De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 17

Chapter 173,827 wordsPublic domain

"Van den keizer af tot de groote volksmassa toe: ieder moet de reiniging van het eigen ik als de wortel van al het andere beschouwen. Wordt de wortel verwaarloosd, zoo kan niets, wat uit haar voorkomt, goed zijn: het is nog nooit voorgekomen, dat iemand voor geringe zaken groote opmerkzaamheid en tegelijk voor gewichtige zaken geringe opmerkzaamheid had (m. a. w. die in het kleine getrouw is, zal ook in het groote getrouw zijn). "Wat bedoeld wordt met: "Het geluk en de vrede des rijks hangen van de regeering der staten af" is dit: "Als de vorst zeer oude lieden behandelt, zooals dat behoort, zal er in het volk kinderlijke liefde heerschen, als hij de ouden zoo behandelt, zal men broederlijk zich voegen naar elkaar, als hij de jongeren en zwakken liefdevol behandelt zal het volk datzelfde doen. Zoo heeft de heerscher een maatstaf, waarmede hij als met een winkelhaak zijn gedrag kan afmeten.

"Wat een man bij die over hem gesteld zijn niet bevalt, moet hij ook tegenover zijn ondergeschikten niet doen; wat hem bij zijn ondergeschikten niet bevalt, zal hij niet doen tegenover zijne meerderen; wat hij niet van den rechterkant ontvangen wil zal hij aan den linker niet geven, wat hij van den linker niet ontvangen wil aan den rechterkant niet.

"Daar is ook een middel om den welstand des lands te bevorderen: veel voortbrengers, weinig verteerders. Laat er heerschen werkzaamheid in het voortbrengen, en spaarzaamheid in het gebruik, dan zal de voorraad altijd voldoende zijn.

"Wat de mensch van den hemel ontvangen heeft is de (goede ware) natuur; wie in overeenstemming met deze natuur handelt, wandelt op het pad van den plicht; dit pad te betreden leert de mensch door onderwijzing.

"Het pad mag ook niet voor een oogenblik verlaten worden, kon het (nl. zonder schade) verlaten worden, dan was het niet het (rechte) pad. Daarom wacht de hoogere mensch niet om voorzichtig te zijn tot hij (iets) ziet, en om bezorgd te zijn tot hij (iets) hoort.

"Niets is meer zichtbaar dan wat verborgen is, niets in het oog vallender, dan wat onbeduidend is, daarom waakt de hoogere mensch over zichzelf, als hij alleen is.

"Als noch vergenoegdheid, noch ergernis, noch kommer, noch vreugde zich laten gelden, dan kan men wel zeggen, dat de geest zich in een toestand van evenwicht bevindt. Zijn deze gevoelens echter opgewekt en werken zij in juiste maat en verhouding, zoo ontstaat daaruit, wat men harmonie kan noemen. Dit evenwicht is de wortel, waaruit alle menschelijke handelingen in de wereld voortkomen, deze harmonie is de weg, dien allen moeten inslaan. Waar evenwicht en harmonie in volkomenheid heerschen is er orde in hemel en op aarde en alles zal gevoed worden en gedijen.

"Vier plichten heeft de wijze te betrachten, die ik nog niet geleerd heb te vervullen (zoo voegt de schrijver er bij): mijn vader te dienen, zooals ik wenschen zou dat mijn zoon mij diende, mijn vorst te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn beambten mij dienden, mijn ouderen broeder te dienen, zooals ik wenschen zou, dat mijn jongere broeder mij diende; jegens mijn vriend te handelen, zooals ik wenschen zou dat hij jegens mij handelde, (de vijfde betrekking, die tusschen echtgenooten, is hier weggelaten, wellicht omdat noch Confucius, noch zijn kleinzoon, aan wien het "Onveranderlijke midden" wordt toegeschreven, in hun huwelijken gelukkig waren: beiden toch hebben zich van hunne vrouwen gescheiden).

"De wijze doet, wat aan de plaats, die hij inneemt, past: hij wenscht zich daarboven niet te verheffen. Rijk en geëerd doet hij, wat een rijk en geëerd man betaamt, arm en eenvoudig doet hij, wat den arme en eenvoudige betaamt. Is hij door barbaren omgeven: hij doet wat aan den toestand past, is hij door kommer en zorgen geplaagd, hij handelt overeenkomstig zijn toestand: altijd blijft hij zichzelf.

