De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 31
Indien men den dinoceras vergelijkt met enkele der grootste veelhoevige dieren van onzen tijd, dan blijkt het, dat hij eenige punten van overeenkomst heeft met den rhinoceros en eveneens met den olifant. Wat zijne grootte betreft, staat hij tusschen beide in. In andere opzichten herinnert hij ons aan den hippopotamus. De merkwaardig kleine hersenen en de logheid der ledematen wijzen op een dier, dat zich langzaam beweegt, dat zich niet onttrekken kan aan veranderingen in het klimaat, en dat dus veroordeeld is te verdwijnen ten gevolge van de wijzigingen, die er op het einde der eocene periode in het klimaat hebben plaats gegrepen.
De zoogdieren der tertiaire periode zijn voor ons in bijzonder gunstige omstandigheden, om de ontwikkelingsleer te bestudeeren. Die wezens, wier huid meestal fijn, en òf naakt òf alleen met haren bedekt was, hebben eerst hunne volle ontwikkeling bereikt, toen de ontzaglijke kruipende dieren der secundaire periode waren uitgestorven, wier lederachtige en dikwijls gepantserde huid groote voordeelen opleverde in den strijd om het bestaan. Tijdens het grootste gedeelte der tertiaire periode verschilden de zoogdieren zeer veel van de tegenwoordige zoogdieren; zij waren nog in volle ontwikkeling.
Staan wij een oogenblik stil bij de dikhuidigen, die de gipsgroeven in de omstreken van Parijs tot graftombe hadden. Montmartre en Pantin waren hun laatste toevluchtsoord. Ieder blok, dat uit die groeven komt, bevat een of ander stuk van een been dier zoogdieren, en hoeveel millioenen van die beenderen zijn verwoest geworden, vóórdat men aan de studie der paleontologie zijne aandacht wijdde.
De dikhuidigen kunnen in twee hoofdgroepen verdeeld worden: die met een oneven aantal teenen, zooals de rhinoceros en de tapir, en die met een even aantal teenen, zooals het zwijn en het nijlpaard. In onzen tijd zijn de verschillende soorten van dikhuidigen voor het meerendeel scherp van elkander gescheiden, en in dit opzicht vertoonen zij een groot verschil met de herkauwende dieren, waarvan sommige zóó op elkander gelijken, dat men onmogelijk de grenslijn tusschen de verschillende soorten trekken kan. De tegenwoordige dikhuidigen zouden er toe bijdragen om de meening van ons af te werpen, dat de verschillende soorten van elkander zijn afgestamd; doch indien wij tot de geologische perioden doordringen, dan zien wij de ledige ruimten zich aanvullen: "De verschillende soorten, zegt Gaudry, liggen zóó dicht bij elkander, dat men moeilijk het denkbeeld van zich kan afzetten, dat die gelijkenis op eene gemeenschappelijke afstamming wijst."
Als voorbeeld der tegenwoordige dikhuidigen, die van tertiaire soorten schijnen te zijn afgeleid, kan men den rhinoceros noemen. Die welke in Afrika te huis behooren, verschillen in vele opzichten van die, welke in Azië leven; er is dus geen grond, om te meenen, dat de ééne soort in rechte lijn van de andere afstamt. Het is veeleer natuurlijk te meenen, dat zij beide afstammen van hunne tertiaire voorgangers; want zij hebben daarmede bijzonder veel overeenkomst: de tegenwoordige Aziatische rhinoceros herinnert aan den rhinoceros Schleiermacheri van Pikermi, Eppelsheim en Sansan; de tweehoornige Afrikaansche rhinoceros heeft eene treffende overeenkomst met den rhinoceros pachygnathus van Pikermi.
De rhinocerossen zijn nog niet zeer oud; zij zijn in de tertiaire periode voorafgegaan door de acerotheriums, de paleotheriums, de paloplotheriums. De romp en de ledematen van die verschillende dieren hebben merkwaardig veel overkomst met elkander. Hunne verdeeling in soorten berust op het onderzoek van den schedel en hunne tandvorming; zij verschillen niet zóóveel, of men kan nog begrijpen, dat zij gemeenschappelijke stamouders bezaten.
