De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 40
Nog andere niet minder merkwaardige bewijzen zouden bij de vorige gevoegd kunnen worden, om de reeds volle maat der bewijzen tot den rand toe te vullen. Doch het is onmogelijk te onderstellen, dat de onpartijdige lezer niet reeds lang door het voorgaande overtuigd is geworden. Wij kunnen echter niet nalaten, al was het slechts om de merkwaardigheid, even te wijzen op de somtijds zoo bijzondere gelijkenis tusschen sommige menschenkoppen en enkele typen van dieren. Is het niet als het ware de echo van vroegere tijden, als eene soort van terugslag naar vroegere vormen? De gelijkenis van den mensch met de apen, vooral onder de lagere menschenrassen, valt te zeer in het oog, dan dat wij daarbij zouden stilstaan. Doch ook bij ons blanke ras, dat zoo beschaafd is, vindt men niet zelden in het gelaat en zelfs in het karakter van enkele personen ontegenzeggelijk gelijkenis met sommige dieren, zooals den leeuw, de kat, den vogel, den bunzing, de slang en zelfs den visch. Voor de merkwaardigheid geven wij op blzz. 652 en 653 enkele teekeningen weer, die de bekende schilder Charles Lebrun ten tijde van Lodewijk XIV vervaardigd heeft, waarin hij duidelijk de gelijkenis van enkele menschenkoppen met dieren doet uitkomen. En letten wij op de karaktertrekken van den mensch, reinheid van gemoed--slimheid--onverstand--drift--slaafschheid--kwaadaardigheid-- zelfopoffering--gierigheid--wellust enz. enz., zooals zij door het gelaat worden uitgedrukt, men behoeft ze niet in de werken van Lavater te bestudeeren, om ze dagelijks om zich heen te zien.
De mensch heeft slechts langzamerhand en ongemerkt zijne oorspronkelijke ruwheid afgelegd. De grootste schrede op den weg van verstandelijken en zedelijken vooruitgang kon eerst worden gedaan, nadat de strijd om het bestaan en de zorg voor hunne dagelijksche behoeften niet meer hunnen geheelen tijd in beslag nam.
Ten gevolge van gelukkige omstandigheden, van een zachter klimaat, te midden der nieuwe vruchten van eene vruchtbaarder aarde in eene periode van voorspoed en rust, is de stof eindelijk voor den geest geweken. De mensch, die voor het eerst den kop van eenen mammouth of een hert geteekend heeft op eenen gepolijsten horen, de mensch, die het eerst eenen ruiker van wilde bloemen voor zijne beminde heeft bijeengebracht, die voor het eerst een lied gezongen heeft of het eerst de snaren tokkelde, de eerste kunstenaar, de eerste denker voelde op dat oogenblik noch honger, noch koude. De denkende menschheid kon alleen ontwaken onder de zachte temperatuur van eene vruchtbare streek, die evenzeer afgelegen was van het poolijs als van de verscheurende dieren der tropen. Alleen de zóó bevoorrechte mensch kon het tijdperk van den vooruitgang openen. De overige menschen, die niet zoozeer begunstigd waren wat hunne woonplaats betrof, en die onophoudelijk moesten strijden om te leven en zich te verdedigen, konden slechts weinig vooruitgaan. Doch eerst onder het tooverachtige licht eener getemperde zon, te midden der bosschen, waarin de vogels hun lied kweelden, en bij de welriekende bloemen, waarop de insecten fladderden, kon het gevoel zijne plaats veroveren en de ruwe stof overmeesteren.
Misschien wel is het niet aan den man, maar aan de vrouw toe te schrijven, dat de mensch zich heeft afgescheiden van de apen, dat zijne schoonheid is toegenomen, dat zijn smaak zich heeft ontwikkeld, dat hij den drang naar verbetering gevoelde. De man, door zijne kracht de meerdere, en, die voor het welzijn der zijnen moet zorgen, de beschermer en verdediger, moet daaraan al zijne krachten wijden. Van den morgen tot den avond, dag en nacht, moet hij waken en zorgen voor plantaardig of dierlijk voedsel; hij is het, die den tocht leidt, als het geldt vruchten te plukken, of die de prooi bespringt; als het noodig is, dieren te bemachtigen. Bij de apen, evenals bij alle hoogere dieren, behoeft de vrouw zich hiermede niet bezig te houden. Haar eenige taak is, den man en de kinderen te verzorgen. Zij heeft dus al den tijd, om na te denken. Zij blijft te huis, en hoe weinig ontwikkeld hare hersenen ook zijn, zij zijn werkzaam. Waaraan denkt zij?