"Is hij in een hoogen rang, hij behandelt zijn ondergeschikten niet met verachting, is hij een ondergeschikte, zoo zoekt hij geenszins de gunst zijner meerderen te bejagen: hij regelt zich zelf en verwacht niets van anderen, zoo vermijdt hij teleurstellingen: hij maakt den hemel geen verwijten, noch wordt op de menschen verbitterd.

"Zoo verwacht de wijze, rustig en vroolijk, wat de hemel besluiten wil, de gewone mensch echter wandelt op een gevaarlijken weg en ziet naar gunstige gelegenheden uit.

"De meester (Confucius) zegt: Bij het boogschieten hebben wij, wat aan de houding des wijzen beantwoordt. Als de schutter het doel heeft gemist, draait hij zich om en zoekt de oorzaak van het mislukken bij zichzelf.

"Met de rechte mannen (aan het hoofd) gedijt de regeering; evenals de plantengroei uit de aarde voortkomt en de bijen de jonge larven verplegen en tot bijen opvoeden: zoo voeden de regeerders het volk op.

"Het geheim eener goede regeering is: de rechte mannen te vinden: ze te vinden hangt van het karakter des heerschers af; het karakter wordt door plichtsvervulling gevormd en deze plichtsvervulling wordt verlicht en gesterkt door liefde tot welwillendheid.

"De wederkeerige plichten, die alle menschen tegenover elkaar hebben, zijn vijf in getal, de eigenschappen waardoor zij uitgeoefend worden zijn er drie.

"Deze plichten zijn: die tusschen vorst en minister, tusschen vader en zoon, tusschen man en vrouw, tusschen ouderen en jongeren broeder en tusschen vrienden.

"Dit zijn de plichten der wederkeerige betrekking, die ieder heeft te vervullen. De drie eigenschappen echter zijn; weten, willen en kunnen, welke ieder moet bezitten. Dat, waardoor deze eigenschappen de vervulling der plichten mogelijk maken is: ernstig streven.

"Eenigen worden met de kennis dezer plichten geboren, anderen verwerven deze kennis door navorschen, nog anderen nadat zij hun onwetendheid op smartelijke wijze hebben ondervonden. Doch wanneer de kennis eenmaal verworven is, is het onverschillig, op welken weg zij verkregen werd. Eenigen oefenen de plichten uit, zonder moeite, als iets dat vanzelf spreekt, anderen om daaruit voordeel te trekken; voor wederom anderen is aan de uitoefening groote moeite verbonden. Doch wanneer zij slechts uitgeoefend worden, komt dit op hetzelfde neer.

"De meester sprak: Leeren willen komt het weten zeer nabij; zich ernstig bemoeien het willen; zich (over iets dat verkeerd ging) schamen het kunnen.

"Hij, die deze drie dingen kan, is in staat zichzelf te volmaken: wie zich zelf volmaken kan, kan anderen beheerschen, wie anderen beheerschen kan, kan het rijk regeeren met al zijne staten en familiën.

"De beheerschers des rijks hebben negen regels te volgen: zichzelf te volmaken, deugdzame en talentvolle mannen te eeren, hun bloedverwanten lief te hebben, hun ministers te achten, alle beambten vriend'lijk te behandelen, het volk als hunne kinderen te beschouwen, handwerkslieden aan te moedigen, vreemden met zorg en de vorsten der leenstaten met welwillendheid te behandelen. Zichzelf te beproeven en te reinigen, acht te geven op zijne kleeding en op zijne bewegingen, dat zij beantwoorden aan de voorschriften der betamelijkheid: dat is de wijze waarop de heerscher zich moet volmaken. Overtreders moet hij afwijzen en zichzelf voor de verzoekingen der schoonheid bewaren. Rijkdom te verachten en deugd te eeren, dat is de wijze, waarop men mannen van waarde en van talenten aanmoedigt: hun eereplaatsen en inkomsten te geven, met hen te deelen in wat hun behaagt en hun mishaagt, dat zijn de middelen om aan zijne bloedverwanten te leeren u lief te hebben. Den ministers talrijke ambtenaren ter beschikking te geven en hun veel opdrachten toe te vertrouwen, dat is de weg om de ministers aan te sporen. De weg om de groote menigte ambtenaren aan te moedigen is: hun vertrouwen schenken en goed bezoldigen. Die om het volk moed in te storten is: hunnen dienst slechts te vorderen ter rechter tijd en de eischen licht te maken. De weg om de handwerkslieden aan te sporen is: hen dagelijks op de proef te stellen, hen maandelijks prijsvragen te laten oplossen en hen daarbij te laten uitvoeren, wat aan hun neiging beantwoordt.

