De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 16

Chapter 163,975 wordsPublic domain

"Na den dood van Confucius," zoo heet het in de geschiedenis der Han-dynastie (210 v. C.-24 n. C.) "was het met zijn leer gedaan en nadat zijn zeventig (voornaamste?) leerlingen waren heengegaan, werd zijn leer bedorven (verbasterd). Er waren een groot getal verschillende teksten van de jaarboeken, van het liederenboek en van het boek der veranderingen en gedurende de verwarde toestanden en twisten der verschillende staten (480-221 v. C.) raakten waarheid en leugen nog meer met elkaar in strijd en in de leer der verschillende geleerden heerschte groote verwarring. Toen kwam het ongeluk, door de Tsin-dynastie (220-205 v. C.) veroorzaakt: deze bewerkte namelijk dat de boeken der geleerden met vuur werden verbrand, opdat het volk onwetend zou worden gehouden. Langzamerhand echter kreeg de Han-dynastie de macht in het rijk. Deze spande zich in om de schade te herstellen, die de Tsin-dynastie had veroorzaakt. Tafels en plankjes (waarop men in oude dagen teekens insneed of inkerfde) zocht men bijeen en de (klassieke) boeken werden verzameld."

In denzelfden tijd werd Confucius door de rijksregeering: d. w. z. door den vertegenwoordiger daarvan, den keizer, officieel erkend (n.l. als vereerenswaardig).

Reeds vroeger--na zijn dood--was hem ter eere door den hertog van Lu een tempel gebouwd, waarin viermaal per jaar offers moesten worden gebracht. Doch hoewel in 194 v. C. de grondvester der Han-dynastie, toen hij door Lu reisde, dezen tempel bezocht en er een os liet offeren, duurde het toch tot het jaar 1 n. C., eer keizer Ping aan Confucius een onsterfelijken eeretitel verleende en tot 57 n. C. voor offers aan hem in alle keizerlijke en rijksscholen werden ingevoerd. Deze vereering deelde Confucius tot het jaar 609 n. C. met den hertog van Chau, Chau-Kung, den broeder van den eersten keizer van dienzelfden naam. Eerst na dien tijd werden voor Confucius afzonderlijke tempels opgericht en vanaf 628 werd hij alleen vereerd. De officieele eeretitel, dien hij nu bezit: "Kung, de oude leeraar, de volkomen wijze" dateert eerst uit het jaar 1657 en is hem verleend door den eersten keizer der nu nog regeerende Mandschoe-dynastie. Deze heeft meer dan ééne der voorgaande dynastiën voor het aandenken en de vereering des meesters gedaan: zeker wel in het juiste besef daardoor voor het Chineesche volk haar vreemde heerschappij wat minder drukkend te maken.

Zooals wij reeds opmerkten leerde Confucius niets nieuws: hij verklaarde slechts de leer, die van oudsher geldig was en beriep zich daarop bij alle gelegenheden. Ja, het is wellicht juist aan dit onpersoonlijk karakter zijner leer toe te schrijven, dat deze gedurende zooveel eeuwen zulk een invloed op het volk kon uitoefenen.

Confucius en zijne leerlingen, navolgers en commentatoren waren slechts de bewaarders eener traditie, die sedert langen tijd in het bewustzijn van het Chineesche volk als met ankers was vastgemaakt.

Wat Confucius leerde kan men het best samenvatten in deze stelling: wie anderen wil opvoeden moet allereerst zichzelf opvoeden, m. a. w. een opvoedkundige opvatting van het Grieksche: "Ken u zelf," maar--tegelijk een onmiskenbare vooruitgang: want zelfkennis heeft dan alleen waarde, als zij het begin van beterschap is.

"Confucius sprak met voorliefde van het gewone, regelmatige en niet van het ongewone of buitengewone; hij sprak van wat men door vlijt en daarop berustende kracht verkrijgen kon; maar niet van wat men door overmacht kon bereiken. Hij sprak van toestanden van orde en niet van toestanden van regeeringloosheid met kuiperijen, die daarbij voorkomen, hij sprak van menschelijke en niet van bovenaardsche dingen. Hij leerde verstaan de grondstellingen, in de schriften der ouden vervat en hoe daar naar te handelen, de zedeleer van het hart en hoe aan de zedelijke beginselen getrouw te blijven."

Aldus omschrijft een uitlegger zijner werken een plaats uit zijne "Gesprekken", die treffend de leerwijze van Confucius in het licht stelt.

