De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 33
Hoe het mogelijk is, dat genoemde natuuronderzoeker in dit geraamte een mensch heeft kunnen zien, blijft een raadsel (zie fig. 291). Cuvier zeide reeds: "Neem een geraamte van eenen salamander en leg het, zonder u te laten in de war brengen door het verschil in grootte, naast de versteening, hetgeen gemakkelijk is, indien men eene teekening van eenen salamander op de natuurlijke grootte vergelijkt met de teekening der versteening op 1/6 der ware grootte, en alles wordt u duidelijk. Indien men over de versteening mocht beschikken, dan zou men zeker in de wervels, in de kaken, in de sporen van zeer kleine tanden en zelfs in het doolhof van het oor nog een aantal nieuwe bewijzen daarvan vinden."
De groote natuuronderzoeker had de voldoening, zelf het onderzoek te mogen doen, waarvan hij in het bovenstaande sprak. Toen hij te Haarlem was, vroeg hij den bestuurder van het Museüm, om den steen te mogen uithollen, die den zoogenaamden fossielen mensch bevatte. De bewerking had plaats in tegenwoordigheid van den bestuurder en eenen anderen natuuronderzoeker. Eene teekening van het geraamte van eenen salamander was door Cuvier naast het fossiele voorwerp geplaatst. Hij had de voldoening, dat naarmate het geraamte meer werd blootgelegd, de juistheid zijner onderstelling meer en meer werd bevestigd.
Zoo geraakte de salamander van Oeningen, die een oogenblik veranderd was in een fossiel mensch, weder in vergetelheid, zooals dit het geval geweest is met een aantal dergelijke ontdekkingen, hetzelfde onderwerp betreffende. De werkelijke overblijfselen van eenen fossielen mensch zijn eerst in onze eeuw gevonden, zooals wij later zullen zien.
In diezelfde miocene periode heeft de vogel, niet meer de reptiele, maar de werkelijke vogel, voor goed bezit genomen van den dampkring. Het is nu niet meer de archeopteryx alleen, die in de cycadeënbosschen fladderde, zonder zich van de moerassen te verwijderen of de toppen van bergen op te zoeken, die nog niet bestonden. Er ontstaan uitgestrekte vastelanden, met elkander door landengten verbonden. Wie anders dan de vogel zal ze het eerst bezoeken? Hij bezit doordringende oogen, om verre streken te ontdekken, en die verre streken nemen meer en meer toe en de aarde breidt zich uit en het vasteland ontwikkelt zich, naarmate hij vooruitgaat. Hij moet dus, in de plaats van den strammen vleugel van eenen archeopteryx, eenen onvermoeibaren vleugel verkrijgen.
Zoo is het vliegvermogen het uitvloeisel van den nieuwen vorm der aarde. In de Juraperiode was de vogel een gevangene. Hij kon zijne krachten en zijn instinct niet ontwikkelen, en daarom was zijn vleugel niets anders dan een arm, waarmede hij zich meer ophield, dan dat hij de lucht er mede doorkliefde. De tertiaire wereld ontrolt zich voor hem, en zie, nu vervolgt hij den steeds wijkenden gezichtseinder; zijn instinct is hem geopenbaard, hij vertrouwt zich aan de uitgestrekte ruimte toe. Een nieuw type ontstaat tegelijk met een nieuw heelal. Hoever zijn wij reeds verwijderd van het silurische weekdier of het kruipende dier uit de Juraperiode!
De vogel! de levende poëzie! de vrije vlucht, de vleugel, de vrijheid boven den beganen grond, het gezang, het nest, de liefde, het ei! alles tegelijk.
De levende natuur was stom gebleven tot aan het einde der primaire tijden. Bij het geraas van de golven, van den wind in de bladeren, den bliksem en het onweder, de orkanen en de stormen, waren de weekdieren, de visschen, de schaaldieren stom gebleven. De insecten begonnen te gonzen, de krekels klepten met hunne vleugels, de kikvorschen kwaakten, de eerste zoogdieren brulden, de reuzenhagedissen loeiden of schreeuwden. Maar nog geen enkel wezen had gezongen.
Doch daar verschijnt de vogel, de blauwe hemel, de bloem. De aarde volmaakt zich. Spoedig kan de menschheid geboren worden.