"Menschen uit vreemde landen met tact te behandelen, dat is: hen bij het afscheid te begeleiden en bij aankomst hen tegemoet te gaan, de goeden onder hen te prijzen en de zwakken te verschoonen.

"Familiën, wier nakomelingschap in de rechte lijn is te gronde gegaan weer herstellen en leenstaten, die onder zijn gegaan, opnieuw grondvesten, rust herstellen in staten, waarin onrust heerscht, die te ondersteunen, waarin gevaar dreigt, bepaalde tijden hebben voor de ontvangst van vorsten en hun afgezanten bij het hof, hen na rijkelijk onthaal weer laten gaan, hen welkom heeten, ook als zij met geringe gaven komen: dat is de vorsten der staten liefhebben.

"Allen, wien de regeering des rijks ten deel valt, hebben deze negen regelen te betrachten en het middel, waardoor zij ten uitvoer kunnen worden gebracht, is ernstig streven."

Zooals men ziet, het zijn regelen van wereldwijsheid, die Confucius en zijne leerlingen na hem onderwezen; de kunst een goed huisvader, beambte, minister, vorst en keizer te worden, den plicht van zijn eigen betrekking te vervullen en toe te zien, dat anderen dit eveneens doen. Het is een soort huisbakken wijsbegeerte, die begint met de liefde van het kind tot den vader en eindigt met de liefde des keizers tot zijn volk. Soms is zij niet al te klaar in haar grondslag en ontwikkeling (de vertalers en uitleggers van den grondtekst kunnen daar echter ook wel schuld aan hebben) maar verstaanbaar genoeg toch om ons te toonen hoe de Chineezen dachten en nog denken. De straks aangehaalde uitspraken toch komen telkens weer terug: niet alleen in philosophische verhandelingen, maar ook in staatsstukken, ambtelijke en particuliere brieven. Daarom juist is eenige, zij het ook oppervlakkige kennis der Chineesche philosophie voor ieder noodig, die inzicht wil verkrijgen in den tegenwoordigen toestand van China.

Even zoo min als Confucius de schepper was van de door hem voorgedragen leer is de beknopte, spreukmatige, soms eenigszins mystieke vorm, waarin deze leer ons bewaard gebleven is, eene uitvinding van hem en van zijne leerlingen. Deze bestond reeds van ouds en schijnt de vorm geweest te zijn, waarin men in China steeds de leeringen der wereldwijsheid placht te kleeden.

Toen Confucius in 517 v. C. Lo yang bezocht, zag hij daar, in de voorvaderengalerij van het keizerlijk paleis, de gouden beeldzuil van een man, wiens lippen met drie naalden waren saamgehecht en op wiens rug het volgende opschrift stond:

"In oude tijden spraken de menschen weinig. Het zou goed zijn hen na te volgen; want zij, die veel spreken, zijn er zeker van veel te zeggen, dat beter onuitgesproken ware gebleven.

"Ieder zal arbeiden in verband met wat hij noodig heeft. Als hij boven zijn kracht werkt, zal hij slechts zijn zorgen en zijn teleurstellingen vermeerderen. Zelfs in datgene wat de mensch (denkend) nastreeft, moet hij maat houden.

"Denk niet te veel om verstrooiing of rust: wie dat doet zal geen van beide verkrijgen.

"Doe niet wat u wellicht vroeger of later berouwen kan gedaan te hebben.

"Laat niet na een gebrek te verhelpen, omdat het klein is. Het moge in den aanvang klein zijn, straks gaat het misschien aan het groeien, totdat het u er onder brengt.

"Als iemand nalaat tegen kleine ongerechtigheden op te treden, zal hij weldra in het geval verkeeren van tegen groot onrecht te moeten strijden.

"Wees behoedzaam met uw woorden zoowel als met uw handelingen. Geloof niet dat niemand u ziet en hoort, omdat gij alleen zijt maar denk er aan dat de geesten overal zijn.

"Een huis kan verwoest worden door een smeulend vuur, terwijl een groote vlam licht wordt bemerkt en uitgebluscht. Een stroom wordt gevormd door het water van vele beken, een strik, die zoo sterk is, dat hij niet licht wordt gebroken, bestaat uit vele draden.

