De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 18
Van de theorie van het vorst zijn "door Gods genade" is die der "voorbeschikking" in het algemeen onafscheidelijk. Ook Mencius erkent die laatste, doch met deze reserve, dat niets, wat uit slechtheid of uit onvoorzichtigheid voortkomt, als door den hemel voorbeschikt moet worden erkend. Zoo staat hij een soort getemperd fatalisme voor: getemperd namelijk door deze overtuiging, dat de hemel niets verkeerds kan verordenen. Hij zegt: "Alles is een beschikking (des hemels) en de mensch moet deemoedig ontvangen, wat daaraan kan worden toegeschreven. Daarom zal hij, die weet wat de voorbeschikking des hemels beduidt, zich niet begeven bij een muur, die op omvallen staat.--De dood, dien men vindt bij de vervulling van zijn plicht, kan men gevoegelijk toeschrijven aan de beschikking des hemels, de dood in handboeien en ketenen (die van een misdadiger) kan niet als een vooruitbeschikte worden beschouwd."
De vraag, of de mensch van natuur goed of slecht is, heeft de Chineezen veel bezig gehouden. Confucius en Mencius, de laatste echter veel uitvoeriger en meer opzettelijk, oordeelen beiden dat de mensch oorspronkelijk goed is. Sün kw'ang, die in de 3e eeuw v. C. leefde, meent dat de oorspronkelijke natuur van den mensch slecht is en slechts door opvoeding goed wordt. Han-Yü (768-824 n. C.) oordeelt dat de natuur des menschen drieërlei kan zijn: een goede, tusschenbeide of slechte. De middelste, die de kiemen voor het goede bevat, kan naar beide zijden ontwikkeld worden. Deze opvatting bleef de toongevende, totdat Chuhi (1130-1200) weer terugkwam op de oude grondstelling dat de natuur des menschen goed was. Deze opvatting, ofschoon dikwijls betwist, is sedert dien tijd de officieel geijkte gebleven.
In de behandeling van de quaestie der kinderlijke liefde staat Mencius geheel op het standpunt van Confucius.
"Vijf dingen," zegt Mencius "worden naar de algemeene opvatting als onkinderlijk beschouwd: traagheid in het gebruik zijner leden, hasard en schaakspelen en drinken, streven naar geld en goed en zelfzuchtige neiging tot vrouw en kinderen, zoodat men niet voor het onderhoud zijner ouders zorgt, de lust zijner oogen en ooren volgen, zoodat men zijn ouders in schande brengt en twistziek en strijdzuchtig zijn, zoodat men hen aan gevaren blootstelt."
Op een andere plaats zegt hij: "Drie dingen zijn onkinderlijk, geen nakomelingschap te hebben is het ergste van alle." Meer belangrijk zijn voor ons echter zijn sociaal-politieke inzichten en zijn polemisch optreden: de omverwerping van valsche leeringen, zooals de Chinees dat noemt.
Reeds in de dagen van Mencius waren er lieden, die de maatschappij voor verdorven hielden en in den terugkeer tot den alouden eenvoud van zeden den eenigen weg ter ontkoming zagen. Zoo was er een secte, die zich voor haar leer beriep op Shin nung, den "wonderbaren landman" den tweeden der voorhistorische, mythische keizers, die in het "Boek der veranderingen" als de vader van den landbouw wordt geëerd. Deze eischte, dat de mensch in het algemeen en de vorst in het bizonder zich zelf het voedsel moest verschaffen: d. w. z. zelf zaaien, oogsten en koken moest. Aanhangers dezer secte waren naar Tang gekomen, waar Mencius zich juist ophield en de vorst van Tang de proef nam, om aan ieder der onderdanen, onverschillig van welken rang of stand, een veld van gelijke grootte ter beschikking te stellen, dat onveranderlijk en ondeelbaar op den oudsten zoon zou overgaan, terwijl aan de jongere zonen, zoodra zij 16 jaar oud werden, eveneens groote velden ten deel zouden vallen. De aanhangers van Shin nung, die naar Tang gekomen waren, lieten zich hunne velden toedeelen, doch maakten onder elkaar hun opmerkingen.
"Wijze en bekwame vorsten," zoo zeiden zij, "moesten evengoed als hun volk en tegelijk met dat volk den grond bebouwen en de vrucht (van hun arbeid) eten. Hun morgen- en avondmaaltijd moesten zij (zelf) bereiden en tegelijk de regeeringszaken behartigen. De vorst van Tang echter, die overigens vele goede eigenschappen bezat, had korenschuren, schatkamers en arsenalen. Dat was immers het volk een last opleggen? Hoe kon men hem een waardig en deugdzaam vorst noemen?"
