De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 21
"Zoo lang zij leven is er onderscheid van verstand en domheid, beschaving en lompheid. Als zij dood zijn, hebben wij een stinkende, bedorven massa, die vergaat--dat is het algemeene lot. Verstand en domheid, beschaving en lompheid staan in geen menschen macht: evenmin als de toestand van bederf, verrotting en ganschelijk verdwijnen. Noch het leven van een mensch noch zijn dood zijn in diens eigen hand: zijn verstand en zijn domheid, zijn beschaving en lompheid zijn zijn eigen werk niet. Allen zijn geboren en allen sterven: de verstandige en de domme, de goede en de slechte. Velen sterven als zij tien jaar oud zijn, velen als zij honderd jaar oud zijn. De deugdzame en de wijze sterven, de verdorvene en de dwaas sterven. Tijdens hun leven waren zij wijze keizers, nu zij dood zijn, zijn het zoovele verrotte beenderen; in hun leven waren zij roovers en tyrannen, nu zijn ook zij zoovele verrotte beenderen.
"Wie kan onderscheid zien in deze beenderen?
"Daarom, zoolang wij leven, laten wij uit het leven maken het beste, dat wij er van kunnen krijgen: wij hebben geen tijd om aan iets na den dood te denken."
Wat echter niet het minst in Lieh tsze's werk belang inboezemt is het feit, dat hier voor de eerste maal de alchymistisch necromantische [143] richting optreedt, die later voor de ontwikkeling van het Taoïsme en de rol, die zijne aanhangers aan het keizerlijk hof zouden spelen, beslissend zou zijn.
"Aan het hof van keizer Muh van de Chau dynastie (1001-947 v. C.) verschijnt een uit het westen komende Magiër, die door water en vuur, metaal en steen drong, bergen, rivieren en steden verplaatste en in de lucht opsteeg. Keizer Muh eerde hem op alle manieren, doch de Magiër zag het paleis aan voor een erbarmelijke hut, vond het eten der keizerlijke keuken slecht, en de dienstdoende hofdames stinkende geiten. Toen liet de keizer hem een nieuw paleis bouwen en de schoonste jonkvrouwen opzoeken om hem te bedienen. De Magiër liet zich dat welgevallen, doch na korten tijd verzocht hij den keizer met hem te reizen: liet dezen zijn rokspand vasthouden en voer met hem tot in des Magiërs paleis: in den middenhemel. Dat paleis was van goud en zilver gebouwd en met paarlen en kostbare edelsteenen ingelegd.
"De keizer zag van omhoog op zijn paleis, dat er als een leemen hut uitzag. Na lange jaren, toen de keizer zijn rijk geheel had vergeten, nam de Magiër hem weer mede op een reis en voerde hem naar een land, waar men de zon, de maan en de aarde niet meer zag. De keizer werd bevreesd en verzocht den Magiër hem weer in zijn land terug te brengen. Deze gaf hem een stoot: de keizer meende dat hij ontzettend diep viel en--hij ontwaakte en bevond zich bij zijn tafel, waar de spijzen nog niet koud geworden waren en de wijn nog in het glas stond. [144]
"De keizer vroeg geheel verbaasd wat er geschied was en zijn omgeving antwoordde: "Uwe hoogheid was een oogenblik in gedachten verzonken." Toen de keizer er den Magiër naar vraagde zeide deze: "Ik wandelde met uwen geest, hoe zou dan de vorm zich bewegen?""
Spoedig werd de richting van het Taoïsme, waarvan deze geschiedenis een voorbeeld geeft, de heerschende: met ijver zocht men naar het middel om goud te maken en naar het elixer des eeuwigen levens: de keizers en grooten overlaadden de leermeesters der zwarte kunst met goud en eer. Onder Tsin Shi Wang Ti, die de geleerden [145] zoo wreed vervolgde, bloeide het Taoïsme zeer. De keizer zocht met de Taoïsten naar "den steen der wijzen" en naar de "eilanden der zaligen", die natuurlijk ten westen van China moesten liggen. Toen Sü Shi, dien de keizer met een groot gevolg van jongelingen en jonkvrouwen had uitgezonden om deze eilanden te zoeken, terugkeerde met het bericht, dat hij ze wel had gezien, maar ze door tegenwind niet kon bereiken, trok de keizer zelf naar Tschifu in Shantung, in de hoop ze van daaruit te aanschouwen. Daar doodde hij eigenhandig een grooten haai, die, volgens de beweringen der Taoïsten de ontdekking der eilanden zou verhinderen. De dood des keizers sloeg aan verdere plannen, die naar Japan hem hadden kunnen leiden, den bodem in. Doch, ook dit gebrek aan succes schrikte de opvolgers van den "eersten hemelschen keizer" niet af: en nog onder menig opvolger verheugden zich de Taoïsten in den krachtigsten steun en de grootste waardeering.
