De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 39

Chapter 393,650 wordsPublic domain

Wij zouden over dit onderwerp nog veel meer in bijzonderheden kunnen uitweiden. Doch het voorgaande is voldoende, om duidelijk te maken, dat die laagste volkstammen, die zinnelijke, grove, onwetende wezens, ongeschikt voor iedere afgetrokken redeneering, dichter staan bij de chimpansee's, de orang-oetans en de gorilla's, dan bij de menschenrassen, waartoe Newton, Leibnitz, Kepler, Archimedes, Huygens, Phidias, Dante, Shakespeare, Leonard da Vinci, Pascal, Mozart en zoovele andere reuzengeesten behoord hebben. Wij moeten hierbij tevens opmerken, dat het hoe langer hoe moeilijker wordt, volkomen natuurlijke oorspronkelijke rassen te vinden, daar de zendelingen en de reizigers de denkbeelden, die het gevolg zijn onzer hoogere beschaving, bijna overal hebben overgeplant. Wel zoude men in menig opzicht de voortreffelijkheid van onze verstandelijke en zedelijke ontwikkeling in twijfel kunnen trekken. Aan de edelste godsdiensten kan men de grootste laagheden verwijten: aan de christenen, de vervolgingen der inquisitie en de godsdienstoorlogen; aan de muzelmannen de bloedbaden, die zij bij hunne veroveringen hebben aangericht; aan de verstandigste regeeringen van Europa, den gewapenden vrede, het geld, dat aan de staande legers opgeofferd wordt, de diplomatie, die het recht van den sterkste met een masker van recht bedekken moet. Ja zeker, een bewoner van Sirius, of van eene werkelijk verstandelijk ontwikkelde wereld zou geen onderscheid zien tusschen de Europeanen, de Amerikanen, de Aziaten eenerzijds, en de Australische en Afrikaansche volksstammen, waarover wij zooeven gesproken hebben, aan de andere zijde, en misschien zouden zij over alle tegenwoordige aardbewoners medelijdend de schouders ophalen. Maar alles is betrekkelijk. Het is niet te loochenen, dat wij minder onvolmaakt zijn dan die wilde stammen, en dat ons verstand veel hooger ontwikkeld is. Het doel dezer studie is geweest, het verband aan te wijzen tusschen de menschheid en de dierenwereld, waarvan zij zich met moeite en uiterst langzaam heeft losgemaakt.

Men heeft wel eens beweerd, dat daar de menschheid bezit heeft genomen van de aarde en de overhand heeft verkregen boven het dierenrijk door de oefening zijner hoogere vermogens, het te vreezen staat, dat de dag zal aanbreken, waarop een nieuw ras te voorschijn komt, dat zooveel boven het onze staat, als wij boven de overige zoogdieren, en dat ons zal ten onder brengen, zooals wij de lagere rassen hebben vermeesterd. Toch is dit denkbeeld, dat in verschillende werken in verschillende talen is uitgewerkt, eene dwaling. Wel zal de menschheid der toekomst eene andere zijn dan de onze; maar zij zal _geleidelijk_ gevormd zijn en de ontwikkeling zijn van de onze. Wij zelf zijn het, die verstandiger en beter zullen worden, die de lichamelijke en geestelijke onderdrukking van den mensch zullen opheffen, en die het rijk van licht en vrijheid zullen stichten.

Wij kunnen het niet genoeg herhalen, de mensch neemt door zijne rede de eerste plaats in de rij der wezens in; terecht heerscht hij dus over alles wat op de aarde leeft. Maar wij moeten ook erkennen, dat de mensch in wezen niet verschilt van zijne naaste buren, de anthropoïde apen. Anatomisch zijn het dezelfde organen, op dezelfde wijze gebouwd en gelegen, en alleen door verschillen van minderen rang van elkander afwijkend; de voeten, de handen, de wervelkolom, de borstkas, het bekken, de zintuigen, alles is op dezelfde wijze gebouwd; de hersenen zijn in bouw en in windingen eveneens dezelfde; de storingen komen zelfs overeen. De eenige physische verschillen zijn gelegen in den inhoud der hersenen, die bij den mensch driemaal grooter is, en hare windingen, waardoor bij den mensch de rede, de schoonste parel aan zijne kroon, zooveel meer ontwikkeld is. Ook uit een moreel oogpunt hebben wij den langzamen overgang van de dieren tot aan den mensch leeren kennen. De vraag is thans, welke van de vier soorten van anthropoïde apen het dichtst bij den mensch staat.