Opdat onze lezers zelf over die verwantschap kunnen oordeelen, geven wij in fig. 284 en 285 de fossiele geraamten weer, wier vergelijking ons als het ware eene openbaring is van hunne afstamming. Het eerste is van het paleotherium magnum der bovenste eocene formatie; het tweede is van den rhinoceros pachygnathus uit de bovenste miocene formatie. Zoo wordt door de meest verschillende feiten de leer van de verandering der soorten bevestigd.
Het valt niet te ontkennen, dat de plotselinge verschijning der groote zoogdieren, paleotheriums, anoplotheriums, in de tertiaire formatie, de geologen evenzeer moest verwonderen als de verschijning van de pyramiden van Egypte, de groote tempels van Palmyra, Paestum en andere de verbazing opwekken van den ontwikkelden reiziger.
Zij, die voor het eerst die tempels en pyramiden zagen, schreven den bouw toe aan denkbeeldige wezens, demonen, feeën, goede geesten, die in de plaats treden van de verdwenen macht der oude beschaving. Vandaar het groote aantal legenden, overleveringen en volksgedichten, die aan ieder dier ruïnen verbonden zijn. Tevergeefs hebben de nieuwe ontdekkingen de verschillende ontwikkelingsphasen der menschheid leeren kennen, tevergeefs hebben zij doen zien, hoeveel tusschenschakels er waren tusschen het steenen en het ijzeren tijdperk, hoeveel voorloopige toestanden er noodig waren voor ieder standpunt der menschheid; hoe lang de arische volksstammen de ontwikkeling van het sanskrit zijn voorafgegaan; hoe zich achter iedere oudheid eene nog oudere oudheid openbaart, achter ieder geslacht een nog ouder geslacht, en hoeveel honderden eeuwen reeds verloopen waren, vóórdat de eerstgeborenen van den eersten dag der menschenwereld het daglicht zagen. Tevergeefs, want de gewoonte wint het van hetgeen wij aanschouwen. Wij moeten ons dus niet er over verwonderen, dat bij de eerste openbaring van de beenderen in de tertiaire formatie verspreid, eene dergelijke stomme verbazing den geest bevangen hield. De menschelijke geest kon het raadsel niet ontwarren. Hoe zouden de geleerdste, de verstandigste, de meest logische denkers een ander antwoord kunnen gegeven hebben, dan: "Het gaat de menschelijke bevatting te boven. Laat ons het onmogelijke niet beproeven. De organismen, wier overblijfselen wij zooeven ontdekt hebben, waren reeds van het begin af wat zij later waren. Zij zijn geheel afgewerkt uit de hand van den Schepper gekomen. Meer te willen weten, is de grenzen van ons kenvermogen overschrijden. Pas op, dat het u niet duizelt: houd stil. Tracht God niet van aangezicht tot aangezicht te zien."
Ziedaar, met andere woorden, het antwoord van Cuvier, die voor den geest die nieuwe afgronden geopend had. Maar de menschelijke weetgierigheid, tegelijkertijd aangetrokken en afgestooten, kon geen vrede hebben met eene zoo groote angstvalligheid. De onmogelijkheid der oude verklaring sprong in het oog. Hoe kan de eik plotseling haren vollen wasdom bereikt hebben, hoe kan de leeuw uit het niet ontstaan zijn, zonder eerst welp geweest te zijn?
En de mensch, dien men zich dertig jaren oud, en dus volwassen moest voorstellen, zonder moeder, zonder kindsheid, dadelijk met zijne volle kracht en volle oefening! En die oefening is noodig voor de minste beweging, voor de nietigste handeling, voor het eenvoudigste gebruik der zintuigen. Wat zou die man van dertig jaren uitrichten, die plotseling verschenen was, en niet had leeren zien, betasten en hooren. Wat zou hij hebben aan zijne machtige armen, als hij niet kon grijpen, aan zijne oogen, als hij niet had leeren zien en had leeren afstanden beoordeelen; aan zijne voeten, als hij niet had leeren loopen. Zijne kracht zelf zoude zich tegen hem keeren.