Met de toenemende verwatering van het Taoïsme zochten zijn priesters, de "doktoren der rede," zooals de zendelingen uit de 17e eeuw hen noemden, het steeds minder in de behandeling der wijsgeerige vragen, steeds meer in de exploitatie van het bijgeloof. Waar, zooals in China overeenkomstig het volksgeloof--zoo veel bovennatuurlijke, grootendeels vijandige krachten des menschen rust bedreigen, kan het ons niet verwonderen, dat de schare naar middelen omzag om zich daarvoor te behoeden of zich daarvan te bevrijden.
Welnu, als overal werden zulke middelen in het geloof gezocht èn--in het bijgeloof gevonden. Daarom is het verklaarbaar, dat de rol van duivelbanner in China meer aan de Taoïstische dan aan de Boeddhistische priesters toevalt en dat de eersten niet slechts volgens sagen en legenden, maar ook in het dagelijksch leven gelden als de met bovennatuurlijke krachten toegeruste beschermers der geloovigen, welke zich tot hen wenden. Hun wapenen zijn: het zwaard en de vliegenwaaier, welke beide ook de zinnebeelden zijn van twee der acht onsterfelijken (genieën, verheven geesten) door deze secte erkend. Waar nu deze priesters niet persoonlijk kunnen optreden, doen zij dit met amuletten en tooverspreuken, die, op papier geschreven, en met allerlei zegelen voorzien, aan de deuren, vensters en muren worden gehecht, of ook wel verbrand, of--in water opgelost--ingenomen worden. Aan het hoofd der heksenmeesters en duivelbanners staat de Taoïstische paus, zooals hij dikwijls genoemd wordt, Chang Tien Shi d.i. de leermeester des hemels, die zijn zwaard van den hemel heeft ontvangen en zijn afstamming, althans geestelijk, terug voert tot op den beroemden Taoïstischen patriarch Chang Tao ling, die in het jaar 34 n. C. in de provincie Chekiang werd geboren en in den ouderdom van 123 jaren ten hemel opsteeg om daar in de onsterfelijkheid zich te verheugen. Chang Tao ling's nakomelingen, later ook die van zijn leerling Kau Kien Che zijn nog steeds in het bezit van het ambt van opperduivelbanner en vertegenwoordiger op aarde van de hoogste Taoïstische godheid.
Vele heerschers van vele dynastiën hebben den Taoïstischen paus, den Tien Shi, met eer en rijkdom overladen. Hij houdt verblijf, waar zijn voorvaderen sedert honderde jaren geleefd hebben: op den Lung hu Shan (draken- of tijgerberg) in Kiangsi, en, hoewel de tempel, waar zijn paleis was, door de Taipings [146] werd verwoest, is deze toch reeds weer in zijn oude heerlijkheid opgebouwd. Een bizonder sieraad zijner residentie vormen een groot aantal aarden potten, stevig gesloten, met amuletten volgeplakt, waarin hij en zijn voorgangers door hen uitgedreven booze geesten hebben gebannen. De gewone Taoïstische priester vangt deze vrienden, welke zich in damp veranderen, in flesschen op, die hij toekurkt, precies zooals zijn Arabische collega's duivelbanners, volgens de "Duizend en Een nacht". De waardigheid van "leeraar des hemels" heet zich door "wedergeboorte" voort te zetten, evenals bij de geestelijke hoofden der Lamaïstische hiërarchie [147].
In dagen van geestelijke opwinding zooals in 1876 b.v., wanneer denkbeeldige wezens hun werk verrichten, aan volwassenen en kinderen de pruiken afsnijden, kippen de veeren uitplukken en als incubi [148] de menschen plagen en dooden, plegen de Taoïstische duivelbanners een gouden oogst binnen te halen en millioenen papieren amuletten te verkoopen, waarop berijmde spreuken en onleesbare teekens staan. Van 1876-77 was er bijna geen huis, waarop geen dergelijke papieren waren vastgehecht, ook droegen kinderen en volwassenen die dikwijls om het hoofd gewikkeld.
