn exemplaar de tekst was ingesneden, worden vernieuwd. Ja, hij placht te zeggen, dat, als hij 50 jaar aan de studie van I-king kon wijden, hij hopen mocht, daardoor zoover gevorderd te zijn, dat hij geen groote gebreken meer bezat.

Terwijl nu Confucius en zijne aanhangers dit werk zoo vereerden, is het dubbel merkwaardig, dat ten slotte de Taoïsten zich geheel en al van de uitlegging hebben meester gemaakt en dat de thans officieel geijkte verklaring van dit werk afkomstig is van den Taoïst Ch'èn tw'an. Deze man leefde eenigen tijd aan het hof van Tai tsung, den tweeden keizer der Sung dynastie (976-997) en werd door dezen geroepen om hem in de geheime wetenschappen te onderrichten. Later trok hij zich in de eenzaamheid terug, waar hij ook stierf.

Bij de vernietiging der boeken (van de wijsgeeren) onder keizer Tsing Shi Hwangti [158] werd de I-king als op de waarzeggingskunst betrekkelijk, verschoond. Toch was een deel van den, zooals wij reeds vermeldden, aan Confucius toegeschreven commentaar, verloren gegaan en werd dit eerst ongeveer 78-42 v. C. onder tamelijk romantische omstandigheden door een meisje teruggevonden in de ruïnen van een oud huis.

2. Shu-king, het boek der geschiedkundige aanteekeningen.

De Shu-king, zooals wij dien thans kennen, bevat de overblijfselen van een voorheen veel omvangrijker verzameling van geschiedkundige beschrijvingen en documenten uit de jaren 2357-627 v. C. Aan de echtheid van de gedeelten welke ongeveer 2197 v. C. en daarna zijn geschreven, wordt niet getwijfeld, terwijl met betrekking tot de andere, daaraan voorafgaande stukken wordt aangenomen, dat de schrijvers uit oudere stukken hebben geput.

De zeer geestvolle en zeker doeltreffende verklaring, door den geleerden vrijheer von Richthofen over een van deze oudste stukken, de schatting van Yü gegeven, doet zien, dat er in dit werk nog gewichtige resultaten zijn te vinden voor diegenen, welke den moed hebben zich te bevrijden van de boeien der Chineesche verklaarders, wier opvatting gewoonlijk ook door de meeste vreemde vertalers wordt gevolgd.

Wat de geloofwaardigheid van dit werk betreft: Mencius zegt er van, dat het veel beter zou zijn, den geheelen Shu-king niet te bezitten, dan daaraan onbepaald geloof te slaan. Confucius, wien men ook (ten onrechte) dit werk toeschrijft, haalt het telkens aan.

Een deel van den thans als geldig beschouwden tekst wordt door de beste critici voor apocrief gehouden. Wat er van over is, bestaat uit enkele stukken, die bij de vernietiging der boeken gered en toen op eenigszins wonderbare wijze weer aan den dag zijn gebracht.

3. Shi-king, het boek der liederen.

De bekende geschiedschrijver Sze ma tien schrijft dit werk aan Confucius toe, doch zijne verzekering is ongeloofwaardig. Immers reeds lang vóór Confucius werden verschillende der hier voorkomende liederen met dezelfde namen genoemd, die zij later ook droegen.

Ook de Shi-king ontging in de dagen der Tsin-dynastie de vernietiging niet. Doch, daar velen de liederen en gezangen daaruit van buiten kenden, werd het boek spoedig weer hersteld.

In zijn tegenwoordige gedaante bestaat het werk uit 305 stukken, in vier groote afdeelingen samengevat, van welke de eerste afdeeling 160 liederen: spotliederen, straatliederen, liefdes- en volksgedichten behelst. In de tweede afdeeling zijn 74 feestgezangen, oorspronkelijk bestemd voor het keizerlijk hof, doch later ook aan de hoven der vorsten gezongen. In de derde afdeeling zijn 31 gezangen, die eveneens aan het keizerlijk hof werden voorgedragen en wel, wanneer er feesten gegeven werden ter gelegenheid van het bezoek der onderhoorige vorsten, terwijl de vierde afdeeling 40 gezangen telt, welke gebruikt werden bij de ceremoniën in de hal der voorouders en bij de offers.

Van de liederen oordeelt men, dat er 108 afkomstig zijn van den tijd tusschen 1765-1065 v. C., verder 156 van tusschen 1076-696, en de rest van af 696-585 v. C. Waarschijnlijk zijn deze opgaven niet ver van de waarheid.

De Shi-king bevat vele stukken, die van groote dichterlijke waarde zijn. De Chineesche commentatoren hebben echter (evenals ook sommige vreemde vertalers), al hun best gedaan om den zin van de mooiste stukken te bederven, door deze namelijk ten onrechte als satyren op onzedelijke toestanden, of als afschrikwekkende schilderingen te gaan beschouwen.

