De Wereld vóór de schepping van den mensch

Chapter 23

Chapter 233,683 wordsPublic domain

Deze feiten zijn tegenwoordig voldoende vastgesteld. Het kan oppervlakkig moeilijk schijnen aan te nemen, dat men den betrekkelijken ouderdom der bergen kan lezen in de archieven der oorspronkelijke wereld, toch zijn de geologen, en met name Leopold von Buch, Élie de Beaumont en Constant Prevost daarin door hunne uitstekende nasporingen geslaagd. Men zou bij het zien van eenen berg geneigd zijn te meenen, dat zij uit den grond is verrezen door eenen verticalen naar boven gerichten druk, op de wijze der vulkanen. Toch begrijpt men bij eenig nadenken, als men nagaat, dat de aarde bij hare afkoeling moet zijn samengetrokken, dat dit niet kan geschied zijn zonder dat plooien, of inwendige leegten of gewelven moeten zijn ontstaan, of ontwrichtingen der schors moeten hebben plaats gegrepen, die aan de bergen het aanzijn geschonken hebben. Indien men den bouw der bergen onderzoekt, dan ziet men, dat meesttijds in het midden van den berg het oorspronkelijke gesteente te voorschijn treedt uit de scheuren der bezonken lagen, en zoo de toppen vormt. Daar iedere laag, die bezonken is, zich in het water moet hebben afgezet in meer of minder horizontale lagen, zoo kunnen die lagen nooit eenen schuinen stand verkregen hebben dan door eene opheffing, die na hare bezinking heeft plaats gegrepen. De bergketen heeft dus haren vertikalen vorm verkregen nadat de verschillende lagen afgezet zijn, die zij heeft opgetild, doch vóórdat de horizontale lagen zijn gevormd, die men op de zijden van den berg vindt. In een vorig hoofdstuk hebben wij gezien, dat dit nog in onzen tijd op dezelfde wijze geschiedt. De voornaamste oorzaak van de vorming der bergen is de langzame samentrekking der aarde. Die vorming der bergen is ook de oorzaak van die aardbevingen, die niet door vulkanen ontstaan. Bijna overal is ten gevolge van den weeken toestand van de kern de bodem der planeet in langzame schommeling.

Iedere eeuw wordt de oppervlakte van den bodem op enkele gedeelte opgeheven en op andere neergedrukt; hetzelfde is met de bedding der zee het geval. Door die voortdurende veranderingen en door meteorologische oorzaken, zooals regen, wind, eb en vloed enz. heeft de aardschors telkens nieuwe vormen aangenomen van het oogenblik af, dat hare oppervlakte bewoond is geworden door bewerktuigde wezens en de bedding van den Oceaan is opgeheven tot de hoogte der hoogste bergen. Wel duizelen wij, wanneer wij alle oneffenheden nagaan, die sedert het begin van dat tijdstip in de aardschors zijn ontstaan; doch als men daarbij rekening houdt met den verbazenden tijd, waarin die oneffenheden zijn ontstaan, dan behoeven wij geene plotselinge omwentelingen daarbij aan te nemen. Trouwens het resultaat dier veranderingen is eigenlijk nog onbeduidend, daar de hoogste bergketenen bijna geene wijziging brengen in den regelmatigen vorm van den aardbol. De Gorisankar b.v., die eene hoogte heeft van 8840 meters boven de oppervlakte der zee, moet op eene aardglobe van 1,44 meters middellijn worden voorgesteld door eene zandkorrel van 1 m.m. dikte.

Men kan dus de oneffenheden op de oppervlakte der aarde als uiterst klein beschouwen, en uit een geologisch oogpunt als van tijdelijken aard, zooals b.v. de vorm en de hoogte van den kegel van den Vesuvius tusschen twee uitbarstingen. Hoe gering echter die oneffenheid is in vergelijking der geheele massa, zoo hangt toch de toestand van den dampkring en het klimaat af van de plaats en de richting dier kleine oneffenheden.