Terwijl de Taoïsten zich alzoo, reeds van den aanvang onzer tijdrekening af, altijd meer van de oorspronkelijke leer verwijderden en door exploitatie van het verlangen, dat de mensch heeft naar zinnelijk en bovenzinnelijk genot, invloed en macht trachtten te verkrijgen, bracht de invoering van het Boeddhisme in de eerste eeuw onzer tijdrekening een nieuwe, van buiten afkomstige leer in China, waartegen de beide inheemsche stroomingen, in 't bizonder echter het Confucianisme, zich aanstonds te weer stelden. Daarover een en ander in ons volgend hoofdstuk.
VI. De "geleerden" tegenover Taoïsme en Boeddhisme.
Het zou ons te ver voeren dien strijd in bizonderheden te volgen: bovendien werden, gedurende de eeuwen, waarin die strijd werd gevoerd, altijd weer dezelfde argumenten door de "geleerden", de aanhangers van Confucius en Mencius, herhaald, evenals door hun tegenstanders. Terwijl het Boeddhisme aan het Confucianisme verweet, dat het zich slechts om dit leven, niet om het hiernamaals bekommerde, bracht dit laatste de voorschriften der kinderlijke liefde op den voorgrond. Deze toch veroordeelden dat zich van de wereld terugtrekken en de daarmee samenhangende verwaarloozing der door de bloedverwantschap opgelegde plichten.
Overigens moeten wij ter eere der Chineezen opmerken, dat weliswaar de strijd tegen Boeddhisme en Taoïsme soms het karakter eener vervolging aannam, doch dat deze vervolgingen nooit dat bloedig karakter droegen, waarvan de geschiedenis, zoowel van het Christendom als van het Mohammedanisme, zooveel voorbeelden weet aan te wijzen.
Wel werden tempels verwoest, kloosters ontbonden en de bewoners naar de familie teruggezonden, doch bloedige offers werden aan de orthodoxe leer niet gebracht en ook niet door haar verlangd. Bovendien duurde het niet lang of het Confucianisme begon tegenover de eigenaardige leerstukken van net Boeddhisme een andere houding aan te nemen dan tegenover zijn wijsgeerige zedeleer.
Terwijl het voortging de leerstukken te bestrijden, nam het van de wijsgeerige zedeleer heel wat over, zoodat ten slotte zelfs de werken van de voornaamste voorstanders van Confucius, zoo vol waren van Boeddhistische opvattingen en ideeën, dat men wel toe moet stemmen, dat in dit opzicht het Boeddhisme een groote uitwerking had.
Tusschen Han Yü, die voor 1100 jaren de leer van Confucius voorstond en Chu hi, die sedert het einde der 13e eeuw officieel als vertegenwoordiger der orthodoxe uitlegging wordt beschouwd, bestaat een dergelijk onderscheid, als er tusschen de strenge Rabbijnen van Jeruzalem en de Alexandrijnsche Joden der nieuwe school bestaan heeft. [149] Han Yü komt heftig op tegen het brengen van een reliquie van Boeddha in het keizerlijk paleis en vraagt, wat de keizer met het oude, halfvergane gebeente moet aanvangen. Hij sluit zijn pleitrede hiermede, dat hij het bestaan van de godheid van het Boeddhisme loochent en deze oproept om, als bewijs dat zij werkelijk bestaat, hem, haren tegenstander te vernietigen. Dezelfde uitdaging als van Bradlaugh, den bekenden Engelschen vrijdenker en afgevaardigde in het lagerhuis, die den God der Christenen opriep om hem, den godloochenaar, te verpletteren. Alleen Bradlaugh vatte, als zoon der democratische 19e eeuw, de zaak meer dramatisch, openhartig gezegd, dwazer op dan de Chinees der 8e eeuw; hij toch stelde zijn eisch in een volksvergadering en gaf God slechts vijf minuten om hem te vernietigen.
Wij laten nu volgen een uittreksel uit eene omschrijving van het "heilige edict," die weliswaar niet oud is, (uit het begin der 18e eeuw), maar ons een duidelijk beeld geeft van het oordeel der orthodoxie over Taoïsme en Boeddhisme.
