De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme
Part 12
We hebben in het vorige hoofdstuk de hoofdzaken der Boeddhistische leer in het oog gevat, de menschheid in leed verzonken, de uitweg, die naar het Nirvana voert. De vraag komt nu echter: waarlangs voert ons die weg? M. a. w. wij zijn nu aan de behandeling van de vierde der heilige waarheden genaderd, de weg, die tot opheffing van het lijden voert: Reeds hebben wij vermeld dat de weg tot opheffing van het lijden is het heilige achtvoudig pad, dat is: recht geloof, recht besluiten, recht woord, rechte daad, recht leven, recht streven, recht gedenken, recht bespiegelen. Welnu, drie stations zijn er, die wij op dien weg achtereenvolgens moeten passeeren, wij kunnen ze noemen: rechtschapenheid, bespiegeling (inkeeren tot zichzelf), wijsheid. Allereerst dus rechtschapenheid, d. w. z. zich van alles wat boos en onrein is verre houden. Deze rechtschapenheid openbaart zich in de opvolging der vijf volgende geboden, die niet alleen gelden voor de eigentlijke volgelingen, de monniken, maar voor alle vereerders van den Boeddha. Zij zijn: 1. geen levend wezen dooden, 2. aan niemands eigendom zich vergrijpen, 3. de vrouw van een ander niet aanraken, 4. geen onwaarheid spreken, 5. geen bedwelmende dranken drinken.
Wij moeten erkennen, dat inderdaad deze geboden door Boeddha's volgelingen zeer nauwgezet worden nageleefd. Niet alleen dat de Boeddhistische monnik van een soort zeef voorzien is, opdat hij bij het drinken van water niet het leven van een insect vernietige, neen, ook de leek, die eerbied heeft voor den Verhevene zal geen dier dooden, evenmin zijn vleesch eten. De Birmanen maken slechts voor één soort adder een uitzondering, een die den mensch moedwillig aanvalt en waarvan een hunner spreekwoorden zegt: als zij u eerst ziet, doodt zij u, als gij haar eerst ziet, doodt gij haar. En ook de andere geboden, met name het niet gebruiken van bedwelmende dranken, worden streng nagekomen.
Ook worden zij niet slechts negatief opgevat. De Boeddhist doodt niet alleen geen dieren, maar is ook vervuld met liefde voor al wat leeft. Zeer op den voorgrond komt ook het vergelden van kwaad met goed, men denke b.v. aan de vroeger verhaalde geschiedenis van Kunala. [94] Vooral uit practisch oogpunt worden deze deugden aanbevolen. "Door niet te toornen overwint men den toorn, het booze overwint men door het goede, den gierige overwinne men met gaven, door waarheid overwinne men den leugenaar." [95]
Welwillendheid wordt door Boeddha op eigenaardige wijze in het voorbeeld van zijn eigen leven aanbevolen. Hij zegt [96] "Na den maaltijd, als ik van het aalmoezen verzamelen ben teruggekeerd, begeef ik mij naar het woud. Dan stapel ik kruiden en grassen opeen en zet mij daarop neder, met gekruiste beenen, het lichaam recht opgericht, het gelaat met waakzaam denken omgeven. Zoo zit ik daar, terwijl ik de kracht der welwillendheid, die mijn geest vervult, zich over één wereldstreek laat uitstrekken, daarna over den tweeden, den derde en vierde, [97] naar boven, naar beneden, in schuine richting, naar alle kanten, op alle wegen van de gansche wereld laat ik de kracht der welwillendheid, die mijn geest vervult, die groote onmetelijke, die van geen haat weet, die naar geen schade tracht, zich uitstrekken."
Aan zulk een geestelijke oefening in welwillendheid wordt een groote kracht toegekend, we zouden zeggen: een soort telepathische kracht. Zou dat trouwens ook niet zoo zijn, zou niet een mensch, die al zijn gedachten op wat rein en goed is concentreert als 't ware een atmosfeer van liefde rondom zich bewerken? Hebben dat ook geen voorbeelden uit den nieuwen tijd bewezen? Doch: laat ons hooren welke voorbeelden de Boeddhisten er van verhalen.