Haar gevoel is ontwikkelder dan dat van den man. Zij is moeder. Reeds van hunne geboorte af doen de jongen haar lijden. Zij voedt ze met hare melk. Zij bemint ze. Dat is hare roeping. In die richting hebben zich steeds hare hersenen ontwikkeld. Zij is voor het gevoel geschapen, het gevoel doet haar leven. Dat is hare voornaamste eigenschap.
Bemint de moeder hare kinderen, zij verlangt ook liefde van hen, zij beschermt ze teeder, en bij het minste gevaar vluchten zij in hare armen. Van haar ontvangen zij de eerste lessen, en aan haar geven zij hunne eerste kussen. Indien de vrouw haren man bemint, zij verlangt ook wederliefde, want het komt haar onmogelijk voor te beminnen, zonder bemind te worden. Wij vroegen zooeven, waaraan zij denkt. Het antwoord is: te behagen en te bekoren.
De man daarentegen kan aan een aantal andere zaken denken; hij kan eerzuchtig zijn, rijkdommen najagen, zich in den oorlog of op de jacht begeven, zich aan spel of wijn overgeven, zich bezighouden met ernstige studies enz. Zijne hersenen zijn eveneens in eene bepaalde richting ontwikkeld. Evenals in den tijd zijner aapachtige voorouders is het zijn eerste plicht, te zorgen voor de behoeften van zijn gezin, en hij gevoelt, zoo dikwijls hij daarin te kort schiet, dat hij de wetten der natuur overtreedt. Ook hij heeft behoefte aan liefde. Maar zijn geheele leven is niet uitsluitend daaraan gewijd.
Geschapen om te beminnen en om bemind te worden, moet de vrouw behagen, schoon zijn en bekoren. Dit is van oudsher hare roeping geweest en haar voortdurend streven. Zoodra hare hersenen voldoende ontwikkeld waren, om dat denkbeeld te bevatten, hebben zich hare hersencellen in die richting ontwikkeld. Van nu af aan begint hare heerschappij; want inderdaad heerscht zij over den man, en sedert minstens honderdduizend jaren arbeidt zij in die richting. De man heeft zijne krachten verdeeld; hij heeft de wetenschappen, de staatkunde en de krijgskunde, de wetten, de scholen, de kunsten, de industrie uitgevonden; de vrouw heeft slechts éénen, alles overheerschenden hartstocht; bemind te worden en door de liefde te heerschen. Dit is haar gelukt. De man is aan hare voeten. De vrouw heeft den gang der natuur veranderd; immers bij de dieren is de man het schoonst, het meest getooid, en diegene, die door zijne uiterlijke gaven het meest schittert. Vergelijk den haan met de hen, den pauw of den fazant, de mannelijke vogels, insecten, viervoetige dieren, zoogdieren, met hunne wijfjes, vergelijk den leeuw met de leeuwin, den tijger met de tijgerin, overal is de man schooner dan de vrouw. Dit was evenzoo het geval tijdens den oorsprong der menschheid (bij de wilden zijn de mannen met de meeste zorg getatouëerd, zij hebben de meeste sieraden in de ooren, den neus, de armen, de enkels.)
De oogen der vrouw zijn zachter en bekoorlijker geworden, hare armen hebben bevalliger ronding gekregen, hare huid is zachter, haar gelaat edeler, haar hoofdhaar zachter en langer, hare handen en voeten kleiner geworden, haar lichaam heeft sierlijker vormen aangenomen. De man, bekoord door die nieuwe schoonheden, heeft steeds de schoonste en verleidelijkste vrouwen gekozen, van deze zijn een grooter aantal moeder geworden dan van de minder door de natuur begunstigde vrouwen, zoodat langzamerhand het vrouwelijk schoon is toegenomen. Bij den mensch is het de man, die kiest, en daarin is de voornaamste oorzaak gelegen van den vooruitgang in de schoonheid der vrouw, en als gevolg daarvan in de schoonheid van het menschdom. Bij de dieren zijn het de mannen, die zich beijveren, om de vrouwen te bekoren, daar zijn het de krachtigste en de schoonste mannelijke wezens, die de soort instandhouden. Bij de apen en bij de wilde volksstammen is hetzelfde het geval. Bij den hooger ontwikkelden mensch is het de vrouw, die steeds voor hare schoonheid gezorgd heeft.