"Van ouds, heet het hier, hebben er drie secten bestaan; naast die der geleerden, nog die van de Boeddhisten en de Taoïsten. Al het spreken der Boeddhistische priesters heeft ten doel: zalig te worden, en gelijk aan Boeddha, den stichter van hun godsdienst. Als een zoon zijn familie verlaat en priester wordt, zoo zeggen zij, dat negen geslachten zijner bloedverwanten zeker zijn in den hemel te komen. Denk nu eens een oogenblik na. Waar is Boeddha? Wat is Boeddha? Boeddha is het hart. Wat is nadenken over de boeken van Boeddha? Ieder uur en ieder oogenblik denken aan de leiding van zijn hart. Is het goed, zoo is het Boeddha. Daarom heet ook het eerste boek hunner secte: "De weg des harten". De hoofdsom van wat deze weg des harten leert is, dat het hart recht moet zijn, niet krom, waar, niet huichelachtig, sterk, niet droomerig. Nijd, toorn en begeerten, deze drie fouten moeten worden uitgeroeid; alles moet u slechts voorkomen als de bloem door een spiegel, als de maan in het water, dan zult gij vrij zijn van vrees en zorgen. Dat is: het hart volmaken. Daarom zegt ook Chu tsze (Chu hi): de secte van Boeddha bekommert zich, noch om den hemel, noch om de aarde, noch om iets anders binnen het heelal, zij denkt slechts aan het hart. In die stelling ligt de geheele oorspronkelijke leer van Boeddha.
Wat de Taoïsten betreft, zij hechten bizondere waarde aan "den steen der wijzen", waarmee zij kwikzilver vast willen maken en lood in goud veranderen, draken en tijgers temmen en wie weet wat voor verborgenheden nog meer mede bereiden willen. Alles komt echter neer op de versterking van de (dierlijke) levenskracht: een paar jaar het leven verlengen dat is alles. Daarom zegt Chu tsze ook: Waar het de Taoïsten vooral om te doen is, dat is de bewaring van den levensgeest. In die stelling ligt de gansche leer van Tao opgesloten.
"Nu is het wel waar, dat de uitnemendsten onder de Boeddhistische priesters, die in de kloosters op de beroemde heuvelen wonen en het goed verstaan leeringen voor te dragen, alles op één woord: het hart terugbrengen en dat de brave doctoren van Tao, die diep in de kloven en holen der bergen naar de verkrijging der onsterfelijkheid trachten, alles samenvatten in dit ééne: de wedergeboorte des geestes, doch, als wij de zaak nu eens goed bekijken, dan zien wij nog wat anders. Dat zich terugtrekken in de eenzaamheid, waar noch menschen zijn noch de rook van menschelijke woningen is, dat met gekruiste beenen in diep stilzwijgen neerzitten, wat is het anders, dan de wederkeerige verplichtingen des levens met den wortel uittrekken en verwoesten? Verre zij het van ons te denken, dat zij Boeddha niet gelijk zouden kunnen worden of den rang der onsterfelijken bereiken, doch: als zij dat kunnen, wie heeft sommigen ten hemel zien varen en anderen midden op den dag hun vlucht opwaarts zien nemen? Dat zijn alles slechts fopperijen. Toch gelooft het domme volk alles en laat zich gemakkelijk wat op den mouw spelden. Zie maar naar de strenge priesters van Boeddha en de doctoren van Tao, die de menschen wedergeboren doen worden: zij allen verstoren--tot geen enkel redelijk doel--de betrekkingen des menschelijken levens: zij zijn voor de maatschappij nog niet de pluim van een veer waard!
"Hoewel zij echter steeds zelfzuchtig waren en slechts dachten, aan wat hun eigen persoon aanging, zoo hadden zij toch in oude tijden geenszins de bedoeling om iemand anders te schaden. Nu is echter eene klasse van personen onder hen opgestaan, die zonder middel van bestaan of tehuis zich op de kloosters verlaten en in den tempel hun woning nemen. Deze menschen schermen met den naam Boeddha en bedenken een menigte dwaze sprookjes over hemelsche paleizen, onderaardsche holen, zielsverhuizing en vergelding. Volgens hen is het allereervolste: een priester te voeden en vrijgevig jegens de goden te zijn; zij noemen dat: zaaien op den akker der zegeningen! Zij zeggen: "Geef altijd en gij zult altijd hebben." En, opdat het volk hen gelooven moge, voegen zij er bij: "Veracht de priesters, bespot Boeddha, bespot de geboden, weiger vereering aan de goden, geef geen aalmoezen èn--gij kunt zeker zijn van in de hel te worden geslingerd. De dondersteen zal u treffen, de bliksem u verteren!" Alle soorten van sprookjes en geschiedenissen vertellen zij om het volk bang te maken, opdat het geloove, zich onderwerpe en betale. Eerst weten zij nog alleen maar den lieden hun geld afhandig te maken, ten einde het in hun eigen zak te steken. Langzamerhand echter gaan zij tot de grootste onbehoorlijkheden over. Zij roepen--hoe zal ik het zeggen--vergaderingen op ter eere van den versierden draak, de vrome wees, de reine bloem, waarin zij de klokken luiden, de pauken slaan, waarin zij allerlei uitleggen en bevelen en mannen en vrouwen te zamen brengen, die dag en nacht niet uit elkaar gaan. Nu heet het wel, dat de lieden voor goede doeleinden deze vergaderingen bevelen, doch ieder weet, dat het juist omgekeerd geschiedt om booze dingen te doen.