Bizonder eigenaardig is in Confucius de afkeer om zich in te laten met wat betrekking heeft op de onbekende toekomst des menschen aan gene zijde des grafs.

"Gij kunt de levenden niet dienen, hoe zult gij de geesten dienen," antwoordt hij aan een zijner leerlingen en als deze nog verder op het onderwerp wil ingaan, zegt hij: "Gij kent het leven nog niet, hoe kunt gij iets weten over den dood?" De oude uitleggers verklaren deze plaats zoo, dat Confucius den leerling geen ander antwoord gegeven heeft, "wijl geesten en dood onbegrijpelijke dingen zijn en het de moeite niet loont daarover te spreken."

Het 10e boek der "Gesprekken" behelst een vrij uitvoerige schilderij van de gewoonten en de houding des wijzen, doch: zooals Dr. Legge, de vertaler van de klassieke werken der Chineezen, zegt: "Confucius is als wijsgeer voor mij gedaald, sedert ik hem in zijn huisjasje, zijn bed en zijn reiswagen gezien heb." [129]

Toch heeft die pijnlijke zorgvuldigheid, waarmede zijn leerlingen ook de kleinste nietigheden uit de gewoonten huns meesters opteekenden, een voordeel: zij bewijst ons, hoe behoudend de Chineezen zijn, zelfs in de onbeduidendste uiterlijkheden, daar veel van de toen beschreven gebruiken nog zoo bestaan.

Zoo wordt op een plaats verteld hoe Confucius deed, wanneer hij op bevel van den vorst een bezoeker moest ontvangen: "Hij ijlde vooruit, de armen opgeheven als de vleugels van een vogel." Hetzelfde ceremonieel heerscht thans nog aan het Chineesche hof: de vreemde gezanten, die de keizer van China in 1874 en later ontving, zouden het kunnen getuigen.

"Bleef hij in de poort staan, zoo deed hij dit niet in het midden van het pad, en bij het in- en uitgaan trad hij niet op den drempel."

De weg onder iedere poort was in oude tijden door een paal in twee deelen gescheiden: voor het in- en voor het uitgaan. Het midden van ieder dezer twee wegen mocht slechts de vorst gebruiken. Tegenwoordig zijn er in de keizerlijke paleizen en vertrekken bijna overal verscheidene poorten en deuren: drie tot vijf, waarvan de middelste alleen voor den keizer dient en door niemand anders betreden mag worden. Waar slechts één poort of deur is, zooals bv. in de hal, die tegenwoordig voor de audientiën der vreemde gezanten gebruikt wordt, wil de etiquette, dat het in- en uitgaan niet precies door het midden plaats heeft. In tuinen en op begraafplaatsen van keizers of prinsen is het middelste gedeelte van de middelste trap, die tot de hal of den tempel voert, dikwijls met groote platen marmer bedekt, waarop zich in reliëf bewerkte draken bevinden. Zoo is het betreden daarvan onmogelijk gemaakt: en terwijl de dragers rechts en links de trappen opgaan, zweeft slechts de draagstoel of de doodkist over het midden van de trap.

Wat het betreden van den drempel aangaat, dit geldt, evenals in oude tijden, ook nu nog voor onbeleefd en de bewoners van het huis onheil aanbrengend. Bij audientiën des keizers wordt dan ook aan de gezanten uitdrukkelijk verzocht, het betreden van den, bijna een voet hoogen, zeer smallen drempel te vermijden. In Japan werd het ook tot voor weinige jaren als een grof vergrijp beschouwd: als een beleediging, die onder mannen met twee zwaarden, [130] slechts door bloed kon worden uitgewischt. Den voet op iemands drempel zetten, beteekende hetzelfde als hem den heer des huizes op het hoofd zetten.

Het beeld van Confucius, dat ons uit de over hem bewaarde berichten tegenkomt, is niet zeer aantrekkelijk. Wij zien voor ons een oudachtig humeurig heer, wien 't echter aan geestigheid niet ontbreekt: een man, pijnlijk afgemeten in kleeding, gedrag en gewoonten, die alles weet en alles kan en nooit eene gelegenheid laat voorbijgaan om zijn medemensch vol zalving te doen gevoelen, dat hij het beter weet dan deze.

