De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 36

Chapter 363,572 wordsPublic domain

Dinotherium Mioceen. Mastodon Mioceen. Elephas meridionalis Plioceen. Elephas antiquus Quaternair. Elephas primigenius (Mammouth) Quaternair. Tegenwoordige olifanten.

In het begin der quaternaire periode is de elephas meridionalis verdwenen, om plaats te maken voor zijnen opvolger, den elephas antiquus. Kudden van die dieren wandelden rustig in de onmetelijke wouden, waar thans Parijs schittert. [56]

De elephas antiquus kenmerkt de eerste periode van het quaternaire tijdvak, de elephas primigenius de tweede, koudere periode, de rhinoceros tichorinus de derde, en het rendier de vierde periode. Dit geldt ten minste voor Europa. In Amerika is dit echter eenigszins anders.

Een groot aantal der tegenwoordige landdieren bestond reeds in het begin der periode waarin zich vele nieuwe typen vormden. Er is dus een onmerkbare overgang van de quaternaire dierenwereld tot die van onzen tijd; de twee tijdperken zijn dan ook veeleer gescheiden door het eindigen der natuurkundige en klimatologische verschijnselen der glaciaire en diluvium-periode en door het intreden van de tegenwoordige kalmte dan door een verschil in de planten- en dierenwereld. Dit is zelfs zóó waar, dat terwijl vele tegenwoordige dieren opklimmen tot de quaternaire en zelfs tot de tertiaire periode, verscheidene quaternaire soorten eerst in den tegenwoordigen tijd zijn uitgestorven. De mammouth heeft zeer lang voortgeleefd, de urus leefde in de 14de eeuw nog in Nederland in het wild, de bison of aueros is zelfs nog niet geheel verdwenen in Lithauen en den Caucasus.

In Europa waren de quaternaire zoogdieren, beren, leeuwen, hyena's, rhinocerossen, olifanten, herten, runderen, bijna alle reusachtig groot; buitendien had men insecteneters, knaagdieren, verscheurende dieren, herkauwende dieren, paarden, wilde zwijnen enz., waarvan de meeste soorten nog bestaan. De holenbeer was zoo groot als het paard, de mammouth was veel grooter dan zijne tegenwoordige stamgenooten en had ontzaglijke spiraalsgewijze gebogen slagtanden; het hert der venen was minstens zoo groot als onze ossen, en sommige ossen hadden ontzaglijke afmetingen. Dat dieren der gematigde en koude luchtstreken op dezelfde plaatsen gevonden werden als dieren, die wij gewoon zijn te beschouwen als bewoners der warme landen, behoeft ons niet meer te verwonderen, nu wij weten, dat de mammouth en de rhinoceros met door een tusschenschot gescheiden neusgaten bedekt waren met een dik kleed van wol en haren, zooals blijkt uit de in het ijs van Siberië gevonden exemplaren. Het is dus niet vreemd, dat men de overblijfselen van holenberen en hyena's, rhinocerossen, den mammouth, den struisvogel, het paard, het rendier, den veelvraat, en den muskusos der poolstreken bij elkander vindt. De glaciaire periode heeft lang geduurd; van daar dat de landdieren, om de gestrengheid van het klimaat te kunnen doorstaan, langzamerhand bedekt zijn met eenen dikken pels.

In Amerika is het diluvium zeer uitgestrekt en daarbij rijk aan beenderen; doch de dierenwereld wijst groote verschilpunten aan met die van Europa. Zoo vindt men in het slijk en het tufkrijt der onmetelijke vlakten van la Plata, in zuid-Amerika, Pampa's genoemd, een groot aantal zoogdieren, waarvan de geraamten in hun geheel voorkomen, en waaronder men vooral reusachtige tandelooze dieren opmerkt, zooals het megatherium en den mylodon, waarmede wij tijdens de pliocene periode kennis hebben gemaakt, en die in Europa voorkomen, en den vreemdsoortigen megalonyx, die meer eigen is aan het Amerikaansche vasteland (fig. 311). Men vindt er ook reusachtige pantserdieren, waarvan de glyptodon het merkwaardigst was, naast paarden, tapirs, bevers enz., terwijl de meest voorkomende en merkwaardigste dieren der Europeesche quaternaire dierenwereld, de mammouth, de rhinoceros, het nijlpaard, de holenbeer geheel ontbreken.

