De wijzen van het Oosten Brahmanisme, Boeddhisme, Chineesche philosophie, Mazdeïsme

Part 10

Chapter 103,971 wordsPublic domain

Nu was er in die stad een man, die den volgenden dag zou trouwen, en hij wenschte gaarne dat de Boeddha bij de plechtigheid tegenwoordig zou zijn. Boeddha, die voorbij kwam, las de stille wensch in zijn hart en beloofde te komen. De bruidegom was zeer verheugd, hij bestrooide zijn huis met bloemen en besprenkelde het met reukwater.

Den volgenden dag kwam Boeddha, de aalmoezenschaal in de hand, door vele leerlingen vergezeld. Toen zij allen op hunne bestemde plaatsen zaten, deelde de gastheer allerlei heerlijke spijzen rond, en sprak:

"Eet, mijn heer, met al uwe leerlingen, volgens uw begeerte."

Doch nu openbaarde zich een wonder aan de verbaasde blikken van den gastheer. Hoewel deze heilige mannen allen zeer smakelijk aten, verminderden de gerechten en de dranken niet. Daarop dacht deze bij zichzelf: "Kon ik maar al mijn bloedverwanten uitnoodigen, ook voor hen zou er genoeg zijn."

Nu geschiedde een tweede wonder: Boeddha las de gedachten van den goeden man, en, zonder dat zij uitgenoodigd waren, stroomden alle bloedverwanten het huis binnen. Ook zij aten smakelijk van het wonderbare voedsel.

Het behoeft nauwelijks betoog, dat het Chineesche boek Fu. pen. hing. tsi. king (door Beal in het Engelsch vertaald) ons vermeldt dat al de gasten, nadat zij eenige woorden over Dharma (de leer, de wet) van den Tathagata hadden gehoord, tot voldoening van iedereen (behalve misschien van de arme bruid) de gele kleederen gingen dragen.

De nu volgende geschiedenis is een zeer aantrekkelijke en doet ons zien, dat een liefde, die de grenzen dezer wereld overschrijdt en tot in het hiernamaals reikt ook in de dagen van Sakya-muni niet onbekend was. Zij is getiteld:

De geschiedenis van het meisje Bhadra.

Toen Sakya-muni een vroeger bestaan doormaakte, noodigde een zekere koning Suryapati den grooten Boeddha Dipankara uit om zijn rijksgebied te bezien. Om dezen te eeren gaf de koning bevel dat zijn onderdanen, binnen een grens van twaalf yogana's van de hoofdstad, alle bloemen en reukwerken zouden bewaren voor den koning, opdat deze ze aan Boeddha zou schenken. Niemand mocht deze gaven houden om ze voor zichzelf aan te bieden.

Sakya was toen een jonge Brahmaan, Megha geheeten. Hij was, ofschoon eerst zestien jaar oud, wel onderwezen in de wet. Hij was onvergelijkelijk schoon: zijn lichaam als geel goud, zijn haar insgelijks. Zijn stem was zoet en zacht als die van Brahma. Hij kwam in de stad, juist toen deze was versierd met het oog op de komst van Boeddha Dipankara en ook hij--die reeds een zeker vaag voorgevoel van het Boeddhaschap in zich gevoelde--besloot aan den vleeschgeworden verlichte een offer te brengen.

Hij sprak bij zichzelven: "Welke offers zal ik hem brengen? Boeddha's houden niet van offers in geld, ik zal hem de schoonste bloem geven, die ik kan vinden."

Hij ging naar een kapper en zocht een fraaie bloem uit, doch de kapper wilde haar niet verkoopen. "De koning heeft orders gegeven, eerbiedwaardig jongeling, dat geen bloemkransen hier in de stad mogen worden verkocht, hoe dan ook." Megha kreeg in een tweede en derde winkel hetzelfde antwoord.

Nu zag hij, terwijl hij verder zocht, dat een in 't zwart gekleed meisje, een waterdraagster, Bhadra geheeten, stilletjes een Utpala-bloem met zeven stelen nam, die in haar wateremmer deed, en daarop haar weg vervolgde.