We aanschouwen een professor, die met de dooden op een vrij goeden voet staat: hen immers kan hij kritiseeren en aanhalen, zonder dat zij hem tegenspreken: doch die het den levenden niet vergeeft, dat de geschiedenis zich niet afspeelt volgens het door hem gesponnen schema en dat hij niet geroepen wordt om de wereld weer in zijn kader terug te brengen. Daarom knaagt hij aan alles, wat anderen doen of nalaten: zou hij zich in alles willen mengen, als die anderen het maar toelieten en wordt hij door de gedwongen rust, door de tweespalt tusschen zijn willen en niet vermogen, tegen anderen en ten slotte tegen zichzelf verbitterd.

Zulk een oordeel schijnt hard, maar het werd reeds geveld door zijn tijdgenooten en door hen die kort na hem leefden. Echter bedenke men dat zijn tegenstanders het velden en dus wellicht wat overdreven.

In het boek Sze ma tsien wordt, van Taoïstische zijde, dus door de aanhangers van Lao tsze, gehandeld over een samenkomst tusschen Lao tsze en Confucius. Daarbij zegt de eerste--oudere tijdgenoot van Confucius--tot den laatste, die hem vermoedelijk verveeld had met citaten uit het leven der oude wijzen en met zijn betoog over het nut van uitwendige ceremoniën voor de innerlijke ontwikkeling des menschen: "De lieden, waarover gij zoo veel spreekt, zijn reeds lang dood en hun gebeente is vergaan, slechts hun woorden klinken na. Als de tijd van den wijze is gekomen, spreekt hij: is die er niet, dan weet hij te zwijgen. Ik heb gehoord dat een goed koopman, ook als hij zijn schuur met schatten gevuld heeft zich toch als arm voordoet en dat de wijze zijne wijsheid te verbergen weet. Leg af uwen hoogmoed en uwe begeerten, uw uitwendigen schijn en uw wilde plannen. Dat alles is voor u zonder nut. Dat is het eenige, wat ik u te zeggen heb."

Op een plaats in de "Gesprekken" wordt verteld hoe Confucius, toen hij eens voor een rivier was gekomen, die hij moest overtrekken, een zijner leerlingen naar twee lieden zond, die daar in het veld werkten, om te vernemen waar men den stroom het best kon doorwaden.

De arbeiders waren asceten (Taoïsten) die zich van de wereld teruggetrokken hadden. Een van hen vroeg, wie de man in den wagen was, die ingelicht wilde worden. De leerling noemde den naam van Confucius. "Kung-kiu uit Lu? die kent de voorde" (m. a. w. die weet immers alles, dus ook dit) sprak hij, keerde zich om en werkte voort. De andere arbeider was minder kort aangebonden, doch niet vriendelijker. "Gij zijt een leerling van Confucius? Wanorde bedekt als een gezwollen rivier het gansche land en wie zal dat, u en hem ter wille, veranderen? Waarom wilt gij iemand volgen, die slechts hier en daar de wanorde uit den weg gaat (zinspeling op het rondtrekken van Confucius van het ééne land naar het andere) en niet een, die zich geheel en al van de wereld terugtrekt? Zoo sprak deze en ging weer aan zijn werk.

In de werken van Chwang-tsze komt Confucius er nog slechter af. Daar komt een stuk in voor, getiteld "De roover Kih", waarin verteld wordt hoe Confucius zich in het leger van dezen rooverhoofdman begaf om hem van zijn booze wegen terug te brengen, doch door dezen zeer slecht werd ontvangen. De roover toch zeide:

"Gij geeft vele redeneeringen ten beste en praat maar door, u beroepend op de oude wijzen, zonder dat daarvoor reden is. Hoe meer gij spreekt, des te meer onzin komt er voor den dag. Gij voedt u, zonder te ploegen, gij kleedt u, zonder te weven, uw lippen staan niet stil en uw tong gaat als een trommelstok. Gij beslist maar wat recht en onrecht is en brengt daardoor alle vorsten des rijks op verkeerde wegen. Gij geeft aanleiding dat de geleerden zich niet bemoeien met wat hun eigenlijke taak is. Gij praat over kinderlijke liefde en broederlijken plicht en zijt toch steeds onafscheidelijk van de vorsten des rijks, de aanzienlijken en adellijken... Gij wilt de oude leeringen van W en Wang (die nergens goed voor waren) weer opflikken en gij beweert van alle mogelijke dingen, dat zij kunnen dienen voor de onderwijzing der komende geslachten. Met uw bizonder gewaad en uw nauwen gordel, met uw bedriegelijke redenen en huichelachtig gedrag verleidt gij de vorsten der staten en streeft gij naar rijkdom en eer. Een grooter roover dan gij is er niet: waarom noemt men u niet den roover Kiu, in plaats van mij den roover Kih?... Gij noemt u een man van talent: een wijze! Tweemaal heeft men u uit Lu weggejaagd, uit Wei moest gij vluchten, in T'si kreeg men u te pakken en in Ch'en en Ts'ai hielden de soldaten u omsingeld. Voor u is er in het rijk geen plaats meer, waar gij uw hoofd rustig kunt neerleggen. Uwe leeringen dragen er schuld aan, dat uw leerling Tsze lu is terechtgesteld en zijn gevierendeeld lichaam boven de poort van Wei is gehangen. Gij kunt noch uzelf noch anderen voor onheil bewaren, wat kan uwe leer dan voor waarde hebben?"

