De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 30
In de bovenste massa vindt men de dikhuidige dieren, paleotheriums, anoplotheriums, enz., waarmede wij weldra kennis zullen maken, en die beschouwd kunnen worden als de wezens, die het kenmerk zijn der bovenste eocene formatie.
Dit is de opvolging der versteende lagen tijdens de eocene periode. Merkwaardig is het, dat die gesteenten eene belangrijke rol gespeeld hebben bij den bouw van steden en woningen. Indien er geene bouwsteenen waren, hoe zouden dan dorpen, steden, huizen en monumenten gebouwd kunnen worden? De menschheid is niet alleen afhankelijk van het dieren- en plantenrijk, maar is ook de slaaf van het delfstoffenrijk, dat zich afspiegelt in hare wijze van werken en hare geschiedenis.
Die afwisselingen van zee, vastland en meren hebben alleen in die ééne periode honderdduizenden jaren geduurd!
Om zich een denkbeeld te vormen van de buitengewone veranderlijkheid in de eocene periode, zij het voldoende op te merken, dat het oudste gedeelte der tertiaire formatie in het bekken van Parijs vertegenwoordigd wordt door een twintigtal verschillende lagen, die ieder eene bijzondere mineralogische karaktertrek of enkele eigenaardige fossielen bezitten, en waarvan sommige zeevormingen, andere zoetwatervormingen zijn; daarentegen bestaat zij in de Pyreneën, in Zuid-Europa, tot zelfs in China, bijna uitsluitend uit eene bank vast opeengedrongen kalksteen, die geheel eene zeeformatie is, en het voorkomen heeft van eene Juraformatie, waarin het wemelt van foraminiferen, zoodat zelfs de steen nummulietenkalk genoemd wordt. In al de bekkens ontdekt men tusschen de verschillende lagen fossielen, en wel gewoonlijk des te talrijker, naarmate men in eene hoogere laag komt. Iedere afdeeling der tertiaire periode onderscheidt zich dan ook duidelijker van de krijtperiode dan van volgende perioden: een groot aantal soorten der miocene periode komen ook in de pliocene formatie voor, en de tegenwoordige zeeën, b.v. de Middellandsche zee, bevatten nog een zóó groot aantal pliocene weekdieren, dat de grens niet gemakkelijk te trekken is tusschen de tertiaire bezinkingen en die van onzen tijd. Voegen wij nog hierbij, dat men in den laatsten tijd een groot aantal tertiaire soorten ontdekt heeft, die men meende, dat uitgestorven waren, en die toch in de diepten der zee in grooten getale voorkomen.
De poolstreken, thans ijskoud en verlaten, waren toen, evenals in de secundaire tijden, bedekt met plantenrijke bosschen; doch er is reeds eene neiging tot afkoeling. Het zijn geen tropische planten meer, maar platanen, linden, kastanjes, beuken, pijnboomen, berken, noteboomen. Die boomen zullen later eerst in onze streken gevonden worden, wanneer de temperatuur voldoende gedaald zal zijn. Maar in dien tijd waren Frankrijk, Duitschland, België, Engeland nog met palmboomen bedekt, omdat daar nog een tropisch klimaat heerschte.
Langzaam en geleidelijk, doch steeds vooruitgaande, heeft zich van eeuw tot eeuw het leven ontwikkeld en gesplitst. De ongewervelde dieren der azoïsche periode hebben het aanzijn geschonken aan de gewervelde dieren. Op de weekdieren zijn de visschen gevolgd, op de visschen de kruipende dieren van het water, daarop de tweeslachtige dieren, en uit de kruipende dieren zijn de vogels voortgekomen. Met de vogelbekdieren en de buideldieren, uit de tweeslachtige dieren voortgekomen, is de heerschappij der zoogdieren begonnen, die tijdens het tertiaire tijdperk de wereld zijn gaan beheerschen. Wij zullen thans de ontwikkeling dier klasse van hoogere dieren volgen, waaruit de dikhuidige, de herkauwende, de verscheurende dieren, de knaagdieren, de halfapen, de apen en de mensch zijn voortgekomen.