De oplossing kwam, zooals wij zagen, van verschillende punten te gelijk. Eerst ziet men hier en daar losse draden, die tot geleiddraden konden dienen. De wezens, die in de verschillende tijdperken op elkander gevolgd zijn, hebben dikwijls naast groote verschilpunten, trekken van overeenkomst behouden. Daar wij de laatst opgetreden wezens der schepping zijn, hebben wij de geboorte der wezens niet bijgewoond. "Wij zijn gelijk aan de wezens van één dag, die sterven op den dag, waarop zij geboren zijn, wij hebben den tijd niet gehad om de gedaanteverwisselingen der organische wereld te leeren kennen." En toch, indien wij de overblijfselen bestudeeren, die in de lagen der aarde verborgen zijn, dan kunnen wij uit de overeenstemming tusschen de dieren van onzen tijd en hunne voorgangers een besluit trekken omtrent hunne verwantschap. Wij vinden b.v. in fossielen toestand hyena's, katten, olifanten, rhinocerossen, tapirs, zwijnen, herten, gazellen, dolfijnen enz., die nauwelijks van de tegenwoordige soorten kunnen onderscheiden worden; men mag dus besluiten, dat zij de voorouders dier dieren geweest zijn, daar het verschil niet grooter is dan dat van rassen, die eenen gemeenschappelijken oorsprong hebben; in de geologische tijden, zoowel als in de tegenwoordige tijden, hebben zich de soorten tot rassen onderverdeeld, en het is onmogelijk te zeggen, waar de soort begint, waar het ras ophoudt.
Doch het zijn niet alleen de soorten van eenzelfde geslacht, die de sporen van verwantschap dragen. "Als ik zie, zegt Gaudry, dat het paard op het hipparion gevolgd is, de olifant op den mastodon, de rhinoceros op het paleotherium, de tapir op den lophiodon, de otter op den lutrictis, de hyena op het ictitherium, de hond op den amphicyon, de semnopithecus op den mesopithecus enz., dan geloof ik, dat die geslachten door nauwe banden verbonden zijn, want hunne punten van overeenkomst hebben verreweg de overhand boven hunne punten van verschil. Indien ik geloof aan de verwantschap van dieren, tot verschillende geslachten behoorende, dan geloof ik ook aan de verwantschap van dieren uit verschillende orden; ik zie immers herkauwende en eenhoevige dieren in de plaats treden van dikhuidige dieren, die zóó dicht daartoe naderen, dat niemand de grens kan aanwijzen tusschen de dikhuidige, de éénhoevige en de herkauwende dieren. Het komt mij dus voor, dat de paleontologen gerechtigd zijn tot de meening, dat zij talrijke punten van verwantschap ontdekt hebben tusschen de tegenwoordige dieren en de zoogdieren, die hun in de geologische tijden zijn voorafgegaan."
"Naarmate ik mijne waarnemingen verder heb uitgebreid, zegt de uitnemende natuuronderzoeker verder, ben ik bevestigd in de meening, dat de wezens niet afzonderlijk op aarde verschenen zijn, zonder eenig verband; ik geloof, dat in de schijnbare verscheidenheid der natuur een plan bestaat, waarin de oneindige Schepper den stempel zijner éénheid gedrukt heeft. Vandaar, dat het denkbeeld, om iets van dat plan te ontdekken, mijne schreden op het gebied der paleontologie gericht heeft."
Die natuurwet wordt meer en meer bevestigd, naarmate wij in onze kennis van de geschiedenis der aarde vooruitgaan. Naarmate zich de omgeving wijzigt, wijzigen zich tegelijkertijd de levende soorten.
De nieuwe dieren der eocene periode kruipen niet meer, zij loopen en springen en blijven niet in de modder van een moeras stil zitten. Zij zijn meesters der aarde en kennen haar, want zij dwalen ver weg, tot kudden vereenigd.
Sommigen klauteren in de boomen en knagen van de vruchten, die de tertiaire flora voor hen heeft doen rijpen; anderen springen van rots op rots tot den top der juist boven water verrezen bergen; bijna allen hebben de schubbige wapenrusting der kruipende dieren afgelegd. Het zijn dikhuidige zoogdieren, wier huid met haren bedekt is. Geen enkele hinderpaal houdt hen tegen; als eene streek uitgeput is, gaan zij verder. Het zijn het anoplotherium, de xiphodon, het paleotherium.