Mencius nam een der ontevredenen onderhanden.
"Heer Hiu (zoo heette het hoofd van het gezelschap) zaait zijn koren immers zelf en eet wat hij oogst?" "Ja," was het antwoord. "En hij weeft linnen en draagt wat hij gemaakt heeft?"
"Neen, zijn kleeren waren van vilt." "Draagt hij een muts?" "Ja." "Een zelf geweven?" "Neen, die ruilt hij voor koren." "Waarom weeft hij die niet zelf?" "Dat zou hem te veel tijd kosten bij zijn werk om den grond te bebouwen." "Kookt hij zijn eten in (metalen) potten en steenen pannen en ploegt hij met een ijzeren ploegschaar?" "Ja." "Maakt hij dat alles zelf?"
"Neen, hij ruilt het tegen koren in."
Toen sprak Mencius: "Zulke dingen tegen koren inruilen, is niet den pottenbakker en metaalbewerker verdrukken, noch ook verdrukken de pottenbakkers en metaalbewerkers den landman, als zij de door hen vervaardigde artikelen tegen metalen omruilen. Voorts, waarom speelt Hiu niet voor pottenbakker en metaalbewerker en maakt hij zelf alles wat hij noodig heeft? Waarom gaat hij rond en handelt en ruilt met de handwerkslieden, waarom rekent hij niet de moeite, die hem dat kost?" De ander sprak: "Handwerk en landbouw kan men niet tegelijk uitoefenen."
Mencius ging voort: "Dan is het zeker alleen de regeering des rijks, die tegelijk met den akkerbouw kan worden waargenomen? Aanzienlijke mannen hebben hunne bezigheden en kleine luiden evenzeer. Ieder kan, wat hij noodig heeft, bij de handwerkslieden gereedgemaakt vinden. Moest hij daarentegen alles, wat hij noodig heeft, zelf maken, zoo moesten allen in het geheele rijk dagelijks op de straat rondloopen. Daarom wordt er gezegd: Sommigen arbeiden met het hoofd en anderen met de handen.
"Die, welke met hun hoofd arbeiden, regeeren de anderen, en die, welke met hun handen arbeiden, worden door de anderen geregeerd. Die, welke geregeerd worden, onderhouden hen die regeeren en zij die regeeren, worden door de anderen onderhouden. Dat is de rechte verhouding, zooals zij overal wordt erkend."
Bij een andere gelegenheid, toen een zijner leerlingen hem vroeg, of het recht was dat een geleerde, die geen ambt bekleedde, toch van den beheerscher des lands zijn onderhoud ontving, ontwikkelde Mencius de volgende inzichten:
"Als er geen ruil plaats vindt tusschen de producten van den arbeid en geen ruil tusschen datgene wat de menschen tot stand brengen, zoodat de een, met wat hij te veel heeft aanvullen kan, wat den ander ontbreekt, dan zal de boer teveel koren en de huisvrouw te veel linnen hebben. Als zulk een ruil plaats vindt, dan zullen schrijnwerker, timmerman, wagenmaker en radmaker allen hun bestaan vinden. Nu is hier een man, die thuis een goed zoon is en buiten het huis diegenen, die ouder zijn dan hij met achting behandelt, die er voor waakt dat de grondstellingen der oude wijzen voor het gebruik van latere geslachten bewaard blijven--zou hij niets voor zijn onderhoud mogen hebben? Hoe komt het, dat gij den schrijnwerker en de anderen in eere wilt houden en niet hem, die welwillendheid en rechtvaardigheid bewaart?"
De leerling antwoordde: "Het doel des schrijnwerkers en der anderen, die de meester vermeld heeft, is: om met hun handwerk hun levensonderhoud te verdienen. Is het ook het doel van den edelen man, daardoor zijn levensonderhoud te verdienen, dat hij de grondstellingen, die de meester vermeldt, beoefent?" "Wat gaat u zijn doel aan," was het antwoord. "Hij bewijst de diensten. Hij verdient onderhouden te worden en gij onderhoudt hem: En--laat mij u vragen--betaalt gij een man voor zijn bedoeling of voor zijn diensten? Voor zijn bedoeling misschien? Een man slaat uw dakpannen stuk en maakt de muren van uw huis vuil om zijn levensonderhoud te verdienen: zult gij hem inderdaad daarvoor betalen?" "Neen," was het antwoord. "Ziet gij," sprak Mencius, "niet voor zijn bedoeling betaalt gij een man, maar voor het werk, dat hij gedaan heeft."
