De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 41

Chapter 412,815 wordsPublic domain

[5] Zij heeft reeds eenen aanvang genomen bij de planten. De plant is lang zoo werkeloos niet als men zich dit gewoonlijk voorstelt; zij ademt, eet, drinkt en slaapt. Zij ademt evenals wij de dampkringslucht in, maar juist in omgekeerde volgorde; zij ademt koolzuur in, dat voor ons doodende gas, en herstelt zoo het evenwicht in de samenstelling van den dampkring.

Zij eet en drinkt; haar voedsel is koolstof, ammoniak, zwavel, phosphorus. De krachtige bouw harer wortels en bladeren stelt haar in staat, haar voedsel te nemen en zelfs te halen uit de lucht en den bodem, zoover hare armen zich kunnen uitstrekken.--Zij slaapt: de meeste planten volgen gehoorzaam de natuur en slapen van het ondergaan tot aan het opkomen van de zon, andere echter waken tot laat in den nacht, staan niet vóór 's middags op, en ontwaken zelfs in het geheel niet bij regenachtig weder.

Een geheime band verbindt de plant aan het licht; het uur van haar ontwaken en ontluiken wijzigt zich naar de families; er zijn er, die daarin de jaargetijden en de afwisselingen in temperatuur volgen; andere echter onderwerpen zich als gehoorzame dochters aan den schijnbaren loop der zon. Hieruit heeft Linnaeus zijn bekend uurwerk van Flora vervaardigd.

De plant heeft het vermogen, het voedsel te kiezen, dat haar past. Tot voorbeeld diene het volgende:

Op de puinhoopen van New-Abbey in het Graafschap Galloway groeide op eenen ouden muur een ahornboom. Daar leed de arme ahorn, eenige voeten boven den vruchtbaren bodem, honger, eene ware tantalusbeproeving, nu de vruchtbare aarde zoo dicht in zijne nabijheid lag. Wie kan ons de stuiptrekkingen schetsen van het arme wezen, strijdende tegen den dood, de kwellingen, die het niet kon uiten, zijn versmachten en lijden? Wie kan zeggen, wat er in het organisme van den armen lijder omging; welke vermogens werden geprikkeld en geoefend, welke gaven zich gingen openbaren?.... Zeker is het, dat de ahorn, de onbewegelijke, de geketende, nu hij de aarde niet tot zich kon trekken, zich naar die aarde voortbewoog.

Liep hij? Neen, hij rekte zich uit en strekte wanhopig zijne armen uit. Een voor dat doel gevormde wortel werd op verkenning uitgezonden, naar den grond gericht, en.... bereikte dien. Met hoeveel vreugde drong hij daarin door! De boom was gered. Door dien nieuwen wortel gevoed, verplaatste hij zich, liet hij de wortels, die doelloos waren, afsterven, en verliet hij de steenen van den ouden muur, om voort te leven op het reddende orgaan, dat weldra in eenen stam veranderde. Is de overeenstemming van dien drang met den menschelijken wil niet treffend?

Licht! licht! riep Goethe uit, toen hij den laatsten adem uitblies. Die kreet, die uiting van eene heerlijke symboliek, die dorst naar licht, het is de voortdurende smeekbede van de plant, van den groengebladerden tak, van de welriekende bloem.

Men heeft waargenomen, hoe eene heldhaftige jasmijn telkens eene plank, van gaten voorzien, doortrok, om het licht te zoeken, zoo dikwijls men haar, door de plank om te keeren, van het licht afwendde.

En dan het kruidje-roer-mij-niet, dat bij de minste aanraking in doodslaap geraakt! In de tropen vindt men soms velden vol van die planten, welke reeds bij de stappen van een paard in de verte samentrekken, als werden zij verschrikt. Verdoovende middelen verminderen hare gevoeligheid. Met opium besproeid slapen zij in. Eene electrische ontlading kan ze dooden. Een waarnemer deelt mede, hoe zij in een rijtuig geplaatst, zich onder den invloed der schokken eerst verschrikt samentrokken, en na er aan gewoon geraakt te zijn, weer rustig werden. Zoo dikwijls het rijtuig stil hield, schenen zij zich weer opnieuw te verbazen en te schrikken, en trokken zij weer samen.