Wij geven hier (blz. 499) eene schets van het chronologisch verband tusschen de ontwikkeling van het dierenrijk en de opvolging der geologische tijdperken. Eén blik is voldoende, om die grootsche geschiedenis te kunnen opbouwen. De tegenwoordige orden der visschen bestonden reeds tijdens de krijtperiode, en waarschijnlijk reeds vroeger; zij begonnen zich te vormen in de devonische en de steenkoolperiode. De tegenwoordige orden der kruipende dieren bestonden reeds vóór de eocene periode; hunne vorming is begonnen in de permische periode. De tegenwoordige orden der zoogdieren zijn eerst volledig tot ontwikkeling gekomen in de miocene periode; in het eocene tijdperk begonnen zij zich eerst te splitsen en verschilden zij nog slechts zeer weinig van elkander.
In de eocene formatie der Vereenigde Staten zijn de kruipende dieren talrijk, hoewel zij vervallen zijn van den rang, dien zij in de secundaire periode innamen. Men vindt geene landdinosauri meer, en er vliegen geene pterosauri meer in de lucht: deze zijn met de Jurazeeën en krijtzeeën, waarin zij leefden, verdwenen. Voortaan nemen de krokodillen, schildpadden en hagedissen hunne plaats in, en de slangen treden voor het eerst op het vasteland van Amerika op. De krokodillen behooren reeds tot de tegenwoordige typen, reeds een twaalftal soorten kunnen onderscheiden worden. Van de schildpadden zijn reeds 43 soorten bekend. Men kent nog slechts zes eocene soorten van slangen.
In de bezinksels der eocene zeeën heeft men verschillende roggen gevonden, en daaronder den sidderrog of electrischen rog, dien men kan herkennen aan zijne om het geheele lichaam gelegen vinnen. Men heeft sidderroggen gevonden in de omstreken van Verona, op den berg Bolca, die beroemd is door zijn groot aantal fossielen; zij zijn veel grooter dan die, welke thans de Middellandsche zee bewonen. Die fossiele wezens hebben thans hunne vertegenwoordigers bijna uitsluitend in de zuidelijke zeeën; _de ostracion quadricornis_ b.v. is merkwaardig door de vreemde ligging zijner oogen, die op horens bevestigd zijn (fig. 277).
Ook te Aix (Provence) heeft men eene groote hoeveelheid fossiele visschen. Men vindt daar vooral eene soort van karper (lebias cephalotes), die zich van de overige karpers onderscheidt door zijnen van tanden voorzienen bek. Die soort bestaat nog heden ten dage in het zoetwater van Provence. Fig. 276 is gemaakt naar eene teekening van Agassiz.
Tot de merkwaardigste visschen van dat tijdperk behoort de platax altissimus (fig. 278).
De vogels, die wij voor het eerst in de gedaante van den archeopteryx hebben zien verschijnen, scheiden zich thans voor goed van de kruipende dieren. Fig. 279 stelt een merkwaardig afdruksel voor, in de benedenlagen van den heuvel van Montmartre gevonden. Het zijn de overblijfselen van een gevleugeld wezen, dat het voorkomen en den bouw heeft van onze tegenwoordige vogels, en dat men den naam gegeven heeft van den vogel van Montmartre.
Die vogel was niet bijzonder groot. De gastornis parisiensis echter, in 1855 door Gaston Planté in de eocene lagen van Mendon gevonden, moet, zooals uit de gevonden tibia blijkt, eene zeer groote vleugelwijdte gehad hebben.
Wij zullen zien, dat de vogels eerst in de miocene periode tot hunne volle ontwikkeling komen. Zooals wij reeds hebben opgemerkt, zijn het de zoogdieren, die kenschetsend zijn voor het tertiaire tijdperk. Wij hebben vroeger reeds gesproken over hun eerste optreden in den vorm van buideldieren. Die lagere zoogdieren zijn in Europa de voorgangers der placentaire zoogdieren geweest; na daar in de secundaire periode te hebben geleefd, zijn zij in de eocene periode zeldzaam geworden en in het midden der miocene periode verdwenen. Waarschijnlijk zijn verscheidene van deze in placentaire zoogdieren veranderd. Diegene, welke geen verandering hebben ondergaan of niet verhuisd zijn, waren in den strijd om het bestaan in ongunstige omstandigheden. Hoe groot ook hun moed en hunne kinderliefde zijn, toch zijn hunne jongen, zwakke en ontijdig ter wereld gekomen wezens, meer blootgesteld aan de aanvallen der roofdieren dan de placentaire zoogdieren en vooral de knaagdieren en dikhuidigen, die reeds zeer ontwikkeld ter wereld komen. Bovendien kunnen de buideldieren met hunne jongen in hunnen buidel of op hunnen rug geene rivieren oversteken zonder gevaar te loopen ze in het water te zien stikken; de placentaire zoogdieren, wier jongen genoeg ontwikkeld ter wereld komen om te kunnen loopen en zwemmen, ondervinden diezelfde bezwaren niet. Daar de grasetende dieren van veld tot veld moeten gaan om de planten te plukken, die in ieder jaargetijde bloeien, moeten zij meer last gehad hebben van zeearmen en stroomen dan de vleeschetende buideldieren; misschien is dit één der redenen, waarom zij vroeger uit onze streken verdwenen zijn, want opmerkelijk is het, dat men in onze tertiaire formaties geen enkel grasetend buideldier gevonden heeft, en wel overblijfselen van vleeschetende buideldieren.
