De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 37

Chapter 373,826 wordsPublic domain

"Het gezellige leven van die dieren is voor den waarnemer vol bekoorlijkheid. Weinige soorten van apen leven eenzaam; de meeste vereenigen zich tot troepen. Ieder dier troepen kiest eene vaste, min of meer uitgestrekte woonplaats, altijd in de streken, die in ieder opzicht het gunstigst gelegen zijn, doch vooral wat de voeding betreft. Is er gebrek aan voedsel, dan trekt de troep verder. De bosschen, gelegen in de nabijheid van de plaatsen, door den mensch bewoond, waarin maïs verbouwd wordt, of suikerriet, bananen, vruchtboomen, meloenen gevonden worden, zijn voor hen een waar paradijs. Ook versmaden zij de dorpen niet, waar het bijgeloof verbiedt, die brutale dieven te straffen. Als de troep tot overeenstemming gekomen is over de plaats, waar zij zich zal vestigen, dan begint het apenleven, met zijne genoegens en twisten, zijne veldslagen, zijne behoeften en ellenden. Het krachtigste mannetje wordt de aanvoerder en gids, doch niet bij stemming wordt hij die eer deelachtig, maar door te vechten tegen andere mannetjes, zijne mededingers. Bij de apen beslissen evenzeer als bij de menschen, de langste tanden en de krachtigste armen over de overwinning. Wie zich niet goedschiks onderwerpt, wordt door geweld er toe gedwongen. De macht is bij den sterkste; de wijste is hij, die de langste tanden heeft. De gids eischt blinde gehoorzaamheid en kan daarop ook in alle omstandigheden rekenen; immers de sterkste apen zijn gewoonlijk de oudste, en de jongeren hebben eerbied voor hunne meerdere ervaring. Als een ijverzuchtig sultan, matigt hij zich het uitsluitend recht aan over alle wijfjes en verwijdert hij die, welke zich te buiten gaan; men kan dus zeggen, dat hij de vader van den troep is.

"Als de troep te talrijk wordt, scheidt zich een deel af onder aanvoering van een ander mannetje, dat sterk genoeg is geworden, om met den aanvoerder te strijden, en een nieuwe strijd begint om de leiding der nieuwe vereeniging. Overal, waar meerderen naar één doel streven, is er strijd. Bij de apen heeft men dagelijks gevechten en twisten; een oogenblik waarnemens is voldoende, om te zien, dat er dikwijls zonder bekende oorzaak tweedracht heerscht.

"De gids oefent zijn gezag met veel waardigheid uit. Door de achting, die hij heeft weten in te boezemen, en die zijne eigenliefde verheft, heeft hij een zeker zelfvertrouwen, dat bij zijne onderdanen gemist wordt; deze maken hem altijd het hof. Men kan zien, dat de wijfjes zich beijveren, van hem de grootste gunsten te verwerven, die een aap schenken kan; zij doen haar best, om zijne haren te bevrijden van de lastige parasieten, die daarin huizen, en met koddige majesteit laat hij die bewerking toe. Daarentegen waakt hij trouw voor het heil der gemeenschap. Hij is de voorzichtigste van allen; zijne oogen dwalen steeds overal rond; hij wantrouwt een ieder en alles, en ontdekt daardoor bijna steeds tijdig genoeg het gevaar, dat zijne kolonie bedreigt.

"De taal der apen schijnt zeer rijk te zijn, ten minste iedere soort drukt hare verschillende indrukken door verschillende klanken uit; de waarnemer leert spoedig de beteekenis der geluiden begrijpen, die een gids voortbrengt, bij het leiden zijner kudde, of den kreet van angst, die tot de vlucht aanmaant. Die kreet, moeilijk te beschrijven en nog moeilijker na te bootsen, bestaat uit eene reeks korte, afgebroken, bevende en onharmonische tonen, wier beteekenis nog duidelijker wordt, als men de samentrekkingen van het gelaat beschouwt. Zoodra het geluid gehoord wordt, neemt de geheele troep de vlucht. De moeders roepen hare jongen naar zich toe, die zich aan haar vasthechten; met haren zoeten last beladen begeven zij zich naar den meest nabijzijnden boom of naar de naburige rots. De oude aap gaat voorop en wijst den weg, die door de geheele troep met vertrouwen gevolgd wordt, en wanneer het stilstaan en de kalmte van den gids aantoonen, dat het gevaar geweken is, dan vereenigt zich de troep weder, maakt zij weder rechtsomkeert, en voltooit zij den roof, waarbij zij is betrapt geworden.