Megha ging haar tegemoet en sprak "wat wilt ge doen met die Utpala, die gij in uw wateremmer verstopte? Ik zal u vijfhonderd goudstukken geven als gij haar aan mij wilt verkoopen."

Het meisje was getroffen door de verschijning van den jongen man, die er zoo vriendelijk uitzag.

Zij antwoordde direct: "Schoone jongeling, hebt gij niet gehoord dat de groote Boeddha Dipankara op uitnoodiging van den koning zoo aanstonds in de stad zal komen en dat de koning een verbod heeft gegeven dat niemand, binnen twaalf yogana's van de stad, reukzalf of bloemen aan eenig particulier mag verkoopen, aangezien de koning alles zelf wil koopen om het aan den Boeddha aan te bieden?

"Nu is er in onze nabijheid een kappersvrouw die van mij vijfhonderd geldstukken kreeg en mij daarvoor deze bloem met zeven stelen gaf. De reden waarom ik alzoo des konings gebod heb overtreden, is dat ik zelf een offer wil brengen aan den heiligen man."

Toen antwoordde Megha: "Goed meisje, wat gij hebt gezegd zal u dunkt mij het recht geven om van mij vijfhonderd goudstukken aan te nemen, waarvoor gij mij dan vijf stelen van de Utpalabloem geeft en er twee voor uzelven behoudt."

Zij antwoordde: "Wat wilt gij doen met de bloemen als ik ze aan u geef?"

De jonge Brahmaan zeide daarop dat hij ze aan den Boeddha wenschte te schenken.

Nu had dit meisje het innerlijk gezicht en zij zag aan het gelaat van den jongeling, dat hij eenmaal de leidsman der menschen zou worden.

Zij sprak: "Schoone vreemdeling, eenmaal zult gij een groote Boeddha zijn, en wanneer gij mij beloven wilt dat gij tot op den dag van uwe verlichting (waarop gij een Boeddha wordt) mij bij iedere geboorte tot uw vrouw zult nemen en dat wanneer gij Nirvana bereikt, gij mij als leerling onder uwe volgelingen wilt opnemen, dan zal ik u vijf stelen van mijn bloem geven."

De Brahmaan antwoordde dat een asceet al zijn rijkdom moest schenken aan zijn metgezellen en dat, indien zij deze regeling goed vond, hij haar voor altijd tot vrouw wilde hebben. Zij verkocht hem daarop vijf stelen van de Utpala, opdat deze zijn bizondere gift aan den Boeddha zouden zijn en begeerde dat zij de andere twee als haar eigen gift zou schenken.

Toen Dipankara naderde, vol majesteit, glinsterend als een helder meer, werd het geschenk hem toegeworpen en door een wonder bleven de bloemen zwevend in de lucht: een canopy (koepeldak) vormend boven zijn hoofd.

Onder de "Fan hemelen" der Chineezen heet er een Fuh. ngai (gelukkige liefde). Laten wij hopen dat daar de lieve Bhikshu Bhadra bij haar geliefden meester is.

Koning Wessantara.

Eens leefde Boeddha op aarde als koning Wessantara. Zoo vriend'lijk was hij voor iedereen dat het gerucht ging dat hij een besluit had genomen om aan iedereen te geven wat hij verzocht. Hij had een liefhebbende vrouw en twee kinderen. Ook had hij een betooverden witten olifant.

Een vreeselijke hongersnood brak in een naburig koninkrijk uit en de armen stierven bij duizenden. Acht Brahmanen werden tot koning Wessantara gezonden ten einde van hem den witten olifant te verzoeken: want een vruchtbare regen valt overal waar een betooverde witte olifant zich ophoudt.

De weldadige koning stond zijn witten olifant af. Dit wekte zoozeer den toorn van zijn volk op, dat zij hem afzetten.