De glyptodon (fig. 312) was een reusachtig pantserdier, dat meer dan drie meters lang was, het was omgeven en beschermd door een dik pantser, bestaande uit beenige, stevig verbonden stukken.

In Australië waren de quaternaire zoogdieren uitsluitend buideldieren; dit is nog thans het geval, doch de tegenwoordige vertegenwoordigers dier orde zijn dwergen in vergelijking van die van vroeger.

In Nieuw-Zeeland waren de zoogdieren evenals thans uiterst zeldzaam; men vindt daar reuzenvogels, die vier meters hoog waren en wier eieren, van 32 tot 34 centimeters lang, eenen inhoud hadden van negen liters.

Al deze feiten bewijzen ons, dat in de quaternaire periode de dierenwereld in verschillende streken reeds evenveel uiteenliep, als thans het geval is.

In het volgende hoofdstuk zullen wij ons bezighouden met het tijdstip van het verschijnen van den mensch; reeds nu kunnen wij echter mededeelen, dat men in het diluvium en in de holen uit het begin der quaternaire periode niet alleen geslepen vuursteenen, bewerkte beenderen, schetsen van dieren en een aantal sporen van de primitieve industrie der oudste tijden, maar ook fossiele overblijfselen van den mensch gevonden heeft. De eerste menschen zijn dus getuige geweest van de hier beschreven verschijnselen; zij hebben de overstroomingen der diluviaansche periode bijgewoond, hebben de ontzaglijke uitbreiding der gletschers kunnen zien, hebben bergketenen zien verrijzen, en de geboorte van een groot aantal diersoorten kunnen waarnemen. Doch zij waren nog geene waarnemers. Hunne aandacht was alleen gewijd aan de gevaren, waaraan zij waren blootgesteld, en de dieren, die hun leven in gevaar brachten. In de eerste verhalen spelen monsters en reuzen de hoofdrol, en de overleveringen van alle volkeren vermelden overstroomingen en zondvloeden, die door de legende geheel veranderd en onkenbaar gemaakt zijn.

Het is hier de plaats niet, de nog zoo duistere geschiedenis van de eerste tijden der menschheid te ontwarren; alleen vermelden wij, dat men overal de sporen van verschillende menschenrassen gevonden heeft; dat de oudste schijnen overeen te komen met de laagste volksstammen van zuid-Afrika en Australië, en dat verscheidene stammen menscheneters waren. Slechts langzaam, en na verloop van eeuwen, is de menschheid van den toestand van wilden tot dien van barbaren en daarna in dien van beschaafde wezens overgegaan.

Het gebruik van steenen werktuigen is dat der metalen voorafgegaan; in die steenperiode kan men, overeenkomstig den graad van volkomenheid der gebruikte vuursteenen werktuigen, twee voorname perioden onderscheiden; de paleolithische periode, waarin de werktuigen alleen geslepen zijn, de neolithische periode, waarin die werktuigen fijner bewerkt en meestal gepolijst zijn.

Het is zeker, dat de mensch reeds langen tijd op aarde bestaat. De geschreven oorkonden brengen ons slechts 5000 tot 6000 jaren terug, de oudste overblijfselen van gebouwen zijn misschien twintig eeuwen ouder, doch veel verder dan die korte historische periode, die nauwelijks den duur van 150 menschengeslachten overschrijdt, strekt zich de periode der overlevering uit. In dien tijd verbond de menschheid, tot zelfbewustzijn komend, de eeuwen aan elkander door legenden, gezangen, symbolen, en de herinnering van gewichtige gebeurtenissen. Volksverhuizingen, rassenoorlogen, vernietigingen en samensmeltingen van volksstammen, de veroveringen van den arbeid, werden in den godsdienst opgenomen, en werden onder meer of minder gewijzigden vorm van geslacht tot geslacht overgeleverd als het erfdeel der volkeren. Nog vroeger, in het onbekende verleden der tijden, leefden onze voorouders evenals de dieren in de bosschen en holen. De overlevering zwijgt, evenals de geschiedenis, van die periode van de menschheid; doch de aardformaties, in onzen tijd door de geologen geraadpleegd, beginnen ons het bestaan en de zeden van die eertijds onbekende voorouders te openbaren.