"Niet alle apen echter vluchten voor den vijand; de sterksten verdedigen zich tegen de gevaarlijkste roofdieren en zelfs tegen den mensch, die voor hen nog gevaarlijker is; zij leveren dan veldslagen, waarvan de uitslag dikwijls onzeker is. De groote apen, b.v. de bavianen, hebben in hunne tanden zóó krachtige wapenen, dat zij gerust den strijd kunnen wagen tegen den alleen verschijnenden vijand, terwijl de kleine apen zich te zamen verdedigen en elkander met lofwaardige trouw helpen. De wijfjes vechten alleen, als zij gedwongen zijn haar leven of haar kroost te verdedigen; in dat geval zijn zij even dapper als de mannetjes. De meeste apen strijden met hunne handen en tanden, zij verscheuren en bijten; enkele schrijvers beweren, dat zij zich somtijds van gebroken takken, als van stokken, bedienen. Zeker is het, dat zij van boven uit hunne schuilplaats steenen, vruchten en stukken hout op hunne vijanden werpen. Geen inlander meet zich met eenen baviaan en zeker niet zonder vuurwapenen. De orang-oetans en de gorilla's zijn zóó sterk en gevaarlijk, dat als een jager met één van deze vecht, hij zijn geweer nooit voor den aanval, doch alleen ter verdediging gebruiken kan. De vreeselijke woede der apen, die hunne krachten vertiendubbelt, is zeer gevaarlijk, en hunne groote behendigheid belet dikwijls den jager ze te dooden.

"In den natuurstaat vormt iedere soort eene troep op zich zelf, toch helpen elkander wel eens soorten, die veel met elkander overeenkomen, en vereenigen zij zich met elkander. In gevangenschap leven alle soorten vriendschappelijk bijeen, en men neemt dan dezelfde wetten omtrent het opperbewind waar als bij eene vrije kolonie. De sterkste oefent altijd de macht over al de anderen uit. De groote soorten houden zich met de kleinere bezig en de mannetjes wedijveren met de wijfjes, om ze te verzorgen. De wijfjes der groote soorten werven wel eens jonge kinderen of kleine zoogdieren aan, die zij op de armen kunnen dragen. Zoo kwaadaardig als een aap is jegens alle dieren, zoo lief en zacht is hij jegens kinderen of andere jonge wezens; de moederliefde der apen is dan ook spreekwoordelijk. Natuurlijk openbaart zich die liefde het sterkst jegens hunne eigen kinderen. De jonggeborene is niet mooi; doch dat leelijke kleine wezen maakt de vreugde van de moeder uit, die het liefkoost en koestert, zóó zelfs dat het belachelijk schijnt. Korten tijd na de geboorte, gaat de jonge aap met zijne twee vóórhanden aan den hals der moeder hangen, terwijl zijne achterhanden het lichaam der moeder omvatten; zóó neemt hij de houding in, die voor de voedster het minst lastig en voor hem het gemakkelijkst is om te zuigen. Is hij grooter geworden, dan springt hij bij het minste alarm op de schouders of den rug zijner ouders.

"De jeugdige aap is in het eerst ongevoelig voor al de liefkoozingen zijner moeder, die toch even lief voor hem blijft en zich steeds met hem bezighoudt. Nu eens likt zij, dan weder luist zij hem; zij drukt hem tegen haar hart of neemt hem tusschen hare twee handen, om hem beter te kunnen beschouwen, en plaatst hem dan weder tegen hare borst, of wiegt hem in hare armen, als wilde zij hem in slaap wiegen. Na korten tijd wordt de jonge aap iets onafhankelijker. De moeder laat hem dan vrij in zijne bewegingen, en laat hem stoeien met de andere apen van zijne soort, maar geen oogenblik verliest zij hem uit het oog; zij volgt al zijne schreden, houdt het toezicht over zijne handelingen en staat hem alleen datgene toe, wat hem niet kan schaden. Bij het minste gevaar vliegt zij naar hem toe, eenen bijzonderen kreet doende hooren, die beteekent, dat hij in hare armen moet vluchten. Als hij ongehoorzaam is, wat zeer zelden voortkomt, daar de jonge apen in het algemeen zeer onderdanig zijn, straft zij hem, door hem te knijpen of te schudden, of somtijds wel door hem een paar oorvegen toe te dienen.