Liefelijke vogel, zinnebeeld van den vooruitgang, welkom op aarde! Beter dan alle vorige wezens openbaart gij ons de algemeene wet der schepping; van u leeren wij meer dan van de geheele geschiedenis der menschheid. Gij leert ons, dat in de goddelijke natuur alles streeft naar het schoone, naar harmonie, naar licht. Rustelooze bouw van het nest, duistere en heerlijke gewaarwordingen van den broeienden vogel, geboorte en opvoeding der jongen: is dat niet een beeld van de ontwikkeling der menschheid?
In de miocene periode zijn de vogels zeer talrijk. In de fossiele formaties van het departement l'Allier heeft Milne-Edwards meer dan 70 verschillende soorten van vogels gevonden, tot zeer verschillende groepen behoorend, zooals pelikanen, kraanvogels, marabu's, lepelaars, ibissen, zwaluwen, papegaaien, enz.; die vogels wijzen op een warmer klimaat dan het onze: het midden van Frankrijk moest dus hetzelfde klimaat hebben als thans centraal-Afrika.
De vooruitgang openbaart zich in alle afdeelingen van het dierenrijk. Wij hebben reeds in het vorige hoofdstuk gezien, dat de _dikhuidigen_, lophiodons, paleotheriums, anoplotheriums, naar alle waarschijnlijkheid zijn voortgekomen uit de _buideldieren_, en wel in het begin der eocene periode. Zoo hebben de dikhuidigen waarschijnlijk weder het aanzien geschonken aan de _herkauwende_ en de _verscheurende_ dieren.
De paleontologie wijst ons, zooals wij zagen, op fossiele soorten, die de voorouders kunnen zijn van sommige tegenwoordige verscheurende dieren; ook begint zij ons schakels te vertoonen, die soorten vereenigen, welke thans van elkander gescheiden liggen. Niet alle dieren, die men onder den naam van verscheurende dieren bijeenvoegt, hebben dezelfde voedingswijze: de leeuw eet versch vleesch, de hyena lijken, terwijl enkele beren evenzoo omnivoor zijn als de zwijnen. Hiermede hangen belangrijke verschillen in den vorm der tanden samen; naarmate de voeding van het dier meer tot die der verscheurende dieren behoort, zijn zijne tanden scherper en de hoektanden grooter; indien zijne levenswijze met die der omnivoren overeenkomt, dan krijgen de knobbelkiezen de overhand. Zoo komen ook de ledematen der verschillende dieren overeen met hunne levenswijze; de beer, die weinig loopt en in de boomen klimt, kan niet dezelfde ledematen hebben als de hond; de klauwen, waarmede de hond zijne prooi verscheurt, kunnen niet gevormd zijn als die van de hyena. De roofdieren worden dan ook in zes families verdeeld:
Beerachtige roofdieren, Marterachtige roofdieren, Hondachtige roofdieren, Hyena's, Civetkatten, Katachtige roofdieren.
Tusschen de verschillende families bestaan talrijke punten van overeenkomst. Niettegenstaande het groote verschil tusschen den hond en den beer kent men fossiele roofdieren, die weer het denkbeeld van verwantschap tusschen die dieren opwekken. Zoo b.v. de amphicyon: dat viervoetige dier, dat één der meest eigenaardige fossielen is van het midden der tertiaire periode, behoort zeker, zooals de naam aanwijst, tot de honden; dit is zelfs zóó waar, dat de paleontologen dikwijls moeite hebben, om de overblijfselen van den amphicyon te onderscheiden van die der honden. Toch was de amphicyon een zoolganger en misschien een klimmend dier, evenals de beren, terwijl de honden teengangers zijn en niet klimmen.
Er is eene fossiele soort, waarbij de verwantschap met de beren nog duidelijker uitkomt dan bij den amphicyon; wij bedoelen den hyaenarctos [49], die in de middelste miocene formatie gevonden is.
De hyena's verschillen tegenwoordig veel van de civetkatten, doch dit is niet altijd het geval geweest; door het onderzoek der tanden leert ons de paleontologie den overgang kennen tusschen de hyena's en de civetkatten.