"Een spruit, wier wortels nog niet diep zijn doorgedrongen, kan licht worden uitgetrokken: is het haar toegestaan een boom te worden, dan moet men naar de bijl grijpen.

"Uit den mond van een mensch kunnen scherpe pijlen komen die verwonden en gloeiende kolen, die verbranden: hoedt u dus, dat zulken uit uwen mond niet uitgaan om anderen te schaden.

"Geloof niet dat, wijl gij in het volle bezit uwer kracht zijt, gij zonder gevaar waagstukken kunt ondernemen; er is niemand, hoe sterk hij ook moge zijn, die niet iemand vinden kan, sterker dan hij, die hem op den grond werpt.

"Een oproermaker, die geen rechtvaardigen grond (voor zijn verzet) heeft, zinkt tot op het laagste peil der maatschappij neer, doch een onrechtvaardig heerscher wekt ontevredenheid op, terwijl de voorzichtige willig gehoorzaamd wordt.

"De massa der menschen, het volk, gelijk men het gewoonlijk aantreft, heeft weinig doorzicht, noch weet met het onbekende te rekenen. Alzoo kunnen zij slechts de leiding van anderen volgen. Daarom, wanneer zij dikwijls met diegenen in aanraking komen, die voorzichtig, deugdzaam en verstandig zijn, die goede zeden volgen, dan zullen zij onmerkbaar er toe komen dezulken na te volgen en zoo ook wederkeerig anderen tot een voorbeeld worden.

"Mijn mond is gesloten, ik kan niet spreken. Het is vergeefs mij te vragen, ik kan uwen twijfel niet wegnemen en zelf heb ik niets te vragen. Wanneer ook datgene wat ik leer een raadsel schijnt, is het daarom toch niet minder waar. Ik sta boven u en toch kan niemand iets tegen mij hebben, welk sterveling kan dit van zichzelf zeggen?

"Vergeet niet dat de hemel geen gunstelingen kent, doch tegenover allen even rechtvaardig is.

"Hoe vol ook de zee moge zijn, de stroomen gaan voort daarin zich uit te storten, zonder dat zij haar grenzen uitbreidt.

"Overlegt zorgvuldig alles, wat ik u gezegd heb, en ik zal niet vergeefs hebben gesproken."

Toen Confucius dit inschrift las, wendde hij zich tot zijn begeleiders en zeide, dat dit in weinige woorden alles behelsde, wat voor de menschen het nuttigste was te weten, en dat, wie dit ter harte nam en navolgde, niet ver van de volkomenheid zou zijn, waarnaar iedereen streven moest. Dat het van invloed geweest is op zijne opvatting der philosophische vraagstukken is ontwijfelbaar.

"Na den dood van Confucius was het met zijne leer gedaan en nadat zijne leerlingen gestorven waren, werd deze verbasterd", zoo bericht men ons. De onrustige tijden hebben daartoe zeker het hunne bijgedragen: de Chau dynastie gaat onder zwakke en bedorven heerschers haar einde tegemoet, vele der kleine vorstendommen verdwijnen in den voortdurenden strijd tusschen de leenvorsten onderling, of worden, hoewel zij hun naam behouden, toch feitelijk door machtige naburen opgeslokt; de groote staten kampen onder elkaar om de opperheerschappij; het besef, dat, wie het ten slotte wint, de keizerskroon zal verwerven, komt hoe langer hoe sterker op; het geloof aan de oude waarheden en beginselen is geschokt, dwaalleeringen (althans in het oog der orthodoxie) duiken overal op: zoowel ten opzichte van de regeering als van de wijsbegeerte: het gezag van Confucius wordt op zij gezet.

Daar komt eensklaps een kampvechter in het krijt, een leerling, die den meester bijna evenaart en met geweldige kracht de banier der orthodoxe philosophie weer opheft. Over hem willen we thans spreken.