Eens verzoekt Ananda aan den verhevene dat hij Roja, een niet voor de leer van Boeddha gewonnen edelman van het huis der Malla's, tot het geloof en de orde mocht bekeeren. "Dat is niet moeilijk voor den voleindigde, o Ananda, om te maken dat Roja de Malla voor dit geloof en deze orde gewonnen wordt." Toen richtte de Verhevene op Roja de kracht zijner welwillendheid, stond van zijn zitplaats op en ging in het huis. En Roja, door den verhevene met de kracht van zijne welwillendheid getroffen, ging, evenals een koe, die haar kalfje zoekt, van huis tot huis, van monnik tot monnik, vragende: "Waar, o eerwaardigen, is op het oogenblik de Verhevene, de heilige, hoogste Boeddha? Ik begeer hem te zien, den verhevenen, heiligen, hoogsten Boeddha." [98]
Die kracht der welwillendheid wordt ook aangeprezen tegen slangen en wilde dieren. Boeddha verhaalt van een zijner vroegere levens: "In het woud, op eene berghelling leefde ik, mijn naam was Sama... Leeuwen en tijgers trok ik door de kracht mijner welwillendheid tot mij. Omgeven van leeuwen en tijgers, van panters, beren en buffels, van gazellen en evers, verbleef ik in het woud. Geen dier was voor mij bevreesd en ook ik vreesde voor geen dier. De kracht van de welwillendheid is mijn bescherming, zoo blijf ik op de berghelling." Doet Boeddha hier niet denken aan Franciscus van Assisi, den eenige onder de heiligen der Katholieke Kerk, bij wie zich ook zulk een diep gevoel van sympathie, zulk een heilig meegevoelen vertoont met al wat leeft?
Naast de welwillendheid wordt ook zeer den nadruk gelegd op de weldadigheid. Zij wordt aangeprezen, niet zoozeer omdat zij anderen tot heil is, als wel omdat zij wie haar beoefent verder brengt op den weg des heils.
Men denke b.v. aan de vroeger vermelde geschiedenis van Wessantara [99], waarin deze alles ten offer brengt, doch niet voor doeleinden, die ons Westerlingen kunnen bevredigen. Wie, dat is hier de kiem der leer, zichzelf het grootste offer oplegt, doet ook de grootste stap tot het heil.
Toch: noch rechtschapenheid, noch welwillendheid, noch weldadigheid kunnen er ons brengen. Zij bereiden slechts voor: Eerst wanneer door deze deugden het hart is gereinigd, wordt men geschikt om den verderen weg des levens te verstaan.
Weldadigheid, welwillendheid, rechtschapenheid: zij zijn dus niet bovenal van gewicht, omdat zij anderen tot heil zijn, maar omdat zij de ziel reinigen.
Ze moeten echter op den weg tot den groote vrede door andere--nog meer innerlijke deugden--worden gevolgd. Vandaar, dat zich hierbij aansluiten: beheersching der zinnen, waakzaamheid, opmerkzaamheid en gemis van behoeften. Wat het eerste betreft: daarmede wordt niet zoozeer bedoeld een op zijn hoede zijn voor verzoekingen als wel het achtgeven op zijn oog, zijn oor, tot zijn ademhalen toe. Denkelijk wordt dit aangeprezen als een soort van geestelijke gymnastiek: een oefening om meester te worden over al zijn levensverrichtingen. [100]
Wat de opmerkzaamheid aangaat wordt vooral gewaarschuwd tegen toegeven aan haat of lust. Als de monnik zoover komt, dat op den weg naar het dorp (waar hij rondgaat om aalmoezen te ontvangen) geen lust of haat hem bezielt tegen diegenen, die hij zwijgend aanschouwt of hoort, dan mag hij zeggen: "Zalig de man, die aan het goede zijne zinnen gewend heeft." Want aan niets te hechten: in den hemel of op aarde: daarom is het te doen.
Gemakkelijk valt het echter niet om daartoe te geraken: het Boeddhisme kent ook een duivel: Mara. Soms wordt hij voorgesteld als een persoonlijk wezen, die Boeddha en zijn rijk bestrijdt: doch bij meer wijsgeerig ontwikkelde Boeddhisten geldt hij als de onpersoonlijke wereldmacht, die overal lust en begeerte opwekt en daardoor den dood werkt.
Men herinnert zich dat hij ook in de geschiedenis van Boeddha zelf een rol speelt. Zijne verzoeking van Boeddha doet soms denken aan die van Jezus door den duivel. Evenals deze Jezus het bekoorlijke wil doen gevoelen van aardsche macht, zoo komt ook Mara tot den Verhevene.