Ook andere leeraars, niet behoorende tot de Taoïstische richting, hebben Confucius scherp aangevallen, zooals bv. in de eerste eeuw n. C. de beroemde Wang-Chung, die voor de oorspronkelijkste en scherpzinnigste van alle Chineesche wijsgeeren doorgaat en wiens talent en beteekenis zelfs door de Chineesche orthodoxie wordt erkend, al halen zij ook afkeurend de schouders op over den buitengewonen ijver en de grenzenlooze vermetelheid waarmede deze denker blootlegt en veroordeelt wat hij noemt de overdrijvingen en verzinsels van Confucius en Mencius.

Tegenover al die afkeurende oordeelvellingen laten wij hier volgen een plaats uit het "Onveranderlijk midden" die ons doet zien hoe de leerlingen over hem dachten. Deze lofzang, want een lofzang is het, die hier wordt aangeheven, geeft ons tegelijk te zien wat de Chinees onder een "volmaakte wijze" verstaat en wat Confucius ook thans nog voor hem is.

"Confucius leverde de leeringen van de keizers Yao en Shun aan het nageslacht over, als waren deze (keizers) zijn voorvaderen geweest. Hij verklaarde de instellingen van Wen en Wu (de stichters der Chau-dynastie) die hij zichzelf tot voorbeeld had gesteld. Naar boven was hij in harmonische overeenstemming met de eeuwige bewegingen des hemels, beneden stond hij vast als de aarde.

"Wel mag men hem vergelijken met den hemel en de aarde, die alles dragen en behouden, alles beschaduwen en beveiligen. Hij is als de vier jaargetijden in hun wisselenden loop, als de zon en de maan met haar elkaar afwisselend licht.

"Alles (in het wereldgeheel) bestaat naast elkander, zonder dat het een het ander schade doet. De loop der jaargetijden, van de zon en de maan gaat voort, zonder dat zij elkaar hinderen. De kleinere krachten (der natuur) zijn als de stroomingen der rivieren, de grootere openbaren zich in groote veranderingen (omkeeringen). Dat is het wat hemel en aarde zoo groot maakt (de harmonie der sferen?)

"Hij slechts, die alle goede en wijze eigenschappen bezit, die onder den hemel kunnen bestaan, toont zich vlug in het begrijpen, helder in het onderscheiden, voorzichtig in het als waarheid aannemen, alomvattend in het weten, geschapen om te heerschen, edel van hart en grootmoedig, welwillend en mild, voorzichtig, opwekkend, krachtig, vast en volhardend, behoudend wat hij heeft verkregen, vast, de juiste grenzen bewarend, ernstig, nooit afwijkend van 't (rechte) pad, zonder gebrek (correct), eerbied afdwingend, volkomen, scherp van inzicht, scherpzinnig en doordringend, bekwaam om (goed en kwaad) te onderscheiden.

"Alomvattend is hij en ruim, diep en nooit rustend, als een bron (die altijd vloeit) ter rechter tijd zijn deugden openbarend.

"Alomvattend is hij en ruim, hij is als de hemel. Diep en nooit rustend als de bron, is hij (ondoorgrondelijk) als de afgrond. Hij verschijnt, en allen vereeren hem, hij spreekt, en allen gelooven hem, hij handelt en allen bewonderen hem! Daarom gaat zijn roem over het gansche rijk en dringt door tot de verste barbaren. Zoover schepen en menschen komen en des menschen kracht reikt, zoover de hemel zich welft en de aarde draagt, zoover zon en maan schijnen, rijp en dauw nedervallen: zoover heeft hem alles lief en eert hem, wat bloed en adem heeft. Daarom zegt men: Hij is als de hemel."

