De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 25
Letten wij b.v. op het landschap van araucaria's en cycadeën, waarin zich de reusachtige _stegosaurus_ beweegt met zijn lichaam, dat bedekt was met beenige en doornachtige platen, en met zijne merkwaardig korte voorste ledematen,--den compsonotus, een' anderen niet minder merkwaardigen dinosaurus,--en de vreemde vliegende reptielen, de pterodactyli (fig. 227). Vormt dit landschap niet eene wereld, die geheel van de onze verschilt? Zou men zich die kunnen voorstellen, als men de versteeningen niet ontdekt had? Die bewoners der secundaire periode zijn allen op het laatst der krijtperiode verdwenen. Toen heerschte over de geheele aarde het klimaat der tegenwoordige tropen; tot op de hoogste breedten heeft men dezelfde planten en dieren teruggevonden. Het is de periode der kruipende dieren, en welke kruipende dieren! De brontosaurus, wij merkten het reeds op, bereikte eene lengte van 16 meters en moest meer dan 30000 kilogram wegen! De atlantosaurus was nog grooter. De Europeesche cetiosaurus deed niet onder voor zijne Amerikaansche mededingers: men kan daarover gemakkelijk oordeelen, indien men weet, dat het dijbeen 1,70 meter lang, en dat het gedeelte van den kop en de wervelkolom, dat bekend is, reeds 12 meters lang is, hetgeen voor het geheele dier eene lengte van 16 tot 17 meters geeft. De iguanodons waren dikwijls tien meters lang; de grootste heeft eenen kop van 1,20 meters en de voorpooten waren 2,50 meters lang.
Zonder zelfs te spreken van de oude wereld der ichthyosauren, der plesiosauren, der labyrinthodonten, der paleotheriums, is de periode der dinosauren voldoende, om getuigenis af te leggen van de verscheidenheid van de voortbrengselen der levenskracht, zelfs op onze nietige planeet. De natuur zelf beantwoordt hen, die aan hare vruchtbaarheid twijfelen, en wij behoeven aan hare wonderen niets toe te voegen.
Noch de denkbeeldige dieren, door de fabelleer van alle volkeren verzonnen, noch de spooksels, door de vrees geschapen in de sombere tijden, toen de menschelijke gedachte scheen te sluimeren en te droomen, zouden kunnen wedijveren met de fantastische voortbrengselen der aarde tijdens den oorsprong der viervoetige dieren en der zoogdieren. Het is, alsof de natuur van alles in kolossale verhoudingen de proef genomen heeft, vóórdat zij kon besluiten tot de vormen, die eens in de menschheid moesten eindigen.
Terwijl de zeeën doorploegd werden door reusachtige kruipende dieren, ichthyosauren, plesiosauren, pliosauren, nothosauren, waarvan de tegenwoordige natuur ons geen flauw denkbeeld kan geven; terwijl op het vasteland de dinosauren heerschten, misschien wel de merkwaardigste dieren, ons door de oudheid nagelaten, waren de hemelen met niet minder vreemde wezens bevolkt, met dieren, die noch vogels, noch kruipende dieren waren, of liever met dieren, die tegelijk vogels waren, zonder veeren en met tanden gewapend, tegelijk warmbloedige kruipende dieren, die noch konden loopen, noch konden zwemmen. Het zijn in den waren zin des woords de draken uit de fabelleer, en de meest rijke verbeelding kan zich geene verzameling van zóó vreemde monsters denken, of zij hebben tijdens de Juraperiode geleefd.
Niet alleen door hunne grootte onderscheidden zich de kruipende dieren in de oude tijden: ook door de talrijke en zeldzame vormen, die zij aannamen. Wij wijzen hier op de dieren, die niet, zooals de vliegende draken, door middel hunner ribben vlogen, of zooals de vogels, door vleugels met aan de uiteinden vergroeide middelhandsbeenderen, of zooals de vleermuizen door vleugels, waarbij de duim alleen vrij is, maar door middel van vleugels, die gesteund werden door eenen zeer langen vinger, terwijl de andere vingers hunne gewone lengte en hunne klauwen behouden hadden. Die vliegende reptielen (vreemde tegenstelling) hadden eenen langen hals, en den bek van een vogel.