In de laatste tijden zijn zóóvele overblijfselen van menschen, zóóvele vruchten van menschelijke industrie ontdekt, dat er geen twijfel meer kan bestaan aan den ouderdom der menschheid. Niet alleen bewoonden onze voorouders de bosschen tegelijk met de bisons, maar zij leefden reeds vóór dien tijd in de ijsperiode, toen Frankrijk en Duitschland het voorkomen hadden van het tegenwoordige Scandinavië, en de rendieren, thans verbannen naar de poolstreken, de gletschers der Alpen en Pyreneën doorliepen. Nog vroeger reeds, in een' tijd, toen het Europeesche klimaat, dat later zoozeer zou afkoelen, veel warmer was dan thans, had de mensch uit de holen thans uitgestorven soorten van rhinocerossen en olifanten tot tijdgenooten, en reeds oefenden zich kunstenaars, nederige voorgangers van Phidias en Raphaël, om op hunne gereedschappen beeldjes van vrouwen en beelden van mammouthen en herten te snijden, die in de klei der holen bewaard zijn gebleven. En nog vóór dien tijd vindt men den mensch, om de heerschappij kampend tegen zijnen ontzagwekkenden vijand den holenbeer, waarvan eveneens teekeningen op steen bewaard zijn gebleven; en nog verder terug zelfs, in de onmetelijke duisternis der eeuwen, leeren ons andere overblijfselen, die van den elephas antiquus en den elephas meridionalis, dat onze voorouders geboren waren in eene periode, waarvan men vroeger meende, dat zij door eene reeks van plotselinge omwentelingen van de onze gescheiden was.

Zoo hebben wij dan de laatste der geologische perioden geschetst. Bij het optreden van den mensch is het doel van dezen arbeid bereikt, en valt het buiten onze taak, om ons in bijzonderheden bezig te houden met de eerste tijden der menschheid. Ons doel was alleen, aan te toonen, hoe de levende natuur door de ontwikkeling der soorten geleidelijk is overgegaan van het protaplasma tot den mensch, op eene planeet die langzamerhand bewoonbaar is geworden, nadat zij nevelvlek en zon geweest is.

Toch achten wij het, vóórdat wij onze taak als geheel voleindigd beschouwen, noodig, te trachten uit al het voorgaande de groote onbekende op te lossen, de _Schepping van den mensch_. Onze lezers zijn thans volkomen voorbereid, om zich aan die oplossing te wagen. De vrucht is rijp; men behoeft slechts de hand uit te strekken om haar te plukken. En _deze_ vrucht is inderdaad de vrucht van den boom der kennis, en het is niet verboden haar aan te raken.

TWEEDE HOOFDSTUK

De Schepping van den Mensch.

Men zoude kunnen meenen, dat het juister geweest ware, tot titel van dit werk te kiezen: _De wereld vóór het optreden van den mensch_ dan _de wereld vóór de schepping van den mensch_. Doch bij de tegenwoordige opvatting der wetenschap zijn beide uitdrukkingen volkomen aan elkander gelijk. De studie der natuur heeft ons in den loop van dit werk geleerd, dat de beteekenis vroeger aan het woord _schepping_ gehecht, niet de juiste is, en dat men nergens eene eigenlijk gezegde schepping waarneemt. Nog nooit heeft men _iets_ uit _niets_ zien voortkomen. Niet alleen dat geen enkel levend wezen, hoe laag ontwikkeld ook, geen stroohalm of mos uit niets ontstaat, maar zelfs niet de nietigste stof, de minste molecule, of de minste hoeveelheid warmte, licht en electriciteit, geene enkele kracht en geen enkel atoom ontstaat uit niets. Voor hem, die vrij en zonder vooringenomenheid het schitterend schouwspel van het levende heelal bestudeert, is dat heelal in al zijne onderdeelen eene geleidelijke ontwikkeling van zaken en wezens. Wij moeten dus onder het woord _schepping_ verstaan _natuurlijke ontwikkeling_. In dien zin opgevat kunnen wij onzen titel behouden. De mensch is niet plotseling verschenen, maar geleidelijk geschapen door de krachten der natuur.

