De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 2

Chapter 23,707 wordsPublic domain

Bij onze bespreking van den ouden Vedischen godsdienst: d. w. z. den godsdienst, waarvan ons in de oudste gedeelten der Veda's de geest is bewaard gebleven, zagen wij reeds dat er zeker streven opkwam om één der vele goden tot oppergod te verheffen: men denke b.v. aan de straks aangehaalde hymne, tot Varuna gericht. In den oud-Brahmaanschen godsdienst nu kwam men daar omtrent tot klaarder besef. Men gevoelde dat er een "Geest (atman)" was, boven de kennis der zinnen verheven, die alle stoffelijk dingen bezielde en doorademde. Die zelfde geest, die de gansche stoffelijke wereld bezielde was het ook die trilde in de gedichten der zangers, die bezieling gaf bij godsdienstige kennis en gebed. Boven alle persoonlijkheid was hij verheven, oneindig en onbeperkt lag hij aan alle dingen ten grondslag en woonde hij in 't gansch heelal. Ook in den mensch. Was hij niet de levensadem, die het lichaam bezielde, woonde hij met zijn geheimzinnige tegenwoordigheid niet in ieders geweten? Breidde hij zich niet uit in de gansche oneindige ruimte? Daarom gaf men hem den naam: Brahma. Brahma (onzijdig) is dus het wezen, dat aan alle dingen ten grondslag ligt: en waarvan ook de mensch een deel is. Al de goden waren evenals de menschen slechts openbaringen van die hoogste kracht.

Wat nu moet het levensdoel zijn van den mensch?

Om, van al het stoffelijke bevrijd, van alle smet gereinigd geheel, in dit Brahma, in die wereldziel, te verzinken. Hoe echter moet dit doel worden bereikt? Wij zagen reeds dat de offers daartoe een werkzaam middel werden geacht. Doch, nevens de offers, in sommige kringen zelfs met terzijdestelling daarvan, hechtte men in dezen groote waarde aan zelfkastijding en aan bespiegelend inkeeren tot zichzelf: want komen tot zichzelf, tot zijn diepste wezen, is komen tot Brahma.

Doch: een enkel menschelijk leven is daarvoor niet genoeg: vele levens moet men doorloopen, telkens weer moet men na een overgangstijdperk in hemel of hel, naar gelang van zijn vroeger leven, opnieuw worden geboren, altijd op hoogeren trap van zelfverloochening en bespiegeling gerakend, zal men eindelijk geheel in de wereldziel verzinken. En wee die toegeeft aan booze lusten en geen zelfverloochening kent: eindeloos zijn zijne wedergeboorten: hij kan zelfs genoodzaakt zijn niet als mensch, maar als dier of plant weer te keeren.

Wie echter als Brahmaan ter wereld komt, in die geheiligde caste het levenslicht aanschouwt, hij heeft reeds een goed deel van den moeilijken levensgang afgelegd. Hoe moet hij komen tot volkomen verlossing?

Die weg wordt in het wetboek van Manoe zorgvuldig aangewezen. Eerst, zoo luidt het hier, is hij een leerling der Brahmanen, met het gewijde koord en den gordel bekleed. Een hechte band vereenigt hem met zijn leermeester, door wien hij in de heil'ge boeken onderwezen wordt. Straks is zijn leertijd volbracht en viert hij, bij 't brengen van zijn eerste offer, het feest zijner wedergeboorte.

De leerling wordt nu huisvader. Zoo betaalt hij in deze twee eerste levensstadiën de schuld, waarmede hij geboren werd: die aan de Rishis ("heilige" zangers) wier liederen hij leerde om ze aan volgende geslachten over te leveren, aan de voorvaderen, door nakomelingschap te verwekken om hen offers te brengen, aan de goden, aan wie hij zijn eigen offers wijdt. Heeft hij deze schulden betaald, dan kan hij het huishoudelijk bestier aan zijn zoon, die nu zelf huisvader geworden is, overdragen en zich terugtrekken uit het wereldsch gewoel om geheel voor godsdienstige overpeinzingen te leven. Boven het offeren is hij dan verheven: door het beschouwend leven komt hij straks tot volkomen verlossing. Doch slechts dan is hij zoover gevorderd, dat geen nieuwe wedergeboorte hem meer wacht, indien hij ook in zijn laatste oogenblikken niet meer over de wereldsche dingen, ook maar voor een oogenblik, zijn gedachten laat gaan.