"Slechts hij, die de grootste reinheid bezit, welke onder den hemel mogelijk is, kan de onveranderlijke betrekkingen regelen tusschen de menschen onderling, de groote deugden, die den grondslag vormen, vaststellen en de krachten des hemels en der aarde die alles nieuw vormen en voeden erkennen; zou zulk een persoon steunen op een wezen of een ding, dat buiten hem ligt?"

"Noem hem den idealen man: want hoe streeft hij naar ernst. Noem hem afgrond, want hij is diep. Noem hem hemel, want hij is ruim."

"Wie anders kan hem begrijpen dan die vlug is in 't bevatten, klaar in 't onderscheiden, ruim van blik in 't erkennen, alomvattend in 't weten, die alle hemelsche deugden bezit (die n.l. aan hem gelijk is)."

Het zou zeer verkeerd zijn Confucius te meten met een hedendaagschen of een christelijken maatstaf. Hij was een zoon van zijn tijd: saamgegroeid met de inzichten en opvattingen, daaraan eigen, staande op den bodem der toenmalige moraal. Ook was hij persoonlijk niet vrij van zwakheden en gebreken, die hem bij herhaling vermaningen en waarschuwingen bezorgden, althans van één zijner leerlingen, Tsze lu. Deze trad bij meer dan eene gelegenheid als de ware ridder op. Confucius had steeds geijverd tegen oproerige onderdanen en beambten: toch was tweemaal de waarschuwende stem van Tsze lu noodig om den in al zijn droomen en verwachtingen van staatkundig en sociaal hervormer teleurgestelden man, te verhinderen om ontrouw te worden aan zijn eigen leer.

"Ja," roept hij eens uit, als Tsze lu hem de tegenspraak doet gevoelen, die er tusschen zijn woorden en zijn daden zou liggen, "ja, ik heb gezegd dat een edel man zich niet inlaat met hen die kwaad doen; maar zegt men niet: wat werkelijk hard is kan geslepen worden zonder dunner te worden en wat werkelijk wit is kan in een donkere vloeistof gedompeld worden zonder dat het zwart wordt? Ben ik dan een bittere komkommer? Hoe kan ik er voor bewaard blijven gegeten te worden?" Bij een andere gelegenheid, als een oproermaker hem tot zich roept, zegt hij: "Het moet toch een reden hebben, dat hij mij bij zich verzoekt! Als iemand mij maar gebruiken kon, hoe zou ik een ander westelijk Chau tot stand brengen!" (Chau was het vaderland der regeerende dynastie en in oude tijden het voorbeeld van een goed bestuurden, gelukkigen staat).

De zucht om een politieke rol te spelen, schijnt van alle zwakheden van Confucius, die de overlevering ons meedeelt, de grondslag te zijn geweest. Zoo b.v. toen hij er toe kwam om in het gevolg van den vorst van Wei en diens slecht te boek staande vrouw door de straten der hoofdstad te rijden en het volk hem nariep: "Ondeugd voorop en deugd achteraan", of--toen diezelfde dame hem in audiëntie ontving en hij zich tegenover Tsze lu met de woorden "Waarin ik tekort geschoten ben moge de hemel mij straffen," rechtvaardigde. Toen hij den eed brak, dien hij aan den commandant van Pu had gedaan, om niet naar Wei te gaan, zeide hij tot zijn verontschuldiging: "Het was een gedwongen eed, zulk een hooren de geesten niet."

In den tijd van Confucius en nog lang daarna heerschte in China de bloedwraak.

"Met den moordenaar zijns vaders mag de zoon niet onder denzelfden hemel leven, tegen den moordenaar zijns broeders moet een man nooit naar huis terug behoeven te gaan om een wapen te halen, met den moordenaar van een vriend mag een man niet in denzelfden staat wonen," heet het in het boek der gebruiken, en deze voorschriften heeft Confucius uitdrukkelijk bekrachtigd.

Bij den regel, dat de zoon op een mat van gras moest slapen, met zijn schild als hoofdkussen, totdat hij den moordenaar zijns vaders had gedood; dat hij op de marktplaats en aan het hof het wapen steeds bij de hand moest hebben om hem te treffen, heeft de zin, dat men anderen niet doen moet, wat men niet wil dat zij u aandoen een buitengewoon praktische beteekenis. Het kan ons dan ook niet verwonderen, dat, als een zijner leerlingen vraagt, of er geen woord is, dat als regel voor de verhoudingen van het gansche leven kan dienen, hij dezen antwoordt: "Is niet wederkeerigheid zulk een woord? Dat het verder strekkend beginsel: kwaad met goed vergelden, ontbreekt, is wel natuurlijk: een ander leerling kreeg dan ook op een vraag, hierop betrekkelijk, ten antwoord: "En waarmee zal men dan goed vergelden? Vergeldt het booze met rechtvaardigheid en goed met goed." Het komt geheel en al overeen met de strenge opvatting van den wijze, dat op een andere plaats hem, die anders handelt (kwaad met goed dus vergeldt) vrees als beweegreden wordt toegeschreven.