De algemeene grondstellingen voor het bestuur des lands, zooals Mencius die opstelt, zijn niet minder interessant.
"Als een vorst personen van talent en deugd eert, bekwame lieden aanstelt, zóó, dat alle ambten door de waardigsten worden vervuld, dan zullen alle geleerden aan zijn hof komen.
"Als hij op de marktplaatsen slechts laat betalen voor de plaats, die de kramen innemen, maar geen belasting op de waren legt, of wanneer hij slechts de marktbepalingen handhaaft zonder kramengeld te vragen, dan zullen zich op zijne marktplaatsen de handelaars verdringen.
"Wanneer aan de grenspoorten van een land slechts een persoonlijke inspectie van de reizenden plaatsvindt, doch geen douanerechten worden geheven, zoo zullen alle reizigers vol verlangen zijn om in dat land te reizen.
"Als de boer slechts voor den arbeid op de staatsvelden wordt opgeroepen en van zijn eigen velden geen belasting heeft op te brengen, dan zullen alle boeren in het land met lust (op hun eigen velden) arbeiden. (Het heele land was, althans in theorie, afgedeeld in stukken van dezelfde grootte, welke stukken ieder weer in negen deelen waren verdeeld. Het middelste dezer velden was staatseigendom: het moest door de bezitters der andere acht velden bebouwd worden, terwijl de opbrengst daarvan voor het onderhoud van den vorst en de kosten van bestuur bestemd was).
"Als hij van de huisvaders (die de bestaande voorschriften vervullen) de bijdragen niet int (welke slechts van hen worden geheven, die de voorschriften niet vervullen) zoo zullen alle lieden in zijn staat willen wonen.
"Als een vorst deze vijf voorschriften opvolgt, zullen de bewoners aller naburige staten tot hem als tot een vader opzien. Zulk een vorst zal geen vijand hebben en in waarheid een minister des hemels zijn: hem moet (als den waardigste) de regeering des rijks ten deel vallen."
Op een andere plaats treedt Mencius op tegen het systeem van belasting heffen op het bouwland, dat in zijne dagen, toen de vorsten en de regeeringen steeds meer noodig hadden, reeds in alle staten was ingevoerd.--"Zulke belastingen" zegt hij, "worden naar het gemiddelde van vele jaren berekend en opgesteld. In goede jaren, wanneer de oogst rijk is geweest, kan veel genomen worden zonder dat het drukkend schijnt, doch in slechte jaren, wanneer de opbrengst den arbeid niet vergoedt, moet de belasting toch betaald worden. Als hij, die de vader des volks wil zijn (de vorst) de schuld er van draagt, dat zorgen geschreven staan op het aangezicht des volks en dat dit, als het een jaar heeft gearbeid, niet weet waarmee het zijn ouders zal onderhouden en moet zien, hoe aan de middelen te komen om de belasting te betalen, totdat ouden en kinderen omkomen in de slooten langs den weg, waar blijven dan de vaderlijke betrekkingen tot het volk?" "Zij, die van hun levensonderhoud verzekerd zijn, staan vast in de deugd: die dit niet zijn, geven zich aan de ondeugd over, en--er is geen verkeerdheid, verderf en teugelloosheid, waaraan zij zich niet schuldig maken. Als zij dan wegens hun overtredingen vervolgd en gestraft worden: is dat niet hun valstrikken zetten: hoe kan zoo iets geschieden onder de heerschappij van een welwillend vorst?"
Wat den regel: goed met goed en kwaad met kwaad vergelden, aangaat: Confucius en Mencius trekken in dezen één lijn: alleen was sedert de dagen van den eerste het getal van hen, die aan de mogelijkheid van kwaad met goed te vergelden geloofden, niet onbelangrijk toegenomen.
In den philosoof Mih tih namelijk, over wiens leven weinig bekend is (vermoedelijk leefde hij ongeveer 50 jaar na Confucius) had de leer der "algemeene liefde" een begaafden en krachtigen verdediger gevonden.