Wij willen daarmede volstrekt niet zeggen, dat de studie der natuur ons er toe leiden moet het bestaan eener _grondoorzaak_ te ontkennen, die blijvend inwerkt in de ontwikkeling van het heelal, eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling van wezens en zaken bestuurt met eene bedoeling, die ons tot nu toe onbekend is. Het is van belang, dat wij de grenzen der wetenschap nauwkeurig kennen. Dwaasheid zou het zijn te beweren, dat men niets weet; men weet veel, en ieder rechtgeaard mensch moet doordrongen zijn van dankbaarheid jegens de onderzoekers van alle eeuwen, die hun geheele leven gewijd hebben aan den arbeid, en wier onderzoekingen der menschheid de schatten van den geest en de materieele rijkdommen geschonken hebben. Doch indien men veel weet, men weet niet alles, en de proefondervindelijke wetenschappen hebben hare grenzen, zij kan de belangrijke vraag omtrent het bestaan der Godheid en de onsterfelijkheid der ziel niet oplossen, en zeker niet in ontkennenden zin. Het is de plicht van iederen denker, die de waarheid liefheeft, vrijmoedig te zeggen wat hij weet. De philosophische stelsels, die uit naam der wetenschap het bestaan der menschelijke ziel ontkennen, zien slechts ééne zijde van de schepping en dat wel niet de schoonste zijde. Het is zeer zeker moeilijk, zich los te maken van iedere keten en vrij te denken, doch dit is dan ook 's menschen grootste verdienste en de beste oefening van onzen geest.

De schepping van den mensch begint niet met den titel van dit hoofdstuk; zij klimt door haren oorsprong tot de eerste bladzijden van dit boek op. Onmerkbaar, geleidelijk, hebben zich de wezens ontwikkeld tot die hoogte, waarop thans de menschheid staat. Het is even onmogelijk te zeggen, wanneer de mensch begonnen is, als wanneer de roos begonnen is. Aanschouw die prachtige roos uit onze tuinen, met hare menigvuldige bloembladeren, adem haren heerlijken geur in, bewonder hare zoo zachte kleurschakeeringen en zoek naar haren oorsprong. Gij zult opklimmen tot de wilde roos en tot den hagedoorn, maar het is de roos niet meer. Zoek naar den oorsprong van de zoo schoone en saprijke perzik; zoek naar den oorsprong van de lelie of de orchidee; en tot den oorsprong opklimmend, verliest gij ongemerkt het voorwerp van uw onderzoek uit het oog. Van de tegenwoordige aarde, bedekt met de voortbrengselen der strijdende menschheid, bezaaid met velden, weiden, steden, dorpen, wegen, spoorwegen, klimt gij ongemerkt op tot de aarde der iguanodons, dinosauren, labyrinthodonten, tot het primaire tijdperk, tot de nevelvlek. Alles is overgang, verandering, ontwikkeling.

Het verschil tusschen middernacht en middag is groot, en toch is het onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik de dag begint. Zoo is het ook met den mensch.

Indien wij de menschheid in haren tegenwoordigen toestand beschouwen, dan zijn wij geneigd te gelooven, dat zij altijd geweest is, zooals wij haar thans zien. Toch zien wij zelf hare ontwikkeling vóór ons en kunnen wij ons rekenschap geven van de snelheid, waarmede alles verandert. Wij kunnen ons reeds moeilijk den tijd voorstellen, toen er geen spoortreinen of telegrafen waren, en toch is dit nog zoo kort geleden. Onze voorvaders zouden hunne oogen niet gelooven, als zij eenen trein zagen, die in 60 uren van Parijs naar Konstantinopel vloog en hoorden, dat dit wonder alleen gewrocht wordt door den damp van eenige liters kokend water. Wij zien steden, gezellige huizen, door glas afgesloten, komediegebouwen, academies en kerken; wij zien kleeren en meubelen; wij hooren muziek, wij lezen dagbladen en boeken, en zijn geneigd te meenen, dat dit alles altijd bestaan heeft. Doch inderdaad heeft zich dat alles geleidelijk ontwikkeld.

De mensch heeft zich zelf vroeger gemaakt tot datgene wat hij thans is, en maakt zich zelf thans tot datgene wat hij morgen zal zijn. Lichaam, geest, zeden, denkbeelden, taal, alles verandert, en dat wel snel genoeg.