De roofdieren der tegenwoordige tijden zijn door talrijke schakels aan die van vroeger verbonden; maar evenals vele grasetende dieren uitgestorven zijn en niet tot ons zijn gekomen, evenzoo is het ook zeker, dat enkele roofdieren alleen geleefd hebben in de geologische tijden en gestorven zijn, zonder kroost achter te laten. Gaudry geeft als voorbeeld den machoerodus [50]. Zooals de naam reeds aanduidt, bezat dat dier lange scheurkiezen, zoo scherp als het lemmet van een mes, waarmede het repen kon trekken uit de dikke huid der dikhuidige dieren; geen enkel dier van onzen tijd schijnt van dit roofdier af te stammen.
Wij hebben reeds opgemerkt, dat de zoogdieren in diezelfde miocene periode hunne grootste ontwikkeling schijnen verkregen te hebben. Sedert de langhische periode ziet men bij de placentaire landdieren de laatste karaktertrekken verdwijnen, die hen nog met de buideldieren verbonden. De snuitdieren verschijnen naast den mastodon en het dinotherium, die wij beide kunnen beschouwen als de voorboden der olifanten, waarmede zij trouwens talrijke aanrakingspunten vertoonen.
Het dinotherium is het grootste van alle ooit bestaan hebbende landzoogdieren. Langen tijd bezat men van dat dier slechts onvolledige overblijfselen, daardoor kwam Cuvier er ten onrechte toe, om het onder de tapirs te rangschikken. De ontdekking van eene bijna volledige benedenkaak, gewapend met eenen naar beneden gerichten slagtand, bewees, dat dit geheimzinnige wezen het type was eener nieuwe en tevens hoogst merkwaardige soort. Doch daar men dieren der oude wereld kende, wier boven- en benedenkaak beide van slagtanden voorzien waren, meende men een' tijd lang, dat ditzelfde ook bij het dinotherium wel het geval kon wezen. Doch in 1836 werd bij Eppelsheim (Hessen-Darmstadt) een bijna volledige schedel gevonden met enkel slagtanden op de benedenkaak. Naar de gevonden ledematen te oordeelen, moet het dier groote gelijkenis gehad hebben met den mastodon.
De mastodon is het eerst in de vorige eeuw in Amerika ontdekt, en Buffon gaf het dier den naam van _olifant van den Ohio_. Cuvier noemde hem _mastodon_.
De mastodon der miocene periode had vier slagtanden, waarvan de kortste aan de benedenkaak geplaatst waren.
Ten allen tijde heeft men beenderen van fossiele olifanten en mastodonten gevonden; die beenderen hebben aanleiding gegeven tot de dwaze verhalen omtrent de opgraving van geraamten van oude reuzen; want in eenen tijd, toen de ontleedkunde nog zoo laag stond, kon de zucht tot het wonderbaarlijke te meer van dergelijke gebeurtenissen partij trekken, om denkbeelden te doen ingang vinden, die op de verbeelding werkten, waar de olifant een dier is, wiens geraamte (met uitzondering van de grootte) tamelijk veel overeenkomst heeft met dat van den mensch. Men zou een geheel boek kunnen vullen met verhalen omtrent fossiele beenderen van groote viervoetige dieren, die bedrog of onkunde hebben doen doorgaan voor overblijfselen van menschelijke reuzen. Het bekendste van die verhalen is dat omtrent het geraamte, dat men onder Lodewijk XIII vond, en dat men vertoonde als dat van Teutobochus, koning der Cimbren, die tegen Marius gestreden had.
Den 11den Januari 1613 vond men in eene zandgroeve bij het kasteel van Chaumont in Dauphiné tusschen de steden Montricaux en St. Etienne, beenderen, waarvan enkele door de werklieden gebroken waren; een heelkundige uit Beaurepaire, Mazurier genaamd, wien men de ontdekking mededeelde, maakte zich van de beenderen meester en besloot er zijn voordeel mede te doen; hij beweerde, dat hij ze in een graf van 30 voet lengte gevonden had, waarop geschreven stond Teutobochus Rex; hij deelde verder mede, dat hij tevens een vijftigtal penningen ontdekt had met de beeltenis van Marius. Al die verhalen maakte hij publiek in eene brochure, die er op ingericht was, de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen, en hij liet zoowel in Parijs als op andere plaatsen de beenderen van den reus voor geld zien. Gassendi toonde aan, dat de zoogenaamde penningen nagemaakt waren; de beenderen, die thans in het Museüm te Parijs geplaatst zijn, zijn, zooals de vorm der tanden reeds op het eerste gezicht doet zien, beenderen van eenen mastodon en niet van eenen olifant, zooals men gemeend had, zoolang men geenen anderen gids bij het onderzoek had dan eene soort inventaris van de stukken, aan het publiek vertoond, en enkele niet zeer heldere opgaven in de geschriften der geneesheeren, die deelnamen aan den strijd vóór of tegen de leugenachtige beweringen van Mazurier.