"Het is de taak der wijzen," zoo heet het in een door zijn leerlingen uitgegeven werk, "daarvoor te zorgen dat het rijk goed wordt geregeerd. Daarom moeten zij weten, waaruit wanorde en verwarring ontstaan, want, zonder deze kennis kunnen zij hun taak niet vervullen. Wij kunnen hen dus vergelijken met een arts, die beproeft de ziekte van eenig persoon te genezen. Daartoe moet deze eerst de oorzaak der krankheid doorgronden; dan kan hij met de genezing beginnen, terwijl zonder deze kennis zijn pogen tevergeefs zal zijn."
"Het is de taak der wijzen zorg te dragen voor de goede regeering des rijks. Zij moeten dus nagaan de oorzaak der verwarring, en wanneer zij dat doen zullen zij bemerken, dat deze ligt in het gebrek aan wederkeerige liefde.--"
Wanneer een minister en een zoon onkinderlijk (zonder piëteit) zich gedragen tegenover zijn heerscher en zijn vader: zoo is dat wanorde. Een zoon heeft dan zichzelf lief en heeft zijn vader niet lief, aldus doet hij zijn vader onrecht en trekt hij zichzelf voor. Een jongere broeder, die den oudere niet liefheeft, een minister die zichzelf liefheeft en niet zijnen vorst; zij allen doen den ander onrecht en stellen zichzelf op den voorgrond: dit zijn allen gevallen van wanorde. Evenzoo als de vader den zoon, de oudere broeder den jongere, de vorst den minister minder bevoordeelt dan zichzelven. Hoe kunnen zulke dingen voorkomen? Uit gebrek aan wederkeerige liefde. Neem het geval van een dief of een roover, het is daarmede juist eveneens gesteld. De dief heeft zijn eigen huis lief en niet dat van zijn buurman: daarom besteelt hij het huis van zijn buurman ten bate van het zijne. Zoo is het ook met den roover. Zoo ook met de hooge ambtenaren, die met elkaars familiën in strijd leven, zoo met de vorsten, die de staten hunner buren aanvallen. Alle verkeerde verhoudingen in het rijk hebben denzelfden oorsprong: gebrek aan wederkeerige liefde.
"Wanneer nu algemeen wederkeerige liefde in het rijk heerschte, wanneer de menschen anderen liefhadden zooals zichzelf, zouden dan zulke dingen kunnen voorkomen? Zouden er dan dieven en roovers zijn? Wanneer ieder het huis van zijn naaste op dezelfde wijze beschouwde als zijn eigen huis, zouden dan diefstallen mogelijk zijn? Zouden dan ministers en vorsten elkaar wederkeerig bestrijden en beoorlogen?"
Hoe echter dit doel te bereiken? De leerlingen twijfelen aan de mogelijkheid, doch Mih tih zegt: "Door algemeene wederkeerige liefde en door de ruiling van wederkeerige voordeelen. Ieder moet een anderen staat, een andere familie, een ander persoon beschouwen als zijn eigen (staat, familie, persoon). Zijn er in de geschiedenis geen voorbeelden, dat waar vorsten eenvoudige kleeding, sobere voeding of dappere daden beminden, hun ambtenaren hen daarin navolgden? Als dus thans de grondregel der algemeene liefde niet heerscht, zoo komt dat slechts hierdoor, dat de vraag in de hoogste kringen niet met die belangstelling wordt behandeld, welke zij verdient: de vorsten toch staan er onverschillig tegenover, inplaats van door lof en belooningen de menschen tot uitoefening der algemeene wederkeerige liefde te brengen en den tegenstand daartegen door geld- en andere straffen te breken. Indien dit geschiedde zou de uitoefening dezer algemeene liefde en de ruil van wederkeerige voordeelen alle hindernissen overwinnen, evenals het vuur noodzakelijk omhoog gaat en het water naar beneden vliet."
Het getuigt voor de vastheid, welke de orthodoxe opvatting van kinderlijke liefde in het Chineesche volk zich verworven had, dat de verklaring van Mencius, dat allen gelijkelijk lief te hebben de bizondere genegenheid tusschen vader en kind niet genoegzaam tot haar recht deed komen, voldoende was om het systeem van Mih tih, dat in den tijd van Mencius veel ingang reeds had gevonden, geheel omver te werpen.
De andere tegenstander, met wien Mencius in het krijt trad, staat van ons denken en gevoelen verder af dan Mih tih. Dit was de Taoïstische Cynicus Yang Chu, een man, over wiens leven weinig bekend is, zoo weinig dat wij zelfs niet weten of hij een tijdgenoot van Confucius of van Mencius was. Plaatsen uit Taoïstische geschriften doen ons denken aan den tijd van Confucius, doch de heftigheid, waarmede Mencius hem bestrijdt pleit voor de meening, dat hij diens tijdgenoot was.