En uit deze leer over de verlossing, waarin aan het ascetische leven feitelijk een hoogere waarde wordt toegekend dan aan het offeren, en uit die van het Brahma, het ware wezen, dat onpersoonlijk is en aan alle dingen ten grondslag ligt, kunnen wij zien welken eigenaardigen weg het Indische denken in het Brahmanisme opging. Het onbewuste wordt hier boven het bewuste, het onpersoonlijke boven het persoonlijke gesteld. Voorwaar een groote tegenstelling met de Westersche godsdienstige ontwikkeling in het Christendom, waarin God geldt als de zelfbewuste, liefhebbende macht, de Vader, en waarin niet opgaan in het albeginsel, maar streven naar volmaking, naar steeds grootere ontwikkeling der persoonlijkheid, als doelwit wordt gesteld.

M. a. w.: het Brahmanisme is een pantheïstische: (God = de Alziel), het Christendom een theïstische (God = de Albestuurder) godsdienst. [5]

Het Brahmanisme een pantheïstische godsdienst. Dat schijnt voor den oppervlakkigen beschouwer vreemd, want hij bemerkt dat er vele goden zijn, aan wie men zijne vereering brengt: men zegt zelfs dat er 33 millioen goden of goddelijke wezens door dezen godsdienst worden erkend. M. a. w.: het Brahmanisme gelijkt veel meer op een veelgodendom, dan op de erkenning van één beginsel, dat aan alle dingen ten grondslag ligt.

Gaan wij echter na de philosophische stroomingen of scholen, die zich in het Brahmanisme hebben ontwikkeld, waaronder de Vedanta en de Sankhya-philosophie de voornaamste zijn, dan valt dit ééne, dat zich in alles openbaart, helder in het oog. De zaak is feitelijk deze: de Brahmanen hadden te doen met een volksgodsdienst, die een groot aantal goden erkende. De minder ontwikkelden eensklaps opvoeren tot de hoogte der wijsgeerige bespiegeling ging niet aan: het volk was daarvoor niet rijp. Een anderen weg moest dus bewandeld en kon ook worden betreden. Al de goden waren in 't oog van den verlichten Brahmaan openbaringen van het eene Alwezen, of liever zinnebeelden, aanwijzingen van die goddelijke macht. Welnu, zoo konden zij hunne vereering blijven behouden: wie hen diende bracht toch ten slotte zijne vereering aan de groote Macht, die zich in alles openbaart. Wie Vishnoe bij voorkeur dient, eert in hem de onderhoudende kracht: een der zijden van het Alwezen. Wie voor Rama en Krishna, twee volksgoden bij uitnemendheid, zich buigt, hij eert de goddelijke vleeschwordingen van den grooten God Vishnoe. Wie voor Siva gestrenge boetedoeningen verricht, hij erkent immers de macht die het leven afbreekt, doch ook telkens weer vernieuwt? Is niet ook Siva ten slotte uit Brahma voortgevloeid?

Zoo heeft dus het wijsgeerig denken beslag gelegd op den ouden volksgodsdienst, en de schare moge blijven staan bij de verschillende goden zonder den symbolischen zin te verstaan, toch: door wie dieper doordringt, m. a. w. door de meer ontwikkelden onder de Indiërs, wordt in toenemende mate verstaan dat het opgaan in het alleven de eigenlijke zin is van het gansche wonderbare tooverpaleis, door dezen godsdienst opgebouwd, met wijsgeerig bestek, op de grondslagen van den alouden volksgodsdienst. Wie dus het Brahmanisme goed wil verstaan moet zich niet te veel ergeren aan den afgodischen schors, maar doordringen tot den innerlijken kern. Als hij dat doet, zal hij zien, dat er tusschen het schijnbare veelgodendom en de wijsbegeerte der Brahmanen niet zulk een klove bestaat, maar dat tot de schare wordt gesproken in gelijkenissen, doch tot de ingewijden vrijuit, dat voor de eersten de hoogste waarheid verborgen blijft in het mythologisch kleed, maar dat zij voor de anderen soms helder schijnt.

Om een en ander in 't licht te stellen willen wij èn bij de Brahmaansche godenleer èn bij de Brahmaansche wijsbegeerte nog uitvoeriger stilstaan.

HOOFDSTUK II.

Brahmaansche godenleer en levensbeschouwing.