Die taak der vrouw brengt als gevolg eenen alles overheerschenden hartstocht mede, den minnenijd. De begeerte, de behoefte, om te heerschen en te schitteren is een factor, die gunstig werkt op den vooruitgang en de veredeling der soort. De vrouw wil schoon zijn, wil eenen schoonen echtgenoot bezitten, wil schoone kinderen hebben. Zij moge zich daarvan al of niet rekenschap geven, dit is hare geheime begeerte. Indien zij fortuin wenscht, of verlangt dat haar echtgenoot eenen hoogen rang in de maatschappij inneemt, dan is het voornamelijk om te schitteren. De man is op zijne beurt gedwongen haar in hare sierlijkheid te volgen, de scherpe hoeken af te ronden, voor zijn uiterlijk zorg te dragen, zijnen geest te beschaven, en te zorgen, dat hij zonder het hooge standpunt te verlaten, dat hij door zijne kracht en het gebruik zijner rede inneemt, het uiterlijk schoon niet te veel uit het oog verliest. Vandaar verzachting der zeden, de verbetering van de taal, het ontstaan der schoone kunsten. Zonder den invloed der vrouw zouden muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst en bouwkunde, en bovenal de dichtkunst, in één woord alle menschelijke werken, die op gevoel en smaak berusten, niet tot ontwikkeling gekomen zijn. Een voortdurende wedijver heeft den man voorwaarts gedreven, en zijne geestesgaven zijn daardoor op heerlijke wijze en vooral harmonisch ontwikkeld.
Bij die uitwendige gaven, die de vrouw langzamerhand verworven heeft, hebben zich tevens uit het gevoel van liefde een aantal inwendige gaven ontwikkeld. De vrouw is teeder geworden, vol toewijding voor alles wat lijdt, en hare behoefte om lief te hebben stelt haar in staat zich geheel te wijden aan het welzijn der menschheid. Zij dorst naar het hoogere, en indien zij niet in de liefde of in het moederschap voldoening vindt voor hare aspiraties, dan weet zij zich die voldoening op andere wijze te verschaffen.
Wij moeten dus erkennen, dat de vrouw eene groote rol gespeeld heeft bij de moreele en lichamelijke ontwikkeling van den mensch. Indien wij geene apen meer zijn, dan hebben wij dat grootendeels aan de vrouw te danken.
De scheiding der geslachten heeft dus eenen gelukkigen invloed uitgeoefend op den vooruitgang. Indien de voortplanting der wezens had blijven plaats vinden door knopvorming of deeling, zooals dat millioenen jaren het geval geweest is bij de lagere wezens, dan zouden er geene geslachten op de aarde zijn en zouden de wezens geheel verschillend zijn, van wat zij thans zijn. Zij zouden zeker niet zoo vooruitgegaan zijn als thans het geval is. Er zou geen liefde geweest zijn, en de liefde heeft immers alles verfraaid, verheven, veredeld.
Terwijl de kunstzin der vrouw werkzaam was ten voordeele der schoonheid, der sierlijkheid, van den goeden smaak, de opvoeding der kinderen, en den moreelen vooruitgang in het gezin, maakte de man zijne gaven dienstbaar aan de maatschappij; hij verbeterde de werktuigen, die noodig waren voor het levensonderhoud; hij vond de steenen werktuigen uit, die eerst grof gehouwen waren, zooals hamers, bijlen, messen, lans- of pijlspitsen, schrappers, om de gevilde huiden te bewerken, naalden van beenderen of horen, daarna werden die werktuigen verbeterd in het tijdperk van den gepolijsten steen, men had het middel gevonden, om vuur te maken door droog hout te wrijven in een gat in een' steen geboord; later maakte men bronzen en ijzeren werktuigen. De eerste werktuigen waren echter, zooals men bij een aantal van die gevonden voorwerpen zien kan, bijzonder ruw. Doch geleidelijk ontwikkelde zich in de menschelijke hersenen het vermogen om uitvindingen te doen. Toen men enkele nuttige planten had zien ontkiemen, vond men den ploeg, het zaaien en het maaien uit; doch