III. Mencius.

Meng (Mang) kó of Meng tsze=de wijsgeer Meng, verlatijnscht tot Mencius, werd in het jaar 371 v. C. als afstammeling van de drie groote familiën van Lu geboren: een geslacht dat in de dagen van Confucius om de heerschappij in den staat had gestreden, maar sedert verarmd en gedaald was. Zijn vader schijnt vroeg gestorven te zijn: in ieder geval heeft hij geen invloed op de opvoeding en de ontwikkeling van zijn zoon uitgeoefend: des te meer echter de moeder, wier aandenken nog heden onder het volk voortleeft, als die van een voorbeeld voor alle moeders. Zij zorgde, dat haar zoon in een goede omgeving verkeerde en goed werd onderricht, spoorde hem door raad en voorbeeld tot vlijt aan en bleef ook in zijn latere levensjaren (zij stierf, toen Mencius reeds de 50 overschreden had) zijn trouwe raadgeefster en steun. Toen haar zoon, dien zij op zijne rondzwervingen vergezeld had, zijn ambt in het vorstendom Tsi wilde opgeven, doch om harentwille aarzelde, moedigde zij hem zelf aan zijn eigen beter inzicht te volgen en bracht zoo het oude voorschrift in toepassing, dat de moeder haar zoon gehoorzaam moet zijn.

Over de leerjaren van Mencius is niet veel bekend: hij schijnt een leerling van Confucius' kleinzoon te zijn geweest. In zijn vaderland (de leenstaat, waar hij thuis behoorde) verzamelde hij een groot aantal leerlingen rondom zich, in wier midden hij leefde en werkte en die, zooals de gewoonte het toen medebracht, te zamen naar hun krachten en middelen voor zijn levensonderhoud zorgden. Die rustige leeraarsloopbaan schijnt hem echter niet bevredigd te hebben en in 331, toen hij 40 jaar was geworden, trok hij met eenigen zijner leerlingen er op uit om aan de hoven der kleine vorstendommen allereerst, zijn loopbaan als politiek hervormer te beginnen. De tijd scheen voor een dergelijke onderneming, door een zelfbewust man op touw gezet, gunstig te wezen en het ontbrak Mencius noch aan zelfbewustzijn, noch aan den moed om vrijuit te spreken. De voortdurende twisten, waarin de kleine vorstendommen nu eens onderling, dan eens met het machtige, opbloeiende Tsin verkeerden (want het centraal gezag, het keizerschap, was feitelijk nog slechts een naam) had aan een menigte politieke avonturiers de deur geopend tot de hoogste waardigheden en de invloedrijkste ambten. Nog maar weinige jaren geleden, in 333, was het een hunner, Suts'in gelukt, de meest beteekenende politieke daad van dien tijd: den bond der zes staten Yen, Chao, Han, Wei, Tsi en Tsu, tegenover Tsin tot stand te brengen. Welnu, wat Suts'in en anderen mogelijk was geweest, kon den met volle verachting voor de politieke avonturiers bezielden Mencius niet onbereikbaar voorkomen. Waarom zou hij, die met een gansche schat van geleerdheid was toegerust en die geen eigenbelang, maar edele doeleinden nastreefde, niet kunnen verkrijgen, wat aan die lieden welke van hof tot hof trokken en zich aan den meestbiedende aanboden, mogelijk toescheen? Zoo trok hij in 331 naar den naburigen staat Tsé, en nadat hij daar tot 323 zonder veel succes een staatsambt had bekleed, naar Sung, Su, Tao, Tang, Leang en van 318 tot 311 ten tweeden male naar Tsé. Eindelijk keerde hij, ontmoedigd en ontgoocheld, na vele mislukte pogingen, in 309 naar Lu terug. Daar leefde hij nog 20 jaren als ambteloos burger voort, slechts in beslag genomen door zijn onderricht geven en de voltooiing zijner werken. Hij stierf in 289 v. C., vergeten en zonder dat zijn heengaan ontroering wekte, tenzij bij zijn naaste leerlingen. Wel werd zijn waarde reeds door de schrijvers der 2e eeuw v. C. erkend, welke alleen Confucius boven hem stelden, doch nog 1300 jaren gingen voorbij, eer hij de keizerlijke canonisatie verkreeg en in Confucius' tempels een plaats vond.

Mencius was een veel strenger man dan Confucius: de humor van dezen wijsgeer, die zich er over vermaken kon, dat een boer van hem, die juist op de vlucht was, zeide, dat hij er uitzag als een verloopen hond, was Mencius vreemd. Heerschzuchtig en strijdvaardig, laat Mencius de grootste aanspraken gelden tegenover vorsten en staatslieden, die hem hoffelijk tegemoet komen. Dikwijls zondigt hij, terwijl hij toch plan heeft zichzelf niet te vergeten, niet slechts tegen de regelen der etiquette, maar ook tegen die der hoffelijkheid. Toch verhindert hem dit niet rijke geschenken van vorsten aan te nemen en met een groot gevolg van menschen en rijtuigen op hunne kosten in het land om te trekken. Hij is een strijder, die met grooten ijver tegen alle leeringen in het krijt treedt, welke hem niet orthodox toeschijnen, een sociaal politicus, die den regel "Alles voor het volk" met een energie en een openhartigheid voorstaat, die aan den zachteren, meer bedachtzamen Confucius vreemd was.