Brahma, zoo heet het in de eerste: het volstrekte en oneindige, bracht, door Maya (den schijn) beheerscht, Brahma voort. Deze manlijke god Brahma (wel te onderscheiden dus van het onpersoonlijke, Brahma) staat aan het hoofd der schepping. Hij is de Schepper, uit wien alle leven is. Doch naast hem staan als de twee andere goden der Indische Trimurti (drieëenheid) Vishnoe de onderhouder, en Siva, de verwoester. In deze drie personen openbaart zich alzoo de godheid. De Oud-Indische dichter Kalidasa drukt het aldus uit:

In deze drie personen wordt d'ééne God gezien, Een ieder van hen is de eerste en de laatste In rang, niet één alleen, 't Zij Brahma, Vishnoe, Siva, ieder van hen zij De eerste, tweede, derde, in de goddelijke rij.

In de grotten van Elephanta bij Bombay wordt het heilige drietal voorgesteld als drie majestueuse hoofden, die uit één lichaam zich verheffen. Ook is de driehoek een zinnebeeld hunner eenheid en gelijkwaardigheid.

Van deze drie goden nu wordt Brahma het minst vereerd. Feitelijk is hij meer een wijsgeerig beeld, ontstaan uit het streven om een uitgangspunt te vinden voor het geheele stelsel, dan een godheid, die zich werkelijk bekommert om de werking der wereldmachine, die door zijn wil in beweging is gebracht. Zijn invloed is te verwijderd, zijn werkzaamheid is te weinig omschreven, om indruk te maken op de verbeelding der schare, daarom heeft hij ook slechts weinige tempels en worden daarentegen in het nieuwere Brahmanisme de beide andere hoofdgoden vooral gediend.

De orthodoxe Hindoes toch zijn hoofdzakelijk verdeeld in vereerders van Vishnoe en Siva, twee secten, die elkaar weinig waardeeren. Vishnoe is een zeer belangrijke, veel omvattende godheid. Hij is de opperste onderhouder aller dingen en zijn vrouw Laksmi is de godin van overvloed en vruchtbaarheid. Vishnoe in zijn hoogste openbaring wordt afgebeeld als neerzittend in zalige rust: trouwens rust: geen werkzaamheid is, in overeenstemming met den geheelen geest der Indiërs, het eigenaardige der hoogste goden. Doch in tegenstelling met den verheven Brahma, kan Vishnoe worden gewekt door de ernstige gebeden en offergaven der menschen of der lagere goden, ja, hij kan er toe gebracht worden om in de wereld af te dalen en--op kritieke oogenblikken--de dingen terecht te brengen.

Die neerdalingen zijn de beroemde vleeschwordingen (avatara's) van den god, waarin hij groote daden heeft gedaan en machtige wonderen heeft verricht. Zijn beroemdste vleeschwordingen zijn Rama en Krishna. Rama is een beroemd, met een stralenkrans omgeven oorlogsman: de held van het Ramayana, dat beroemde Indische heldendicht. Krishna is een halfgod, wiens dienst in sommige deelen van Indië in hooge eere is, hij wordt uit verschillende oogpunten in de Indische godsdienstige litteratuur beschouwd en is de held van het tweede beroemde Indische heldendicht, het Mahabharata.

Deze leer der goddelijke vleeschwording is een van de belangrijkste leerstukken van het nieuwere Brahmanisme: zij brengt verband in verschillende deelen van den godsdienst, de hoogere met de lagere vereenigend, de goden uit den hemel naar omlaag voerend om zich met de aardsche aangelegenheden in te laten.

Wilde men zich rekenschap geven van de wonderbare daden van eenig beroemd held: de verklaring was, dat de groote god Vishnoe zich in zijne gestalte had geopenbaard: zoo verscheen de god, tot verhooging van zijn eer, telkens als mensch onder de menschen. Doch: ook van de lichamen van dieren nam Vishnoe soms bezit; nu eens ontmoeten wij hem als leeuw, dan weer als beer, als visch of als schildpad; wat bij die andere vleeschwordingen al heel slecht schijnt te passen. Eerst hoort gij dat de goddelijke geest een schitterend krijgsman of een wonderdoend heilige bezielde, en gij stemt toe, dat deze opvatting redelijk is en geenszins onwaardig. Hoort gij nu echter dat dezelfde god is overgegaan in een visch of een schildpad, en onder dien vorm wordt vereerd: dan vindt gij dit een onredelijk, ongerijmd geloof. Doch: vergeet dan niet dat de pantheïstische denkwijze: de Eéne, die zich overal openbaart, de grondslag is van al deze vleeschwordingen en dat de goddelijke geest immers evenzeer woont in een insect als in den grootsten koning!