Mencius schrijft aan Yang Chu de grondstelling toe: "Ieder voor zich," en zegt dat een opvolging dezer grondstelling den mensch tot een dier maken zou. Doch, in de uitspraken, aan Yang Chu toegeschreven, vinden wij dit nergens uitdrukkelijk geleerd. Veeleer schijnt Yang Chu een soort van Chineesche Diogenes [136] te zijn geweest, die het leven als een onvermijdelijk kwaad beschouwde en diegenen, die zich daarvoor veel zorg en moeite gaven, bespotte.
Zuiver philosophisch zijn Mencius' uiteenzettingen over de "hartstochtelijke natuur." "Meester," zegt een zijner leerlingen, "wanneer gij een hoogen adellijken titel verkreegt en eerste minister werd van het vorstendom en het dan zoover bracht, dat uw vorst de eerste onder alle vorsten des rijks werd, ja zelfs de keizerlijke waardigheid verkreeg, het zou niet te verwonderen zijn: doch, wanneer gij in zulk een positie kwaamt, zou uw geest niet onrustig worden?"
Mencius antwoordde: "Neen. Toen ik 40 jaar was (aldus vóór hij zijn hervormersloopbaan begon) had ik het evenwicht des geestes gevonden."
"En is er een middel om dat te bereiken?" "Ja." "De een vreest niets: noch wonden noch gevaar: al was degene, die hem bedreigde ook in het bezit van 10.000 strijdwagens. De ander beproeft zichzelf: vindt hij dat hij ongelijk heeft, zoo vreest hij ook den kleinsten man: vindt hij het recht aan zijne zijde, zoo zal hij strijden tegen duizenden en tienduizenden. De laatste is zeker boven den eerste verheven. De philosoof Kau zegt: "wat gij niet in woorden kunt uitdrukken, zoek dat niet in uw verstand, wat gij niet vindt in uw verstand, zoek daarnaar niet met hartstochtelijke inspanning." Met dit laatste stem ik in, doch geenszins, dat men niet in zijn verstand moet zoeken, naar wat men met woorden niet uitdrukken kan. Want--de wil is de leidsman der hartstochtelijke natuur en deze doordringt en bezielt het lichaam. De wil is de heer en de hartstochtelijke natuur is hem onderworpen. Daarom zeg ik: "Wees vast van wil, en dwing de hartstochtelijke natuur niet tot iets, wat buiten haar aard ligt. Als alleen de wil werkzaam is, beheerscht deze de hartstochtelijke natuur, is die laatste daarentegen alleen werkzaam, zoo beheerscht zij den wil. De hartstochtelijke natuur is grof en sterk. Als zij ongedwongen kan opgroeien en niet beleedigd wordt, vervult zij alles tusschen hemel en aarde. Zij is de gezellin van rechtschapenheid en verstand: zonder haar is de natuur des menschen de verkwijning nabij. Zij komt voort uit de bijeenvoeging van vele rechtmatige handelingen en niet uit enkele daarvan. Als het verstand niet met haar in overeenstemming is, zoo verdwijnt de natuur. Blijkbaar verstaat Mencius onder "hartstochtelijke natuur" (letterlijk beteekent het Chineesche woord "wolkachtige damp") den nooit rustenden drang tot werkzaamheid, die men juist bij de meest op den voorgrond tredende personen vindt. Een drang, die met verstand moet samengaan (energie) en die aan den wil onderworpen moet zijn, doch waaraan men geen dwang tot iets buiten haar aard mag opleggen.