"In de gevangenschap deelt de moeder al wat zij eet trouw met haar kind; zij neemt deel in alles, wat hem overkomt en geeft hem treffende bewijzen van liefde. De dood van haar kind sleept den hare met zich mede; zij sterft van verdriet. Als de moeder sterft, neemt een andere aap van de troep, een mannetje of wijfje, den wees tot zich en bewijst hem bijna evenveel liefde als aan zijn eigen kroost.

"Enkele reizigers hebben eene schets gegeven van de vreeselijke gevechten tusschen negers en gorilla's; zij die uitgaan om ivoor te zoeken, zijn uiterst bevreesd voor den gorilla en vooral voor de wijze waarop hij de lieden aanvalt. De inboorlingen beweren, dat als de jagers rustig door het bosch trekken, een gorilla, op een der onderste takken gezeten, een van hen bij den nek pakt, hem naar zich toe trekt en hem medesleurt naar den top van den boom, waar hij hem verworgt, zonder dat hij eenig geluid kan geven, en hem daarna op den grond laat vallen. Dikwijls komen de negers vreeselijk verminkt uit den strijd, dien zij tegen die vreeselijke dieren hebben moeten voeren. Indien de gorilla door zijne familie omringd is, dan valt hij aan zonder getergd te zijn, en de strijd tusschen mensch en dier eindigt gewoonlijk met den dood van één van beide; meestal delft de mensch het onderspit. Het is veel moeilijker éénen jongen gorilla dan tien chimpansees te bemachtigen. De wijfjes vluchten met hare jongen op de boomen, zoodra de jagers naderen, terwijl de mannetjes zich dadelijk tot den strijd toerusten. Hunne groote groene oogen schitteren, hunne haren staan op, zij knarsen met de tanden, uiten eenen scherpen kreet, gelijkend op kahi! kahi! en storten woedend op den vijand. Als men den gorilla niet treft, kan men zijn geweer zelfs niet als knots gebruiken, de razende aap breekt het gemakkelijk met de handen stuk. Ook met zijne tanden verscheurt hij den jager. Het behoeft dus geene verwondering te baren, dat de neger, die eenen gorilla gedood heeft, als een held onder zijne stamgenooten beschouwd wordt, en dat de inboorlingen weigeren den Europeeschen reizigers eenen levenden gorilla te leveren tegen zijn gewicht aan goud.

"De inboorlingen meenen, dat die groote apen wezenlijke menschen zijn, en dat zij zich maar zoo woest en zoo dom houden, omdat zij de slavernij vreezen en niet willen werken. Voor den Afrikaan is slaaf te zijn het ergste wat er is. Ook beweren zij, dat de ziel hunner koningen na hunnen dood in de gorilla's verhuist en dat deze hen dus alleen uit gewoonte haten en plagen."

Ook Du Chaillu heeft hoogst belangrijke mededeelingen gedaan over den gorilla. Wat hij er van verhaalt, komt in hoofdtrekken met het voorgaande overeen. Wij zullen uit zijne schets datgene mededeelen, wat voor ons doel het belangrijkst is. Het is de ontmoeting met eenen gorilla, van wiens dood hij getuige was, en is uitnemend geschikt, om ons een denkbeeld te geven van den indruk, dien dat vreeselijke dier moet maken.

"Terwijl wij in doodelijke stilte door het bosch kropen, weerklonk het bosch plotseling van het ijselijke geschreeuw van den gorilla. De struiken weken uiteen en wij stonden tegenover eenen grooten mannelijken gorilla. Op zijne vier handen was hij door het struikgewas gekropen, maar toen hij ons zag, ging hij recht overeind staan en keek hij ons ferm in het gezicht. Hij bleef op vijftien pas afstand van ons staan. Ik zal de verschijning nooit vergeten. Hij was ongeveer zes voet lang; hij had eene breede borst en zijne armen hadden eene ongeloofelijke spierontwikkeling. Zijne groote, grijze, diepliggende oogen schitterden met eenen woesten glans, en zijn gelaat had eene duivelachtige uitdrukking. Zoo verscheen de koning der Afrikaansche wouden vóór ons.