Wessantara gaf nu al zijn rijkdom aan de armen en vertrok in een wagen, door twee paarden getrokken. Hij zou naar een groote rots in de wildernis gaan, teneinde daar kluizenaar te worden. Op zijn reis ontmoet hij twee Brahmanen, die hem om zijn rijtuig verzoeken. Hij geeft aan die bede gehoor en de onttroonde koning en koningin leggen de rest van den weg te voet af, ieder een kind op den arm. Hun weg leidt door het koninkrijk van den vader der koningin. Deze tracht hen van hun besluit terug te brengen, doch tevergeefs.

In dienzelfden tijd leefde een Brahmaan, Jutaka, zeer gelukkig met zijn schoone vrouw; totdat op zekeren dag, toen de vrouw water putte, jaloersche buren haar gemoed vergiftigden. Zij bliezen haar namelijk in dat zij een slavin was en wonden haar zoo op, dat zij haar echtgenoot aanviel, hem sloeg en zijn baard uitrukte. Ja, zij dreigde zijn huis te verlaten als hij haar geen twee slaven verschafte. Zij zeide dat een dwaze koning, Wessantara, in de wildernis leefde als asceet. Daar moest hij heengaan en om twee slaven verzoeken.

Zij toch hadden twee kinderen en hadden een gelofte gedaan om geen enkel verzoek te weigeren. Jutaka vertrok, doch hij kon niet bij den koning komen, daar de vader der koningin er een jager op wacht had gezet. Hij toch wist van Wessantara's gelofte en wilde hem voor verdere onbeschaamdheden van hebzuchtigen vrijwaren. Jutaka vertelde den jager een leugenachtig verhaal en slaagde er in den kluizenaar te vinden. Hij vroeg de twee kinderen voor zich als slaaf en Wessantara was door zijn eed gebonden ze hem te schenken. Zoo spoedig Jutaka uit het gezicht van den koning was, bond hij de koningskinderen stevig met koorden vast, doch: hij verdwaalde in de wildernis en kwam in het land van 's konings schoonvader, die al spoedig het geheele geval had vernomen.

Hij liet den Brahmaan voor zich komen en bood hem voor de kleinkinderen hun gewicht in goud. Het eind van den hebzuchtigen Brahmaan was ongeveer als dat van Judas: hij richtte van zijn oneerlijk verkregen rijkdom een groot feest aan: zijn ingewanden barstten door overvulling.

Koning Bambadat.

Boeddha was in een zijner vroegere geboorten koopman in Benares. Op zekeren dag ging hij met zijn vrouw in een rijtuig door de straten van Rajagriha, de hoofdstad van koning Bambadat. De vorst zag deze vrouw en werd betooverd door hare onvergelijkelijke schoonheid. Hij maakte terstond een afschuwelijk listig plan om haar te krijgen.

Een van zijn ambtenaren werd uitgezonden om stil een juweel van groote waarde in het rijtuig van den koopman te laten vallen. De arme koopman werd nu gevangen genomen onder beschuldiging van des konings kleinood te hebben gestolen. Hij en zijne schoone vrouw werden voor den koning gebracht, die met voorgewende belangstelling naar het geval hoorde en daarop beval dat de koopman onthoofd en diens vrouw in den harem zou worden opgenomen. Koning Bambadat was een wreed koning, wiens onderdrukkingen hem den haat zijner onderdanen op den hals hadden gehaald.

De arme koopman werd weggevoerd om onthoofd te worden, maar Indra op zijn hemeltroon had het vreeselijk voorval gezien en--een wonder geschiedde. Toen de beul zijn zwaard ophief deden onzichtbare handen den koning, die bij de bloedige gebeurtenis tegenwoordig wilde zijn, van plaats verwisselen met den koopman, zoodat deze den noodlottigen slag ontving. Doch de koopman vond zichzelf eensklaps op den olifant gezeten, die den koning naar de gerichtsplaats had gebracht. Deze treffende tusschenkomst des hemels verbaasde het verzamelde volk: zij riepen den koopman tot hun nieuwen koning uit. Onnoodig er bij te voegen dat zijn wijze van regeeren gansch anders was dan die van koning Bambadat.