Dergelijke dwaasheden waren in de achttiende eeuw reeds niet meer mogelijk; als men olifantsbeenderen vond, begreep men, dat het olifantsbeenderen en geene menschenbeenderen waren; maar toch geloofde men nog, dat zij ten tijde der Romeinen onder den grond begraven waren.
De mastodon, wiens verschijning uit de miocene periode dagteekent, is de voorbode en waarschijnlijk de stamvader van den olifant. Gaudry heeft op eene heldere wijze aangetoond, hoe de tanden van den oudsten mastodon zich geleidelijk gewijzigd hebben tot die van onzen tegenwoordigen olifant. Daaromtrent is geen twijfel meer mogelijk. _Men ziet de soort zich langzamerhand vervormen van een volkomen omnivoor_ (allesetend) _type tot een even volkomen grasetend type._ Uit het oogpunt van het verstand is er niet minder vooruitgang dan uit het oogpunt van den bouw; onze lezers weten immers, dat de olifant één der verstandigste en goedmoedigste dieren is.
Zooals wij zagen, zijn in de miocene periode alle orden der zoogdieren vertegenwoordigd: dikhuidigen, verscheurende dieren, vleugelhandigen, knaagdieren, snuitdieren, herkauwende dieren, insectenetende, walvischachtige en vierhandige dieren. De merkwaardigste zijn, zooals wij zagen, de dinotheriums en de mastodonten. Zij waren vergezeld van een groot aantal andere bewoners der wouden, velden en oevers, zooals het antracotherium, een dikhuidig dier met snijtanden en scherpe kiezen gewapend, die ter verdediging konden dienen. De tapirs en de rhinocerossen verschijnen met de eerste voorouders der herkauwende dieren. Alleen in Griekenland, dat toen deel van een uitgebreid vastland uitmaakte, heeft Gaudry 51 verschillende soorten te voorschijn gebracht, waaronder wij, behalve de apen, waarover wij zoo aanstonds zullen spreken, hipparions, antilopen, gazellen, giraffen, wilde zwijnen, wilde katten, civetkatten, enz. kunnen noemen. Een tandeloos dier met kromme klauwen heeft den naam van ankilotherium gekregen. Een ander dier, dat half beer, half hond schijnt te zijn, en ook eigenschappen met de kat gemeen heeft, heeft den naam van simocyon gekregen. Eene soort van giraffe met niet bijzonder langen hals is helladotherium genoemd. Twee herkauwende dieren, gelijkende op onze geiten, heeten paleoceras en tragoceras. Bij al die dieren der miocene periode moeten wij nog voegen de bevers, de marmotten en een groot aantal steltvogels.
Wij hebben reeds vroeger (in het vorige hoofdstuk) de onderzoekingen medegedeeld van Gaudry over de afstamming der apen uit de dikhuidigen en het optreden der halfapen in die periode. Wat ook die oorsprong zij, de voornaamste typen van _apen_ komen in de miocene periode voor: in de formaties van dien tijd vindt men de gewone en de anthropomorphe apen.
De eerste fossiele aap, dien men heeft gevonden, is de semnopithecus subhimalayanus, door Baker en Durand in 1836 in de bovenste miocene formatie der Himalaya gevonden; hij had de grootte van eenen oerang-oetan. Spoedig daarna hebben Falconner en Gautley uit dezelfde lagen eene kleinere soort van semnopithecus opgedolven. Gervais heeft te Montpellier enkele stukken gevonden, die hij eveneens toeschreef aan eenen semnopithecus. Eene kaak van eenen makako is uit de pliocene terreinen van Val-d'Arno opgedolven.
In de bruinkool van Elgg, in Zwitserland, heeft men eene goed bewaard gebleven kaak van eenen aap gevonden, waarin de tanden nog aanwezig waren; het was een aap, die tot de familie der catarrhinae, smalneuzen, behoorde. Die kaak heeft bijzonder veel overeenkomst met eene andere apenkaak bij Auch ontdekt door Lartet, en behoort tot dezelfde soort. Gervais is van oordeel, dat het eene uitgestorven soort is, de pliopithecus, terwijl Rütmeyer meent, dat het een Indiaansche gibbon is; in ieder geval heeft hij de grootste overeenkomst met die langarmige, staartlooze apen. Volgens Rütmeyer is die oorspronkelijke gibbon één der voorouders van den siamang van Sumatra.