De gibbon komt niet in aanmerking. Wel staat hij hoog door zijne hersenwindingen en zijn ruggemerg, maar door de nauwheid van zijn bekken en de schikking zijner spieren is hij het verst van den mensch verwijderd.

Ook de orang-oetan heeft eenige anatomische karaktertrekken, waardoor hij tamelijk ver van den mensch verwijderd is, zooals de gebrekkige handen en voeten en de afmetingen van het geraamte; doch zijne hersenwindingen, zijn gezichtshoek, zijne ribben, tanden en zijn verstand wijzen op eene hooge ontwikkeling.

De chimpansee heeft in zijn voordeel het aantal hersenwindingen, de afmetingen van het geraamte en de vorm van den schedel.

De gorilla eindelijk heeft een groot hersenvolume en komt ook door zijne spieren, zijne handen en voeten, zijn bekken en andere bijzonderheden met den mensch overeen; hij heeft echter 13 paar ribben, eene gebrekkige wervelkolom en lange hoektanden.

Ieder der drie groote anthropoïde apen komt dus in enkele eigenschappen met den mensch overeen, geen enkele echter vereenigt al die eigenschappen in zich. Zoo kan men van de laagste menschenrassen niet beweren, (zelfs niet van de Bosjesmannen) dat zij van eenen anthropoïden aap afstammen; zij naderen daartoe alleen door enkele eigenschappen. De mensch, mogen wij dus aannemen, stamt niet af van ééne der _tegenwoordig bestaande_ anthropoïde apensoorten, hij is als het ware de neef van den anthropoïden aap; de gemeenschappelijke stamvader behoort tot een ander tijdperk [57].

De Amerikaansche apen verschillen van die van Afrika, Azië en Europa hierin, dat zij eenen platten neus hebben, zoodat de neusgaten zijdelings geplaatst zijn; zij heeten daarom ook Platyrrhinae (platneuzen). De apen der oude wereld daarentegen (orang-oetans, gorilla's, chimpansee's), hebben een smal tusschenschot in den neus en de neusgaten naar beneden gericht, en heeten daarom Catarrhinae. De laatste hebben bovendien hetzelfde aantal tanden als de mensen; aan iedere kaak heeft men vier snijtanden, 2 hoektanden en tien kiezen, in het geheel dus 32 tanden, terwijl de Amerikaansche apen er 36 hebben, en wel vier kiezen meer. Hieruit volgt, dat er oudtijds in de afstamming der apen eene scheiding heeft plaats gehad, en dat de mensch afstamt van de apen der oude wereld. _Maar geen der tegenwoordige apen kan als onze stamvader beschouwd worden. Reeds lang zijn de aapachtige voorouders van den mensch verdwenen._ Misschien is de dryopithecus, waarvan Gaudry beweert, dat hij in staat was, vuursteenen te slijpen, nauw aan dien voorvader verwant, wiens heerschappij dagteekent van voor meer dan honderdduizend jaren.

De mensch is dus het laatste voortbrengsel van het leven op aarde, de top van den stamboom van het dierenrijk, de jongste en volmaaktste der zoogdieren, in één woord, een verbeterde en gewijzigde aap.

Dit denkbeeld hindert en ergert hen, die er genoegen in scheppen, de bakermat der menschheid met eenen stralenkrans te omgeven; indien wij dan ook onzen roem stellen in onzen stamboom en niet in onze eigen daden, dan is dat denkbeeld inderdaad vernederend. Maar wat is die slag, dien onze eigenliefde hierdoor ondergaat, in vergelijking met dien, welke ons reeds door de sterrenkunde is toegebracht? Toen men meende, dat de aarde het middelpunt der schepping was, en dat het heelal ten behoeve der aarde geschapen was, en de aarde ten behoeve van den mensch, had onze hoogmoed de ruimste voldoening. Die leer verviel op den dag, waarop bewezen werd, dat onze planeet slechts een nederige wachter is van de zon, die zelf slechts één der vele lichtpunten van het heelal is: op dien dag reeds en niet eerst nu werd de mensch tot nederigheid gedwongen. Niet voor hem kwam de zon iederen morgen op, niet voor hem ontstak het hemelgewelf iederen avond zijne ontelbare lichten; niet uitsluitend voor hem, evenmin als voor de bewoners eener andere wereld van de oneindige ruimte, was de wereld geschapen.