Vermeld wordt het niet, maar waarschijnlijk was de schoone vrouw het meisje Bhadra van de vorige geschiedenis.

De hongerige hond.

Eens was daar een slecht koning, Usuratanam geheeten. Deze onderdrukte zijn volk zoo vreeselijk, dat Boeddha in den hemel er medelijden mee kreeg. Boeddha was toen de god Indra. Hij nam den vorm van een jager aan en daalde met den deva Matali neder: deze als een enorm groote hond. Zij traden eensklaps des konings paleis binnen en de hond blafte zoo ontzettend, dat het geluid de koninklijke gebouwen op zijne grondvesten deed schudden. De verschrikte koning riep den jager bij zich en vroeg wat die vreeselijke geluiden hadden te beteekenen.

"De hond blaft zoo van den honger" zeide de jager--en opnieuw rolde een geluid als van een verren donder door het paleis.

"Geef hem eten, geef hem toch eten" zeide de verschrikte vorst; al het voedsel, dat er was, moest dienen voor het koninklijk feestmaal: het werd voor den hond neergezet. Hij at het in een oogenblik op en blafte nogmaals met vreeselijke stem. Men haalde meer voedsel: alles ten slotte wat in de stad en in de aangrenzende provinciën was. Doch, na korte rust at de onverzadelijke hond alles op en begon opnieuw te blaffen. De koning stortte haast ter aarde van schrik.

"Zal niets ooit uw hond verzadigen, jager?"

"Niets, o koning, dan het vleesch van al zijn vijanden."

"En wie zijn zijn vijanden, jager?"

"Zijn vijanden," hernam de jager "zijn zij die slechte daden verrichten, die de armen onderdrukken, die oorlog maken, die wreed zijn tegenover de dieren der schepping."

De koning herinnerde zich zijn vele slechte daden en werd door schrik en berouw aangegrepen. Daarop maakte Boeddha zich bekend en predikte hem en zijn volk de wet der gerechtigheid.

Daar Matali altijd voorkomt als de wagenmenner van Indra ligt het voor de hand dit verhaal te beschouwen als een oud-Indisch, in Boeddhistischen geest omgewerkt, gelijk trouwens met vele Jataka verhalen het geval is. Boeddha is hier eenvoudig voor Indra, den oorspronkelijken held van het verhaal, in de plaats gesteld.

Boeddha als vredestichter.

Twee prinsen waren eens in hevigen twist geraakt over zeker kunstmatig, door dijken afgesloten meer. Een vreeselijke oorlog dreigde te ontbranden. Eensklaps verscheen Boeddha tusschen de prinsen en hun legers en vroeg naar de oorzaak van den strijd. Toen men hem volkomen had ingelicht stelde hij de volgende vragen:

"Zeg mij, koningen, heeft aarde eigenlijke waarde?"

"Geen waarde hoegenaamd."

"Heeft water eigenlijke waarde?"

"Geen waarde hoegenaamd."

"En het bloed van koningen, heeft dat eigenlijke waarde?"

"De waarde is daarvan niet te schatten."

"Is het redelijk" sprak de Tathagata "dat wat van onberekenbare waarde is in rekening wordt gebracht tegen datgene wat in het geheel geen waarde heeft?"

De vertoornde vorsten erkenden de wijsheid dezer redenen en gaven hun twist op.

De verloren zoon.

Zeker man had een zoon, die wegreisde naar een ver land. Daar werd hij vreeselijk arm. De vader echter werd rijk, hij verzamelde veel goud en schatten, hij had veel welgevulde magazijnen en olifanten. Doch hij had zijn verloren zoon zeer lief en klaagde heimelijk dat hij niemand had aan wien hij zijn paleizen en suverna's [82] bij zijn dood kon achterlaten.

