De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 32

Chapter 323,587 wordsPublic domain

Hoewel wij thans het nieuwere tijdvak van de geschiedenis der aarde zijn binnengetreden, en de tertiaire periode nog zeer jong is met betrekking tot het secundaire tijdperk, zoo zijn de veranderingen van de gedaante der aarde, die na dien tijd hebben plaats gegrepen, verre van onbeteekenend. De zee is na het begin der eocene periode naar Parijs, Londen, Brussel, Weenen, Berlijn, enz. teruggekeerd. Een zeearm strekte zich tevens uit van Bordeaux, over Montpellier, Lyon, Genève tot in Oostenrijk. Vroeger, in ons hoofdstuk over de tegenwoordige veranderingen van den bodem, hebben wij gezien, dat die schommelingen der aardoppervlakte nog in onzen tijd voortduren, en dat de zee weer aanwint in het westen en noorden van Frankrijk, in België, Holland, in het zuiden van Zweden enz. terwijl zij terugwijkt in het noorden van het Scandinavische schiereiland, aan de mondingen van de Po, den Nijl, de Rhône enz. Zoo verandert onze planeet van eeuw tot eeuw, evenals alle wezens, die haar bewonen.

Om het beeld der periode te voltooien, voegen wij hier nogmaals bij, hoewel wij het reeds vroeger hebben opgemerkt, dat de Pyreneën in het laatste gedeelte der eocene periode hunne voornaamste rijzing hebben verkregen, waarbij de nummulieten-lagen tot eene hoogte van 3352 meters gestegen zijn. De Apenijnen dagteekenen uit datzelfde tijdperk, dat is dus uit de oligocene periode, het einde van het eocene tijdperk. De Alpen daarentegen hebben hunne grootste hoogte eerst verkregen in de miocene periode, die wij in het volgende hoofdstuk tot het onderwerp onzer studie zullen maken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Miocene Periode.

De miocene periode, het middelste tijdperk der tertiaire periode, volgt op de tijden, waarvan wij zooeven de geschiedenis geschetst hebben, en ziet de organische en anorganische wereld voortschrijden naar den toestand, waarin zij thans verkeert. In die nieuwe periode heeft de aarde ongeveer den vorm verkregen, dien zij thans nog heeft, en de Alpen, zich verheffende tot de hoogte van de eeuwigdurende sneeuw, zooals dit met de Pyreneën reeds in de vorige periode het geval geweest is, geven aan west-Europa haren beslissenden vertikalen vorm, terwijl in het midden van Frankrijk de bazaltuitbarstingen de vulkanen doen ontstaan, die hunne vlammen zullen spuwen over een deel van het land. In die periode worden ook de hoogere zoogdieren, de apen, geboren. Gewichtige vooruitgang!

De vulkanische uitbarstingen hebben in Cantal op de oorspronkelijke granietmassa's, die reeds eene hoogte hadden van 800 tot 900 meters, bergen doen ontstaan, die nog thans, niettegenstaande de verwering, waardoor zij afgenomen zijn, eene hoogte bereiken van 1800 tot 1900 meters. De dinotheriums en hipparions zijn getuigen geweest van die uitbarstingen en hebben hunne sporen achtergelaten in het grint, dat die bazaltmassa's bedekt. De uitbarstingen van het miocene bazalt zijn, na eenen tijd van rust, gevolgd door de uitstrooming eener taaie massa, die thans als bouwsteen gebruikt wordt. Daarna is een krater ontstaan tusschen de meren van Murat en Aurillac. Eene ontzaglijke bres is gevormd, waaruit stroomen porfierhoudend bazalt stroomden, die de bosschen verbrandden, welke tegen de hellingen van den berg gelegen waren. Daarna opende zich een krater en wierp een' aschregen tot op 20 tot 30 kilometers, die de planten in de nabijheid bedelvend, het aanzijn gaf aan de aschsteenen van Cantal. Die vulkanische uitbarstingen hebben geduurd tot aan de pliocene periode, waarin zich de vulkanen van Mont-Dore en Puys geopend hebben.

Voor de eerste maal schijnt de aarde werkelijk uit het water verrezen te zijn. Het zijn niet meer die losse strooken, die hier en daar uit de uitgebreide zee uitstaken; het zijn nu groote uitgestrektheden, die eenen breeden grondslag vormen voor de ontwikkeling van het leven op aarde. Wel zijn de Alpen nog slechts heuvels, doch reeds zijn elf zuilen uit het water verrezen, die als het ware de wervelkolom vormen van west-Europa, want die Alpeneilanden zijn met elkander verbonden en wijzen den vorm aan van de lagere landen.