Wij zouden te ver afdwalen, indien wij de aandacht onzer lezers vestigden op _de vleeschetende planten_. Genoeg zij het, er op gewezen te hebben, hoe ook de plantenwereld hare stem doet hooren in het harmonische koor der natuur.

[6] Door bezinking ontstane lagen (Neptunische formatie).

[7] Ik heb gezien, dat datgene wat eertijds vastland geweest was, nu zee is; ik heb gezien, dat land uit de zee is ontstaan. En ver van de zee liggen zeeschelpen, en een oud anker is gevonden op den top van eenen berg. (Ovid. Metam. XV, 262-265).

[8] Wij herhalen nog eens, dat deze getallen geene _absolute_ waarde hebben en alleen dienen als verhoudingsgetallen.

[9] Edgard Quinet: _La Création._

[10] Op bepaalde plaatsen is de verdamping veel sterker dan het algemeen gemiddelde bedraagt. Zoo regent het bijna nooit boven de Roode zee en in hare nabijheid, en de verdamping heeft daar zóó snel plaats, dat daar eene laag van 7 meters dikte jaarlijks als damp wordt weggevoerd. De Roode zee zoude dus reeds lang uitgedroogd en vervangen zijn door eene zoutvallei, indien zij niet gevoed werd door de Indische zee en de Middellandsche zee.

De waterspiegel der Roode zee is dezelfde als die van den gemiddelden waterspiegel van den Oceaan, omdat zij daarmede in gemeenschap staat. Ditzelfde geldt voor de Middellandsche zee, niettegenstaande hare verdamping 1/3 meer bedraagt dan hetgeen haar wordt toegevoegd.

Daar de Caspische zee afgesloten is, heeft zij eenen anderen waterspiegel verkregen en is zij 100 meters gedaald; de doode zee is 400 meters gedaald; de waterspiegel dier zeeën wordt bepaald door de verhouding tusschen de hoeveelheid verdampend water en de hoeveelheid regen.

[11] De arbeid der rivieren bij de aanslibbing vermindert van jaar tot jaar door het gebruik, dat de landbouwers van het water maken. De Po wordt gebruikt voor de besproeiing van honderdduizenden bunders: dagelijks worden daaraan 55 millioen cubieke meters water onttrokken voor den landbouw in Lombardije en Venetië. Zoo geeft de Ganges 6/7 van zijn water af ten behoeve van 3 millioen menschen; in de delta van den Nijl dienen steeds 50 000 putten ter besproeiing ten koste der rivier en der kanalen. Een groot gedeelte van het water is reeds gedronken en afgeleid vóórdat het de zee bereikt.

[12] Welke verwoestingen eene zoodanige golf, veroorzaakt door het storten van groote massa's steen in het water, kan veroorzaken, heeft men in 1883 te Krakatau ondervonden. Men leze over die ontzettende ramp het voortreffelijke werk van den Heer R.D.M. Verbeek: Krakatau.

[13] De devonische formatie ligt bloot in Engeland (Devonshire, Shropshire, Herefordshire enz.), in Frankrijk (Ardennen, Orne, Cotentin, Sarthe, Mayenne, Ile-et-Vilaine, Vogezen, Languedoc, Pyreneën), in Duitschland (Rijnoevers, Nassau, Westphalen) in Spanje (Asturië) enz.

[14] Eerst onlangs heeft men in de middelste silurische formatie in Calvados den vleugel van een insect gevonden. Het was eene soort van kakkerlak.

[15] De Wonderen des Hemels, naar Camille Flammarion. Zutphen, W.J. Thieme en Cie.

[16] De oppervlakte der steenkolenmijnen, die in exploitatie zijn, bedraagt ongeveer 500 000 vierkante kilometers. De hoeveelheid steenkool, die gemiddeld jaarlijks uit alle mijnen der aarde opgedolven wordt, bedraagt 200 milliard kilogram. Engeland levert daarvan de helft, Frankrijk het tiende deel. Engeland bezit 350 000 mijnwerkers, Frankrijk 100 000, Duitschland eveneens, België 50 000. Het onderaardsche leger, dat over de geheele aarde strijdt voor de werken des vredes, voor de industrie en de ontwikkeling der menschheid, telt ongeveer één millioen man.