Het is niet zonder belang om bij wat Mencius hier zegt te vergelijken wat de beroemde Fransche psycholoog T. A. Ribot 2300 jaar na hem schreef over de "hartstocht" in den boven anderen uitblinkenden mensch. Deze dan zegt in zijn werk "Les maladies de la Volonté" (de ziekten van den wil) het volgende:
"De meest volkomen samenwerking (van willen en kunnen) is eigen aan de krachtigen, de zeer werkzamen: wat ook het terrein hunner werkzaamheid zij: men denke aan Cesar, Michel Angelo of Vincentius da Paula. Zij wordt in één enkel woord saamgevat als: eenheid, standvastigheid, macht. De uitwendige eenheid van hun leven ligt in de eenheid van hun doel: altijd nagestreefd, naar gelang van de omstandigheden nieuwe medewerking en aanpassing zoekend. Doch deze uitwendige eenheid is slechts de uitdrukking der inwendige: die van het karakter. Juist omdat zij dezelfde blijven, blijft ook hun doel hetzelfde. Hun inwendige drijfkracht is een machtige, onuitroeibare hartstocht, die de ideeën in haar dienst neemt. Deze hartstocht: dat is hun wezen, dat is de psychische uitdrukking van hun gestel, zooals de natuur dat heeft gewrocht. Wat blijft ook alles, dat uit dezen samenhang zich verwijdert, als in de schaduw, zonder kracht, onvruchtbaar, vergeten als een plant, die slechts op een andere leeft! Zij geven te zien het voorbeeld van een leven, dat steeds met zichzelf in overeenstemming is, omdat bij hen alles samenwerkt, tot elkaar komt en overeenstemt.
"Zelfs in het gewone leven ontmoet men deze karakters. Doch deze doen niet van zich spreken: omdat de verhevenheid van het doel, de omstandigheden en vooral de macht van de hartstocht hun ontbrak, hebben zij slechts de standvastigheid overgehouden. Onder een anderen vorm hebben de groote, in de geschiedenis bekende Stoïci (Epictetus, Thraseas; hun grooten wijze laat ik weg, als zijnde slechts een "abstract ideaal") dit hooge type van wilskracht bereikt, en wel in zijn negatieven vorm--het zelfbedwang--overeenkomstig het beginsel der school: Verdraag en onthoud u." Tot zoover Ribot.
Veertig jaren na den dood van Mencius, die in 289 v. C. overleed, stortte de Chau-dynastie ineen en in 221 verklaarde de vorst van Tsin, die al zijn mededingers had overwonnen, zich tot eersten goddelijken keizer van China. Zoo stichtte hij een nieuw rijk op de puinhoopen van het oude.
Wat de oude Confuciaansche richting der wijsbegeerte onder hem te lijden had en hoe zij onder de Han-dynastie daarentegen weer tot eer, aanzien en invloed geraakten, hebben wij reeds vermeld.
IV. Lao tsze.
Wij komen nu tot de andere richting der Chineesche philosophie, de metaphysisch-theosophische. Allereerst handelen wij over haar hoofdpersoon Lao tsze. Over hem is niet veel met zekerheid bekend. Hij schijnt ongeveer 604 v. C. geboren te zijn. Spoedig na zijn vroeger vermelde samenkomst met Confucius [137] heeft hij zijn ambt als bewaarder van de archieven der Chau-dynastie in Lo yang neergelegd en is naar het westen getrokken, waar hij verdween. De latere sagen, welke op hem betrekking hebben en ongetwijfeld eerst na de invoering van het Boeddhisme in China ontstonden, zijn nauwelijks de vermelding waard. Een vallende ster had zijn moeder bevrucht, die na een tijdperk van 81 jaren, in 1321 v. C. het vleeschgeworden hoogste hemelwezen uit hare linkerzijde ter wereld bracht. Het kind had bij zijn geboorte witte haren en het gezicht van een oud man (vandaar de naam Lao tsze = de oude knaap), lange ooren met drie openingen, onregelmatige tanden, een vierhoekigen mond, en tien teenen aan elken voet. Ook kon het direct spreken en had zijn volle verstand. De opgaven over de plaats zijner geboorte zijn waarschijnlijk opzettelijke verzinsels: hij zou geboren zijn in het dorp: "Onderdrukte deugd" in de gemeente "Wreedheid", in het district "Bitterheid," in den staat "Lijden".
Wat de Taoïstische schrijvers uit den tijd vóór Christus geboorte meedeelen over zijn ontmoetingen met Confucius en anderen is zeker eveneens verdicht, hoewel de geschiedschrijver Sze ma tsien minstens ééne ontmoeting tusschen de beide leiders vermeldt.
Op den weg naar het westen zou Lao tsze eenigen tijd vertoefd hebben bij den bevelhebber der Hanku pas en daar, op diens wensch zijn eenig, beroemd werk: "Tao-teh-king", het boek van den weg en van de deugd, hebben geschreven. Uit de vele citaten in dit werk van "een wijze, een oude, een schrijver over den oorlog" volgt dat Lao tsze evenals Confucius slechts een bewaarder en verklaarder van de oude leer, geen schepper eener nieuwe is geweest.