De taal, die wij thans spreken, is eene geheel andere dan die van voor duizend jaren. Onze voorouders uit dien tijd zouden ons niet meer verstaan. Geleidelijk heeft de mensch zijne taal, zijne denkbeelden, zijne geestesgaven verworven; geleidelijk is de menschheid geworden wat zij thans is. Wij moeten echter zeggen: de beschaafde menschheid; op onze planeet, vooral in centraal-Afrika, in het zuiden van Amerika en op de eilanden van de Stille Zuidzee vindt men nog groepen van wezens, die wel menschen genoemd worden, maar die daarmede niets anders dan den vorm gemeen hebben. En wat voor vorm! De wilde volksstammen, die ongeschikt zijn tot het bevatten der eenvoudigste denkbeelden, die minder ontwikkeld zijn dan verscheidene van onze huisdieren, die onvatbaar zijn voor elke opvoeding, die geene geschiedkundige herinneringen hebben, die niet verder kunnen tellen dan de vijf vingers der hand, die voor hun eigen kroost geen dieper gevoel hebben dan sommige soorten van apen, vogels of kangoeroe's, die laag ontwikkelde wezens kunnen nog niet worden ingeschreven in de rijen der menschheid, wier verstandelijke ontwikkeling wij zoo even prezen.

De verwantschap van den mensch met de wezens, die hem zijn voorafgegaan, wordt door een aantal onwederlegbare feiten bewezen. Die feiten kunnen in verschillende klassen worden gerangschikt en zijn voornamelijk de volgende: 1º. De vergelijkende ontleedkunde toont de overeenkomst in bouw aan van het lichaam van den mensch en de hoogste diersoorten, van het geraamte tot de organen en de geringste bijzonderheden van het lichaam; 2º. de physiologie leert, dat het meest kenmerkende orgaan van den mensch, de hersenen, zich geleidelijk bij de dieren ontwikkeld heeft om langzaam en zonder plotselingen overgang te eindigen in de hersenen van den mensch; 3º. de waarneming van het verstand der dieren bewijst, dat zij in minderen graad alle verstandelijke vermogens van den mensch bezitten, gewoonlijk in rudimentairen toestand, doch somtijds ook op merkwaardige wijze ontwikkeld; 4º de physische en geestelijke verwantschap van den mensch met de hoogere dieren heeft duidelijke sporen nagelaten in de afgestorven (geatrophieerde) organen van den mensch, die het erfdeel zijn der oorspronkelijke voorouders, en in de gevallen van terugslag (atavisme) of terugkeer tot den oorsprong; 5º. de embryologie (leer der ongeboren vrucht) toont aan, dat zelfs nu nog ieder menschelijk wezen in den moederschoot, alle vroegere dierlijke phasen doorloopt, en dat ieder van ons, vóórdat hij mensch werd, ei, kruipend dier en zoogdier geweest is; 6º. de geologie en de paleontologie leveren van het voorgaande de proef op de som, daar de wezens, wier versteening wij terugvinden, eene geleidelijke ontwikkeling vertoonen, van de plant- en weekdieren tot aan den mensch.

Van al deze feiten, die te zamen de bouwstof leveren voor de oplossing van het groote vraagstuk, heeft de zesde reeks het onderwerp van dit werk uitgemaakt, en onze lezers hebben het belang en de waarde dier feiten zelf kunnen beoordeelen. De vijf andere hebben wij in grove trekken geschetst, in het gedeelte, dat handelde over den oorsprong en de ontwikkeling van het leven; wij moeten echter thans nog eens de voornaamste van die bewijsgronden voor oogen nemen en trachten te ontdekken, uit welke diersoort de menschheid is ontstaan, en wanneer die belangrijke wijziging heeft plaats gegrepen.

Wij zeiden dan in de eerste plaats, dat de vergelijkende ontleedkunde aantoont, dat er eene groote overeenkomst is in den bouw van den mensch en de hoogere dieren. Dit weet tegenwoordig iedereen. Er is niemand meer, of hij heeft honderden malen opgemerkt, zonder dat hij daarom een groot waarnemer behoeft te zijn, hoe groote overeenstemming er is tusschen de ligging der voornaamste organen bij ossen, kalveren, schapen, paarden enz. en die van den mensch. Gaan wij in ons onderzoek iets verder, en bestudeeren wij de hersenen, het hart, de longen, de ledematen, het hoofd, de tanden, oogen, ooren, handen enz. dan ziet men zeer spoedig, dat ons lichaam in alle bijzonderheden gebouwd is naar hetzelfde type als dat der hoogere zoogdieren. Indien men nog verder gaat, en onderzoekt, welke der hoogere zoogdieren in anatomischen bouw en physiologische eigenschappen de grootste gelijkenis vertoonen met ons lichaam, dan bemerkt men reeds spoedig, dat het de apen zijn.