Gaudry heeft te Pikermi de overblijfselen bijeengezameld van 25 exemplaren van het geslacht mesopithecus; daaruit kan men zich een denkbeeld vormen van zijn voorkomen en zijne levenswijze (fig. 293 en 294). Zijn gezichtshoek van 57° wijst op eenen aap, die tamelijk ontwikkeld was; zijne tanden toonen aan, dat hij zich niet uitsluitend met vruchten, maar ook met boomknoppen voedde. Uit de gelijkheid van zijne vóór- en achterpooten kan men afleiden, dat hij veeleer liep dan klom; hij leefde in kleine troepen vereenigd. De kennis van de verschillende deelen van het geraamte van den mesopithecus leert ons, dat die aap den overgang vormt tusschen twee thans nog levende soorten, de semnopitheken en de gibbons; daarom heeft men ze ook mesopitheken genoemd [51].
De ontdekking der anthropomorphe fossiele apen is men verschuldigd aan Gaudry. In 1835 heeft hij bij Auch den pliopithecus gevonden, die nauw aan den gibbon verwant is. Later heeft hij den dryopithecus beschreven; men kent daarvan echter alleen de benedenkaak en het sleutelbeen. "De dryopithecus," zegt de uitnemende geleerde, "was een zeer ontwikkelde aap. Hij kwam in verschillende bijzonderheden met den mensen overeen. Hij moet ongeveer even groot geweest zijn als de mensen; zijne snijtanden waren klein; zijne achterkiezen hadden knobbels, die minder rond waren dan die van de Europeesche rassen, maar die geleken op de knobbels van de kiezen der Australiërs. Naast die punten van overeenkomst is er een punt van verschil, dat ons treft, zoodra wij de kaak van een mensch met die van eenen dryopithecus vergelijkt: in de kaak van den mensch is de eerste achterkies sterker dan bij den dryopithecus, de hoektand en de voorkiezen zijn echter zwakker; dat verschil is van groot gewicht, want de verkorting der voortanden staat in verband met het weinig vooruitsteken van het gelaat, en is dus een bewijs voor de voortreffelijkheid van den mensch; de mensch kenmerkt zich vooral door eene buitengewone ontwikkeling van de beenderen, die de hersens, den zetel der gedachten, omgeven, en eene zóó sterke vermindering der aangezichtsbeenderen, dat zij niet meer eenen snuit, maar den gevel van het hoofd vormen."
Zoo wordt van stap tot stap de heerschappij van den mensch voorbereid.
DERDE HOOFDSTUK
De Pliocene Periode.
De derde en laatste periode van het tertiaire tijdperk heeft, zooals wij zagen, den naam van pliocene periode gekregen. Hoewel nauw genoeg verwant aan de tegenwoordige periode, om de opvatting van enkele schrijvers te verklaren, die haar tot onze periode rekenen, zoo heeft zij toch een eigenaardig karakter, dat tamelijk veel verschilt van dat van onzen tijd. Wel verschilden de vormen der zeeën en der landen weinig van die van thans, maar de bezinkingen van dien tijd hellen thans op enkele plaatsen en zijn hoog opgeheven, terwijl de dierenwereld, wier overblijfselen in die lagen bewaard zijn gebleven, en die bestond vóór de afkoeling der noordelijke streken, meer het einde van een ouder tijdperk, dan het begin van een nieuw tijdperk aanwijst.
In het begin der pliocene periode heeft de gedaante der streken aan de Middellandsche zee eene tijdelijke, doch tevens belangrijke verandering ondergaan. De eerste lagen dier periode immers wijzen meer op brakwater dan op zeewater. De Middellandsche zee stroomde toen niet verder oostwaarts dan de meridiaan over Sardinië, en het geheele oostelijke gedeelte dier zee had plaats gemaakt voor een aantal binnenzeeën, aan wier oevers zich groote kudden grasetende dieren bewogen. Maar weldra keert de zee daar weder terug en stroomt zij door de Rhônevallei en de Povallei. In Frankrijk is de pliocene zee voortgegaan tot aan de poorten van Lyon, in Italië tot aan de Apennijnen; Rome, de heuvels van het Vaticaan en van de Monte-Mario waren toen onder water. Men vindt tot onder het Vaticaan, de pliocene schelpen, die dagteekenen van duizenden eeuwen herwaarts.