"Op zekeren tijd, zoo luidt dit verhaal, hield de verhevene in het land Kosala in de Himalaya, in een woudhut, verblijf. Toen de verhevene zich daar in de eenzaamheid had teruggetrokken, steeg in zijn geest deze gedachte op: Voorwaar het is mogelijk als koning met gerechtigheid te regeeren, zonder dat men doodt of dooden laat, zonder dat men smart lijdt of anderen smart doet lijden.
Toen zag Mara, de booze, de gedachten die in den geest van den verhevene waren opgekomen. Hij ging naar den verhevene en sprak: "Moge, o Heer, de verhevene als koning regeeren, moge de voleindigde als koning regeeren met gerechtigheid, zonder dat hij doodt of dooden laat, zonder dat hij verdrukt of verdrukken laat, zonder dat hij smart lijdt of anderen smart toevoegt." Boeddha antwoordt: "Wat ziet gij aan mij, gij booze, dat gij aldus tot mij spreekt?"
Mara zegt dan: "De verhevene, Heer, heeft de viervoudige wondermacht zich eigen gemaakt--als de verhevene, o Heer, wilde, zoo kan hij willen dat de Himalaya, de koning der bergen, tot goud werd en--hij zou tot goud worden." Boeddha wijst hem af: wat baat het den wijze of hij een berg van zilver en goud bezit? Wie het lijden heeft gezien in zijn oorsprong, hoe kan hij zich wenden tot de begeerte? Wie weet dat aardsche zin een boei is in deze wereld (nl. die de vrijmaking tegenhoudt) die moge trachten naar wat hem daarvan vrijmaakt. Toen zag Mara, de booze: de verhevene kent mij, de voleindigde kent mij--en mismoedig en bedroefd ging hij heen.-- [101] Een slot, dat bij dergelijke verhalen over Mara telkens wederkeert.
"Zoo weerstond Boeddha den verzoeker door zijne waakzaamheid, zoo moeten ook zijn volgelingen hem weerstaan. Het voorbeeld van een schildpad stelt de Meester hun voor oogen. Wij laten die gelijkenis hier volgen:
"Er was eens een schildpad, die in den avond naar den oever der rivier ging om voedsel te zoeken. Ook een jakhals ging des avonds naar de rivier op buit uit. Toen de schildpad den jakhals zag, kroop zij in hare schaal en dook zacht en stil in het water. De jakhals liep er heen en wachtte dat zij een harer leden uit de schaal zou steken. De schildpad verroerde zich niet, de jakhals moest het opgeven en ging heen.
"Eveneens, jongeren, loert ook Mara, de booze, voortdurend op u en denkt: Ik wil door uw oog toegang tot u verkrijgen, of door uw oor, uw neus, uw tong, uw lichaam of door uw gedachten. Daarom, o jongeren, bewaar de poorten uwer zinnen, dan zal Mara van u wijken, hij moet het opgeven, hij vindt geen ingang bij u, evenmin als de jakhals bij den schildpad." [102]
Zoo staat dan de getrouwe volgeling des verlichten pal; door deugden gelouterd, door waakzaamheid gesterkt en beveiligd streeft hij naar het einddoel, den grooten vrede. Geen pasklaar gemaakt geloof, geen steunen op een verlosser, boven alles eigen krachtsinspanning moet er hem brengen. Doch, een voorsmaak van den eeuwigen vrede kan hij reeds hier genieten. Als hij alleen terneder zit in het eenzame woud, als hij daar zich door inkeeren tot zichzelf losmaakt van lust en booze neigingen, losmaakt van vreugde en leed, als ten slotte zijn adem ophoudt, dan bereikt hij een toestand, waarin hij al het aardsche is ontvloden, vrij van onreinheid, vrij van zonden, vast en onwankelbaar.
In dien toestand wordt alles hem klaarheid. In extase aanschouwt hij de wandelingen, die hij in 't verleden heeft doorgemaakt, leest hij de gedachten van anderen. Hij ziet hoe alles ontstaat en vergaat, straks zal hij ook de laatste schrede doen en wordt hij, door het ophouden van alle hechten aan het aardsche, van zonde vrij en komt tot verlossing en heiligheid.