"Hij verschrikte niet voor ons gezicht. Hij bleef op dezelfde plaats staan en sloeg zich op de borst met zijne lange vuisten, die haar deden weerklinken als eene groote trom. Zóó dagen zij hunne vijanden uit. Tegelijkertijd stiet hij snel achter elkander een woedend gebrul uit.

"Het gebrul van eenen gorilla is het vreemdste en verschrikkelijkste geluid, dat men in die bosschen kan hooren. Het begint met eene soort van kort afgebroken geblaf, als dat van eenen woedenden hond, en verandert daarna in een dof gebrom, dat zóó volkomen gelijkt op het rollen vanden donder in de verte, dat ik dikwijls meende, dat het donderde, als ik het dier hoorde zonder het te zien. Dat geluid klinkt zóó diep, dat men zou meenen, dat het uit de holten van borst en buik, en niet uit den mond en de keel afkomstig was. Terwijl wij onbewegelijk bleven staan, schitterden zijne oogen met eene schitterende vlam. De korte haren boven op zijnen kop rezen te berge en begonnen zich snel te bewegen, terwijl hij zijne krachtige hoektanden liet zien en zijn donderend gebrul deed hooren. Hij deed mij toen denken aan die fantastische scheppingen, half mensch, half dier, waarmede de verbeelding onzer oude schilders de onderwereld heeft bevolkt. Hij deed enkele stappen voorwaarts en bleef toen weder staan, om weder zijn vreeselijk gebrul te doen hooren; weer trad hij naar voren en bleef hij op tien pas van ons afstaan: wij vuurden af en doodden hem.

"Het gereutel, dat hij deed hooren, geleek zoowel op dat van een mensch als op dat van een dier. Hij viel met het gezicht op den grond. Het lichaam bewoog zich eenige minuten stuiptrekkend, terwijl de ledematen heen en weer schudden, daarna werd alles onbewegelijk; de dood had zijne taak volbracht. Ik had toen al den tijd om het lijk te bezichtigen en kon mij toen overtuigen, dat de spieren van borst en armen eene ontzaglijke kracht verrieden.

"Het is eene vaste wet bij alle jagers, die hun vak verstaan, dat men zijn schot moet sparen tot op het laatste oogenblik. Hetzij dat het woedende dier het afschieten van het geweer voor eene bedreiging aanziet, hetzij om eene onbekende andere reden, zoodra de jager schiet en mist, werpt zich de gorilla op hem, en niemand kan dien vreeselijken aanval weerstaan. Een enkele stomp met zijne met nagels gewapende achterhand, scheurt reeds den buik open, verbrijzelt de borst of verplettert het hoofd. Men heeft negers gezien, die door schrik tot wanhoop gebracht, den gorilla wilden slaan met hun ontladen geweer; maar zij hadden zelfs den tijd niet, om eenen niets vermogenden slag toe te brengen, de arm van hunnen vijand viel met zijn volle gewicht op hen neer, en verbrijzelde tegelijkertijd het geweer en het lichaam van den ongelukkige. Ik geloof niet, dat er één dier is, wiens aanval voor den mensch zoo noodlottig is, daar hij zich recht overeind tegenover zijnen vijand plaatst, met zijne armen als aanvalswapenen evenals een bokser, met dit onderscheid, dat zijne armen veel langer en veel sterker zijn dan die van den sterksten bokser der wereld. Het wijfje valt den jager nooit aan; toch hebben negers mij verhaald, dat eene moeder, die haar jong bij zich heeft, somtijds vecht om het te verdedigen. Het is een aardig schouwspel, om de moeder te zien, vergezeld van haar jong, dat naast haar speelt. Ik heb dikwijls in de wouden er op geloerd, daar ik verlangend was, exemplaren voor mijne verzameling te hebben maar op het laatste oogenblik had ik den moed niet te schieten. Mijne negers waren in soortgelijke gevallen niet zoo zwak: zij doodden hunne prooi zonder tijdverlies.