langen tijd moest men zich tevreden stellen met wat men vond, vóórdat men voor de toekomst kon zorgen. Een boomstronk was langen tijd de eerste tafel, en eeuwen lang dronk men het water uit de hand, vóórdat men houten of aarden drinknappen en lepels had uitgevonden. Langen tijd bestonden de woningen eenvoudig uit doode bladeren, boomtakken en holen. De vischvangst begon met het vangen van schelpen, vooral van oesters, waarvan men de schelpen terugvindt in de oorspronkelijke verblijven van den mensch. De eerste schepen waren holle boomstammen. Enkele dieren, de olifant, het rendier, het paard, het rund, waren getemd en voor huiselijk gebruik dienstig gemaakt. Bij al die werkzaamheden, die tot doel hadden het materieele leven minder moeilijk te maken, ziet men nog slechts weinig afgetrokken begrippen. Het denkvermogen ontwikkelt zich uiterst langzaam. Men telt misschien reeds op de vingers tot vijf of tot tien, maar verder brengt men het nog niet. De mensch is nog wild en barbaarsch, men doodt elkander om iedere kleinigheid (de wapenen zijn onder de oorspronkelijke gereedschappen reeds zeer verschillend). Men spreekt nog alleen met tuschenwerpsels en éénlettergrepige woorden. Men vindt de sporen daarvan nog terug in de talen, door de oudste rassen gesproken. Daarop zijn de talen met uitgangen, en daarna die met buigingsvormen ontstaan. De taal is wel de grootste schrede van de anthropomorphe apen tot den mensch; maar men vergete niet, dat de taal niet zoozeer in de stem gelegen is, als wel in het vermogen zijne denkbeelden uit te drukken. De meeste dieren hebben dat vermogen; de honden kunnen zich aan ons verstaanbaar maken; de taal der mieren door middel van hare voelers, schijnt tamelijk rijk te zijn. Later heeft zich de taal ontwikkeld en verrijkt naast de ontwikkeling der denkbeelden, en is zij ook zelf aan die ontwikkeling dienstbaar geworden. De geschreven taal is veel jonger. Zij is evenals de geschiedenis hoogstens zes- of zevenduizend jaren oud.
Zoo was de praehistorische mensch. Verdient hij reeds den naam van mensch? Ongetwijfeld, en aan hem zijn wij verplicht, wat wij geworden zijn. Doch hoever staat hij nog af van het wezen, dat voor ons het type der menschheid is, den denkenden mensch! Hoever staat hij nog af van de Egyptenaren der eerste dynastiën, van Mozes en de profeten, van de Grieken uit den tijd van Homerus, Herodes, Thales en Archimedes! De historische mensch is niet ouder dan vijftig eeuwen--Hoang-Ti in China, Abraham in Mesopotamië, de Hindoe's van de Zend-Avesta--misschien 60 of 65 eeuwen, het tijdperk der Egyptenaren van de vijfde dynastie. Wat waren wij Europeanen, toen die oude beschaving reeds in de Nijlvallei bloeide, toen een godsdienstig en denkend menschenras reeds eene geschreven taal en geschiedenis bezaten! Onze voorouders leefden nog in de steenperiode, en leefden in de bosschen, aan de oevers der groote stroomen, te zamen met den holenbeer, den rhinoceros, den olifant, het nijlpaard, zonder zich nog bezig te houden met de groote raadsels van het leven of de nietige vraagstukken der diplomatie.
Men kan den tijd van het verschijnen van den mensch niet nauwkeurig bepalen, daar dat verschijnen niet plotseling heeft plaats gegrepen en de mensch eerst _trapsgewijze_ ontstaan is. Evenmin kan men nauwkeurig de plaats bepalen, waar hij voor het eerst is opgetreden. Toch heeft men reden te onderstellen, dat de oorspronkelijke mensch, die reeds een spoor van eene taal bezat, die reeds in groepen vereenigd leefde, en die reeds steenen gereedschappen kon vervaardigen, en op horen teekenen kon, meer dan _honderdduizend_ jaren oud is, en in Azië, in de nabijheid der Perzische golf leefde, van waar hij zich over de aarde verspreid heeft.