[17] Enkele amphibiën zijn levend barend, en brengen jongen voort zonder kieuwen; vóór de geboorte echter hebben zij nog kieuwen.

[18] Onder de merkwaardigste zoutmijnen der wereld behooren die van Wieliezka, bij Krakau, in Polen, aan den voet der Karpathen. Zij zijn 3000 meters lang en 1200 meters breed en liggen 400 meters onder de oppervlakte van den grond. Men heeft daarin eene verzameling van groote onderaardsche gewelven, eene ontzaglijk groote stad met straten, pleinen en hutten voor de mijnwerkers en hun gezin; honderden zijn daarin geboren en eindigen daarin ook hun leven. Er zijn kleine kapellen voor de godsdienstoefeningen, en enkele gaanderijen zijn hooger en breeder dan kerken. Men heeft daarin een groot aantal lichten ontstoken, wier vlam overal op de zoutmuren weerkaatsend, deze nu eens schitterend wit doet schijnen, dan weder in schitterende kleurenpracht. Men vindt er een meer, dat men in eene roeiboot bezoekt.

De hoeveelheid zout, die men uit die mijnen geput heeft sedert hare ontdekking in het midden der dertiende eeuw, bedraagt meer dan _600 millioen centenaars_.

De zoutmijnen van Zwitserland leveren jaarlijks niet minder dan 590000 centenaars.

[19] Men herinnert zich, hoe Aeneas zijnen vader Anchises op den rug wegdroeg.

[20] Merkwaardig is het, hoever wij het in de kennis van die oude soorten gebracht hebben. Wij weten b. v. welke dieren de ichthyosauren verslonden; men weet, hoe hun darmkanaal gevormd was. Die kennis zijn wij te danken aan de ontdekking van de koprolithen (dreksteenen), die tegelijk met de skeletten dier dieren versteend zijn. Het onderzoek dier dreksteenen van den ichthyosaurus heeft ons duidelijk schubben van visschen, tanden, enz. doen kennen.

[21] Was de ontdekking dezer wezens moeilijk, hunne uitgraving was het nog meer, en slechts onder de grootste voorzorgen kon men die tot een goed einde brengen. De beenderen toch hadden weinig vastheid en vielen tot stof, zoodra men ze vrijmaakte. Om aan dit groote bezwaar te gemoet te komen, nam men zijne toevlucht tot eene handelwijze, die herinnert aan die, welke de tuinlieden toepassen, om graszoden over te planten. Evenmin als zij de grashalmen één voor één uittrekken, om ze zóó over te brengen, maar de aarde, die de graszoden draagt, bij platen losmaken, zoo deed men ook met de beenderen der iguanodons. Men hakte de klei, die de beenderen bevatte, in blokken, en men besloot deze in dien toestand naar de oppervlakte te brengen. Doch die blokken, waarvan enkele 1,50 meters lang en breed, en 60 centimeters hoog waren, liepen door hunne groote afmetingen gevaar van in stukken te vallen. Dit moest tot elken prijs vermeden worden. Daarom omgaf men ze met een hard omhulsel, door ze in gips te dompelen. Zoo werd het blok aan vier zijden bepleisterd, waarna men het naar de oppervlakte bracht. Daarna omgaf men het door ijzeren hoepels en bekleedde ook de beide vrije uiteinden met gips. Vervolgens kreeg het blok een volgnummer, en alle blokken, die tot eenzelfde dier behoorden, werden met eene zelfde letter gemerkt: zoo vermeed men het gevaar, dat de kop van het ééne dier op den romp van het andere geplaatst werd. Bovendien werd nog eene teekening gemaakt van de ligging der verschillende blokken van ieder exemplaar, ten einde ze later nauwkeurig in den stand te plaatsen, dien zij innamen, toen zij nog deel uitmaakten van de kleilaag. Het totale gewicht der blokken bedroeg met hun omhulsel 110 000 kilogram; zij werden per spoor naar Brussel vervoerd, waar zij ongedeerd in het Museum van natuurlijke historie aankwamen.