Evenals de boer, die zich in den droom als den oppermachtigen heerscher der aarde zag, ontwaakte de mensch in eene eenvoudige hut. Niet zonder leedwezen zag hij zich zoo vernederd; langen tijd hinderde hem de herinnering aan zijnen vervlogen droom, maar hij moest zich onderwerpen en zich gewennen aan de werkelijkheid, en ook thans troost hij zich met het denkbeeld, dat hij, al is hij niet meer de koning der schepping, toch nog altijd de koning der aarde is.

Op die onbetwiste heerschappij mag hij met recht trotsch zijn. Doch wordt deze bedreigd of verminderd door de kennis van de geleidelijke verandering der soorten? Zal zij minder beteekenis hebben, indien hij die aan zich zelf verschuldigd is, dan wanneer hij die van zijne eerste voorouders verkregen heeft? Wel verre van den oorsprong van ons ras te vernederen, veredelt ons de nieuwere leer, daar zij den mensch leert, dat hij zelf zijne hooge waarde verkregen heeft door eigen inspanning en door oefening zijner vermogens.

Doch zijn dergelijke beschouwingen niet misplaatst in een wetenschappelijk of populair werk? Wij wenschen hierover onze meening in het kort mede te deelen.

Iedere wetenschap, en dus ook de sterrenkunde, de geologie, de paleontologie, heeft groote waarde op zich zelf. Maar het doel van het weten is om den geest te verlichten. Een sterrenkundige, een geoloog, een natuuronderzoeker, die al de geheimen zijner geliefkoosde wetenschap heeft leeren ontsluieren, kan daarom toch wel, niettegenstaande zijne groote geleerdheid, een onontwikkeld verstand hebben, en niet hebben leeren denken. De grootste gave echter van den menschelijken geest is het vermogen om te _denken_, te oordeelen, te generaliseeren, in één woord zijne wetenschap dienstbaar te maken aan zijn oordeel. De wetenschap, die den geest niet verlicht, die den mensch niet tot gids verstrekt, die hem niet losmaakt van de dwalingen van de onkunde en het vooroordeel, sticht minder nut en is minder eerbiedwaardig dan die, welke geheel voldoet aan hare roeping, om ook te vormen voor het leven. Vandaar dan ook, dat wij in dit hoofdstuk ons niet ontzien hebben, onze meening te zeggen omtrent de gevolgtrekking, die men ten opzichte der afstamming van den mensch trekken kan uit de studie der paleontologie. Wij vonden daartoe te meer vrijheid, daar ieder lezer zich de in de vijf eerste boeken medegedeelde feiten kan eigen maken, zonder dat hij zich verplicht behoeft te gevoelen ons te volgen in de besluiten, die wij meenden, dat daaruit logisch konden getrokken worden. De godsdienst op zich zelf is onafhankelijk van eenig godsdienstig dogma, of van eenige meening op godsdienstig gebied; die meeningen worden voornamelijk door het gemoed, en niet door het verstand beheerscht. Wij kunnen dus ieder onderdeel der menschelijke wetenschap bestudeeren, zonder dat dit invloed heeft op onze godsdienstige overtuiging. Het hoogste doel der wetenschap blijft steeds ons te verheffen tot een hooger ideaal, ons los te maken van het lage materialisme, door ons het wezen der krachten te doen begrijpen, die het heelal besturen en naar een ons onbekend doel voeren. De ware geleerde is de vijand van onverdraagzaamheid en dweepzucht, de verdediger van de vrijheid van geweten, de apostel van licht en vooruitgang. Doch daartoe moet hij den moed hebben, rond voor zijn gevoelen uit te komen en het belang der waarheid boven elk eigenbelang te stellen. Zijne taak is het te handelen naar het woord van Juvenalis: _Vitam impendere vero_, d.i. zijn leven aan de waarheid te wijden.

Doch keeren wij tot den oorspronkelijken mensch terug.