Men kan den ouderdom van eene omwenteling nagaan uit den ouderdom der formaties, die daardoor gewijzigd worden. Indien twee lagen onmiddellijk op elkander rusten, zóódanig dat zij beide niet denzelfden hoek met den horizon maken, dan is het duidelijk, dat men daar te doen heeft met twee afzonderlijke opheffingen, waarvan de ééne heeft plaats gehad vóór en de andere na de afzetting der jongste laag. Eene breuk is natuurlijk steeds jonger dan de formatie, die gebroken is, en daarin hebben wij dus reeds eene benaderde bepaling voor den tijd, waarop de omwenteling moet hebben plaats gegrepen. Indien zich eene belangrijke keten van hoogten vormt, dan verandert deze den toestand van het vasteland geheel en al; sommige zeeën worden ver weggeworpen en de kaart der streek wordt dus daardoor geheel gewijzigd.

Men begrijpt uit het voorgaande, hoe moeilijk de taak is, om ons een denkbeeld te maken van den vorm der aarde op verschillende tijdstippen. Wij zullen echter hier niet verder uitweiden over de formaties der tertiaire periode, hoeveel wij ook nog zouden kunnen mededeelen over de rijzingen en dalingen der Pyreneën, Alpen en andere bergketenen, of over de veranderingen in den vorm der zeeën en landen. Wij zullen daarop in het gedeelte, dat over de tertiaire formaties handelt, nog terugkomen. Het was echter voor ons van belang, om ons een juist denkbeeld te vormen van de geografische veranderingen, die in den loop der tijden door die rijzingen en dalingen hebben plaats gegrepen.

Wat onze aandacht het meest trekt in de beschouwing van die vervlogen perioden, is het leven, waardoor zij werden gekenmerkt; geene enkele periode zoude toch kunnen wedijveren met die welke wij thans beschouwen, wat betreft de vreemdsoortigheid der wezens uit dat tijdperk. Nieuwsgierig, doch tevens met huivering, aanschouwen wij de reusachtige kruipende dieren der Juraperiode, en voornamelijk de ichthyosauren (vischhagedissen) en de plesiosauren (zeedraken), die het kenmerk zijn van die dierenwereld.

De kruipende dieren vertegenwoordigen het verledene, eeuwen lang hebben zij als heerschers over de aardoppervlakte geregeerd; men ziet eene lange rij dieren verschijnen, die behooren tot geheel verdwenen vormen, in vergelijking waarmede de thans bestaande kruipende dieren nietige dwergen zijn. Enkele kruipende dieren der secundaire periode kunnen wij begroeten als de reusachtigste van alle bekende landdieren; zij waren grooter dan olifanten en walvisschen; men heeft dijbeenderen gevonden van meer dan twee meters, hetgeen wijst op dieren van eene zóó verbazende kracht, dat het onze verbeelding te boven gaat. Geheele groepen, waarvan niets in de tegenwoordige natuur ons een denkbeeld kan geven, hebben de oceanen, het vaste land of de moerassen bewoond; zij zijn onherroepelijk verdwenen zonder nakomelingen achter te laten; enkele dier groepen staan zóó geheel op zich zelf, dat zij meer verschillen van onze tegenwoordige dieren, dan de slang van den krokodil verschilt; reeds thans kent men honderden soorten van die dieren, die zoo langen tijd op de oppervlakte der aarde de rol van onze zoogdieren hebben vervuld; men vindt er vleeschetende, grasetende, insectenetende en vruchtenetende dieren onder; zij zijn overal te vinden, op het vaste land, in het water en in de lucht. Indien het primaire tijdperk te recht den naam kon dragen van het tijdperk der visschen, dan kan men van de secundaire periode zeggen, dat zij de ontwikkeling der kruipende dieren tot hun maximum heeft bijgewoond.