Die vreemde dieren zijn de pterodactyli. Hunne korte en stevige kaken zijn aan de voorzijde voorzien van tanden, terwijl de kaak zich tot eene soort bek verlengt, die bij den ramphorynchus en den dimorphodon waarschijnlijk met eenen hoorn bekleed was en geene tanden bevatte. Die tanden doen door hunnen stand en de wijze hunner inplanting meer denken aan de merkwaardige van tanden voorziene vogels der krijtformatie van Amerika, zooals den hesperornis, dan aan kruipende dieren. [24]
De pterodactyli waren dieren, die zich met kracht en snel door de lucht konden voortbewegen: hunne voorste ledematen zijn dan ook geheel daartoe ingericht. Bij de vogels, de dieren der lucht bij uitnemendheid, bestaan de vleugels uit onbuigzame pennen, die met haar ééne uiteinde bevestigd zijn aan eene platte en bijna onbeweeglijke stomp; de twee beenderen van den middenarm kunnen niet om elkander draaien, en de handwortel bestaat slechts uit twee kleine beentjes; de hand bestaat uit eenen weinig ontwikkelden duim, eenen pink en eenen middenvinger, die uit twee leden bestaat. Het vliegorgaan der zich in de lucht bewegende zoogdieren, zooals de vleermuizen, is geheel anders samengesteld. Bij de laatste dient een zeer dun vlies, tusschen de voorste en achterste ledematen en de huid, voor het vliegen; om dat vlies te dragen, moeten de vingers bijzonder lang zijn.
Evenals verscheidene andere dieren dier periode, vertoont de pterodactylus een mengsel van zeer verschillende karaktertrekken. De hals, gevormd uit zeven wervels, wijst op een zoogdier, de vliezen, die voor het vliegen dienen en zich uitstrekken tusschen de vóór- en achterpooten, behooren tot de vleermuizen, terwijl men den pterodactylus naar den bouw van den voet onder de kruipende dieren moet rangschikken; de zoogdieren toch hebben aan alle vingers hetzelfde aantal leden; de kruipende dieren daarentegen, en met name de hagedis, hebben het kleinste aantal leden aan den vinger, die de plaats van den duim inneemt, en één lid meer aan iederen volgenden vinger, tot aan den laatsten, die één minder heeft dan de vorige.
De pterodactylus, die dezelfde inrichting der vingers heeft, wordt dus onder de hagedissen gerangschikt; het was eene soort van vliegende hagedis van middelmatige grootte, en, te oordeelen naar het aantal insecten, dat men dicht bij zijne overblijfselen vindt, een insecteneter. Het hoofdvoedsel schijnt uit libellulae bestaan te hebben, waarvan men eene zeer schoone soort bij hunne overblijfselen vindt. Men heeft opgemerkt, dat de pterodactylus geene verdedigingswapenen of haren bezat; in de afdruksels vindt men daarvan geen spoor. Blz. 422 geeft een denkbeeld van zijne grootte in vergelijking met die van de vleermuis.
In de lithographische steen van Beieren, waarin zoovele merkwaardige dieren gevonden zijn, die uitstekend bewaard zijn gebleven, heeft men in 1873 eenen rhamphorynchus gevonden, met volkomen gaven vleugel. Uit dat exemplaar blijkt, dat de vleugel een vlies was, dat op dat der vleermuizen geleek, glad en netvormig. Het vlies was aan de binnenzijde aan den geheelen arm verbonden, de vijfde vinger, die lang uitgerekt was, steunde het tot aan het uiteinde. De staart was zeer lang en de staartwervels werden vastgehouden door beenige pezen; de merkwaardige toestel, die men aan het uiteinde van den staart van den rhamphorynchus waarneemt, deed klaarblijkelijk dienst als roer.
De zooeven genoemde karaktertrekken zijn zóó bijzonder, dat het niet te verwonderen is, dat de pterodactyli, ook wel pterosauri en ornithoscelidae genoemd, nu eens als vogels, dan weder als kruipende dieren beschouwd zijn, of ook wel als dieren, tusschen beide klassen instaande. Het onderzoek der fossielen heeft onze vroegere begrippen over de verschillende groepen van dieren in velerlei opzichten gewijzigd; wij kennen thans vogels, met tanden als bij de zoogdieren, en zoogdieren met vogelbekken; sommige wezens zijn zóó vreemdsoortig, dat zij door de uitstekendste ontleedkundigen nu eens beschouwd zijn als gevleugelde reptielen, dan weder als vogels, die over een groot gedeelte van hun skelet op reptielen geleken. De verdeeling in klassen, orden en families, zooals wij die aannemen, bestaat in de natuur niet; er zijn schakels, die de ééne soort met de andere vereenigen. Indien de dinosauri eenigszins den overgang vertegenwoordigen tusschen de kruipende dieren, en de vogels en de zoogdieren, dan verbinden de pterodactyli de kruipende dieren met de vogels, doch liggen zij dichter bij de laatste dan bij de eerste. Evenals de dinosauri zijn de pterosauri tot nu toe alleen gevonden in de secundaire formaties van Europa en Noord-Amerika. Ook bij deze dieren vindt men verscheidene typen.