Na vele jaren kwam de arme man, voedsel en kleeding zoekend, naar de streek waar zijn vader groote bezittingen had. Zijn vader zag hem reeds van verre en dacht bij zichzelf: "Indien ik aanstonds mijn zoon weer aanneem, en hem mijn goed en schatten geef, zal ik hem groot leed veroorzaken.

"Hij is onwetend en onopgevoed: hij is arm en verdrukt. Met iemand van zulke ongelukkige neigingen is het beter zijn geest langzamerhand op te voeden. Ik zal hem maken tot een mijner huurlingen."

Daar kwam de zoon, uitgehongerd en in lompen, aan de deur van zijns vaders huis. Hij zag een grooten troon en vele hovelingen, die eer bewezen aan hem, die op den troon zat. Verschrikt door al die pracht vlood hij weer naar den weg terug. "Hier" zoo sprak hij "is het huis van den armen man. Als ik in het paleis van den koning kom, word ik wellicht in de gevangenis geworpen."

Toen zond de vader boden naar zijn zoon: deze brachten hem mede, ondanks zijn verzet en klagen. Toen hij het huis van zijn vader bereikte viel hij flauw van schrik: hij herkende zijn vader niet en dacht dat hij een of ander wreede straf zou moeten verduren. De vader beval zijn dienaren zachtkens met den ongelukkige te handelen en zond twee werklieden van diens eigen levenswijze uit om hem als arbeider op het landgoed in dienst te nemen. Zij gaven hem een bezem en een mand en lieten hem, tegen dubbel loon de mesthoop opruimen.

Uit het venster van zijn paleis keek de rijke man naar zijn zoon, die daar aan het werk was. Doch op zekeren dag kleedde de vader zich als een arm man, overdekte zich met stof en vuil en sprak zijn zoon toe: "Blijf hier, goede man, en ik zal u van kleeding en voedsel voorzien: gij zijt eerlijk en arbeidzaam. Beschouw mij als uw vader."

Na vele jaren voelde de vader zijn einde naderen. Hij riep zijn zoon en zijn ambtenaren bij zich en deelde hun het geheim mede, dat hij zoo lang had bewaard. De arme man was werkelijk zijn zoon, die hem in vroeger dagen had verlaten. Nu deze zich bewust was van zijn vroegeren droeven staat, nu hij bekwaam was rijkdom op prijs te stellen en te bewaren, wilde hij hem al zijn schatten toevertrouwen. De arme man was verbaasd over deze plotselinge ommekeer in zijn lot, en verblijd nog eenmaal zijn vader te zien.

Volgens de "Lotus van de Volmaakte wet" zijn de gelijkenissen van Boeddha omsluierd voor de onwetenden door een raadselachtige taal.

De rijke man van de gelijkenis, met zijn troon vol bloemen en juweelen, heet daar de Tathagata, die al zijn kinderen teeder bemint en groote geestelijke schatten voor hen heeft bereid. Doch iedere zoon van Tathagata heeft treurige neigingen. Hij stelt de mesthoop boven de paarl mani. Om zulk een mensch te leeren moet de Tathagata lagere dienaren gebruiken, monniken en asceten, om hem langzamerhand van de lagere voorwerpen der begeerte af te wennen. Als hij zelf spreekt is hij gedwongen veel van zijn gedachten te omsluieren, omdat zij niet begrepen zouden worden. Zijn zonen hebben geen genoegen in het hooren van geestelijke dingen. Stap voor stap moet hun geest worden opgevoed voor hoogere waarheden.

Gelijkenis van de vrouw aan de bron.

Ananda, de geliefde leerling van Boeddha, was eens dorstig, daar hij een verre reis had gemaakt. Bij een bron ontmoette hij een meisje, Matanga geheeten en vroeg haar hem wat water te geven. Doch daar zij een vrouw van lagere kaste was, vreesde zij een heilig Brahmaan te besmetten en weigerde vriendelijk.