[22] Die teekening herstelt de beide kruipende dieren in de omgeving van hunnen tijd. De megalosaurus, een vleeschetend dier, heeft eene aanvallende houding; de iguanodon, een plantenetend dier, gaat verdedigender wijze te werk, op het punt van gebruik te maken van de vreeselijke spoor aan zijn' duim.

Men vindt op den achtergrond verschillende soorten van varens, cycadeën en naaldboomen. Er waren toen reeds pijnboomen.

[23] De eerste mosasauri zijn reeds in 1766 bij Maastricht gevonden door eenen officier Drouin, die de beenderen opkocht, welke door de werklieden in de steengroeven ontdekt waren. Hoffman, een officier van gezondheid, zette de onderzoekingen van Drouin voort en verzamelde eene groote menigte bouwstoffen, die bij den dood van den bezitter in 1782 in handen van Petrus Camper overgingen.

Toen in 1793 het Fransche leger Maastricht binnengetrokken was, zond de generaal Kleber naar den Jardin des Plantes te Parijs den fossielen kop van den mosasaurus, die toen in handen was van het kerkbestuur. Faujas de Saint-Fons bestudeerde dien en meende in het Maastrichtsche dier, zooals het toen genoemd werd, eenen grooten krokodil te herkennen. De kop is twee meters lang. Cuvier beschreef den schedel en de wervelkolom, en beoordeelde het zoölogische karakter van het dier juister, hoewel hij den juisten aard der ledematen nog niet voldoende kon vaststellen. Toch herkende hij reeds, dat het eene soort van vinnen waren, die hij vergeleek met die der dolfijnen en der plesiosauren.

In 1841 vond R. Owen naast den bekenden mosasaurus eene nieuwe familie, den _leiodon_, die aan zijne tanden herkend kon worden. Door die ontdekking nam wel het aantal vormen toe, doch de kennis van de beenderen der soort ging er niet door vooruit.

Iets later (1845) vond Goldfuss weder eene nieuwe soort, den Amerikaanschen mosasaurus, waarvan het geraamte thans te Rome bewaard wordt. Daardoor was onze kennis der mosasauri werkelijk vooruitgegaan. Nadat een tijdlang geene nieuwe ontdekkingen plaats hadden, werd de kennis dier wezens onverwacht vermeerderd door de onverwachte opgravingen aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan.

Professor Cope beschreef in zijn groot werk over de gewervelde dieren uit de krijtperiode drie nieuwe soorten (Platecarpus, Clidastes en Sironectes), die te zamen 21 families vertegenwoordigden.

Professor Marsh eindelijk, die 1400 exemplaren van mosasauri bezit, ontstak in 1872 licht over den bouw der schouderbladeren, het bekken en de ledematen. Acht jaren later (1880) beschreef hij het borstbeen. Ook ontdekte hij den aard der huidbekleedsels. Aan de vijf nieuwe families door hem bepaald, voegde Dollo nog twee toe.

[24] In de groene zandsteen van Cambridge, behoorende tot het bovenste gedeelte der oudste krijtformatie, heeft men den vorm der schedelholte van eenen pterodactylus gevonden. De hersenen geleken op die van eenen uil; ook het achterhoofd en de gezichtszenuw gelijken meer op die van eenen vogel dan op die van een kruipend dier.

[25] Naar Neuchâtel (Neocomium).

[26] Naar Orgon (Frankrijk).

[27] De bodem van den Artesischen put te Grenelle bestaat uit Gault.

[28] Naar Apt (Frankrijk).

[29] Naar het departement Aube.

[30] Naar de stad le Mans.

[31] Naar Touraine (Tufkrijt, ook bij Maastricht voorkomend).

[32] Naar Sens (Wit krijt).

[33] Champagnekrijt.

[34] In Haute-Garonne voorkomend.

[35] Soorten van zeeëgels.

[36] Naar het zand van Soissons.

[37] Parijsch grofkalk.