Tusschen het Juragebergte, dat reeds tot de helft zijner hoogte gekomen is, en de in wording zijnde Alpen, blijft nog de zee in eene nauwe golf bestaan; zij beukt beide oevers met hare golven, en hoopt aan de voeten dier bergen nieuwe schelpen op; maar zij kan de twee forsche lijnen der Alpen en der Jura niet meer uitwisschen.

De Middellandsche zee, nog langen tijd onzeker van haar gebied, gaat vooruit en wijkt weer terug door de Rhônevallei, Zwitserland en Beieren. De Indische zee staat met de Middellandsche zee in verband, daar een deel van Egypte nog onder water gelegen is. Maar er zijn uitgestrekte streken, die de zeeën niet meer kunnen veroveren; zij moeten zich aan hare tegenwoordige bedding gewennen.

Griekenland, dat nog niet van Klein-Azië gescheiden is, begint te ontstaan. Eene lange, ingekerfde strook, het ruggemerg van Italië, is nog zóó onvolledig, dat Rome en Florence nog ontbreken. Afrika is met Europa vereenigd door eene landengte tusschen Tunis en Genua en bij Gibraltar. Ten noorden strekt zich het vasteland uit van het Ural-gebergte tot Engeland, en verlengt het zich door vastland en eilanden (Atlantis?) tot aan de kusten van Noord- en Zuid-Amerika.

Tijdens de miocene periode hebben belangrijke veranderingen plaats gehad in den vorm van Europa. Reeds in het begin der miocene periode verliezen de meren, die op het einde der eocene periode bestonden, hun water door eene opheffing van den bodem. Daarna bedekt weder de molasse- of Helvetische zee een groot gedeelte van west-Europa. De zee dringt in Frankrijk door, door de Loire-vallei, tot aan Blois, en één harer armen dringt door tot aan het Kanaal door Ille-et-Vilaine, waardoor het noord-westelijk deel van Frankrijk een eiland wordt. De zee verspreidt zich in de Rhônevallei, bedekt een deel van Zwitserland en Oostenrijk, stroomt langs den tegenwoordigen voet der Alpen, en verspreidt zich over oostelijk Klein-Azië tot aan den Euphraat. Door die zee wordt Europa verdeeld in eene soort Indischen archipel, waar de omstandigheden uiterst gunstig zijn voor de ontwikkeling der plantenwereld, die in haar geheel nooit zoo rijk geweest is als in dien tijd. De winter is nog bijzonder zacht, zoodat nooit de plantengroei geheel gestaakt wordt, en op het einde der periode bloeit de kamferboom reeds in de maand Maart aan de oevers van het meer van Constanz, zooals nu nog te Madera. Om den plantengroei van de miocene periode terug te vinden, zoude men thans tot 25 of 30° naar het zuiden moeten afdalen. Indien er reeds een duidelijk onderscheid was tusschen den plantengroei der poolstreken en van midden-Europa, deed toch het ijs zijnen invloed nog niet gevoelen en was IJsland met prachtige bosschen bedekt. In dienzelfden tijd had men herhaaldelijk vulkanische uitbarstingen in Auvergne, de Rijnvallei, Hongarije, de westelijke helling van het Rotsgebergte en andere gedeelten der aarde.--De vulkanen van Italië, de Vesuvius, de phlegreïsche velden, de Etna, zijn uit de quaternaire periode.--Overal was de aardschors in beweging en de ketenen der Alpen, Cordillera's en der Himalaya staken hunne kruinen uit tot hoog in de wolken.