Er zijn er reeds, die in de aarde wroeten met hunnen grooten snuit; anderen ontwortelen de heesters met hunne lange ivoren tanden. De meesten, zooals het anoplotherium, zijn geheel zonder wapenen. Zonder verdedigingsmiddelen zijn zij verschenen op de aarde, waar de oude kruipende bevolking niets tegen hen vermocht. Hunne kracht zetelt in de vier dunne pooten, die hen in één oogenblik ver weg kunnen dragen.
Elke nieuwe vorm der aarde spiegelt zich af in de zeden, de gewoonten, het instinct en de gedaante der wezens: allen worden meer of minder gewijzigd door die nieuwe verdeeling van land en water, door de opheffing der bergen en de afkoeling op de hoogten; iedere nieuwe vorm der aarde wordt afgedrukt in den vorm van ieder wezen.
Wij zullen daarvoor een nieuw bewijs leveren.
De Jurastreek en een groot gedeelte van de omgeving der centrale bergvlakte van Frankrijk zijn op verscheidene plaatsen bedekt door eene bijzondere formatie, die wegens den overvloed van korrelig ijzererts den naam gekregen heeft van siderolithische formatie. Die formatie dagteekent van de tweede helft der eocene periode. De lagen phosphorzure kalk, die men in zoo groote menigte te Quercy vindt, hebben in menig opzicht groote overeenkomst met de siderolithische formatie, en schijnen even als deze grootendeels tot de laatste helft der eocene periode te behooren. Die lagen bevatten een groot aantal fossielen, vooral van zoogdieren.
Die phosphorlagen dan hebben een hoogst merkwaardig geslacht leeren kennen als tusschenvorm tusschen de buideldieren en de placentaire zoogdieren, het is een verscheurend dier, door Filhol _cynohyaenodon_, door Gaudry _proviverra_ genoemd.
De schedelholte toont aan, dat de hersenhalfronden voorzien waren van een aantal in de lengte gerangschikte windingen misschien vier in getal, en dat de twee middelste een begin van kronkelingen vertoonden; het achterhoofd was geheel bloot en zeer stevig.
De naam yan _thylacomorphus_, waaronder die schedel is ingeschreven, toont aan, dat hij, volgens den geleerden directeur van het Museüm, verwantschap had met de buideldieren.
Ook heeft men in de lagere tertiaire formatie een verscheurend dier gevonden, dat tot een geheel ander type behoort, dan alle voorgaande: zijne tanden zijn niet scherp en wijzen op de voeding der beren, die tot de allesetende (omnivore) dieren behooren; dat dier is de _arctocyon_ uit de zandsteenformatie van la Fère; het is het oudste van alle tot nu toe bekende zoogdieren in de tertiaire formatie. Bekwame paleontologen hebben gemeend, dat het dier tot de placentaire zoogdieren behoorde; het is echter voornamelijk uit den vorm van den schedel gebleken, dat het meer tot de buideldieren naderde.
Wij mogen ons dus afvragen, of de placentaire zoogdieren niet afstammen van de buideldieren. Indien wij weten, dat de pterodon, de hyaenodon, de paleonictis, de proviverra, de arctocyon geleefd hebben in het tijdperk, waarop de buideldieren op het punt waren uit Europa te verdwijnen, om plaats te maken voor de placentaire zoogdieren, en wij zien, dat die verscheurende dieren tegelijkertijd karaktertrekken gemeen hebben met de buideldieren en de placentaire zoogdieren, dan mogen wij aannemen, dat zij inderdaad de afstammelingen zijn van de buideldieren der secundaire periode.
Men vindt zelfs herinneringen aan den bouw der buideldieren bij dieren, die het voorkomen hebben van ware placentaire dieren; zoo heeft de amphicyon, die tot de familie der honden behoort, hetzelfde aantal bovenachterkiezen als de buideldieren en zijn schouderblad gelijkt meer op dat van die dieren dan op dat der honden. De cynodon is verwant aan den hond en de civetkat.
Het ligt dus voor de hand, te besluiten, dat de tegenwoordige wezens van die der oude tijden afstammen. De geschiedenis van een bepaald tijdperk hangt samen met die van het voorafgaande tijdperk.