"Gij eenvoudig volk kunt het valsche van het ware niet onderscheiden! Was niet Boeddha, naar wat de boeken over hem zeggen, de eerstgeboren zoon van koning Fan? en toch trok hij zich uit de wereld terug en vluchtte geheel alleen op den top der besneeuwde bergen om zich aan de deugd te wijden. Wanneer hij voor zijn eigen vader, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen geen zorg droeg, zijt gij dan zoo dwaas nog te meenen, dat hij zorgen zou voor de groote menigte en haar zijn wetten en leeringen zou verkondigen?
Het keizerlijk slot, de vertrekken der koningin, de troonzaal en de feestzalen, dat alles verachtte hij. Zou het nu niet vreemd zijn, als hij in verrukking kwam over de nonnen- en monnikenkloosters, de tempels en kerkelijke gebouwen, die gij voor hem opricht? En indien er werkelijk (zooals de Taoïsten leeren) een hoogste God in den hemel leeft, zou Hij zich dan daar niet kunnen vermaken overeenkomstig Zijn eigen smaak, zoudt gij dan voor Hem een lichaam van gesmolten goud moeten maken en een huis, waarin Hij wonen kan?
"Al die onzinnige geschiedenissen over vasten en collecten, tempelgebouwen en oprichten van beelden, zijn uitvindingen van rondzwervende, nietswaardige priesters en monniken om u zand in de oogen te strooien. En toch gelooft gij ze en gaat niet slechts zelf in de tempels om te bidden en te wierooken, maar laat ook uw vrouwen en dochters toe ditzelfde te doen. Met heur haar vol pommade en met geblankette aangezichten, in roode kleeren met groene oplegsels trekken zij uit om wierook in de tempels te branden en dringen zich met Boeddhistische en Taoïstische priesters schouder aan schouder, arm aan arm, gestompt door de opdringende menigte. Ik zie er het goede niet van in dat zij meenen te doen, in tegendeel, zij doen veel schandelijke dingen, die ergernis opwekken en aanleiding geven tot hoon en spot.
"Dan zijn er lieden, die bevreesd, dat hun lieve jongens en meisjes niet lang genoeg zullen leven, ze aan den tempel overgeven om priesters en priesteressen van Boeddha of Tao te worden, zich inbeeldend dat, wanneer zij eenmaal hun huis hebben verlaten en zich aan de voeten van grootvader Boeddha hebben neergezet, daardoor zeker hun leven zal worden verlengd. Kan men dan, zoo zou ik willen vragen, volhouden dat zij, die in onzen tijd priesters van Boeddha of Tao zijn, allen den leeftijd van 70 jaar zullen bereiken, en er geen onder hen is, die slechts kort leeft?
"Wederom is er nog een andere klasse van bizonder domme lieden, die wijl hun ouders krank zijn, zichzelf den goden als offer aanbieden. Zij beloven, dat, als hun ouders gezond worden, zij zullen trekken naar een heiligen berg om daar te bidden en wierook te verbranden; bij iedere schrede zullen zij zich neerwerpen, totdat zij op den top van den berg komen, vanwaar zij zich dan naar beneden storten. Indien zij daarbij het leven al niet inschieten, armen en beenen breken zij er toch bij. Zij zelf zeggen: "Ons eigen leven prijs te geven om dat onzer ouders te redden is het grootste bewijs van kinderlijke liefde." De omstanders prijzen hen ook als goede kinderen, doch, zij bedenken niet, dat op die wijze het lichaam weg werpen, dat zij toch van hunne ouders ontvingen, integendeel een zeer onkinderlijk gemoed verraadt.