Wij hebben zooeven gezien, dat Europa gedurende de eocene periode reeds een vastland was van groote uitgestrektheid, doorsneden door een aantal zeearmen. Eene dergelijke verdeeling was er ook tijdens de molassische periode. Een verbazend groot eiland, dat het geheele tegenwoordige alpengebied bevatte, was in grootte toegenomen. Ten westen strekte dat eiland zich uit tot aan het westen van Frankrijk, en was het door Piemont in verbinding met het Italiaansche schiereiland. Ten oosten bevatte het al het land, dat zich tot ongeveer 35° oosterlengte uitstrekte, en ten zuiden verlengde het zich over Dalmatië tot in Griekenland. Ten noorden was het begrensd door de zee, die daar eene groote baai vormde, de vlakten van Hongarije bedekte en in eenen betrekkelijk nauwen arm geheel Europa doorsneed. In het oosten was de Hongaarsche zee in gemeenschap met den Grooten Oceaan; deze strekte zich uit over Zuid-Rusland; de Zwarte Zee, de Caspische Zee en de zee van Aral zijn daarvan slechts kleine overblijfselen. Die Oceaan bedekte waarschijnlijk het oosten van den Ural en breidde zich uit over de uitgestrekte vlakten van Siberië, zoodat Europa en Azië van elkander gescheiden waren, omdat die zee in gemeenschap stond met de Poolzee.

Bovendien strekte zich de miocene zee uit over Armenië en het oosten van Klein-Azië, en was zij in verband met de Middellandsche zee, zooals blijkt uit de talrijke versteeningen, die aan al die landen gemeen zijn. Daarentegen was de straat der Dardanellen afgesloten en bestond de Aegeïsche zee niet. Griekenland vormde een vastland, dat zich verlengde tot aan Klein-Azië: de eilanden van den Aegeïschen archipel zijn de bergen van een land, dat later gezonken is. Richten wij onze blikken naar het zuiden, dan zien wij, dat de Middellandsche zee met den Indischen Oceaan vereenigd was en Egypte bedekte; zij strekte zich uit over Mesopotamië, waar zij waarschijnlijk in gemeenschap stond met den Oceaan van Rusland. De molassezee bedekte de Alpen zelf niet, zooals dit met de nummulietenzee het geval geweest is, maar hare golven stroomden rondom die streek, die al duidelijker en duidelijker haren tegenwoordigen vorm vertoonde.

Daar de planten- en dierenwereld van Marokko en Algerië in grondtrekken eene groote overeenkomst vertoont met die der Europeesche kusten, zoo heeft men reeds langen tijd gemeend, dat die landen eertijds verbonden waren door landengten, zooals die welke bij Gibraltar bestonden, waarschijnlijk tusschen Corsika en Sardinië. Die meening is later nog waarschijnlijker geworden door de overblijfselen van beenderen, die men onlangs in Sicilië ontdekt heeft, en die ons leeren, dat de Afrikaansche olifant, de hippopotamus en de gevlekte hyena in Sicilië leefden, en dat dus eertijds dat land in verbinding moet gestaan hebben met Afrika.

De Baltische zee was waarschijnlijk droog en verbonden met het oorspronkelijke Scandinavië; die zee is het vaderland van het barnsteen, dat niets anders is dan het product der naaldboomen uit de tertiaire periode.

Denemarken, Nederland en het noorden van België lagen onder water en de zee strekte zich tot Keulen uit, doch de geologische formatie der kusten van Bretagne en Engeland en de aard van den bodem maken het waarschijnlijk, dat Frankrijk en Engeland met elkander in gemeenschap stonden. Het is ook waarschijnlijk, dat de Britsche eilanden, zooals wij reeds vroeger mededeelden, een klein gedeelte uitmaakten van een groot vastland, dat zich over den Atlantischen Oceaan tot aan Amerika uitstrekte.

De rijzing van de Alpen, die heeft plaats gehad na de molassezee, heeft aan Europa haren tegenwoordigen vorm gegeven. Eenige honderden meters verschil (dikwijls zelfs eenige tientallen) zijn voldoende, om de zee op de plaats te brengen van het land, en omgekeerd. De formaties, die wij geleidelijk hebben zien ontstaan, hebben herhaaldelijk rijzingen en dalingen ondergaan, waardoor zij beurtelings boven en onder water gekomen zijn. De opheffing der Alpen is dan ook de oorzaak van het verschil in den vorm van Europa in de miocene periode en thans. Naarmate de Alpen gerezen zijn, hebben zij de zee teruggedreven naar hare tegenwoordige grenzen. In het westen is het vasteland, dat waarschijnlijk een deel van den Atlantischen Oceaan innam, onder de golven van den Oceaan gedaald, en is het Kanaal ontstaan, dat de verbinding vormt tusschen de Noordzee en den Atlantischen Oceaan.