De natuur roept ons, zoo zagen wij, met duizend tongen toe, dat de mensch van den aap [58] afstamt, de aap van het buideldier, het buideldier van de tweeslachtige dieren, de tweeslachtige dieren van de visschen, de visschen van de ongewervelde dieren, de ongewervelde dieren van het protoplasma, het protoplasma van de onbewerktuigde stof. Wij hebben dien boom des levens zien ontstaan en gedurende de verschillende tijdperken zien groeien, van de azoïsche periode tot op onzen tijd. Wel bestaan er nog vele leemten in eene wetenschap, die uit zoovele nog zoo nieuwe wetenschappen is samengesteld; maar toch zijn wij reeds in staat, de hoofdlijnen van het beeld der schepping te schetsen.

Op de hoogte, waarop wij thans staan, kunnen wij de vraag stellen, van welken tijd het optreden van den mensch op de aarde dagteekent.

Die vraag is ingewikkelder, dan men op het eerste gezicht zoude meenen. Indien wij door het woord "_mensch_" verstaan het wezen, dat thans de heerscher is der aarde, in het bezit van rede en verstand, dan kunnen wij antwoorden, dat de menschheid nog slechts enkele duizenden jaren bestaat, van het begin der geschiedenis af, die zelf nog geene tienduizend jaren oud is, zelfs niet die van Egypte, het oudste land, waarvan wij geloofwaardige historische oorkonden bezitten. Zoolang de menschheid de geschreven taal niet had, heeft zij historisch niet bestaan. De lagere volksstammen, die nog heden ten dage zonder schrijftaal, en zelfs bijna zonder spreektaal zijn, maken geen deel uit van de denkende en handelende menschheid. De schrijftaal is de grootste vooruitgang, dien de oorspronkelijke menschheid heeft ondergaan, en deze heeft den mensch eerst zijne verstandelijke ontwikkeling gegeven. De eerste schrijftaal was uiterst weinig ontwikkeld en de spreektaal vóór dien tijd nog veel minder.

Wij hebben tegenwoordig bewijzen, dat de oorspronkelijke mensch tienduizenden van jaren ouder is dan de oudste oorkonden der menschheid; men heeft immers reeds een groot aantal typen van _den fossielen mensch_ gevonden.

Doch nog niet sedert lang. Eerst in 1823 vertoonde Amy Boué aan Cuvier menschenbeenderen, door hem in de omstreken van Lahr, in Baden, in het Rijnlöss gevonden. Cuvier, die zooals wij vroeger zagen, eene vooropgestelde meening had over den aard der schepping en de onveranderlijkheid der soorten, wilde die niet als fossiel erkennen. Doch dit nam niet weg, dat men in 1828 en in 1829 in Frankrijk, in 1833 in België, in 1839 weder in Frankrijk, in 1844 in Brazilië enz. fossiele overblijfselen van menschen ontdekte. Doch _de officieele wetenschap_ maakte reeds _apriori_ uit, dat de overblijfselen van den mensch of de door den mensch vervaardigde voorwerpen, in die quaternaire formaties gevonden, daarheen gebracht waren door het water of door inzakking.

In 1847 werd het vraagstuk een heel eind verder gebracht door de uitstekende onderzoekingen van Boucher de Perthes, die in grintgroeven bij Abbeville eene groote menigte door menschen bewerkte vuursteenen vond.

Doch eerst in 1861 werd het vraagstuk met volkomen zekerheid opgelost door de wegruiming van het puin van de grot van Aurignac, door Lartet. Daar was verdere twijfel onmogelijk. Die grot was op het oogenblik der ontdekking gesloten door eenen van eenen grooten afstand aangebrachten steen. Lartet vond in die grot de beenderen van acht diersoorten, tot de quaternaire periode behoorende. Eenige van die dieren waren daar opgegeten; hunne gedeeltelijk verkoolde beenderen droegen nog de sporen van het vuur, waarvan men nog de kolen en de asch terugvond; de beenderen van eenen jongen rhinoceros tichorinus vertoonden inkervingen, gemaakt met vuursteenen werktuigen, en waren afgekloven door hyena's, waarvan men de sporen terugvond. De ligging van de grot maakte het onmogelijk, dat er door het diluvium iets daarheen gevoerd was. Hieruit volgt dus, dat de oorspronkelijke mensch geleefd moet hebben tegelijk met de quaternaire dierenwereld, en dat hij zelfs rhinocerossen als voedsel gebruikte, en door de hyena uit dat tijdperk gevolgd werd, die zich aan de overblijfselen van den maaltijd te goed deed. Het gelijktijdig bestaan van den mensch en die fossiele dieren was daardoor bewezen.