4. Chau-li, de staatsinrichtingen der Chau-dynastie.

Dit, zooals men aanneemt, door Chau-kung in de 12e eeuw v. C. geschreven werk, bestaat in zijn tegenwoordige gedaante waarschijnlijk uit eenige oude gedeelten, met latere onechte toevoegselen uit den tijd der Han-dynastie vermeerderd. Chau-li werd door de Tsin-dynastie met bizonderen haat vervolgd en eerst in het jaar 40 v. C. door een der keizerlijke bibliothecarissen weer uitgegeven. Deze voegde een der verloren gegane stukken: het boek der handwerkers, er nieuw bij.

Het werk behelst een soort hof- of staatskalender der dynastie Chau, waarin de verschillende ambten, het getal en de werkkring der waardigheidsbekleeders worden vermeld.

5. I-li, het boek der gebruiken.

Het allereerst vinden wij dit boek aangehaald bij Mencius, in de 4e eeuw voor Christus. Toch is het aan geen twijfel onderhevig, of een deel van de voorschriften, die men in dit werk vindt over handelwijzen bij bizondere gelegenheden, is reeds uit de dagen van Confucius of uit nog vroeger tijd afkomstig. Na de vernietiging der boeken kwam in de 2e eeuw v. C. een tekst van I-li, spoedig door een tweeden gevolgd voor den dag. Uit deze beide teksten is de tegenwoordige samengesteld. De titel "I-li" dagteekent uit den tijd der Han-dynastie.

6. Li-ki, het boek der ceremoniën.

De Li-ki is het derde en jongste der werken, in wier naam het teeken "Li" (gebruiken) voorkomt. Terwijl echter de beide andere werken op dit gebied, I-li en Chau-li, althans voor een deel zeer oud zijn: meer dan 1000 voor C. geschreven--is de Li-ki zeker niet voor de 2e eeuw onzer jaartelling voltooid.

Li-ki behelst de oude commentaren over de onderwerpen, in het boek I-li behandeld en is, in zijn tegenwoordigen vorm een werk van Tae, den jongere. Diens oom, Tae, de oudere, gaf reeds vroeger een werk uit, "Ta Tae Li" d. i. de gebruiken van Tae den oudere, geheeten.

Dit laatste boek (van den oom) was onder de dynastie Han niet bizonder in tel, doch nieuwere critici hebben het in zijn eer hersteld: het bevat namelijk den kalender der Hsia-dynastie, die, indien hij echt mocht zijn, ons sterrekundige opgaven geeft van 2000 jaar vóór onze jaartelling.

7. 8. 9. Chun-Chiu, de kroniek van Confucius.

Chun-Chiu beteekent letterlijk: herfst en voorjaar. De bedoeling echter is om met die twee jaargetijden het geheele jaar aan te duiden, alzoo: jaarboek. Het is een kroniek van het geheele Chineesche rijk over 722-484 v. C., geordend volgens de chronologie van den vorst van Lu. Deze kroniek wordt, door Mencius het eerst, aan Confucius toegeschreven.

Ondanks den buitengewonen lof, dien de Chineesche verklaarders voor dit werk hebben, is het een droog, onnauwkeurig en onvolledig werk. Indien Confucius de maker van dit werk is, heeft hij daarbij al zonderlinge beginselen gevolgd: nl. om personen en feiten, waarmede hij niet ingenomen was, eenvoudig weg te laten.

Het dor geraamte dezer kroniek krijgt eerst leven door de drie geschiedkundige vertellingen van Tso chiu ming, Kung yang en Ku liang, waarvan vooral het eerste verhaal allerlei belangrijke bizonderheden bevat.

De verhalen en verklaringen in dit boek zouden mondeling zijn overgeleverd en eerst onder de dynastie van Han zijn opgeschreven. Wie de commentatoren waren (sommige critici houden deze zelfs voor mythische personen) is niet bekend.

10. Lun-yü, de gesprekken van Confucius.

Blijkbaar is dit boek door de leerlingen van de leerlingen van Confucius vervaardigd. Wij bezitten het vrijwel in den vorm, dien het in de tweede eeuw v. C. verkreeg of toen bezat. Het bevat allerlei antwoorden en uitlatingen van den wijze naar aanleiding van vragen, 't zij van zijn leerlingen, 't zij van andere personen. Dit een en ander is noch chronologisch, noch op andere wijze geordend. In sommige afdeelingen, voornamelijk in de 10e, vinden wij een uitvoerige beschrijving van de houding en de gewoonten van Confucius.

11. De werken van Mencius.

Men is het er niet over eens, wie eigenlijk de schrijver van deze boeken is. Sommigen schrijven de zeven afdeelingen, waaruit het bestaat, aan Mencius zelven toe, [159] anderen aan zijn leerlingen, nog anderen aan beiden gezamenlijk. Bij de vernietiging van de boeken schijnen de geschriften van Mencius te zijn gespaard, wellicht omdat hierin geleerd werd, dat de keizerlijke waardigheid aan den waardigsten toekwam en Mencius daardoor eenigszins partij had gekozen tegen de Chau dynastie, die later den troon aan de vorsten van Tsin verloor.