Wij zeiden reeds vroeger, dat de miocene formatie in drie lagen kan worden verdeeld: de onderste of langhische is eene zoetwatervorming en is ontstaan vóór den inval der molassezee. De middelste of Helvetische laag omvat de zeevorming van het schelpzand van Touraine en de Zwitsersche molasse. In de bovenste of Tortonische laag vindt men de lagen, die gelijktijdig ontstaan zijn met de klei van Tortone in Italië, en vooral het meerendeel der bezinkingen van het bekken van Weenen.

In het begin der miocene periode is Parijs door eene groote zee bedekt, die uit het noord-oosten afkomstig was; het zand, daaruit afgezet, is de zandsteen van Fontainebleau geworden; die zee, die om Normandië stroomde, komt niet verder dan het zuiden van Engeland; in het noordoosten bedekt zij nog een groot gedeelte van België, doch weldra trekt zich die zee weder terug en ontstaat daar een groot, zich ver naar het zuiden uitstrekkend meer, waarin zich de kalksteen van Beauce afzet.

Het is merkwaardig, om den zandsteen van Fontainebleau op den top dier heuvels te beschouwen. Men zou meenen, dat de zee eerst sedert gisteren is teruggetrokken. De zandsteen ligt tusschen twee zoetwatervormingen, de kalksteen van Beauce er boven, die van Brie er onder.

Daarna heeft het zoetwater in de middelste miocene periode het zand van Orleans afgezet, waarin onder het tegenwoordige bosch van Orleans de dinotheriums en mastodonten bewaard zijn gebleven. Later is de zee teruggekeerd naar het westen van Parijs, en heeft zij het aanzijn gegeven aan het schelpzand van Touraine, Anjou, Bretagne, Cotentin en Bordeaux. Dat schelpzand is eene zeevorming, bestaande uit gebroken schelpen, poliepen, mosdieren, vermengd met meer of minder grof kiezelhoudend zand. Dezelfde bezinksels heeft de zee toen achtergelaten in de golf van Aquitanië, bij Bordeaux en in de Rhônevallei. In Provence en Dauphiné heeft zij kalksteen afgezet.

In dienzelfden tijd heeft de zee bijna geheel Zwitserland overstroomd, boven de Alpen, die nog niet geheel opgeheven waren. De naam van molasse is gegeven aan de formaties, voornamelijk zandsteen, die op den bodem der Helvetische zee gevormd zijn. Men kan bijna zeggen, dat de naam middelste "miocene formatie" dezelfde beteekenis heeft als "molasse."

De bezinksels uit dien tijd zijn zeer aanzienlijk en verheffen zich thans aan den Alpenrand tot tamelijk hooge bergen, zooals de Speer (2000 meters) en de Rigi (1800 meters). In het noorden is de molasse-formatie niet zoo hoog; men kan daaruit besluiten, dat het water in die richting afstroomde, en stroomen en beken vormde.

De voornaamste gesteenten, die zich in die periode afzetten, zijn zandsteen, mergel, kalksteen, en nagelfluh. (Nagelfluh bestaat uit ronde keisteenen van alle grootten, met elkander verbonden door zandhoudend mergel of zandsteen).

Terwijl de kalksteen eene belangrijke rol speelt in de Jura- en krijtformaties, is hare beteekenis in de molasseformatie zeer onbeduidend. De omstandigheden, waaronder die geweldige kalkmassa's gevormd zijn, zijn in die nieuwe periode geheel gewijzigd; wij vinden die duizenden kleine werklieden in de zee niet meer terug, die zonder oponthoud arbeidden aan den opbouw der aardschors. Men vindt zeer dikwijls bruinkool in de molasse-formatie.

Het terugwijken der molassezee heeft zich in het zuidoosten van Frankrijk gekenmerkt door de grootste geologische gebeurtenis, waarvan die streek ooit het tooneel is geweest: de beslissende vorming der Alpen dagteekent van dat tijdperk. Die hooge bergen hebben hunnen tegenwoordigen vorm gekregen ten gevolge van bewegingen, die hebben plaats gegrepen na de bezinking der molasse. Gedurende de bovenste miocene periode rijst noordelijk-Europa langzaam.