Is dat alles slechts--zooals ook Oldenberg [103] het voorstelt,--slechts ziekelijke verbeelding? Wie eenigszins bekend is met de verschijnselen van somnambulisme en extase ook in onzen tijd, zal dit geenszins beweren, maar zal moeten erkennen, dat er is: een geestelijk zien, een hoogere verlichting, die juist dan ons deel wordt, als al 't aardsche verre van ons is en de wereld der zinnen is gesloten, en dat er dus--ook in deze verzekeringen van het Boeddhisme--een diepe bron van waarheid is verborgen.
Boeddha zelf treedt op dien weg des heils vrij wel op den achtergrond. Hij is niet meer dan het voorbeeld dat den leerling sterkt in zijn strijd. Hij is geen Verlosser, die van buiten af zaligheid aanbrengt. Neen: hij is de eerste, die worstelend en strijdend het ware pad des heils heeft gevonden: anderen volgen. Na hem zullen komen andere Boeddha's, die "het rad der leer in beweging brengen."
Niet zijn persoon maakt zalig, maar zijn leer: die, zoo sprak hij stervend tot Ananda, is de Meester als ik ben heengegaan. Als zij die volgen, zullen ook ook zij eenmaal komen tot den Grooten Vrede, die voor allen bereid is, maar die slechts bereikt kan worden waar alle hartstocht is gedoofd, waar alle begeeren heeft opgehouden.
VI. Het Boeddhisme in de praktijk.
Reeds vroeger hebben wij er over gesproken dat de gemeente van Boeddha feitelijk een monnikengemeente is: zoodat wie ernstig naar het licht tracht, monnik moet worden.
Dat monnikendom is echter gansch iets anders, dan wij Westerlingen zouden denken. Een monnik: onwillekeurig denken wij dan aan de Roomsch-Catholieke monniken, personen, die evenals de geheele priesterschap met een wijding zijn bekleed, waardoor zij als tusschenpersonen gelden tusschen God en den mensch. Zoo iets vinden wij, waar het Boeddhisme ook maar eenigszins zuiver is bewaard gebleven, niet. Hun monniken deelen geen Sacramenten uit, dragen geen sleutelen van hemel en hel: zelf moet de mensch de weg des heils zoeken en vinden. Aan niemand heeft in de oogen van Boeddha's volgelingen de Allerhoogste zijn gezag in handen gegeven: Hij werkt door eeuwige wetten: zijn wil is kenbaar in de wet van oorzaak en gevolg, die iedereen kan verstaan. De monniken vormen eenvoudig een vrije broederschap, welke ten doel heeft den weg te volgen, die tot de bevrijding leidt.
Zoo was het van den aanvang af. Niet lang na den dood des Verhevenen vroeg een minister van koning Ajatasattu aan Ananda: "Is, vereerde Ananda, een bepaalde monnik door den vereerde aangewezen, van wien hij gezegd heeft: deze zal na mijn dood uw toevlucht zijn?"
Ananda antwoordde ontkennend. "Heeft dan," vervolgde de minister, "de gemeente een bepaalden monnik benoemd, heeft een aantal oudsten van hem verordend: "Hij zal na den dood des Verhevenen onze toevlucht zijn?" Ook nu antwoordde Ananda ontkennend. En de ander vervolgt: "Wanneer het u aan een toevlucht ontbreekt, vereerde Ananda, hoe is er dan eenheid onder u?" "Het ontbreekt ons niet aan een toevlucht, o Brahmaan, wij hebben een toevlucht, de leer."
M.a.w. geen hiërarchie of iets dergelijks. Zoo was het voorheen, zoo is het nog onder Boeddha's volgelingen. En in weerwil (of juist daardoor?) daarvan is der monniken leven van de dagen van den Verlichte af tot nu toe vrijwel hetzelfde gebleven. Als wij vergelijken, wat Fielding vertelt over de monniken van het tegenwoordig Boeddhisme in Birma en Oldenberg over die van de eerste tijden, dan schijnt bijna alles hier zuiver bewaard te zijn gebleven.
We willen u dan over der monniken eigenaardig leven een en ander meedeelen. In de eerste plaats merken wij op, dat, in het algemeen, de toegang tot de gemeente (Sangha) voor ieder openstaat.
"Geopend zij voor allen de poort der eeuwigheid, wie ooren heeft, hij hoore en geloove 't woord."