De eocene periode heeft de geboorte bijgewoond van de halfapen, wezens, die vroeger door de natuuronderzoekers onder de apen gerangschikt werden, maar die dien naam niet verdienen en veeleer tusschen de handvleugeligen (vleermuizen) en de apen inliggen. Men zal zich rekenschap geven van de punten van verschil tusschen de halfapen en de apen, als men bedenkt, dat tot de eerste behooren de maki, de lori, de galago, de tarsius (spookaap), de galeopithecus, (kataap) terwijl tot de tweede behooren de sajou, de baviaan, de makaki, de groene meerkat, de hulman, de gibbon, de orang-oetan, de chimpansee en de gorilla. Het onderscheid is bijzonder groot, de vierhandigen omvatten dus twee duidelijk van elkander te onderscheiden groepen: de halfapen en de apen.
Rüttmeyer is de eerste, die eenen fossielen halfaap gevonden heeft. De geleerde Bazelsche hoogleeraar vond onder de eocene fossielen, in de siderolithische formatie van Egerkingen bij Solothurn een stuk van eene kaak, die slechts drie kiezen bevatte; daarin wist hij eenen halfaap te herkennen, dien hij den naam gaf van _coenopithecus_.
In 1873 vond Delfortrie in de phosphor-lagen eenen bijna volledigen kop van eenen oorspronkelijken halfaap, dien hij den naam gaf van _palaeolemur_.
Na dien tijd vond Filhol in diezelfde formatie den kop van eene tweede soort van datzelfde geslacht, die zich door zijne grootere afmetingen en vooral door zijnen gerekten vorm onderscheidde. Dezelfde natuuronderzoeker heeft nog eenen kleinen halfaap, door hem _necrolemur_ genaamd, leeren kennen.
Gaudry leidt uit het onderzoek der halfapen, die in de phosphorzure kalk gevonden zijn, af, dat zij eenen gemeenschappelijken oorsprong met de eocene dikhuidige dieren kunnen gehad hebben. De waarschijnlijkheid van die meening neemt toe, nu Milne-Edwards en Grandidier in hun werk over de zoogdieren van Madagascar bewezen hebben, hoe groote overeenkomst er bestaat tusschen de halfapen en de veelhoevige dieren. Om aan te toonen, dat verscheidene der halfapen karaktertrekken gehad hebben tusschen de tegenwoordige halfapen en de eocene dikhuidigen, behoeven wij slechts de omstandigheden hunner ontdekking te vermelden. Toen Delfortrie den schedel van den door hem ontdekten halfaap bestudeerd had, zond hij dien naar Gaudry met verscheidene andere fragmenten, die in de phosphorzure kalk gevonden waren. Onder die monsters was ook eene kaak, die hem herinnerde aan een stuk uit de gipsgroeven van Parijs, waarvan de indeeling hem veel moeite gekost had, en dat geleek op eene kaak door Gervais onder den naam van aphelotherium beschreven, maar waarvan het moeilijk was te zeggen, tot welke groep zij moest worden gerekend. De vergelijking van zoodanige kaken met de stukken, door Delfortrie ontdekt en met die van de levende halfapen, overtuigde hem, dat de monsters van den geleerden natuuronderzoeker en de kaken van het aphelotherium tot dezelfde halfapen behoorden. Tevens herinnerde hij zich, dat in de bovenste eocene formatie een fossiel voorkwam, waarvan de rangschikking even lastig was als van het aphelotherium: de adapis parisiensis, en kwam hij tot de gevolgtrekking, dat ook deze tot diezelfde soort van halfapen behoort. Is dit het geval, dan is het bewezen, dat de halfapen voorheen niet zoover van de dikhuidigen verwijderd waren als thans: Cuvier toch rangschikt den adapis onder de dikhuidigen. Gervais heeft voorloopig het aphelotherium naast de dikhuidigen gerangschikt. Dat er eertijds trekken van overeenkomst bestaan hebben tusschen de halfapen en de dikhuidigen, mag dus worden aangenomen, niettegenstaande het ontdekte materiaal nog niet bijzonder rijk is. Gaudry is na het onderzoek der gevonden kaken van meening, dat ook de apen van de dikhuidigen kunnen afstammen.