In diezelfde periode openbaren zich nog altijd de vulkanische verschijnselen, die de miocene periode kenmerkten. Een betrekkelijk zacht klimaat is oorzaak, dat Europa eenen plantengroei vertoont, waar de typen der dichte bosschen van het noorden verbonden zijn met die der Canarische eilanden en den Caucasus. Doch de temperatuur daalt al meer en meer, terwijl tegelijkertijd de zee zich terugtrekt; de plantenwereld wordt al armer en armer, om niet meer aan te winnen; de gevoeligste soorten verhuizen naar het zuiden, en de palmen worden alleen aangetroffen op plaatsen meer dan 10° ten zuiden van die, waarin zij tijdens de miocene periode voorkwamen. Op het einde der periode vindt men alleen die planten, die tegenwoordig nog gevonden worden op plaatsen, eenige graden dichter bij den evenaar gelegen. Zij leveren echter nog voldoende voedsel op voor de plantenetende dieren van die periode.
Terwijl de miocene periode de bloeitijd was van de plantenwereld in Europa, begint in de pliocene periode haar verval: de warmte vermindert en de plantengroei verarmt voor altoos.
Onmerkbaar trekt de zee zich terug van de opgeheven Alpen, van Zwitserland en van geheel Frankrijk. In de Rhônevallei trekt zij eerst terug naar Valence, daarna naar Montélimart en naar Orange; evenals de monding der Rhône vormen die der Po en van den Donau golven. De landen nemen langzamerhand hunne tegenwoordige gedaante aan, en de rivieren hunne tegenwoordige richting.
Gedurende het eerste gedeelte der pliocene periode hebben onder de landdieren de plantenetende dieren zonder twijfel de overhand. De miocene zeeën zijn opgedroogd, of liever zij zijn veranderd in groote zoutwatermeren, waaromheen zich eene welige grasflora ontwikkelt. Op die weiden loopen ontelbare kudden antilopen, herten, helladotheriums, giraffen, palaeotragi, palaeorea's, waarvan men de fossielen gevonden heeft in Griekenland, Zwitserland en Frankrijk. Daarbij komen nog het hipparion, de mastodon en de mesopitheke aap.
In het algemeen nadert de natuur in die periode tot die van den tegenwoordigen tijd. Wij zien in Frankrijk de palmen verdwijnen en alleen de planten der gematigde luchtstreken overblijven, en dat niet alleen de boomen, maar ook de heesters en bloemen. Nadat Europa nog eenigen tijd de sequoia's en de bamboe's behouden heeft, komen daarna alleen soorten voor, die verwant zijn aan die, welke daar thans gevonden worden, maar die bestemd zijn, om in de volgende eeuwen naar het zuiden terug te wijken. De pliocene flora getuigt reeds van een kouder klimaat. De klimatologische verschillen tusschen het noorden en het zuiden van Europa beginnen scherper uit te komen; zoo vond men nog in de omstreken van Marseille eenen palmboom (Chamaerops humilis) naast eenen eik (Quercus lusitanica), dien men nu nog slechts vindt in het zuiden van Spanje, terwijl de ahorn, de populier, de noteboom en de lork de overhand hadden in het midden van Frankrijk, en eenige typen vertoonden, die thans gevonden worden in Algiers, in Portugal of in Japan. Verscheidene plantensoorten van de Europeesche pliocene periode komen thans voor in de groote wouden van Amerika.
Bij het dierenrijk neemt men eene groote ontwikkeling van de zoogdieren waar; nieuwe mastodonten vervangen de oude, om spoedig voor altoos te verdwijnen.
De mastodon, dien wij naar aanleiding van de vorige periode bestudeerd hebben, leefde nog in de pliocene periode. Fig. 301 stelt een fossiel geraamte voor van de soort, die in dien tijd leefde: den _mastodon van Turijn_, die alleen de groote slagtanden op de bovenkaak had. De mastodon, die in de miocene periode leefde, had, zooals wij vroeger zagen, vier slagtanden.