In de eerste helft van het tertiaire tijdperk waren er in Parijs, Auvergne, Vaucluse, Zwitserland dieren, die zeer veel geleken op de tegenwoordige buidelratten. Men kan er niet aan twijfelen, dat zij eenen soortgelijken bouw gehad hebben; Cuvier toch heeft bij één van deze de buidelbeenderen teruggevonden, die dienen tot steun van den buidel, waarin de jongen geplaatst zijn. Deze ontdekking behoort tot die, welke het meest den grooten natuuronderzoeker belang inboezemden; vóórdat hij het bekken gezien had, was hij overtuigd, dat het dier buidelbeenderen bezat, omdat de studie der tanden en van het geraamte hem reeds tot de verwantschap van die dieren met de buidelratten had doen besluiten. Cuvier was van meening, dat er een nauw verband bestaat tusschen de verschillende organen; hij meende, dat de aanwezigheid van het ééne orgaan de aanwezigheid van een ander orgaan medebrengt; toen hij dus in het gips van Montmartre een dier zag, dat tanden had als eene buidelrat, beweerde hij reeds vooruit, dat het ook buidelbeenderen moest hebben als eene buidelrat. Toen hij dus het dier ging uitgraven, en het bekken ging blootleggen, riep hij eenige vrienden te zamen, om hen getuige te doen zijn van de ontdekking der buidelbeenderen, en werkelijk werd zijne voorspelling bewaarheid.
Toch had het kunnen zijn, dat Cuvier niet zoo gelukkig geweest ware; men moet immers de wet van het onderling verband der verschillende organen niet te streng toepassen. Cuvier toch, die aan de onveranderlijkheid der soorten geloofde, meende, dat een hond altijd een hond, eene buidelrat altijd eene buidelrat is. Toch behoeft dit niet steeds het geval te zijn; een dier kan tegelijkertijd de karaktertrekken van twee verschillende soorten of van twee verschillende klassen gehad hebben. Het is zelfs mogelijk, dat het een schakel geweest is tusschen de twee voornaamste afdeelingen van de klasse der zoogdieren. Wij hebben hiervan het bewijs gehad bij de vogel-reptielen en de dinosauri.
De eocene periode kenmerkt zich door eenen merkwaardigen rijkdom en eene groote verscheidenheid van soorten van dikhuidigen, die onder de viervoetige dieren van onzen tijd niet meer gevonden worden; zij kwamen overeen met de tapirs, de rhinocerossen en de kameelen. Het zijn de _paleotheriums_, _lophiodons_, _anoplotheriums_, _anthracotheriums_, _cheropotami_, _adapis_, alle door Cuvier ontdekt. Wij zullen ze in breede trekken beschrijven.
De _paleotheriums_ geleken op de tapirs door hunnen algemeenen bouw, den vorm van hunnen kop en de kortheid der neusbeenderen, waaruit blijkt, dat zij evenals de tapirs eenen kleinen snuit hadden, ook hadden zij zes snijtanden en twee hoektanden in iedere kaak; maar door hunne kiezen, waarvan de bovenste plat en van verhevene halvemaansvormige plooien voorzien waren, en door hunne pooten, die alle vier drie toonen bevatten (bij de tapirs hebben de voorpooten vier toonen) gelijken zij op den rhinoceros [47].