Het volgende jaar werden die feiten door eene belangrijke ontdekking bevestigd. Den 28sten Maart 1862 had Boucher de Perthes het geluk, dat hij zelf, in het grijze diluvium van de Somme-vallei eene menschelijke kaak opgroef, die wel niet volkomen was, maar toch ontegenzeggelijk toebehoorde aan den quaternairen mensen.

Doch nog belangrijker feiten kwamen aan het licht. In 1868 werd in de Académie des Sciences eene kaak van eenen rhinoceros uit de miocene periode vertoond, waarop, zooals men zeide, eene door den mensch gedane inkerving zichtbaar was. Zoo ook heeft men in de miocene formatie van Maine-et-Loire eene rib van een halotherium gevonden evenzeer met insnijdingen door menschenhanden verricht. Hetzelfde is het geval met beenderen te Pikermi gevonden. Men zou kunnen beweren, dat die inkervingen verricht zijn door roofdieren of zelfs eenvoudig door wrijving zijn ontstaan; de abbé Bourgeois echter, een bekwaam onderzoeker, in 1878 gestorven, heeft in de miocene formatie van Loir-et-Cher vuursteenen gevonden, die zouden moeten geslepen zijn door een wezen, dat in verstand hooger ontwikkeld was dan de tegenwoordige dieren.

Volgens die laatste getuigenissen, die nog met een aantal andere zouden kunnen worden vermeerderd, zoude men dus zelfs mogen besluiten tot het bestaan van den tertiairen, miocenen mensch. Toch meenen wij, dat de bewijzen voor die stelling nog niet voldoende zijn. Quatrefages en Hamy meenen, dat de gevonden vuursteenen door _menschen_ geslepen zijn. Gaudry en anderen zijn van oordeel, dat het niet onmogelijk is, dat dit door _apen_ zoude geschied zijn. Is dat waar, dan moet de dryopitheke of een andere anthropomorphe aap de voorganger van den mensch geweest zijn. Doch wij moeten hier bijvoegen, dat er zelfs deskundigen zijn, die beweren, dat de vuursteenen in het geheel niet _geslepen_ zijn. Anderen zelfs hebben niet zonder grond het vermoeden geuit, dat de formatie, waarin die vuursteenen gevonden zijn, tot de eocene formatie behoort. Is dit het geval, dan is het zeker, dat zij niet geslepen zijn, immers in die periode vond men zelfs nog geene ware herkauwende dieren, geene éénhoevige dieren, snuitdieren of apen.

De vuursteenen te Otta, bij Lissabon, en die te Aurillac gevonden, maken evenmin het vraagstuk uit: zij zijn ongetwijfeld uit de miocene periode afkomstig, doch het is lang niet zeker of zij geslepen zijn.

Bovendien is het bijna onmogelijk, dat de mensch reeds in die periode zou bestaan hebben. Op welk standpunt men zich ook plaatse, de mensch kan alleen optreden aan de spits der organische wereld, nadat het planten- en dierenrijk tot volle ontwikkeling is gekomen. In de miocene periode was die ontwikkeling nog lang niet volledig genoeg, om de verschijning van den mensch in dien tijd niet als een _anachronisme_ te beschouwen; dit is op zichzelf voldoende, om de meening te verwerpen, als zoude de mensch in de miocene periode verschenen zijn.

Dat de mensch reeds bestaan heeft in het begin der quaternaire periode, en zelfs op het einde der tertiaire periode, is echter niet twijfelachtig. De verandering van den aap, waaraan wij ons bestaan te danken hebben, dagteekent hoogstwaarschijnlijk van _de pliocene periode_. Het zou ons te ver voeren, indien wij alle ontdekkingen vermeldden, zoowel van fossiele overblijfselen van menschen als van geslepen vuursteenen of van voorwerpen, door den oorspronkelijken mensch vervaardigd. In het museüm te Brussel zijn niet minder dan 80000 door menschenhanden geslepen vuursteenen en 40000 beenderen van dieren voorhanden, die gelijktijdig met den oorspronkelijken mensch geleefd hebben. Men heeft reeds de opvolging dier verdwenen menschenrassen kunnen bepalen; enkele waren tijdgenooten van den holenbeer, andere van den mammouth, nog andere van het rendier, weer andere van den aueros. De merkwaardige fossiele mensch, in 1872 te Mentone gevonden, schijnt uit den tijd van het rendier te dagteekenen. Nog in het jaar 1884 zijn op diezelfde plaats belangrijke opgravingen gedaan.