Door eene bepaalde streek te bestudeeren, die bijzonder rijk is aan plantaardige fossielen en aan dieren, aan die periode eigen, namelijk het gebied van Oeningen in Zwitserland bij het meer van Constanz, heeft Oswald Heer reeds langen tijd geleden het geheele leven dier oude eeuwen op uitstekende wijze weder opgeroepen. Hij heeft voornamelijk sequoia's, cipressen, grassen (o.a. rijst en gierst), riet, het grootste gedeelte van onze struiken, acht verschillende soorten van populieren, eene soort van abeel, haagbeuken, noteboomen, eiken, olmen, 17 soorten van vijgeboomen, 25 soorten van laurierboomen, kamferboomen, esschen, lianen, ranonkels, meelbloemen, _wijnstokken_, magnolia's, mirthen, linden, acacia's, mimoseën, ahornen, hazelaars, hulsten, kerseboomen, pruimeboomen en amandelboomen teruggevonden. Pere- of appelboomen uit dien tijd zijn tot nog toe niet bekend.

Als karakteristieke planten hebben wij op blz. 535 het merkwaardige landschap van Lausanne uit de miocene periode weergegeven, dat de bekende Zwitsersche natuuronderzoeker vervaardigd heeft. Men ziet daar bij elkander: palmboomen, acacia's, eiken, haagbeuken, noteboomen, pijnboomen en hulsten. Rhinocerossen, tapirs en krokodillen worden gelokt door het frissche water. Het klimaat der Zwitsersche valleien en van centraal-Frankrijk was toen dat van Louisiana of van Noord-Afrika (20° tot 21° gemiddeld) in de oudste miocene periode, en dat van Madera, Malaga, Sicilië (18° tot 19°) in de jongste miocene periode.

Het gezamenlijk voorkomen van tropische planten en die van de gematigde streken wijst op zachte winters en niet te warme zomers: een zeeklimaat. De gevonden planten bewijzen, dat de temperatuur in het noorden in dien tijd afnemende was. Op Spitzbergen is zij reeds tot 8° gedaald, en hetzelfde is ook het geval op Groenland, waar men magnolia's, sequoia's, populieren, kastanjes, eiken en zelfs den _wijnstok_ gevonden heeft. Thans is de gemiddelde jaartemperatuur dier streken 7° tot 8° onder nul. De boomen, die in de gematigde luchtstreken voorkomen, dennen, eiken, populieren enz., dalen in die periode van het noorden naar zuidelijker gelegen streken af, en beginnen met over te komen, op de bergen, waar de temperatuur lager is. De palmen worden alleen gevonden in de vlakte en de valleien. Verschillen in klimaat en afwisseling van jaargetijden worden merkbaar. De gevonden insecten leggen dezelfde getuigenis af.

In de vroegere tijden, even als thans, maken de insecten het grootste deel uit van het dierenrijk. Niettegenstaande hunne kleinheid en de zwakheid van hunnen bouw, is er een zóó groot aantal soorten tot ons gekomen, dat er geen twijfel daaromtrent kan bestaan. Oswald Heer heeft 876 fossiele soorten uit die periode verzameld. Die insecten worden aldus verdeeld: 543 schildvleugeligen, 20 rechtvleugeligen, 29 netvleugeligen, 81 vliesvleugeligen, 3 schubvleugeligen, 64 tweevleugeligen en 136 halfvleugeligen. Het talrijkst zijn dus de schildvleugeligen; daarop volgen de halfvleugeligen, de vliesvleugeligen, de tweevleugeligen en de netvleugeligen. De schubvleugeligen zijn het slechtst vertegenwoordigd. Onder de vliesvleugeligen komen, evenals thans ook het geval is, het meest mieren, onder de tweevleugeligen, muggen voor.

Fig. 290 doet ons eene merkwaardige verzameling van die insecten uit de miocene periode zien. Men merkt voornamelijk de schildvleugeligen op, waaronder verscheidene vormen van lievenheersbeestjes en een groot aantal insecten; die men nog thans op velden en weiden vindt. Men ziet beneden verscheidene soorten van vliesvleugeligen, die in het water van het meer van Oeningen gevallen zijn en op den bodem van het meer versteend zijn; men vindt daaronder bijen, hommels, wespen en mieren. Vlinders komen zeldzamer voor; toch vindt men er enkele onder. Het zijn de laatstgevormde insecten en de meest volkomene.