Het is ééne der meest verspreide soorten uit die formatie. Reeds Cuvier schrijft, dat de gipsgroeven in de omstreken van Parijs er van wemelen: men vindt daar beenderen van zeven verschillende soorten. De eerste (paleotherium magnum), is zoo groot als een paard; drie andere zijn van de grootte van een varken, maar ééne daarvan met lange, smalle pooten, ééne met breedere pooten, ééne met nog breedere en nog kortere pooten; de vijfde soort, van de grootte van een schaap, heeft nog kortere en breedere pooten; de zesde soort heeft de grootte van een lammetje, en heeft slanke pooten, waarvan de uiterste toonen korter zijn dan de overige; de zevende soort is zoo groot als eene haas.
Men heeft ook in andere streken van Frankrijk paleotheriums gevonden: te Puy-en-Velay, in de gipshoudende mergel; in de omstreken van Orleans, in de mergellagen, en bij Issel in eene laag molasse. Maar vooral in de molasse van Dordogne komt het paleotherium even talrijk voor als in de gipsgroeven van Parijs.
De _lophiodons_ zijn nog nader verwant met de tapirs dan de paleotheriums, daar ook hunne benedenkiezen dwarse verhevenheden bezitten. In enkele opzichten wijken zij er echter weder van af.
Cuvier heeft in Frankrijk 12 soorten ontdekt, alle begraven in mergel, uit zoetwater gevormd, en met limneïden gevuld. De grootste soort bevindt zich nabij Orleans, in dezelfde groeve als de paleotheriums; zij gelijkt op den rhinoceros. Op dezelfde plaats is eene tweede, kleinere soort; eene derde soort vindt men te Montpellier, eene vierde bij Laon, twee bij Bichsweiller in den Elzas, vijf in Berry bij Argenton.
De verschillende soorten verschillen onderling in grootte; de kleinste waren nauwelijks zoo groot als een lammetje; ook vindt men kleine verschillen in den vorm der tanden, die wij hier niet zullen bespreken. In de bovenste lagen van de Parijsche grofkalk heeft men een groot aantal fossiele beenderen van lophiodons gevonden.
De _anoplotheriums_, die men in de gipsgroeven buiten Parijs gevonden heeft, hebben sommige karaktertrekken, die men bij geen enkel ander dier terugvindt; pooten met twee toonen, waarvan de middelhandsbeenderen niet met elkander vereenigd zijn zooals bij de herkauwende dieren, en tanden, die tegen elkander aanliggen, zooals dit thans alleen bij den mensch het geval is.
Er bestaan drie soorten van anoplotheriums; de _anoplotheriums_ in den eigenlijken zin, de _xiphodons_ en de _dichobuni_, die in den vorm der tanden van elkander verschilden.
Het meest verspreide anoplotherium was een dier van de hoogte van een wild zwijn, doch veel langer en voorzien van eenen langen en dikken staart, zoodat het ongeveer de afmetingen had van eenen grooten otter. Waarschijnlijk kon het goed zwemmen: men vindt op den bodem der zee zijne beenderen ingesloten in het gips, dat zich daar afzette.
De _xiphodon_ was slank en licht als eene schoone gazelle.
De _dichobunus_ had de grootte van eene haas. Hij onderscheidt zich van de anoplotheriums en de xiphodons door twee kleine en dunne teenen aan iederen voet, naast de twee groote teenen.
De _anthracotheriums_ liggen tusschen de paleotheriums, de anoplotheriums en de varkens in. Twee van die soorten zijn in het bruinkool van Cadibona bij Savona gelegen. De eerste geleek in grootte op den rhinoceros, de tweede was veel kleiner. Men vindt ze ook in den Elzas. Hunne kiezen gelijken op die der anoplotheriums; doch zij hebben scherpe hoektanden.
De _cheropotamus_ komt in de gipsgroeven bij Parijs voor, naast de paleotheriums en de anoplotheriums, maar hij is veel zeldzamer. Zijne achterste kiezen zijn van boven vierkant, van onderen rechthoekig en hebben vier kegelvormige verhevenheden, omgeven door kleinere bulten. Zijne hoektanden zijn klein. Hij was zoo groot als een varken.
De _adapis_ had de grootte van een konijn; zij komt ook in de gipsgroeven van Parijs voor, en was nauw verwant aan het anoplotherium.
Wij kennen dus bijna 40 uitgestorven dikhuidige dieren.