"Ik vraag niet naar caste, maar naar water," zeide Ananda. Zijn nederigheid won het hart van het meisje.

Haar moeder was ervaren in liefdesdranken en tooverkunsten en toen deze hoorde hoe verliefd haar dochter was, dreef zij haar tooverspel met Ananda en bracht hem naar haar hol. Hulpeloos bad deze tot Boeddha, die aanstonds verscheen en de booze demonen uitwierp.

Doch met Matanga was het nog droevig gesteld. Ten slotte besloot zij Boeddha zelf op te zoeken en bij hem hulp te vragen.

De groote geneesmeester, de gedachten van het meisje bemerkende, vroeg haar vriendelijk:

"Ondersteld dat gij mijn leerling huwdet, kunt gij hem overal volgen?" "Overal," sprak het meisje. "Kunt gij zijn kleederen dragen en slapen onder hetzelfde dak?" zeide Boeddha, zinspelend op de armoede en dakloosheid der onbehuisden. Langzamerhand begreep het meisje zijne bedoeling en op het laatst nam zij haar toevlucht tot de drie groote paarlen. [83]

De geschiedenis van Vasavadatta.

Te Mathura was een courtisane, Vasavadatta geheeten. Zij werd zeer verliefd op een der toenmalige discipelen van Boeddha, Upagupta geheeten, en zond haar dienstbode om hem haar hartstocht bekend te maken. Upagupta was jong en zeer schoon. Weldra kwam de dienstbode met het volgende raadselachtig antwoord terug:

"De tijd is nog niet gekomen, dat de leerling Upagupta een bezoek zal brengen aan de courtisane Vasavadatta."

Vasavadatta was over dit antwoord verbaasd. Haar klasse toch was toen ter tijd een caste, een georganiseerd lichaam, door den staat beschermd en zij leefde in grooten overvloed. Zij was de schoonste vrouw in des konings rijk en niet gewoon dat hare liefde werd versmaad. Toen haar eerste oogenblikken van heftigheid voorbij waren, bedacht zij dat de jonge man arm was. Wederom zond zij haar dienstbode naar Upagupta. "Zeg hem dat Vasavadatta liefde begeert, geen goud en paarlen." De dienstbode kwam terug met hetzelfde raadselachtige antwoord: "De tijd is nog niet gekomen dat de leerling Upagupta de courtisane Vasavadatta zal bezoeken."

Weinige maanden daarna stond Vasavadatta in liefdesbetrekking tot het hoofd der kunstenaars van Mathura. Terwijl deze betrekking nog voortduurde kwam een zeer rijk koopman in de stad met vijfhonderd paarden, die hij wilde verkoopen. Toen hij hoorde van Vasavadatta's schoonheid, besloot hij haar op te zoeken en werd op haar verliefd. Zijn paarlen en suverna's waren te verlokkend voor de hebzuchtige vrouw. Zij vermoordde het hoofd der kunstenaars en liet zijn lijk op een mesthoop werpen. Zijn familieleden deden, toen zij hem misten, allerlei nasporingen en het lijk werd gevonden.

Vasavadatta werd gevangen genomen en voor den koning gebracht. Deze gaf bevel dat haar ooren, haar neus, haar handen en haar voeten zouden worden afgehouwen en haar lichaam op een kerkhof geworpen. Haar dienstbode bleef haar nog ter zijde, want zij was een vriendelijke meesteres voor deze geweest. Zij trachtte haar pijn te lenigen en joeg de vliegen van het bloedend lichaam weg.

Nu kreeg Vasavadatta een derde boodschap van Upagupta: "De tijd is gekomen dat de leerling Upagupta een bezoek zal brengen aan de courtisane Vasavadatta." De arme vrouw, in wier ziel nog een echo was van de vroegere hartstocht, liet door haar dienstbode zorgvuldig haar geschonden leden onder een kleed bedekken: de verminkte overblijfsels van vroegere schoonheden. Toen de jonge man kwam zeide zij met eenige hartstocht:

"Eens was mijn lichaam geurig als de lotus en bood ik u mijn liefde aan. In die dagen was ik bedekt met paarlen en fijn linnen. Nu ben ik verminkt en met vuil en bloed bedekt. Mijn handen, mijn voeten, mijn ooren, de beul heeft ze afgehouwen."