Dit is een _feit_, dat door geene vooroordeelen is weg te redeneeren. Wil dat nu zeggen, dat die gelijkenis voldoende is, om daaruit af te leiden, dat wij van de apen afstammen? In geenen deele. Bovendien zou men dan nog moeten onderzoeken, _van welken aap_ de mensch zou zijn afgestamd. Wij moeten niet te snel vooruit willen, doch evenmin mogen wij de oogen sluiten. Ons lichaam is evenzoo gebouwd als dat der hoogere dieren. Indien de mensch de vrucht ware van eene afzonderlijke schepping, dan zou die overeenkomst met andere levende soorten geen reden van bestaan hebben. Zij zou zelfs bijzonder vreemd, onverklaarbaar en vernederend zijn. Doch indien wij de hoogste tak zijn van den boom des levens, dan kan alles langs natuurlijken weg verklaard worden.

Indien wij het geraamte der apen, die in hunnen bouw het meest met den mensch overeenkomen, met het geraamte van den mensch vergelijken, dan valt het niet te ontkennen, dat er eene treffende overeenstemming bestaat. De geheele bouw, de ribben, de beenen, de armen, de wervelkolom, de kop maken den indruk van eene groote gelijkenis. Toch openbaren zich verschilpunten in de bijzonderheden. De schedel der apen is dierlijk, de armen zijn zeer lang, en vooral geeft de rechte stand den mensch iets edels, waarop de andere dieren geen aanspraak kunnen maken. Doch gevoelt men niet de trapsgewijze opklimming van het dierlijke geraamte tot dat van den mensch? Indien men het geraamte van een viervoetig dier, hond, paard of leeuw (fig. 303) vergelijkt met dat van den oerang-oetan, dan gevoelt men, dat er een grootere afstand is tusschen het paard of den leeuw en den aap, dan tusschen den aap en den mensch. Toch kan de leeuw beschouwd worden als een der hoogste dieren; zijn blik, zijne fierheid, zijn voorkomen hebben reeds iets menschelijks (fig. 315).

Indien wij na de beschouwing van het geraamte iets verder gaan en den geheelen lichaamsbouw bestudeeren; en vooral als wij de verstandsontwikkeling, de levenswijze en de zeden der apen bestudeeren, dan komt de gelijkenis met de menschheid, en vooral met de lagere rassen, meer en meer aan het licht. Wel is waar gelijken zij op ons van onze meest ongunstige zijde beschouwd; maar zij zijn sluw en verstandig. Laat ons hooren, wat één der uitstekendste waarnemers, Brehm, die niet veel van de apen schijnt te houden, daaromtrent zegt. Hij die met aandacht de volgende beschrijving, van de natuur afgezien, leest, zal den indruk verkrijgen, dat er alleen een verschil in graad, en niet in wezen bestaat tusschen den aap en den onbeschaafden mensch.

"Men kan niet ontkennen," zoo schrijft genoemde natuuronderzoeker, "dat zij ondeugend, kwaadaardig, valsch, driftig, haatdragend, in ieder opzicht wellustig, twistziek, vechtlustig, heerschzuchtig, prikkelbaar en gemelijk zijn, in één woord, dat zij de verachtelijkste hartstochten bezitten; zij stellen er een boosaardig genot in, om alle soorten van gemeene streken uittehalen; maar toch moeten wij erkennen, dat zij dikwijls voorzichtig en vroolijk, zacht en goedaardig zijn en vriendschap en vertrouwen betoonen; zij zijn van eene gezellige natuur, moedig, aan hunne medeapen gehecht, en verdedigen ze moedig, zelfs tegen vijanden, die hen in kracht overtreffen. Zij openbaren eene zekere grootheid in hunne liefde voor hun kroost, in hun medelijden voor de zwakkeren, niet alleen van hun eigen ras of familie, maar ook voor de kleinen van andere soorten of klassen.