Ook zuiver philosophische vragen, zooals die van de natuur der menschen, lichtte hij met veel meer beslistheid en uitvoerigheid toe dan Confucius, die zich meestal met een eenvoudige bevestiging vergenoegde. Ook tegenover een soort Cynische richting, [135] die zich naast of nevens het Taoïsme steeds meer deed gelden en tegen de meer humane richting der Mihisten trad hij met groote beslistheid op.

De veranderde tijdsomstandigheden brachten voorzeker mede, dat de persoonlijke houding en de leerwijze van Mencius een andere was dan die van zijn voorganger. Ook is het een feit, dat de dwalingen, die Mencius meende te moeten bestrijden, zich eerst na den dood van Confucius hadden ontwikkeld. De werken van Mencius leveren het bewijs, dat vele der vragen en problemen, die ons thans zoo telkens weer bezighouden, reeds toen aan de orde waren. Ook was het gevolg van den strijd dikwijls als nu: dat ieder op zijn eigen standpunt bleef staan.

"Het volk" zegt Mencius, "is het belangrijkste element in een land, dan volgen de godheden van akker en koren: de vorst is het minst gewichtig." Bij een andere gelegenheid zegt Mencius tegen den vorst "Wanneer een heerscher zijn ministers als zijn handen en voeten beschouwt, zoo zien zij hem voor hun hart en hun maag aan. Als hij hen beschouwt als zijn paarden en honden, dan zien zij hem voor een gewoon mensch aan (iemand, die geen eerbied verdient). Ziet hij hen aan als aarde en gras (waarop men treedt en dat men afmaait) dan zien zij hem voor een roover en vijand aan."

Deze opvatting van de plaats en de plichten der hoogste staatsbeambten staat niet in tegenspraak met het goddelijk recht der vorsten, zooals de oude schriften dit erkennen.

"De hemel" zoo zegt het boek der geschiedkundige aanteekeningen, "schiep, nadat hij het gewone volk had geschapen, heerschers en onderwijzers voor hen, opdat dezen God ter zijde zouden staan, en gaf hun macht en eer in het land."

Doch op een andere plaats in hetzelfde werk staat: "De hemel ziet, zooals mijn volk ziet, de hemel hoort, zooals mijn volk hoort." Mencius verklaart dit door te zeggen: "De hemel spreekt niet." Als hij, wien de heerschappij ten deel viel, deze op goede wijze voert, is dat een bewijs, dat de hemel hem deze heeft toevertrouwd. Voert hij die slecht, zoo zal er iemand opstaan, (door den hemel daartoe geroepen), die ze hem ontneemt. Zoo wierp de grondvester der Chau-dynastie den laatsten, onwaardigen heerscher van het huis Shan van den troon en toonde zich daardoor een werktuig des hemels en Mencius aarzelt niet, koning Süen op te dragen diens voorbeeld te volgen en de Chau-dynastie omver te werpen, die zich den troon onwaardig toonde.

Dat een man, die zulke grondstellingen zonder terughouding uitsprak, door de vorsten van zijn tijd en van later dagen niet bizonder geliefd werd, kan men begrijpen. Toch: de door hem verkondigde beginselen hebben niet weinig er toe bijgedragen om de vorsten, die over China regeerden, een teugel aan te leggen en hen tot een rekenen met de belangen des volks te nopen, waarvan anders zeker geen sprake ware geweest.

Een andere uiting van Mencius ligt hun, die tegenwoordig China regeeren, nog altijd na aan 't hart en vormt een van de gewichtigste argumenten, die het aannemen van vreemde opvattingen in den weg staan.

Hij zeide namelijk: "Ik heb wel gehoord van lieden, die de gebruiken van ons groote land aanwendden om barbaren te verbeteren, doch nog nooit, dat iemand door barbaren verbeterd werd." En--in de oogen der orthodoxe Chineezen zijn ook nog heden alle vreemdelingen barbaren.