De geestelijke karaktertrek, die den mensch kenmerkt, is zijn vermogen om _afgetrokken begrippen te vormen_. Neem dat vermogen weg, en de mensch valt weder in den dierlijken toestand terug. Doch dat vermogen is nog betrekkelijk jong, en wij kunnen de verschillende phrasen van de ontwikkeling van dat vermogen volgen. De wiskunde wordt b.v. terecht beschouwd als de schoonste openbaring van den menschelijken geest, vooral in hare toepassing op de diepzinnigste vraagstukken der sterrenkunde; het is niet moeilijk hare ontwikkeling na te gaan. Men is begonnen met het gewone tellen tot tien, op de vingers der hand: dit is de oorsprong van het tientallig stelsel. Voor lengtematen heeft men den voet, den elleboog, de schrede genomen, voor dieptemetingen den vadem; al die afmetingen zijn aan het menschelijke lichaam ontleend. In het wigvormig schrift der Chaldeën worden de getallen eenvoudig voorgesteld door gaten. Bij de Grieken zijn de cijfers niets anders dan de letters van het alphabet met een accent er boven: a' = 1, b' = 2, enz. tot 20; grootere getallen worden voorgesteld door verbindingen van letters. De meetkunde is begonnen met landmeetkunde en bouwkunde. De eigenlijke wiskunde dagteekent waarschijnlijk eerst van Thales en Pythogoras, in de zesde eeuw vóór Christus, als uitbreiding der rekenkunde en meetkunde van de Egyptenaren. De meetkunde, als wetenschap, als verzameling van onwederlegbare stellingen, dagteekent eerst van Euclides en Archimedes; de kennis der kegelsneden dagteekent eerst van Apollonius, de algebra is begonnen met Diophantes, de sterrenkunde met Hipparchus en Ptolemaeus, de kennis van den bouw van het zonnestelsel met Copernicus, de kennis van de beweging der hemellichamen met Kepler, en van de wetten dier beweging met Newton; de natuurkundige sterrenkunde is door Galileï gegrondvest door de uitvinding van den verrekijker, de toepassing van de algebra op de meetkunde door Descartes, de logarithmen door Neper, de differentiaal-rekening door Leibnitz, de integraal-rekening door Euler en Bernouilli; de toepassing dier wetenschappen op de sterrenkunde is de vrucht van de studie van Lambert, d'Alembert, Lagrange, Laplace, Gauss en anderen. Dat alles dagteekent eerst van gisteren. Zoo ziet men, hoe men stap voor stap de ontwikkeling van den menschelijken geest volgen kan. Wat wij zooeven gezegd hebben van de wis- en sterrenkunde, geldt evenzeer voor de natuurkunde, de scheikunde, in één woord, voor alle kunsten en wetenschappen, voor alle werken des geestes. Wel is niet altijd de vooruitgang even duidelijk, wel is, zooals b.v. bij de beeldhouwkunst en de schilderkunst, somtijds in tweeduizend jaren geene ontwikkeling te bespeuren; doch men vergete niet, dat tweeduizend jaren slechts een dag zijn in de geschiedenis der aarde. Voor hem, die tot den oorsprong weet op te klimmen, en die zich niet door vooroordeelen laat leiden, is het duidelijk, hoe alles, wat thans den mensen zijne groote waarde geeft, geleidelijk in den loop der eeuwen door voortdurende inspanning verworven is. Zelfs in de nieuwste wetenschappen, in de nieuwste ontdekkingen, in de scherpzinnigste toepassingen, schept de grootste reuzengeest niets nieuws: hij maakt gebruik van de gegevens, hem door de wetenschap verschaft, om haar een stap verder te brengen. Dat is steeds de gang der ontwikkeling geweest.
Wel is de tegenwoordige menschheid nog niet volmaakt. Nog is de eeuw der rede niet aangebroken. Zoolang nog de kracht het recht beheerscht; zoolang nog staande legers noodig schijnen te zijn; zoolang er nog armoede en onwetendheid, diefstal en moord bestaat, zóólang kunnen wij ons nog niet beroemen op den naam van een verstandig ras. Doch de geleidelijke vooruitgang in het verleden is een waarborg voor de toekomst; de wereld gaat vooruit. Kunsten en wetenschappen, goede smaak, letterkunde en zedelijkheid, alles verheft zich. Het gevoel voor het goede en ware ontwikkelt zich; deugd en kennis veredelen en reinigen den mensen. Met vertrouwen mogen wij de toekomst tegemoet gaan. Want de menschheid, bevrijd uit de knellende banden van haren dierlijken oorsprong, beheerscht de wereld in haar streven naar voortdurende ontwikkeling.
Zoo zal dan een volgend menschengeslacht, steunende op de onderzoekingen van voorgaande eeuwen, weer nieuwe feiten verzamelen, nieuwe ontdekkingen doen, nieuwe gezichtspunten openen; totdat na verloop van honderden en honderden eeuwen een hooger ontwikkeld, een beter en reiner menschengeslacht onze plaats zal innemen.