De pterodactyli der Juraperiode van West-Europa hadden de grootte van musschen, lijsters en duiven. Maar in de Vereenigde Staten heeft Marsh in de krijtformatie van Kansas beenderen gevonden van het geslacht pteranodon, die behoord hebben tot dieren, wier vleugeluitgebreidheid zes of zeven meters bedroeg! Deze monsters moeten in de krijtperiode te Amerika tamelijk talrijk geweest zijn; de Amerikaansche natuuronderzoeker verzekert toch, dat in Yale-College te New-Haven (Connecticut) beenderen van meer dan 600 reuzenpteranodons gevonden worden.
Die vreemde bevolking der secundaire periode is, zooals wij zagen, met de labyrinthodonten begonnen. Stellen wij ons behalve die vreemde vormen ook nog de woeste kreten van al die kruipende dieren voor: het geloei en gehuil der dinosauri, het gekwaak van den labyrinthodon, dien reusachtigen kikvorsch, aan den oever van de zilte meren!
Al die dieren richten eene vreeselijke verwoesting aan onder de vreedzame menigte der weekdieren. Zij vermalen de parelmoerkleurige schelpen en voeden zich met visschen en kruipende dieren. Geen enkel wezen kan aan hunne verscheurende kaken weerstand bieden; zij worden de heerschers der wereld.
Wat eene vreemde en fantastische dierenwereld. Beeldhouwers en schilders hebben voorheen en thans de wereld verrijkt met wezens, die nooit bestaan hebben. Gelooft men, dat de sphynxen der Egyptenaren, op het zand neergehurkt, de centauren, de faunen, de Grieksche satyrs, de Hindoesche en Perzische griffioenen, de slangenengelen van Raphaël, geene verwante vormen vinden onder de levende wezens, die de aarde in die oude tijden bevolkt hebben? De dinosauri, de iguanodons, de plesiosauren kunnen, zoo zeggen wij met Edgard Quinet, wel degelijk wedijveren met de draken met vlammenden muil van Medea; de vliegende slangen met de slangen van Laocoön; de oudste herkauwende dieren en de groote tandelooze dieren, de mylodon en het megatherium met de gekroonde stieren van Babel, de geheimzinnige dromatheriums en dinotheriums met de reusachtige sphynxen van Thebe, de ichthyosauren met de draken van Hercules en de harpyen van Homerus, de hipparions met hunne gevingerde voeten met de paarden van Neptunus of met het monster van Rubens met de opgeheven manen. Men zou den stamvader der honden, den amphicyon willen zien en hem hooren blaffen op den kruisweg van de schepping der tertiaire zoogdieren. Indien de Grieksche en moderne kunstenaar onmogelijke vormen moest verzinnen, dan had hij slechts te putten in de bewerktuigde wereld; hij zou geheel gereedgemaakte vormen gevonden hebben in de werkplaats der natuur; hij zou realist zijn, niettegenstaande hij de grenzen der tegenwoordige wereld overschreed.