Bovendien de Brahmanen hadden goede redenen om de tegenwoordigheid van Vishnoe in sommige dierengestalten te erkennen. Men denke aan het feit, dat het Brahmanisme in zich opnam--en nog steeds voortgaat in zich op te nemen--bekeerlingen van de talrijke niet-Hindoesche stammen, die daar wonen op de heuvelen en in de bosschen van Indië.

Dat waren de oorspronkelijke inwoners met hun ruwe vereering van allerlei voorwerpen en dieren, die hun belangrijk voorkwamen. Om nu deze heidenen in de Hindoesche gemeenschap in te voegen, kende men geen beter middel, dan om onder de vele goden ook de door hen vereerden: doch gelouterd en verheven, op te nemen. Dit doel nu werd bereikt door hun voorwerpen van vereering, eenvoudig als vleeschwordingen van Vishnoe te behouden.

Zoo ging het voorheen, en gaat het ook thans nog. Zekere stam van wilde bergbewoners vereerde den beer. Nu is de beer een van Vishnoe's vleeschwordingen. Toen nu de bergbewoners in den Hindoeschen godsdienst werden ingewijd, lag het voor de hand dat Vishnoe in dit dier werd ontdekt: de nieuwe geloovigen hadden enkel te verstaan, dat zij vroeger reeds onbewust den grooten God hadden gediend. Zeer spoedig ging hun overgang in zijn werk: toch, zonder dat wij daarbij kunnen denken aan opzettelijke misleiding. Neen, de Brahmanen erkenden dat het voorwerp hunner vereering zekere wonderbare, vrees-aanjagende eigenschappen bezat: dat het te recht werd vereerd: zij zagen echter verder en hooger dan die uitwendige vereering en legden uit dat al deze eigenaardigheden een goddelijke macht aantoonden en dus de tegenwoordigheid van de godheid in een nieuwe gedaante beteekenden. Zoo zouden zij ook--verder gevraagd--zeggen dat de god zelf slechts een zichtbare en overtuigende openbaring was van de verborgen goddelijke kracht, die alle dingen bezielt. Zoo zouden ook alle groote mannen en heiligen beschouwd worden als vermommingen of gestalten, door Vishnoe aangenomen om een belangrijke rol te spelen op het wereldtooneel.

Daareven gewaagden wij van Vishnoe's vleeschwordingen, Krishna en Rama, waarnaast nog vele anderen te noemen zouden zijn. Toen eens zeker Mohammedaan oproer maakte tegen het Engelsch gezag en daarbij een aanvankelijk succes had, zeide een Indisch edelman, 's mans dappere daden vermeldend, dat hij een vleeschwording van Krishna moest zijn. Zoo gewagen immers ook Homerus' gedichten van goden, die in de gedaante van aardsche krijgslieden, meevochten in den strijd, en de overleveringen van alle volken zijn vol van wonderbare gedaanten, die verschijnen, om hun trouwe dienaars te redden of te verdedigen.

Wat Krishna betreft, er zijn minstens tien vleeschwordingen van hem bekend, onder welke hij bepaald in sommige beroemde tempels wordt gediend; Jaggernauth is eene daarvan. Zijn toegewijde vereerders wijden hem hun ziel, hun lichaam en hun goed, doch ik vrees dat zijn voorbeeld van vroolijke en verliefde godheid dikwijls tot losbandige praktijken bij zijn vereerders leidt.

Siva vertegenwoordigt een geheel ander beginsel dan Vishnoe. Is deze de onderhouder, Siva is de verwoester en opbouwer tevens der verschillende levensvormen. De gansche kringloop der bezielde schepping, de eeuwige afwisseling van geboorte en dood in de gansche natuur, ziedaar zijn regeering. Niet door vleeschwording openbaart hij zich, zooals Vishnoe, maar de groote natuurlijke verschijnselen, die het leven opbouwen en ontbinden, doen zijn wezen aan de menschheid kennen. Hij brengt leven en dood; de plagen en ziekten, die duizenden wegsleepen, zijn het teeken zijner werking.