"Als de moeder de vervolging van den jager tracht te ontvluchten, omvat het jong haren hals met zijne voorhanden, terwijl het de korte achterhanden om haar lichaam slaat."

Du Chaillu heeft niet alleen studies gemaakt op den in vrijheid levenden gorilla, maar ook op jonge gorilla's, die hij trachtte op te voeden.

"Eenige jagers, die in de bosschen gejaagd hadden, zoo schrijft hij, brachten eenen levenden gorilla bij mij. Ik kan de gewaarwordingen niet beschrijven, die ik gevoelde, bij het gezicht van dat kleine dier, dat zich verdedigde, terwijl men het met geweld in het dorp voortsleurde. Dat enkele oogenblik beloonde mij voor al de vermoeienissen, die ik in Afrika had doorgestaan

"Het was een klein dier van twee of drie jaren, 2 1/2 voet lang, en even woest en ongehoorzaam als een volwassen gorilla.

"Mijne jagers hadden het op de volgende wijze gevangen. Zij waren met hun vijven op weg naar een dorp aan de kust en trokken stil het bosch door, toen zij een geschreeuw hoorden, dat zij dadelijk herkenden als dat van eenen jongen gorilla, die om zijne moeder riep. Overigens was alles in het bosch rustig; het was bijna middag; zij besloten zich te begeven naar de zijde, van waar het geschreeuw kwam, dat zich ten tweeden male deed hooren. Het geweer in de hand slopen zij zoo zacht mogelijk het struikgewas binnen, waar de kleine gorilla moest wezen; uit enkele aanwijzingen bleek het, dat de moeder niet ver af was; het was zelfs niet onmogelijk, dat het mannetje, de gevaarlijkste van alle, zich eveneens in de nabijheid bevond. Toch aarzelden de flinke mannen niet, om alles te wagen, en zoo het mogelijk was eenen levenden gorilla te vangen, wetende welk een genoegen zij mij daarmede deden.

"Zij zagen de struiken bewegen; zij drongen iets meer naar voren, stil als de dood, en hunnen adem inhoudend. Weldra zagen zij een jongen gorilla zitten, die enkele zaadkorrels opat, die nauwelijks uit den grond waren opgeschoten; op enkele schreden daarvan af zat ook de moeder te eten. Zij besloten los te branden; het was hoog tijd, want op het oogenblik, dat zij hunne geweren ophieven, zag de moeder hen; zij hadden nog juist den tijd, om vuur te geven. Gelukkig wondden zij haar doodelijk.

"Zij viel neder. De kleine gorilla vloog, toen zij het schot hoorde, naar hare moeder, en verborg zich aan hare borst. De jagers vlogen met eenen triomfkreet naar het lijk toe; maar door die kreten opgeschrikt, vlood het jonge dier naar eenen boom en klauterde het vlug in den top, waar het bleef zitten.

"Onze jagers waren zeer verlegen, hoe het te bereiken; zij hadden geen lust, zich bloot te stellen aan zijne beten, en aan den anderen kant wilden zij niet op het dier schieten. Eindelijk besloten zij den boom te vellen en een schort over den kop van het dier te werpen; toch werd één der mannen zwaar aan de hand gewond, en een ander werd aan de dij getroffen.

"Men bouwde eene kleine hut van sterk bamboes, met stevige spijlen, die ver genoeg uit elkander stonden, om den gorilla te kunnen waarnemen, en om hem in de gelegenheid te stellen zelf ook naar buiten te zien. Hij werd met geweld daarin geworpen en voor het eerst kon ik rustig het schouwspel waarnemen. Het was een jong, mannelijk dier, dat zeker nog geen drie jaren oud was, en was bijzonder sterk voor zijnen leeftijd. Zijn gezicht en zijne handen waren zwart, zijne oogen lagen niet zoo diep als bij volwassen gorilla's. De haren van zijn hoofd begonnen bij zijne wenkbrauwen en stonden op de kruin van zijn hoofd rechtop; daar waren zij roodachtig bruin van kleur, aan beide zijden van het gelaat liepen zij weder af tot aan de benedenkaak, waar zij als het ware bakkebaarden vormden.