Toch is dit alles nog niet voldoende, om ons een zuiver beeld te vormen van den oorspronkelijken mensch. Trouwens Quatrefages merkt zeer terecht op, dat het oorspronkelijke type van den mensch verdwenen is. Dit moet reeds het geval zijn door verhuizing en wijzigingen der omgeving. De mensch heeft den geheelen afstand tusschen de tertiaire en de quaternaire periode doorloopen; misschien bestaat zelfs de plaats niet meer, waar hij is opgetreden; zeker is het, dat de levensvoorwaarden daar geheel anders moeten zijn dan bij zijn eerste optreden. Toen alles rondom hem veranderde, kon hij alleen niet dezelfde gebleven zijn.

Wij kennen den oorspronkelijken mensch niet; als wij hem ontmoetten, zouden wij hem zelfs niet herkennen. Het eenige wat wij kunnen zeggen, is dat hij waarschijnlijk de kleur had van de gele rassen, en dat zijn haar waarschijnlijk rossig was. Zijne taal was waarschijnlijk éénlettergrepig en klanknabootsend.

Vóórdat zij den ploeg, de spade, den molen, den oven, de kuip, het vat, de kom, den lepel, de vork, het mes hadden uitgevonden, leefden die wezens, die langzamerhand menschen geworden zijn, maar die toen slechts redelooze dieren waren, in bosschen en holen, en moesten zij zelf hun voedsel zoeken, evenals hunne tijdgenooten, de apen, wolven, tijgers, wilde paarden, olifanten, beren, hyena's, jakhalzen, bevers enz. Komt hun reeds de naam van mensch toe? Naar ons oordeel niet. Dat zij zich met de voeten, de handen en het hoofd verdedigen als zij aangevallen zijn, bewijst niets, immers dat doen ook de apen. Dat zij eene vrucht nemen en die naar het hoofd van hunnen tegenstander werpen, bewijst evenmin iets, dat doet de aap eveneens. Ook de aap grijpt eenen tak, dien hij doorbreekt en waarmede hij bij den aanval om zich heen slaat. Bijna alle dieren zorgen voor hun kroost.

De eerste handeling, waaruit hunne hoogere ontwikkeling bleek, moet met hunne levenswijze hebben samengehangen. Een scherpe, puntige steen, kon beter dienst doen, om een dierenhuid te snijden, dan de nagels. De meest ontwikkelde wezens van hunnen tijd moeten opgemerkt hebben, dat scherpe en puntige steenen beter geschikt waren, om iets te kloven, dan ronde steenen, en zij zullen daarmede hun voordeel gedaan hebben. Daarna zullen wezens, even wild, maar iets verstandiger dan de vorige, hebben opgemerkt, dat een steen kon verbrijzeld worden, door hem tegen eenen anderen steen te stooten, en dat de stukken scherp of puntig waren. Zoo is de periode der gehouwen steenen begonnen, waarvan men heden overal de sporen vindt. De ontdekking van het vuur door de wrijving van droog hout, was op zich zelf reeds een belangrijke vooruitgang.

Evenals het lichaam van den mensch langzamerhand volmaakter is geworden, zoo is het ook met den geest het geval geweest. Is het menschelijke lichaam de vrucht van de opklimming der natuur langs alle trappen van het dierenrijk, de menschelijke geest is de bloem, uit die ontwikkeling voortgekomen. De hoogere dieren hebben eene verstandelijke ontwikkeling, die waardig is met die van den mensch vergeleken te worden, zij hebben geheugen, eenen wil, verbeelding, overleg en andere verstandelijke vermogens. Het is slechts eene vraag van meer of minder. De geheele natuur is naar eenzelfde plan gebouwd en is de uitdrukking eener zelfde idee.

Er zijn boeken volgeschreven over het verstand der dieren, en wij mogen daarover hier niet verder uitweiden. Het kwam er alleen op aan, onze lezers te doen begrijpen, dat ook de dieren met _verstand_ begaafd zijn, en dat de menschelijke ziel evenmin als het lichaam iets anders is als die der overige dieren; ook zij heeft zich geleidelijk in den loop der eeuwen ontwikkeld.