De natuur schept duizende levensvormen en vernietigt ze weer, zonder zich te bekommeren om de verwoesting die zij aanricht. Op geheimzinnige, onberekenbare wijze brengt zij voort en verwoest zij. 't Is Siva, die deze werking uitoefent en altijd weer millioenen wezens wegvaagt om ze door nieuwe te vervangen. Die gevreesde macht nu gunstig te stemmen is het hoofddoel van Siva's vereerders; weinigen begeeren iets van zijn macht te erlangen. In Siva's naam worden de strengste onthouding en de wreedste versterving toegepast: zelfverminking door ijzeren haken, trotseeren van pijn en honger, 't voortdurend aannemen van moeilijke houdingen, vasten en eenzame overpeinzing behooren tot zijn vereering. Door deze praktijken kan zelfs een Sudra, [6] indien hij volhardt, wonderbare krachten verkrijgen en de goden dwingen hem te gehoorzamen. De meeste broederschappen van Indische devoten en fakirs (rondzwervende heiligen), die soms alle kleedij versmaden en geheel Indië rondgaan, behooren tot Siva's volgelingen. In zijn tempel worden tallooze offerdieren geslacht, ofschoon men onderstelt dat zelfs menschenoffers hem nog onbewogen laten. Hoe dit eigenaardig beeld is ontstaan? Niet onwaarschijnlijk zijn, bij de invoering van het Brahmanisme, de welwillende, heldhaftige goden der onontwikkelde volken in Vishnoe opgegaan en als zijn vleeschwordingen beschouwd, terwijl hun ruwe en wreede ceremoniën, hun vreeselijke verschijningen en demonen bij Siva zijn thuisgebracht of bij de goden aan hem onderworpen.

Bezien wij deze drieëenheid, deze drie goden met hun vleeschwordingen, openbaringen en zinnebeelden van populaire zijde, dan vormen zij een bontgekleurd veelgodendom. Bezien wij ze, minder oppervlakkig, met het oog van den meer ontwikkelden Indiër, dan zien wij ze als beelden van wat de schepping te zien geeft, de weldadige en vernietigende invloeden, de kracht, die alles doordringt, de eeuwige wisseling van leven en dood, dag en nacht.

Een Brahmaan, dien gij zoudt willen wijzen op het mythologische karakter van al die goden zou u antwoorden, dat hij zich zeer wel bewust is dat de godheden slechts de uitwendige figuren, beelden of aanwijzingen zijn van de onbegrijpelijke macht, die den achtergrond aller dingen vormt. Hij zou u zeggen dat deze mythologie de eenvoudigste vorm is, waarin het pantheïstische beginsel der goddelijke alomtegenwoordigheid aan het volk kan worden duidelijk gemaakt en dat de gewone vereering werkelijk gebracht wordt aan openbaringen van de godheid, die zich tot in alle krachten en vormen onthult.

Niet anders is het met de gebeden en offers, den goden gebracht. Men zal u verklaren de goden te dienen, omdat dit goed en nuttig is. En inderdaad is dit ook dikwerf het doel. Doch: er is toch feitelijk ook hier nog iets anders. Diep in het hart van den Hindoe leeft de gedachte dat de ziel door verschillende stadiën van leven, als dier en als mensch, moet worden gelouterd, totdat zij eindelijk--van alle begeerte en eigenwilligheid bevrijd--zich vereenigen kan met het hoogste alwezen. Bevrijding--dat is terugkeer in den oneindigen geest--ziedaar het hoogste goed voor den Indischen vrome en wijze, en daartoe werken ook offers en gebeden mede.

Dit nu blijkt ook, als wij het oog vestigen op de Indische bespiegeling over wereld en leven, zooals wij die vinden in de Vedanta en in de Sankhya school. Er zijn trouwens nog vier andere erkende philosophische scholen onder de Hindoe's, doch deze zijn de voornaamste, waarom wij, in verband met het kader van dit werk, de andere stilzwijgend voorbijgaan. Deze philosophische bespiegelingen vinden wij in de Upanishads, gewijde boeken, die de verborgen leer der Veda's heeten te verkondigen. Wanneer wij ons nu voorstellen dat het hier alleen te doen is om de waarheid te doorvorschen, zooals bij de Westersche wijsbegeerte, dan vergissen wij ons zeer. Neen, het eigenlijke doel is om--door kennis van geest en stof, wereld en leven--te komen tot bevrijding, tot verlossing van de eindelooze wedergeboorten.

De Vedanta leert dat de uitwendige wereld ontstaan is doordat Maya (= illusie) Brahma (den eeuwigen absoluten geest) overschaduwde.