Ieder wezen heeft zijn natuurlijk kader. Even moeilijk als het voor ons zoude zijn, zich den kameel voor te stellen zonder hem in den geest met de woestijn te verbinden, evenzoo moeilijk is het, zich de krokodillen der Juraperiode in eene andere omlijsting te denken dan die van dien tijd. Zij waagden zich op het strand, doch vonden vóór zich een laag, moerassig, smal eiland, het Liaseiland, dat geene krachtige pogingen vereischte, om er bezit van te nemen. Indien de hagedissen zich op den modder hadden gesleept en geene prooi ze aantrok, gingen zij niet verder. Een korte, vormlooze, handvormige poot, de achterarm tegen het lichaam gedrukt, ziedaar alles wat noodig is om die bank te bezetten, die beurtelings onder water, beurtelings boven water, een tweeslachtig verblijf aanbood aan tweeslachtige wezens. En daar op dien verdroogden modder, waarop alle schepselen zich langzaam bewogen, geen gevaar te vermijden viel, was er geen noodzakelijkheid of verlangen, om te vluchten of zich te haasten. Zoo kan men zeggen, dat de aarde haren stempel gedrukt heeft op de bewoners van dien tijd en het aanzijn gaf aan de kruipende dieren. Daar waar een vaste bodem ontbrak, kon zich de wijze van voortbewegen der landdieren niet ontwikkelen. De dieren behoefden noch te loopen, noch te rennen, noch te vliegen; kruipen was voldoende. Met de hagedissen waagden zich ook de schildpadden op het land; daar het hun alleen te doen was, zich op den grond neer te zetten, en die vaste grond slechts eene kleine uitgestrektheid had, behoefden zij zich niet te haasten; zij hadden slechts te kruipen, om hun erfgoed te bemachtigen, en verkregen alzoo den stempel der onbewegelijkheid. Als op die smalle landtong, de poot zich niet kon ontwikkelen door beweging en snelheid, hoe kon dan de vleugel zich ontwikkelen? Men kan zich alleen vleugels denken, indien zich groote uitgestrektheden aan den horizon openen, indien men die moet doorklieven, om eene van verre zichtbare prooi te bereiken, of om van klimaat te veranderen door verhuizing naar eene andere landstreek.
Doch welk wezen had op dat woeste strand der Juraperiode behoefte om eene vlucht te nemen, teneinde een zoo klein gebied te doorloopen. Daarom ontbreken de vogels nog. Als het eerste spoor van eenen vleugel verschijnt, is het de vleugel van een reptiel, den pterodactylus, met den getanden muil van eene hagedis, en twee vliezige vleugels. Die vleugels zijn voor hem voldoende, want hij behoeft geene wijde oceanen over te steken, om vastelanden te bereiken, die nog niet bestaan; hij behoeft zich nog niet in één oogwenk van eene ongenaakbare rots in eene diepe vallei te werpen. Er zijn nog geene bergen of valleien, het is slechts een effen, smal, ingekorven terrein, waar al de voorwerpen in elkanders nabijheid zijn gelegen. Indien het kruipende dier, in het moeras verborgen, eenen zwerm libellulae in het voorbijvliegen kan grijpen of eenen grooten kever, dan is dat voldoende voor zijne voeding.
De tijd voor het ware vliegen is nog niet gekomen; de vleugel met zijne groote vleugelwijdte ontwikkelt zich eerst, als het vasteland zich ontwikkeld heeft, als de bergen zijn opgerezen, de valleien uitgediept, het klimaat gewijzigd is, en de eilandgroepen te voorschijn zijn getreden, die aan de vogels op hunne verre tochten tot rustplaats kunnen strekken.
Wij zien dus, dat de tijdperken niet voorbijgaan zonder een levend beeld van zich achter te laten. Zij drukken op onuitwischbare wijze hunnen stempel op de elkander opvolgende schepselen. Zij herleven daarin. Ieder oogenblik van de eeuwigheid heeft zich dus vastgezet in een type, eene soort, eene familie, die daarvan de vertegenwoordiger is. Indien de woestijn verdween, dan zoude deze nog in den kameel afgebeeld zijn. Uit dat oogpunt teekent de rij der georganiseerde wezens de rij der groote vervlogen tijdperken. Iedere plant, ieder dier, tot zijn type teruggebracht, is als het ware een vast punt in de opvolging der gebeurtenissen, die de geschiedenis der aarde vormen.
Toch wane men niet, dat die wonderlijke Juraperiode, de grootste en vruchtbaarste van de geheele geschiedenis der aarde, alleen die ontzaglijke en fantastische dinosauri en gevleugelde reptielen heeft voortgebracht; het was hare bestemming, om nog eenen stap verder te gaan op de baan der schepping, en om zich nog op andere wijze te openbaren dan door die geweldige krachtsuitingen; zij heeft het voorrecht gehad, _den vogel_ het aanzijn te schenken, nog wel niet de zwaluw of de nachtegaal, maar den laagst ontwikkelden, den oorspronkelijken vogel.