"Verder zegt gij, dat de Boeddha-vereering zeer voordeelig is, dat, als men papieren afbeeldingen van geld verbrandt, geschenken offert en vast, uw God Boeddha alle ongeluk van u zal afwenden, uwe zonden zal wegnemen, uw geluk vermeerderen en uw leven verlengen zal. Denkt nu eens na. Van ouds heet het: De goden zijn goed. Was dit nu met Boeddha het geval, hoe kan hij dan begeerig verlangen, dat gij hem met uw goudpapier en uwe geschenken zoudt bewegen om u te beschermen? En als gij hem geen goudpapier verbrandt en geen gaven op zijn altaar legt zal Boeddha op u toornig zijn en zijne straffen u toezenden! Dan is immers uw god Boeddha een onwaardige! Neemt nu eens uw districtsrechter. Al zoudt gij hem ook nooit hoffelijkheden bewijzen en vleien, toch zal hij u, als gij maar goede en vlijtige menschen zijt, die uw plicht doet, met groote welwillendheid behandelen. Overtreedt gij echter de wetten, pleegt gij daden van geweld en matigt gij u de rechten van anderen aan, zoo zal hij, al hebt gij ook allerlei middelen en wegen om hem te vleien, toch ontevreden over u zijn en zulk gespuis uit de maatschappij weten te verwijderen.
"Gij zegt, dat uwe vereering van Boeddha u vergeving der zonden verschaft, doch, stelt nu eens, dat gij in een of ander opzicht de wet hebt overtreden en in de rechtszaal verschijnen moet, om uw straf te vernemen, meent gij dan, dat de rechter u zal sparen, al roept gij ook nog zoo dikwijls, al ware het duizend malen: Genadigste heer rechter?
"Gij wilt echter, om voor ieder geval gedekt te wezen een paar Boeddhistische en Taoïstische priesters bij u hebben, opdat zij u de heilige boeken voorlezen en u de biecht afnemen: want gij gelooft, dat het voorlezen der boeken de ellende verdrijft, geluk aanbrengt en het leven verlengt. Maar stel nu eens, dat gij u tevreden stelt met de verschillende gedeelten van dit "heilig edict" eenige duizende of honderdduizende malen te lezen, zonder daarnaar te handelen, meent gij dat de keizer daarover bizonder verrukt zal zijn, u met geld beloonen en in het ambt bevorderen zal?"
Tot dusverre dit "heilig edict." We kunnen er uit zien, dat zeven eeuwen niet veel hebben veranderd in de opvatting der Chineesche geleerden. Doch--terwijl de dogmatische zijde van het Boeddhisme weinig genade vond in de oogen der orthodoxe volgelingen van Confucius, heeft zich, sedert de Sang-dynastie, in de school van Chu hi, een sterke neiging tot Boeddhistische en Taoïstische bespiegelingen vertoond. In het bizonder wat betreft vragen over de kosmogonie, het ontstaan der wereld. Terwijl de geleerden zich met bespiegelingen over deze onderwerpen bezig hielden, wijdden zij zich ook, sinds de 12e eeuw, aan de oplossing van vraagstukken, die ons als spel moeten voorkomen, doch die daarom niet minder de knapste koppen uit dien tijd in beslag namen en daarom althans een korte vermelding verdienen.
Ho tu Loh shu, "het plan van Ho en de rol van Loh", is de Chineesche naam voor de mythische overleveringen, waarop blijkbaar "het groote plan" van den graaf van Ki berust. Het "groote plan" is de titel van een der geschriften van Shu-king, het boek der historische opteekeningen, dat in acht afdeelingen voorschriften behelst over de wijze, waarop het volk door de volkomenheid van den vorst en de daaruit voortvloeiende voortreffelijkheid der regeering gelukkig en tevreden kan worden. Dit geschrift werd blijkbaar tegen het einde der 12e eeuw door den keizer Wu aan den graaf van Ki meegedeeld, welke, hoewel door den laatsten heerscher der Shang dynastie ingekerkerd, toch de aan dezen gezworen trouw wilde houden en den nieuwen keizer niet wilde huldigen. Ja toen hij door dezen in vrijheid werd gesteld, vluchtte hij naar Korea, met welk land hem Wu ten slotte zou hebben beleend.
In het gedeelte van den commentaar op I-king, dat aan Confucius wordt toegeschreven, heet het: De gele rivier (Ho) bracht het plan voort en de rivier Loh de rol. In de "gesprekken" zegt Confucius: de rivier brengt geen plan meer voort, en op een andere plaats vindt men: de rivier bracht het plan van het paard voort.