Het geestelijke in den mensch is feitelijk niet slechts een deel van Brahma, maar Brahma zelf. De werkelijkheid der wereld is slechts schijn, en het ware doel van den menschelijken geest moet zijn, om, langs den weg van talrijke oefeningen en bespiegelingen, bevrijd van het lichaam, de wereld en de gevolgen ook zijner daden, in Brahma te verzinken.

De Sankhya-philosophie is minder pantheïstisch dan wel dualistisch getint. Immers zij leert: van den beginne zijn er twee wezens: Prakriti, het vrouwelijk beginsel, de natuur of, om het in Westersche taal uit te drukken de oerstof, de oorspronkelijke stof en Purusha: de geest, manlijk voorgesteld. Daarmee wordt echter niet bedoeld één eeuwige algeest of iets dergelijks, maar de geest, wonende in ieder wezen. Ieder levend wezen berust op de vereeniging van Prakriti en Purusha. Het doel is nu: den geest vrij te maken van de stof. Naar zijn wezen is hij dit feitelijk reeds: doch hij moet verlost worden van Prakriti's gemeenschap en wèl door waarachtig inzicht in zichzelf en de aan hem tegenovergestelde natuur. Overpeinzing en ascese bewijzen daarbij belangrijke diensten. Wie met het Boeddhisme en zijn leer op de hoogte is en weet dat ook daar verlossing van alle begeerte het einddoel is, zal erkennen dat wij hier met verwante gedachten te doen hebben.

Het kan ons voorts niet verwonderen, gelet op het eigenaardige pantheïstisch beginsel, dat het geheele Indische denken beheerscht, dat de Vedanta als de bij uitstek rechtzinnige school geldt, zij immers is het meest naar den eigenaardig Brahmaanschen grondslag opgebouwd.

Zoo wordt dan èn de Brahmaansche godenleer èn de Brahmaansche wijsbegeerte door denzelfden geest bezield. In beiden klinkt het u tegen dat het uitwendige leven van weinig waarde is: slechts een schouwtooneel tot opvoeding en onderhouding van den geest. De uiterlijke wereld is slechts Maya (illusie, droom). Die zelfde geest nu komt ons ook weer tegen in de oud-Indische heldendichten, die waarschijnlijk niet door Brahmanen zijn gedicht, maar uit den kring der Kshatrya's (krijgslieden, edelen) zijn voortgekomen, en die voor een goed deel tot de vroegste tijden van het Brahmanisme worden teruggebracht. Deze gedichten--de Ramayana, waarin de lotgevallen van Rama, en de Mahabharata, waarin die van Krishna worden bezongen--beiden vleeschwordingen van den god Vishnoe--brengen ons in een wonderwereld van sprookjes. Een atmosfeer, voor ons westerlingen, vreemd in den eersten oogopslag, maar die ons straks toch gemeenzamer wordt, als wij gaan gevoelen dat in die zonderlinge lotgevallen der oud-Indische helden en heldinnen zich een geest uitspreekt, dien wij zonen van het westen, in menig opzicht kunnen deelen. Is toch niet aan onze levensopvatting vaak eigen een besef van 's levens droeve raadselen, dat ons drijft tot medelijden? Bewonderen wij niet vaak de schoonheid en de kunst, toch gevoelende dat zij zijn als een droombeeld, dat wij niet kunnen bereiken?

Welnu: die zelfde geest woont ook in de oude Indische poëzie. Haar geheimzinnigheid is die van het alleven. Zij ziet in de natuur niet de vijandin van de ziel--zooals de middeneeuwsche Katholieke poëzie, die het leven en de natuur ten slotte den rug toekeert--maar zij ziet de gansche zichtbare natuur als den droom van de algemeene wereldziel, van die ziel, die alleen werkelijk bestaat. En de droomer heeft genot in de beelden die hem voorbijgaan, doch een weemoedig genot, want hij voelt dat zij voorbijgaan. De Indische poëzie ziet het gewone leven met een mengeling van verheven gevoel en medelijden aan, zij weet, dat op de jeugd de ouderdom, op het genot de moeheid, op de liefde de smart van het verlies, op het leven de dood volgt. Wat nu te doen? Hopen op verandering in deze noodwendigheden gaat niet aan: maar de ziel moet gebracht worden tot zulk een staat van geestelijke belangeloosheid, dat zij niet langer bedroefd is over de wisseling en de onvolmaaktheid van alle onstoffelijke aardsche dingen.

Die geest--dien wij straks in volle ontwikkeling zullen zien bij het Boeddhisme--doordringt ook de oud-Indische poëzie. Een enkele proeve moge volstaan.