De insecten verhalen de korte geschiedenis van het leven op aarde; hunne gedaanteverwisselingen herinneren aan de opvolging der eeuwen; de vlinder is de tijdgenoot der bloemen, terwijl de rups door hare wapenen en haar geheel voorkomen aan de primaire en secundaire periode herinnert; de gedaanteverwisseling, die thans in enkele maanden plaats heeft, vertegenwoordigt eene periode van millioenen jaren. De oorspronkelijke soorten zijn bijna onveranderd gebleven. De krekel en de kakkerlak der steenkoolperiode hebben de veranderingen der aarde overleefd en hebben daarbij hunne gewoonten en levenswijze behouden; wij vinden ze thans verscholen bij de bakkersovens of bij de fornuizen der oude keukens, zich warmend evenals ten tijde der steenkoolperiode en het tegenwoordige meel verslindend, zooals eertijds het meel der cycadeën en der paardestaarten. Zij zoeken de warmte op en vermijden het licht, zeker niet wetend, dat de wereld veel veranderd is sedert den tijd dat zij in de oorspronkelijke bosschen huisden.

In het gegons der insecten herkennen wij de echo der vervlogen eeuwen. Er waren toen nog geen vogels en nog geen gezang; de vleugels der krekels en der sprinkhanen, het gegons der insecten in de bosschen en de velden na eenen warmen zomerdag, doen in de zoele lucht onduidelijke klanken hooren, die ons verhalen van die oorspronkelijke tijden. De avondschemering herinnert hun de periode van schemering, waarin zij het aanzijn ontvangen hebben.

Wij hebben onze kennis der fossiele insecten te danken aan de onderzoekingen van Brongniart, Grand'Eury, Fayol en Oswald Heer. Vóórdat wij afscheid nemen van de fossielen van Oeningen, moeten wij nog mededeelen, hoe die uit een geologisch oogpunt zoo merkwaardige plaats, die zoo rijk was aan alle soorten van fossielen, insecten, visschen, kruipende dieren enz. reeds in de vorige eeuw de natuuronderzoekers had verbaasd door eene vreemde ontdekking.

Men vond daar in 1725 die beroemde versteening, die de geleerde wereld eene halve eeuw lang in beroering bracht, en waarin de natuuronderzoeker Scheuchzer eenen fossielen mensch meende te herkennen, dien hij den naam gaf van _homo diluvii testis_, "mensch, getuige van den zondvloed". Inderdaad was het niets anders dan het geraamte van eenen slecht bewaard gebleven kikvorsch of liever van eenen salamander, 1,26 meters lang. Het hoofd, de wervelkolom, de armen, de beenen, waren in de oogen van de natuuronderzoekers uit die dagen, deelen van een menschelijk geraamte. Langen tijd bracht die _praeadamiet_ de wereld in beweging, doch, hoewel men tot bewijs van de juistheid der ontdekking zich beriep op de ontdekking van werkelijk versteende geraamten van menschen aan de kusten van Guadeloupe, leerde men door de vorderingen, in de vergelijkende ontleedkunde gemaakt, eindelijk den waren aard der versteening kennen. Men zag, dat de te Oeningen gevonden brokstukken behoord hadden aan eenen reuzensalamander, en men werd hierin bevestigd door het vinden van volledige geraamten dier voorwereldlijke dieren aan de oevers van den Rijn en in Japan. Bovendien bleek het, dat de "fossiele menschen" van Guadeloupe niets anders waren dan lijken, die door het water, dat door de dunne laag aarde van een door Europeanen na de ontdekking van Amerika aangelegd kerkhof, met eene soort kalkhoudende tufaarde omgeven waren.

Scheuchzer had over dien praeadamiet eene uitgebreide verhandeling geschreven. Die verhandeling bevatte eene houtsnede van den mensch, getuige van den zondvloed. Hij kwam in een ander werk, _Physica sacra_ op dit onderwerp terug. Hij schrijft: "zeker is het, dat die steen bijna de helft van het geraamte van eenen mensch bevat; dat de beenderstof zelfs, en wat nog meer zegt, het vleesch en nog zachtere deelen dan het vleesch, in den steen aanwezig zijn; in één woord, dat het één der zeldzaamste overblijfselen is, die wij nog hebben van het vervloekte ras, dat onder het water bedolven werd. De figuur vertoont ons den omtrek van het voorhoofdsbeen en de oogholten, die enkele groote zenuwen doorlaten. Men vindt er overblijfselen van de hersenen, van het hoofdwigbeen, van de kaken, en sporen van den lever."