De ontdekking der eerste veeren van den fossielen vogel was hoogst belangrijk. Zij dateert van 1860 en is gedaan in de bovenste Juraformatie van Beieren, in de lithographische steen van Solenhofen. De geologen twijfelden aan de echtheid van de veer, totdat men in het volgende jaar in dezelfde formatie en vlak bij de plaats, waar de veer gevonden was, een gedeelte ontdekte van het lichaam van den oorspronkelijken vogel, die den naam kreeg van _archeopteryx_. Het duurde verscheidene jaren, eer het mogelijk was, nauwkeuriger kennis omtrent dien vogel op te doen. In 1863 gaf Owen er voor het eerst eene beschrijving van. In 1877 werd een tweede exemplaar, schooner en vollediger, gevonden op 14 kilometers van de plek, waar het eerste gevonden is. Het eerste exemplaar is aangekocht door het Museüm van Londen, het tweede door dat van Berlijn. Het onderzoek van dat laatste exemplaar heeft geleerd, dat de schedel reeds den eigenaardigen vorm van eenen vogelschedel heeft, maar dat hij voorzien is van kaken met tanden in tandkassen. De grootte van dien vogel komt overeen met die van eene duif. De staart is hoogst merkwaardig. Hij is zeer lang en bestaat uit 20 wervels, die ieder aan weerszijden eene veer dragen. Door die wervels is het meer de staart van een kruipend dier dan van eenen vogel. De archeopteryx vult juist de leege ruimte aan tusschen de kruipende dieren en de vogels. Reeds lang wist men, dat de vogels vervormde kruipende dieren zijn; maar men kende nog geene fossielen uit dien overgangstijd. De archeopteryx is dus in ieder opzicht eene der belangrijkste ontdekkingen der paleontologie.
En toch was de ontdekking van dat dier nog slechts een voorspel van de ontdekkingen, onlangs in Amerika gedaan naar aanleiding der eerste fossiele vogels; die ontdekkingen waren zóó belangrijk en talrijk, dat Marsh aan de voornaamste ontdekkingen een folio boekdeel wijdt, dat als het ware alleen nog maar eenen ontleedkundigen catalogus vormt van de onderzochte exemplaren. Uit dat prachtige werk, de vrucht van doorwrochte studie, zullen wij enkele exemplaren als typen kiezen, indien wij in ons volgend hoofdstuk de krijtperiode behandelen, waarin die dieren tot hunne grootste ontwikkeling gekomen zijn.
Al die landvogels (meer dan duizend in aantal) zijn gevonden naast pterodactyli van 25 voet vleugelwijdte, mosasauri, sauropoden en reusachtige stegosauri. Volgens Marsh vindt men in de Amerikaansche Juraformaties kleine dinosauri, wier beenderen, van het skelet gescheiden, als de schedel ontbreekt, niet kunnen onderscheiden worden van die der vogels uit dezelfde lagen. Enkele van deze leefden op de boomen en onderscheidden zich van de vogels alleen door de afwezigheid van veeren. Hoe zijn die veeren ontstaan? Wij hebben eene aanwijzing daarvan in het vliegen van den galeopithecus, de vliegende eekhorentjes, de vliegende hagedissen en de vliegende kikvorschen. Bij de oorspronkelijke vogels, die op de boomen leefden en die van tak op tak sprongen, waren zelfs reeds rudimentaire veeren een voordeel, want zij zouden eenen grooteren sprong naar beneden hebben mogelijk gemaakt of de kracht van den val hebben kunnen breken. Naarmate de veeren groeiden, werd het lichaam warmer en het bloed werkzamer. Met het toenemen van het aantal veeren zoude het vermogen om te vliegen zijn toegenomen; die verhoogde werkzaamheid zoude weer eenen vollediger bloedsomloop tengevolge hebben enz.
De ramphorynchus kan ons een zeer goed denkbeeld geven van die kleine vliegende dinosauri.
De leer van de ontwikkeling der ongeboren vrucht heeft reeds lang de overeenkomst aangetoond van de schubben en stekels der kruipende dieren, en de wratvormige stompjes, die bij de ongeboren vrucht der vogels, de eerste sporen van het gevederte zijn. Het is dus geene wetenschappelijke ketterij, aan te nemen, dat er kruipende dieren geweest zijn, met veeren bekleed; dit is misschien het geval geweest met den compsognathes en den archeopteryx. Naar de onderzoekingen van Carl Vogt, op het tweede exemplaar gedaan, had de eerste vogel ongetwijfeld een naakt lichaam. Hij schrijft daaromtrent het volgende:
Aan iedere hand heeft hij drie lange en slanke vingers, met kromme, scherpe klauwen. De duim is de kortste; de beide andere zijn bijna even lang; toch heeft de tweede de overhand. Die twee vingers waren klaarblijkelijk met elkander verbonden door peesachtige vliezen. De duim bestaat uit twee leden en een middelhandsbeen, en de andere vingers uit drie leden en een middelhandsbeen.