Toch wordt voor sommigen een uitzondering gemaakt. B.v. voor die aan ernstige lichaamsgebreken of krankheden lijden, voor zware misdadigers, voor soldaten, schuldenaars en lijfeigenen, niet omdat deze laatste drie minder geacht werden, maar omdat hier de rechten van derden zouden worden verkort. Voorts mochten zonen niet in de orde gaan zonder toestemming der ouders en konden kinderen eerst met het 12e jaar voorloopig, met hun 20e jaar vol lid worden. Voorloopig en vol lid, bij jeugdigen van jaren kan dat eerst na eenige jaren op elkaar volgen. Bij ouderen volgt de voorloopige opname als lid en de erkenning als vol medelid spoedig op elkaar. De eerste wijding heet Pabbaja (het uitgaan, n.l. uit de wereld), de tweede Upasampada (het inkomen).
Bij de eerste treedt enkel de candidaat zelf handelend op, bij de tweede is het de gemeente, die hem opneemt. Een en ander ging en gaat nog in hoofdzaak aldus in zijn werk. De candidaat verklaart bij het Pabbaja, dat hij deel wil uitmaken van de gemeente, eene verklaring, die ook een oudere monnik voor hem doen kan. Hij trekt daarop het gele gewaad aan, laat zich haar en baard scheren en spreekt tot de andere monnik(en): "Ik neem mijn toevlucht bij Boeddha. Ik neem mijn toevlucht bij Dharma (de leer). Ik neem mijn toevlucht bij Sangha (de gemeente)."
Daarop volgt dan later, soms al spoedig, de eigenlijke opname, waardoor hij dus vol gemeentelid wordt.
Dit gaat ongeveer in deze voege. Voor de verzamelde monniken spreekt de candidaat: "Ik bid de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Ten tweede en ten derde male verzoek ik de gemeente, eerwaardigen, om de wijding. Moge de gemeente, eerwaardigen, mij tot zich opheffen, moge zij zich mijner erbarmen. Dan volgt een soort verhoor. Er wordt gevraagd: "Hoort gij mij N......? Nu is de tijd voor u gekomen om waar en recht te spreken. Ik vraag u, hoe het met u is. Wat zoo is moet gij van zeggen: het is zoo, wat niet zoo is, daarvan moet gij zeggen: het is niet zoo. Zijt gij met een der volgende ziekten behept: melaatschheid, kropgezwel, witte uitslag, tering, vallende ziekte? Zijt gij een mensch? [104] Zijt gij een man? Zijt gij uw eigen heer? Hebt gij schulden? Staat gij niet in koninklijken dienst? Hebt gij verlof van vader en moeder? Zijt gij volle twintig jaar oud? Hebt gij de aalmoezenschaal en de kleederen? Hoe heet gij? Hoe heet uw leermeester?"
Is nu het antwoord op al deze vragen bevredigend, dan wordt tot driemaal toe aan de gemeente het verzoek overgebracht hem de wijding te geven. "De gemeente hoore mij, eerwaardigen. Hier N..... wenscht als leerling van N. N. [105] de wijding te ontvangen. Hij is vrij van verhindering. Hij heeft een aalmoezenschaal en de kleedingstukken. N. vraagt de gemeente om wijding met N. N. als zijn leermeester. De gemeente verleent aan N. de ordening met N. N. als leermeester. Wie van de eerwaardigen er voor stemt dat aan N. de wijding wordt gegeven met N. N. als leermeester, die zwijge, wie er tegen is, spreke."
Komt na drievoudige herhaling geen tegenspraak, dan is de candidaat aangenomen en het heet: "N. heeft van de gemeente de wijding ontvangen met N. N. als zijn leermeester. De gemeente is er voor, zij zwijgt, alzoo neem ik dit aan."
Nu stelt men, door de schaduw te meten, den tijd vast, waarop de candidaat is opgenomen en deelt hem vervolgens mede de vier regelen der gestrengheid in het uiterlijk leven, luidende aldus:
"De spijs van hem, die uit het huis naar het leven zonder tehuis is gegaan, zullen zijn de beten, die hij door bedelen verkrijgt. Zijn gewaad zal gemaakt zijn uit de lompen, die hij verzamelt. Zijn legerstede zal zijn onder de boomen des wouds. [106] Zijn medicijn zal zijn de stinkende urine van vee." Bereiden vrome leeken hem een maal: verleenen zij hem kleeding, onderdak, geneesmiddelen: 't is niet verboden die aan te nemen, doch de rechte en wettige levenswijze van den monnik is deze gestrengheid van het bedelaarsleven. Dan worden hem meegedeeld de vier groote verboden, door welke te overtreden een monnik zichzelf uit de gemeente uitstoot:
1. "Een geordende monnik mag geen geslachtsomgang hebben, ook niet met een dier. De monnik, die geslachtsomgang heeft, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Evenals een mensch, wien het hoofd is afgeslagen, met den romp niet leven kan, zoo is ook een monnik, die geslachtsomgang heeft, geen monnik meer, geen leerling van den zoon van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u verre houden."