"Toen ik den kleinen aap stevig in zijne kooi opgesloten zag, naderde ik de kooi, om hem eenige woorden van bemoediging toe te spreken. Hij week naar het verste uiteinde terug, maar zoodra ik vooruitkwam, begon hij te brullen en wierp hij zich tegen mij aan, zoodat hij, niettegenstaande ik zoo ver mogelijk achteruit ging, mijn' broek greep en die met een van zijne pooten verscheurde; daarna keerde hij snel naar zijnen hoek terug. Die aanval maakte mij voorzichtiger; toch wanhoopte ik er niet aan, dat ik hem eindelijk temmen zoude. Maar hij stierf spoedig."

De negers beschouwen zich als de neven der orang-oetans. Zij zien in den chimpansee een bijzonder menschenras, dat om zijn slecht gedrag buiten de menschelijke maatschappij geworpen is, en dat om zijne volharding in het kwaad langzamerhand tot zóó laag is afgedaald, als het nu gekomen is. Toch eten zij de apen op, die zij gedood hebben. Kapitein Grandpret verhaalt de geschiedenis van eene vrouwelijke chimpansee, die de merkwaardigste bewijzen gaf van een ontwikkeld verstand:

"Het dier bevond zich op een schip, waarmede het naar Amerika moest vervoerd worden. Men had het geleerd, den oven te stoken, en het kweet zich van die taak tot tevredenheid van allen; het zorgde er goed voor, dat de gloeiende kolen niet op den grond vielen, en wist zeer goed te zien, of de oven den vereischten warmtegraad verkregen had. Dan begaf het zich naar den bakker, en waarschuwde hem door duidelijk te begrijpen teekenen; deze vertrouwde dan ook ten volle op de hulp van het dier en lette nooit op het vuur. Het kon alle plichten van eenen matroos vervullen met evenveel behendigheid als verstand, kon den ankerketting ophijschen en de zeilen inhalen en werkte zóó goed dat de matrozen het dier als hunnen makker beschouwden. Ongelukkig stierf het prachtige dier vóór de landing, door de wreedheid van den loods. Deze had het mishandeld, zonder te letten op de smeekingen van het dier, dat de handen vouwde als een smeekeling, om het hart van den vervolger tot zachtheid te stemmen. Doch de loods volhardde in zijne wreedheid. Het arme dier verdroeg geduldig alle mishandelingen, maar van dat oogenblik af weigerde het alle voedsel, en stierf het vijf dagen later van honger en smart. De geheele bemanning weende, alsof een matroos gestorven ware.

"Brosse had twee chimpansees naar Europa medegebracht, een mannetje en een wijfje, die aan tafel aanzaten als menschen, van alles aten en zich van mes, lepel en vork bedienden. Zij dronken al onze dranken; zij hielden vooral van wijn en brandewijn. Als zij iets noodig hadden, riepen zij de kajuitsjongens, als hun iets geweigerd werd, werden zij boos, grepen zij hen bij den arm, beten hen en wierpen hen op den grond. Toen het mannetje eens ziek was, werd hij door den scheepsdokter adergelaten; later stak hij, zoo dikwijls hij zich ongesteld gevoelde, den arm uit naar den dokter.

"De chimpansee, die door Buffon werd grootgebracht, liep bijna altijd rechtop, zelfs als hij zware voorwerpen droeg. Hij had een ernstig en droevig voorkomen, al zijne bewegingen waren verstandig en bedaard. Hij had geen enkel van de walgelijke gebreken der bavianen, maar was niet zoo aardig als gewoonlijk de groene meerkatten zijn. Een woord of een teeken van zijnen meester was voldoende, om hem te doen gehoorzamen. Hij bood den arm aan hen, die Buffon kwamen bezoeken en wandelde met hen; hij plaatste zich aan tafel, kende het gebruik van een servet, veegde zich iederen keer, dat hij gedronken had, den mond af, schonk zich zelf wijn in en klonk met zijne buren. Hij haalde een kopje en schoteltje voor zich, deed er suiker in, schonk thee daarin en liet het koud worden vóórdat hij er van dronk. Nooit deed hij iemand kwaad; integendeel: hij naderde de bezoekers zeer beleefd, en werd gaarne geliefkoosd. Al de vrienden van Buffon hielden veel van zijnen _bediende_ en brachten hem beschuitjes en vruchten. Ongelukkig stierf hij binnen het jaar aan de tering.