Dit groote aantal dikhuidigen is des te merkwaardiger, daar wij in de formatie, die wij thans behandelen, bijna geene herkauwende dieren vinden, terwijl deze thans in zoovele soorten voorkomen bij de herten en gazellen en zulke groote afmetingen kunnen aannemen, zooals bij het rund, de giraffe of den kameel.
Doch die dikhuidigen waren niet de eenige bewoners van de landen, waar zij leefden. In de gipsgroeven immers vinden wij daarbij verscheurende dieren, knaagdieren, verscheidene soorten van vogels, krokodillen en schildpadden; die twee laatste dieren vindt men ook met de dikhuidigen in de molasse en de mergel van het midden en het zuiden van Frankrijk. Ook is eene vleermuis merkwaardig, te Montmartre ontdekt.
Te Montmartre zijn ook de beenderen van eenen vos gevonden, die van onzen vos afwijkt en evenzoo verschilt van den jakhals, den isatis en den Amerikaanschen vos; evenzoo eene soort wilde kat en twee of drie verscheurende dieren, die nog niet goed bekend zijn.
De krokodillen uit dat tijdperk gelijken op onze gewone krokodillen door den vorm van hunnen kop, terwijl men in de banken der Juraperiode alleen soorten vindt, die aan de gavialen verwant zijn. De schildpadden van dien tijd zijn alle zoetwaterdieren; sommige behooren tot de emydiden; en er zijn te Montmartre en vooral in de molasse van Dordogne, grootere dan die, welke men levend kent; andere zijn trionychidae of schildpadden met weeke lippen. Die soort, die men gemakkelijk kan herkennen aan den vorm van hare schildbeenderen, en die thans alleen voorkomt in de rivieren der warme landen, zooals de Nijl, de Ganges, de Orinoco, kwam in grooten getale voor in de streken, door de paleotheriums bewoond. Men vindt eene ontzaglijke hoeveelheid overblijfselen te Montmartre en in de molasse van Dordogne en andere bezinkingen uit dien tijd in het zuiden van Frankrijk.
De zoetwatermeren, in wier omtrek al deze dieren leefden, en die hunne beenderen opnamen, bevatten behalve schildpadden en krokodillen, enkele visschen en schelpen. Al de dieren, die men daar gevonden heeft, zijn even vreemd aan ons klimaat en even onbekend in de wateren van onzen tijd, als de paleotheriums en de overige viervoetige dieren van dien tijd. Zelfs de visschen behooren gedeeltelijk tot onbekende soorten.
Het is dus niet twijfelachtig, dat die eerste groote bevolking van zoogdieren gedeeltelijk vernietigd is; overal dan ook, waar men hunne overblijfselen vindt, zijn daarboven groote bezinkingen van eene zeevorming, zoodat later de zee weder gestroomd heeft over de landen, waar die dieren woonden en ze gedurende langen tijd bedekt heeft gehouden.
Nog niet lang geleden, in 1884, heeft Lemoine in de lagere eocene formatie in de omstreken van Parijs een zoogdier gevonden, dat hij den naam gegeven heeft van pleuraspidotherium. Dat dier was verwant aan de buideldieren en het paleotherium.
Onlangs bij den bouw van den nieuwen spoorweg van St.-Cloud naar Marly-le-Roy heeft men over eene groote uitgestrektheid het zand van Fontainebleau blootgelegd met de schelphoudende mergel. Men heeft daarin, onder talrijke fossiele overblijfselen, veertien verbazend zware en groote ribben gevonden. Zij zijn 43 centimeters lang en even dik als breed. Gaudry meent, dat zij behoord moeten hebben tot het grootste zeezoogdier, dat tot nu toe in de omstreken van Parijs ontdekt is. Het moet geleken hebben op onze tegenwoordige zeekoe, een groot grasetend walvischachtig zoogdier. De vinnen bestaan uit vijf vingers, die werkelijke handen vormen. De wijfjes hebben twee groote melkklieren. Men kent geen enkel ander dier met zoo zware en groote ribben.
Doch de grootste schatten voor de paleontologie zijn in den laatsten tijd in Amerika ontdekt. Sedert den bouw van den spoorweg, die Amerika doorsnijdt van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan, zijn streken onderzocht, die tot dien tijd voor de beschaving en de wetenschap gesloten waren. Men heeft daar eene menigte fossiele dieren gevonden, waarvan verscheidene zeer veel verschillen van die van Europa.