De vleugels waren aan den voorarm en de hand bevestigd, zonder dat men in het skelet eene bijzondere aanpassing voor dat doel vindt. De duim was vrij, evenals de twee andere vingers. Indien men in zijne gedachte alle veeren wegneemt, dan heeft men eene drievingerige hand van een kruipend dier voor oogen, zooals de compsognathes en vele andere dinosauri gehad hebben blijkens de sporen hunner voetstappen.
Ik durf beweren, dat geen enkele geleerde, wien men het skelet van eenen archeopteryx zonder veeren liet zien, zou kunnen vermoeden, dat dit dier bij zijn leven vleugels bezeten heeft.
Later zullen wij de ontwikkeling der vogels volgen, indien wij de tertiaire periode bestudeeren.
De insecten, wier verschijning wij reeds vóór de dagen der steenkoolperiode begroet hebben (blz. 263) nemen gedurende de Juraperiode snel toe, en ontwikkelen zich evenzeer tot volkomener soorten. Ook hier openbaart zich de groote wet van den vooruitgang, zooals wij die leerden kennen in het geheele dierenrijk. Wij zagen, dat de insecten der primaire periode behoorden tot de lagere soorten, de rechtvleugeligen, de netvleugeligen en de halfvleugeligen (zooals kakkerlakken, krekels, sprinkhanen, witte mieren, waterjuffers), en dat men in die oude formaties nog geene overblijfselen van insecten gevonden heeft, die behoorden tot de hoogere orden der vliesvleugeligen, tweevleugeligen of vlinders, bijen, mieren of kapellen. In de oudste bezinksels der Juraperiode, in het trias, heeft Oswald Heer, alleen in Zwitserland, tweeduizend exemplaren gevonden, aldus verdeeld over 143 soorten:
Rechtvleugeligen 7 soorten. Netvleugeligen 7 soorten. Schildvleugeligen 116 soorten. Vliesvleugeligen 1 soorten. Halfvleugeligen 12 soorten.
Men ziet, dat de schildvleugeligen de groote meerderheid uitmaken. Die insecten leveren de helft der fossiele soorten, en wijzen er op, dat het vasteland met bosschen begroeid was.
Fig. 233 en 234 stellen vleugels van eenen fossielen kever en van eene fossiele waterjuffer voor, gevonden in de oölitische formatie van Stonesfield, bij Oxford.
De rijkdom der insectenfauna bewijst, dat het vasteland in dien tijd eene groote uitgestrektheid had en dat wij hier niet meer de kleine eilanden der liaszee voor oogen hebben. Het bestaan van waterjuffers en schildvleugelige insecten in zoo groote hoeveelheden wijst op rivieren of zoetwaterbekkens. Wij weten, dat alle kleine eilanden van den Atlantischen Oceaan slechts aan zeer weinige waterdieren tot verblijfplaats strekken; de Canarische eilanden, Madera, de Azoren bezitten er slechts enkele. De reden is eenvoudig: de beken zijn te klein, en op sommige tijden van het jaar bijna geheel uitgedroogd, hetgeen een beletsel is voor het bestaan van zoetwaterdieren. Een eiland moet eene zekere uitgestrektheid hebben, opdat de beken er niet uitdrogen. Al weten wij nu, dat er in de Juraperiode waarschijnlijk meer water viel dan thans, en dat de regen zich over het geheele jaar regelmatiger verdeelde, dan thans op de genoemde eilanden het geval is, toch mogen wij uit het groote aantal zoetwaterinsecten opmaken, dat de eilanden der Juraperiode zeer groot waren.
Tijdens de Juraperiode huppelden in Frankrijk en Engeland kleine krekels in de struiken, de waterjuffers schommelden door de lucht, de kakkerlakken en witte mieren zochten hun voedsel in de bosschen, en vroolijke zwermen van waterkevers verlustigden zich op de oppervlakte van het water.
Ook vond men daar reeds de sprinkhanen met hunne onharmonische en knersende geluiden.