Want vooruitgang is de wet der natuur; dit geheele werk legt daarvan de getuigenis af; het zoeken naar de Waarheid is het streven van den menschelijken geest. Al het andere is slechts ijdelheid. De bestemming van ieder onzer is het, om ons meer en meer te ontwikkelen. Wel is de toekomst voor ons verborgen, doch uit de studie van het verledene kunnen wij de richting leeren kennen, waarin zich de menschheid beweegt. En die studie werkt juist daarom zoo veredelend op ons gemoed, omdat zij ons aanspoort, om te leven in de goddelijke wereld des geestes en omdat op hare banier in vlammend schrift geschreven staat: Waarheid, Licht, Hoop.
AANTEEKENINGEN
[1] De Wonderen des Hemels. Flammarion's Astronomie populaire, voor Nederland bewerkt. Zutphen, W.J. Thieme en Cie.
[2] Het Rijk der Sterren, Flammarion's Etoiles et Curiosités du Ciel, voor Nederland bewerkt. Zutphen, W.J. Thieme en Cie.
[3] De in fig. 34 en 35 geteekende wezens zijn die, welke in de lucht het meest verspreid zijn. Op bewoonde plaatsen is hun aantal zeer groot, terwijl het op de bergen en in volle zee uiterst gering is, zooals de volgende tabel leert:
Aantal bacteriën, geteld in eenen cubieken meter lucht.
Op de bergen 1 tot 10 Boven op het Pantheon te Parijs 200 Park van Montsouris 500 Lucht in de rue Rivoli te Parijs 3 480 Lucht in de nieuwe huizen te Parijs 4 500 Lucht in het laboratorium te Montsouris 7 420 Lucht in de oude huizen te Parijs 36 000 Lucht in het nieuwe hospitaal te Parijs 40 000 Lucht in het hospitaal la Pitié te Parijs 79 000
[4] Bij de hydra's vindt men reeds eene sterke ontwikkeling der levenskracht. Zij zijn zeer gulzig en gevaarlijk voor hare even groote naburen. De mond aan het vooreinde is omzet met een krans van bewegelijke, lange vangarmen; aan de oppervlakte en in de nabijheid daarvan vindt men een aantal netelorganen. De draad, in die netelorganen besloten, eindigt in een peervormig blaasje, waarachter drie of vier weerhaakjes staan; de polyp kan naar willekeur die weerhaakjes uitslaan en intrekken. Als een infusiediertje in de nabijheid der hydra komt, grijpen de vangarmen het aan, haken de weerhaakjes daarin vast en wordt het in den mond van het monster gesleept. Geen enkel dier op het land, zelfs niet de ontzaglijkste verscheurende dieren, bezit zulke gevaarlijke wapenen als die bijna onmerkbare polyp, wier gulzigheid en verterend vermogen zonder wederga zijn.
Door middel van den mikroskoop heeft men waargenomen, dat die diertjes, na hunne prooi te hebben verslonden, eenige minuten later de overblijfselen weder uitwerpen, die dan hunne voedende eigenschappen verloren hebben; somtijds verslinden zij lichamen, grooter dan zij zelf zijn; men ziet dan de mondopening, en de holte, die het lichaam vormt, zich uitzetten tot driemaal het gewone volume; indien het verslonden dier een omhulsel bevat, dan wordt dit in de maag van de polyp door het maagsap week gemaakt en zoo voor de voeding geschikt.
Opmerkelijk is het, dat dit verterend vermogen alleen werkt op vreemde lichamen en niet op polypen. Trembley had dit reeds in het midden der vorige eeuw opgemerkt. Eene polyp had tegelijk met hare prooi éénen harer eigen vangarmen ingeslikt: na verloop van eenige oogenblikken kwam de vangarm ongedeerd uit de mondopening, terwijl de prooi in het lichaam van de polyp werd opgelost. Harting vertelt, dat twee polypen elkander eene prooi betwistten; geene van beide wilde de prooi loslaten; de sterkste slikte toen de zwakste op met de prooi, waaraan zij zich had vastgeklemd. Eenigen tijd later wierp de overwinnaar de overblijfselen van zijnen maaltijd uit, en tegelijkertijd kwam de andere polyp ongedeerd te voorschijn, die weer na korten tijd jacht ging maken op andere dieren, als ware er niets geschied.