2. "Een geordende monnik mag niet nemen wat hem niet gegeven is (wat men diefstal noemt) ook geen grashalm. De monnik, die een pada [107] of de waarde van een pada of meer dan een pada ongegeven neemt (wat men diefstal noemt) is geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Evenals een dor blad, dat van den stengel is losgegaan, niet meer groenen kan, zoo is ook een monnik, die een pada of de waarde van een pada of meer ongegeven neemt (wat men diefstal noemt) geen monnik meer: hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Daarvan moet gij uw leven lang u ver houden."
3. "Een geordende monnik mag niet wetens een dier van het leven berooven, ook geen worm zelfs of mier. De monnik, die wetens een menschelijk wezen van het leven berooft, zij het dat hij een ongeboren kind doodt, is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon van den Sakya. Evenals een groote steen, dien men in twee deelen heeft gespleten, niet meer tot één kan worden gemaakt, zoo is ook enz."
4. "Een geordend monnik mag zich niet beroemen op bovenmenschelijke volkomenheid, mag zelfs niet zeggen: "Gaarne vertoef ik in een ledig huis." [108]
"De monnik, die met booze bedoeling en uit begeerlijkheid zich leugenachtig op bovenmenschelijke volkomenheid beroemt, zij het een toestand van verzonkenheid, van verrukking, van tot zichzelf inkeeren (concentratie), van verheffing of van het pad der verlossing, of van de vrucht der verlossing, hij is geen monnik meer, hij is geen leerling van den zoon van Sakya. Evenals een afgehouwen palmboom niet meer groeien kan enz."
Met de voorlezing dezer vier groote verboden is de ordening geëindigd. Men ziet, dat alle voorzorgen worden genomen, om onwaardigen te weren en moeilijkheden te voorkomen, doch, van werken op het gevoel, van mystiek is men hier verre verwijderd.
Het is dan ook geen wijding in een geestelijken stand, die een onverliesbaar karakter verleent, het is de vrije aansluiting bij eene broederschap, die men ook weer verlaten kan.
Dit juist maakt dat in het Boeddhistische monnikendom niet die groote, donkere vlekken zijn te zien, welke de ascese overal met zich brengt. Wordt een monnik de drang naar de wereld te sterk, valt hem de strijd tegen de zinlijke neigingen zijner natuur te zwaar, welnu: niets belet hem heen te gaan.
Het is beter, "de geestelijke oefening vaarwel te zeggen en zijn zwakheid te erkennen," dan als geestelijke te zondigen.
Zondigt echter de monnik tegen de hoofdgeboden, dan kan hij door de gemeenschap worden uitgestooten. Iets wat echter niet veelmalen geschiedt, daar een monnik, die tegen zijn regels handelt, zoozeer door het publiek wordt veracht (een publiek dat zijn aalmoezenschaal dan niet met voedsel vult) dat hij vanzelf tot heengaan is gedrongen.
Hebben wij gezien hoe de monniken worden opgenomen, aan welke verplichtingen zij moeten beantwoorden: wij werpen thans een blik op hun dagelijksch leven.
We merkten reeds op dat het leven der monniken zich door eenvoud moet kenmerken: doch, niet zoo dat het in overdreven gestrengheid ontaardt.
Dit komt in alles uit. Eenvoudig zijn ook tegenwoordig in Birma--een land, waar het Boeddhisme vrij zuiver de oude traditiën heeft bewaard--de kloostergebouwen doch vriendelijk door boomen omgeven. Naast het klooster vindt men pagoden: koepelvormige verhevenheden, die het graf van den meester voorstellen: waarbij men nederknielt om gedeelten uit de heilige boeken op te zeggen: soms reeds in den vroegen morgen, als het nauwelijks dag is.
Binnen in het klooster, dat meestal niet heel groot is en van hout gebouwd, ziet men een beeld van den Verlichte, doch van hem alleen: andere heiligen kent men niet. Verder gewone dingen voor huiselijk gebruik, soms enkele boeken. Want eigendom mag een monnik niet bezitten: geen geld of goed, geen artikelen van weelde.