Dat gedeelte van Wyoming, begrepen tusschen het Rotsgebergte en den Wahsatchketen, is één der streken, die den paleontologen de meeste verrassingen aanbieden. In de eocene periode was de zee, die tijdens de krijtperiode die streken bedekt had, door groote zoetwatermeren vervangen, aan wier oevers een rijke plantengroei ontstond, en waar de reusachtige dikhuidigen zich ontwikkelden, wien men den naam van _dinoceratiden_ gegeven heeft. Marsh heeft een groot werk geschreven over die vreemde schepselen; het is nog rijker in belangrijke gegevens dan dat, waarvan wij vroeger gesproken hebben naar aanleiding van de tandvogels.
De schedel der dinoceratiden [48] verklaart ons, waarom men hun dien naam gegeven heeft. Nog nooit had men koppen gezien met zóóveel horens: de neusbeenderen dragen twee kleine beenige uitsteeksels; de vóórkaken leveren boven de hoektanden twee stevige uitsteeksels; een derde nog grooter en merkwaardiger paar wordt door de zijbeenderen gevormd; men heeft getracht van dit vreemde dier eene voorstelling te maken, die in fig. 283 is weergegeven.
Ook de hersenen zijn bijzonder vreemd en veel kleiner dan bij eenig ander zoogdier, zoodat zij op die van kruipende dieren gelijken. De geringe afmeting der hersenen is een karaktertrek, eigen aan verscheidene zoogdieren der tertiaire formatie; dat gedeelte van het lichaam is eerst tot meerdere ontwikkeling gekomen bij de dieren van het middelste tertiaire tijdperk en vooral bij die der tegenwoordige periode. Daar er in het algemeen verband bestaat tusschen de ontwikkeling der hersenen en het verstand, mag men aannemen, dat de oudere zoogdieren minder verstand hadden dan die van onzen tijd.
Het fossiele dier, dat door zijne ledematen en zijne tandvorming het meest tot de dinoceratiden nadert, is de coryphodon; maar toch is het nog ver van de dinoceratiden verwijderd.
Niettegenstaande hunne verbazende grootte en bepaalde punten van overeenkomst in hunne ledematen, kunnen de bekende groote dieren der Western-Territories toch niet in verband gebracht worden met de snuitdieren, want zij hadden noch eenen snuit, noch bovensnijtanden, en hoewel hunne pooten eenige overeenkomst hebben met die der olifanten, verschillen zij daarvan weder in vele andere opzichten. De dinoceratiden zijn inderdaad wezens, die verdwenen zijn zonder nakomelingschap achter te laten, nadat zij aan de eocene wereld een vreemdsoortig voorkomen gegeven hadden.
Het is inderdaad vreemd, dat men reeds in het begin der tertiaire periode zulke groote zoogdieren vindt: de onderzoekingen toch, in den laatsten tijd in Amerika gedaan, en die welke in Europa volbracht zijn, hadden slechts nietige zoogdieren der secundaire periode aan het licht gebracht.
Van 1870 tot 1883 heeft Marsh de overblijfselen van meer dan 200 exemplaren van dinoceratiden verzameld, zonder nog te spreken van de tallooze fossielen, tot andere groepen behoorende. Men kent reeds 30 verschillende soorten. De studie van dat prachtige materiaal is de grondslag van zijne schoone verhandeling.
Zooals wij zagen behooren de hersenen tot de merkwaardigste organen der dinoceratiden: zij zijn kleiner dan van eenig ander bekend zoogdier, zelfs niet grooter dan de geheele wervelkolom. De ontwikkeling der hersenen heeft in de tertiaire periode volgens Marsh naar de volgende wetten plaats gegrepen:
1. Alle zoogdieren der tertiaire periode hadden kleine hersenen.
2. In de tertiaire periode zijn de hersenen geleidelijk toegenomen.
3. Die toeneming had vooral plaats in de halfronden.
4. Bij enkele groepen worden de hersenwindingen samengestelder.
De halswervels der dinoceratiden gelijken op die der snuitdieren, maar zij zijn langer. De geheele hals was een derde langer dan die van den olifant. Een snuit was dus onnoodig, omdat het dier met den kop den grond kon bereiken. De beenderen der ledematen zijn over het algemeen zeer sterk, zooals trouwens het geheele geraamte, met uitzondering van een deel van den schedel. De voorste ledematen hebben veel overeenkomst met die der snuitdieren. De voorpooten zijn zwaarder dan de achterpooten.