In de positieve zedeleer van Confucius kon deze mildere opvatting geen plaats vinden: wel in de theosophie van Lao tsze, gelijk dan ook het beginsel "Vergeldt kwaad met goed," in den Tao-teh-king voorkomt.

De leer welke Confucius verkondigde en verklaarde laat zich in 't wezenlijke hierin samenvatten (zooals wij reeds opmerkten) dat ieder zichzelf moet opvoeden om anderen, die hem door leeftijd en positie ondergeschikt zijn, te kunnen opvoeden. Terwijl dus voor den een het opvoeden en het bevelen tot plicht wordt gemaakt, wordt den ander gehoorzaamheid ingescherpt: doch geen absolute, die in ieder geval moet worden betracht: de zoon toch zoowel als de ambtenaar moeten hun vader of vorst als hij afdwaalt, terugvoeren op het pad der deugd.

"Hoe zal men een vorst dienen," vraagt Tsze lu en Confucius antwoordt: "Bedrieg hem niet en wederspreek hem in 't aangezicht." Op de vraag, of een zoon in elk geval het bevel zijns vaders moet gehoorzamen antwoordt Confucius: "Wat zijn dat voor redenen! Als in oude tijden een keizer al geen goede grondbeginselen had, doch zeven ministers, die hem waarschuwden, dan verloor hij het rijk niet. Als een leenvorst vijf zulke ministers had ging zijn huis niet onder. Als een geleerde een vriend had, die hem waarschuwde, zoo behield hij zijn goeden naam en als een vader een zoon had, die hem de dingen die verkeerd waren bevolen, onder het oog bracht, zoo deed hij niets dat onrechtvaardig was. Daarom, indien er gevaar is dat er onrecht zal worden gepleegd, mag een zoon niet aarzelen dit zijn vader, noch een minister dit zijn vorst onder het oog te brengen. Wanneer het aldus plicht is reeds tegen onrecht, dat nog staat te geschieden, op te treden, zou het dan kinderlijk zijn om een bevel zijns vaders, dat onrecht in zich sluit, te gehoorzamen?"

Het "Boek der kinderlijke liefde," [131] "De groote leer," [132] en "Het onveranderlijke midden," [133] behelzen de grondstellingen der leer van Confucius in meer geordenden en samenhangenden vorm, dan dit in de "Gesprekken en uitingen" het geval is. Eenige aanhalingen uit deze drie werken zullen zeker bijdragen tot recht verstand der leer van Confucius.

"De kinderlijke liefde is de wortel van iedere deugd, waaruit de volkomendheid voortkomt.

"Het lichaam (tot op de huid en de haren toe), dat men van zijn ouders ontvangen heeft niet te beschadigen, is de aanvang der kinderlijke liefde, [134] zich (geestelijk) te volmaken en overeenkomstig (die volmaking) te handelen en zijn naam aan toekomstige geslachten over te leveren, opdat de ouders geëerd worden: dat is de voleindiging der kinderlijke liefde.

"Want kinderlijke liefde begint met de ouders te dienen, de dienst van den vorst is het midden, voor nakomelingschap zorg te dragen is het einde.

Wat "De groote leer" onderwijst is: de deugd te beoefenen, het volk op te voeden, in de volkomenheid te volharden.

"Ieder ding heeft zijn wortelen en zijn takken, ieder streven zijn begin en zijn doel: te weten wat begin en doel zijn, dat is de beteekenis der "Groote leer" te verstaan.

"In oude dagen schiepen zij, die wenschten dat de deugd beoefend werd in het gansche land, eerst orde, ieder in zijn eigen gebied (leenvorstendom). Om dit te bereiken schiepen zij orde in hunne familiën en om die te verkrijgen streefden zij er naar zichzelf te volmaken. Om zich te volmaken reinigden zij hunne harten en om die loutering te verkrijgen streefden zij naar kennis van hun eigen geest. Om zelfkennis te verkrijgen, trachtten zij hun wetenschap te vermeerderen en die vermeerdering werd door het onderzoeken van alle dingen aangebracht.