De jonge man troostte met groote vriendelijkheid de arme Vasavadatta in haar doodsstrijd. "Zuster, het is niet voor mijn genoegen en mijn geluk dat ik tot u kom." Hij wees haar op de werkelijke natuur van de bekoorlijkheden, die zij nu betreurde. Hij wees er haar op dat zij geen vreugden, doch kwellingen waren gebleken, en dat indien onkuischheid, ijdelheid, begeerigheid en moordzucht waren afgesneden, zij winst had en geen verlies.

Hij verhaalde haar van Tathagata, dien hij op deze aarde had zien wandelen, een Tathagata, die vooral hen die lijden liefheeft. Zijn woord bracht vrede in de ziel van Vasavadatta. Zij stierf, na haar geloof in Boeddha te hebben uitgesproken.

Geesten voerden haar naar de boeteplaatsen van Devaloça.

Gelijkenis van het brandend huis.

Daar was eens een oud man, gebrekkig, vervallen, doch zeer rijk. Hij bezat veel land en vele goudstukken. Nog meer: hij had een wondergroot huis, dat vele sporen vertoonde van den tand des tijds. De gebinten waren door de wormen doorknaagd, de pilaren waren vergaan, de galerijen vielen naar beneden, het dak was droog en brandbaar. In het huis waren vele honderden bedienden en knechten van den ouden man, zoo uitgestrekt was de verzameling van oude gebouwen.

Het huis bezat ongelukkig slechts eene deur. De man was ook de vader van vele kinderen, vijf, tien, laten wij zeggen twintig. Op zekeren dag rook hij een brandlucht en liep hij zoo spoedig hij kon, de eenige deur uit. Tot zijn schrik zag hij dat het dak in vlammen stond, terwijl de vergane oude pilaren één voor één vuur vatten en de gebinten brandden als tonder. Daarbinnen waren zijn kinderen, waar hij zoo veel van hield, aan het stoeien en aan het spelen met hun speelgoed.

De beangste vader zeide bij zichzelven: "Ik zal het huis inloopen en mijn kinderen redden. Ik zal ze in mijn sterke armen nemen. Ik zal ze veilig dragen door de vallende gebinten en de brandende balken." Doch daar kwam de droeve gedachte bij hem op dat zijn kinderen dartel en onwetend waren. "Als ik hun zeg dat het huis in vlammen staat, zullen zij mij niet begrijpen. Als ik beproef hen te grijpen zullen zij rondhollen en beproeven mij te ontsnappen. Helaas! en er is toch geen oogenblik te verliezen."

Eensklaps schoot een heldere gedachte door het brein van den oude. "Mijn kinderen zijn onwetend," zeide hij bij zichzelf, "maar zij houden van speelgoed en van blinkende dingen. Ik zal hun wat speelgoed beloven, dat zoo mooi is als zij 't nooit zagen. Dan zullen zij naar mij luisteren."

De oude man riep nu met luider stem: "Kinderen, kinderen, kom uit het huis en zie deze mooie stukken speelgoed. Wagens met witte ossen er voor, alles goud en klatergoud. Zie die keurige fijne antilopen, o, en wat een mooie geiten. Kinderen, kinderen, kom toch gauw, of zij zijn allen weer weg."

Daar kwamen de kinderen met vliegende haast uit den brandenden bouwval. Speelgoed was haast het eenige woord dat zij goed begrepen. De vader nu was uitermate blij, dat zijn kroost van het gevaar was gered en hij bezorgde hun eenige wagentjes, zoo mooi als men ze nooit ziet. Ieder wagentje had een koepeldak als een pagode en was met fijn traliewerk en klinkende belletjes versierd.