Zooals men ziet, zijn de halfapen naar de ontwikkeling van het organische leven sedert het begin der aarde, juist op hunnen tijd gekomen, en wel in de eocene periode; wij zullen de ware apen in de volgende periode zien verschijnen. Fig. 286 geeft ons eene teekening van eenen halfaap, den galeopithecus, (kataap), die nauw verwant is met de vleugelhandigen. Het merkwaardigste van dit halfslachtige wezen is het vleugelvormig vlies, dat als valscherm dienst doet en dat het dier in staat stelt, niet om te vliegen als de vleermuis (evenzoo een nauw verwant zoogdier), maar om zich in de lucht in evenwicht te houden. Misschien is het jammer, dat de mensch niet van den galeopithecus afstamt. Door de ontwikkeling der organen en der levensverrichtingen zou hij dan ongetwijfeld hebben kunnen vliegen.
Het einde der eocene periode, ook wel bekend onder den naam van oligocene periode, heeft eerst de voornaamste opheffing der Pyreneën en later die van de voornaamste Alpen medegemaakt. De gedaante der aarde wijzigt zich dus in die periode zeer. Reeds vroeger merkten wij op, dat de zee, uit het noorden komende, zich over een deel van Frankrijk, en over de Rijnvallei tot aan Bazel heeft uitgebreid, en dat in de zuidelijke streken daarentegen de zee in zuidelijke richting terugweek. Onder den invloed dier noordelijke zee wordt het klimaat van Europa meer effen en gematigd.
Daarna wijkt de zee naar het noorden terug en wordt bijna geheel Europa vastland. Het is het tijdperk der groote meren, zoowel in Frankrijk als in Zwitserland, verscheidene deelen van Duitschland, Oostenrijk, Italië en Griekenland. Tegelijkertijd vindt men in Noord-Duitschland de veenachtige lagunen, waarin de bruinkool gevormd wordt. De uitbreiding der meren en de overvloed der zoetwaterbezinkingen, zoowel als de rijkdom der plantenwereld, wijzen op de toenemende vochtigheid van den bodem, gevoegd bij eene gematigde en gelijkmatige temperatuur. De boomen met afvallende bladeren nemen in die tweede phase eene groote vlucht, zonder dat echter de palmen ontbreken, die nog welig tieren voorbij 50° N.B., dus nog in het noorden van Frankrijk, noch de kamferboomen, wier noordelijke grens voorbij 55° ligt. De periode eindigt met eene uitdroging der groote meren en het ontstaan van groote stroomen, waarop de molasse zee volgt.
Waarschijnlijk behoort de bruinkool met fossiele planten, in Groenland op 70° N.-B., en in Noord-Canada, IJsland en Spitzbergen ontdekt, tot de eocene formatie. Die lagen bevatten 9 soorten van groote varens, 31 soorten van naaldboomen, 11 soorten van éénzaadlobbigen en 93 tweezaadlobbige planten, waaronder noteboomen, platanen, beuken, eiken, ahornen, populieren enz.
Daar de afkoeling der aarde aan de polen begonnen is, zoo is het waarschijnlijk, dat die flora, niettegenstaande het voorkomen van miocene soorten, die trouwens niet meer dan een vierde deel van het geheel vormen, ouder is dan de Europeesche miocene flora, dat is, ouder dan de periode, waarin de planten, die de miocene periode kenmerken, zich zuidwaarts verplaatsten. Het noordelijkste punt, waar die flora is waargenomen, is Grinnelland, op de 82ste paralel gelegen. Daar groeiden de zilverspar en de cipres naast den populier en den berk, aan de oevers der meren, die met nenufars bedekt waren; het klimaat was dus op korten afstand van de pool hetzelfde als thans in de Vogezen. Maar de magnolia's ontbraken er, terwijl deze wel in Groenland, op 70° breedte gevonden werden. De gemiddelde jaartemperatuur van noordelijk Groenland was toen 12° en dus dezelfde als thans die van Californië, terwijl op Spitzbergen (80° N.B.) de gemiddelde jaartemperatuur 8° of 9° bedroeg. De flora van Groenland had eene merkwaardige overeenkomst met die van de Parijsche lagere eocene formatie. De flora der poolstreken is de onze voorafgegaan en heeft zich verplaatst naar Europa en Amerika, terwijl de palmboomen, die voor het eerst in Europa gekomen zijn in de krijtperiode, nooit binnen den poolcirkel zijn binnengedrongen.