[38] Klei en zand van Tongeren in Limburg.

[39] Kalksteen van Aquitanië.

[40] Naar de Italiaansche heuvels (langhue).

[41] Zwitsersche molasse. (Eibergen en Winterswijk).

[42] Klei uit Tortone. (Italië).

[43] Overeenkomende met de formatie der Caspische zee.

[44] Subapennijnsche zeevorming: Plaisance, enz.

[45] Uitdroging van het Rhônebekken.

[46] Strook van den elephas meridionalis van de Arnovallei.

[47] Later, (fig. 284) geven wij het geraamte van het paleotherium, en op de volgende bladzijde (fig. 280) het geheele dier. Het is niet, zooals men vroeger meende, log en lomp, maar het heeft eene sierlijke gestalte, en de hals was misschien even lang als die van het paard en van denzelfden vorm als bij de lama.

[48] deinos, verschrikkelijk; keras, horen.

[49] huaina, hyena; arktos, beer.

[50] machaira, mes; odous, tand.

[51] mesos, midden; pithikos, aap.

[52] Lijnen van dezelfde gemiddelde temperatuur.

[53] In Nederland vindt men vier soorten van diluvium, en wel 1º. Het _Rijndiluvium_, afkomstig van de gebergten langs den Rijn; dit bestaat grootendeels uit zand en grint (heuvels van Arnhem, Nijmegen en Kleef). 2º. Het _Maasdiluvium_, uit de Ardennen aangevoerd. 3º. Het _Scandinavisch diluvium_, granietblokken, door ijsbergen uit Zweden en Noorwegen aangevoerd (Hunnebedden). 4º. Het _gemengde diluvium_ (in de Veluwe en Gooiland). Men zie hierover in bijzonderheden W.C.H. Staring, de Bodem van Nederland.

[54] Zie de Wonderen des Hemels, naar Camille Flammarion, blz. 65.

[55] Het löss is eene fijn verdeelde, tot stof te wrijven klei, in ons land vooral voorkomend in Limburg.

[56] In November 1885 heeft men eenen bijna volledigen slagtand van eenen elephas antiquus gevonden in de omstreken van Parijs, op 45 meters diepte in eene gipsgroeve. Die slechts weinig gekromde slagtand was 1,50 meter lang. Dat dier had daar misschien wel honderdduizend jaren in het gips gelegen. Hoewel zelf tot gips overgegaan, kon men er nog op het eerste gezicht de concentrische lagen van het ivoor in herkennen.

[57] Wij zagen vroeger, dat de embryologie leert, dat de mensch en de zoogdieren in den moederschoot alle phasen doorloopen, die bij de ontwikkeling der soorten doorloopen zijn, en dat ieder onzer eenige dagen kruipend dier, viervoetig dier enz. geweest is. Wij zagen tevens, dat de afgestorven organen nog in ons lichaam voorkomen, als getuigen uit het verledene. Langen tijd heeft men er over getwist, of de menschelijke vrucht eenigen tijd eenen staart bezit, met wervels als die der apen en viervoetige dieren. Die vraag is onlangs voor goed opgelost. In de zitting der Académie des Sciences van 8 Juni 1885 heeft de Heer Fol bewezen, dat de menschelijke vrucht van 5 1/2 millimeter, d.i. van 25 dagen, 32 wervels bezit; die van 9 tot 10 millimeters, d.i. van 35 tot 40 dagen, 38 wervels. Het menschelijke geraamte heeft er slechts 24. Die staartaanhangsels blijven slechts kort. Bij vruchten van 12 millimeters, d.i. van zes weken, vergroeien de 38ste, 37ste en 36ste te zamen, terwijl de 35ste niet meer scherp gescheiden is. Eene vrucht van 19 millimeters heeft nog slechts 34 wervels. Hieruit volgt, dat de normale vrucht in de 5de en 6de week harer ontwikkeling eenen staart heeft van kegelvormige gedaante, uit wervels bestaande en van het lichaam gescheiden.

[58] Wij herhalen nogmaals: van eenen aap, die de gemeenschappelijke stamvader van den mensch en de tegenwoordige apen geweest is.