De vreemde dieren, die als het ware den overgang vormen tusschen de kruipende dieren en de kikvorschen, sterven voor goed uit in de onderste lagen der Juraformatie; de ware kruipende dieren bereiken echter hunne hoogste ontwikkeling; zij worden vertegenwoordigd door alle groote groepen, die wij thans nog hebben, met uitzondering van de slangen, die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten verloren hebben. Bovendien vindt men dieren van een in onze fauna volkomen onbekend type, die in de krijtperiode weder verdwenen zijn.

Van de kruipende dieren der secundaire periode zijn _de ichthyosauren_ (van ichthus visch en sauros hagedis) reeds het langst bekend; want Scheuchzer spreekt reeds in 1708 van wervels in het lias van Altdorf gevonden. De natuur van deze vreemdsoortige wezens is echter eerst in de eerste helft dezer eeuw bepaald.

De ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch, den kop van eene hagedis, den muil van eenen bruinvisch, de tanden van eenen krokodil, het borstbeen van eenen ornithorynchus en de vinnen van eenen walvisch. Men kent een groot aantal verschillende soorten, waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn. Men vindt ze in grooten getale in de Juraformatie, vooral in de onderste lagen. Hun kop was lang en puntig, met ontzaglijke oogen voorzien, hunne talrijke tanden waren groot, kegelvormig en puntig; men heeft kaken gevonden met 180 tanden. Zij moeten eenige overeenkomst gehad hebben met onze tegenwoordige walvisschen.

Zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster, moeten de oogen, die de grootte hadden van een menschenhoofd, het reeds een schrikwekkend aanzien gegeven hebben. Binnen de oogholte ziet men eenen cirkel, bestaande uit 13 tot 17 beenige platen, die waarschijnlijk tot steun dienden aan het wit van het oog; het licht werd door de opening van den cirkel doorgelaten. Die platen, die men ook vindt in de oogen van verscheidene vogels, bij de schildpadden en de hagedissen, dienen om het doorschijnende hoornvlies naar voren of naar achteren te duwen, ten einde zijne kromming te vermeerderen of te verminderen, en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine afstanden gemakkelijk te maken, d. i. om het dier naar verkiezing bijziend of verziend te maken. Van de oogen af neemt de schedel reusachtige afmetingen aan, het voorhoofd stijgt om van achteren weder af te platten: de beenderen steken in het midden en de beide zijden tot aan het achterhoofd uit, en laten holten open, die de spieren hielden, waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen.

De groote kop had eenen machtigen steun noodig; die rol werd door den hals vervuld, die kort en dik was en waarvan de wervels zich tot binnen in den kop uitstrekten, terwijl de benedenkaak zich vrij vóór en onder deze bewoog. De wervelkolom wordt van den kop tot het midden van den rug dikker. De wervels zijn bijna cirkelvormig, plat en voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden, waarmede zij onder elkander verbonden zijn.

Bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zóózeer bepaald, dat het tot onderscheidingsmiddel der verschillende families dient; bij de voorwereldlijke hagedissen daarentegen is dat aantal niet bepaald, hetgeen wijst op eene onvolkomen ontwikkeling: er had zich nog geen vast type gevormd; de wervelkolom bestaat nu eens uit 110, dan weder uit 120, ja zelfs uit 145 wervels, waarvan 45 dienen voor de inplanting der ribben.

De staart bevat van 80 tot 85 wervels, waarvan de eerste aan weerszijden verlengd zijn, welke verlengstukken echter al kleiner en kleiner worden. Het achtereinde van den staart is rond.

De met zwemvliezen voorziene pooten herinneren aan de vinnen van den walvisch, met dit verschil, dat zij meer vingers bevatten; maar deze bestaan, evenals de hand van den mensen (behalve de duim) uit eene rij leden, die door spieren en kraakbeenige bandspieren aan elkander verbonden zijn. Die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen dan tot loopen, doch zij kunnen voor beide gediend hebben.

De vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een ijzeren handschoen, terwijl het overige deel van het lichaam geene wapenrusting ter verdediging bezat.

Het groote aantal en de dubbelholle oppervlakte der wervels doen ons besluiten, dat het monster eene grootte vlugheid bezat, waardoor het, hoewel schijnbaar log, gemakkelijk zijne prooi kon bereiken. Indien de lengte der vier ledematen gering schijnt, dan wijst de bouw der staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang lichaam er op, dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was van breede en krachtige vinnen, die vertikaal stonden, zooals bij al onze visschen, en niet horizontaal zooals bij den walvisch; men begrijpt, dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven. In het Museum te Parijs vindt men eenen ichthyosaurus, waarin zich een kleine volkomen gevormde ichthyosaurus bevindt. Moeder en kind zijn volkomen goed bewaard gebleven. Dit is een onwederlegbaar bewijs voor de stelling, dat die kruipende dieren levende jongen voortbrachten.

Die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker Chaining Pearce gevonden, in de liasformatie van Somersetshire; het fossiele skelet lag op den buik. Door de ééne of andere overstrooming overvallen, was het dier met zand bedekt en toen versteend met al wat het bevatte, met uitzondering van de zachte gedeelten. Toen men de hard geworden klei voorzichtig weggenomen had, had men de geheele buikzijde van het monster bloot gelegd; deze was, evenals het geheele geraamte, volkomen bewaard gebleven.

Doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker, toen hij in de holte van het bekken van den ichthyosaurus, een ander dier van dezelfde soort, doch in het klein, ontdekte, wiens skelet met den kop naar den staart van het moederdier gelegen was!

De ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende lichaam der moeder was zóó merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde hechten, vóórdat men het feit nauwkeurig had onderzocht; er viel echter aan de juistheid niet te twijfelen. Zooals wij zagen, is het groote skelet van beneden naar boven losgemaakt, waardoor reeds het denkbeeld is uitgesloten, als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin gebracht zijn; evenmin is het aan te nemen, dat het groote skelet op het kleine gevallen is, dat reeds in de modder begraven zoude geweest zijn, en dit laatste den stand van eene ongeboren vrucht zoude hebben doen aannemen op het oogenblik der geboorte. De meening, als zoude het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn voor de opening van het darmkanaal, wordt reeds hierdoor wederlegd, dat het jeugdige dier zóó teer is, dat zijn geraamte in de maag van het groote monster zou moeten verbrijzeld zijn, zelfs nog aannemende, dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden. Wij mogen hier opmerken, dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is; de haaien baren eveneens levende jongen, evenals verschillende soorten van slangen, de salamanders en enkele andere kruipende dieren.

Indien wij zoo de sporen van dit lang vervlogen leven terugvinden, indien wij in het lichaam van den ichthyosaurus het voedsel terugvinden, dat hij een oogenblik vóór zijnen dood inzwelgde, indien wij daarin nog de overblijfselen zien van visschen, voor honderden millioenen jaren verslonden, dan verdwijnt die onmetelijke tijdsruimte voor onzen geest, en dan vinden wij ons als het ware in onmiddellijke aanraking met alle gebeurtenissen, die toen ten tijde hebben plaats gevonden, als waren zij eerst onlangs geschied. [20]

Opmerkelijk is het, dat men geene ichthyosauren gevonden heeft in de secundaire formaties van de Vereenigde Staten van Amerika. In 1879 vond echter professor Marsh een exemplaar van drie meters lengte, afkomstig uit de Juraformatie van het Rotsgebergte, maar _zonder tanden_. De wervels, de ribben en de overige deelen van het skelet konden nauwelijks onderscheiden worden van de overeen-komstige deelen van eenen ichthyosaurus, en ook de schedel kwam in velerlei opzicht met dien van den laatsten overeen. En toch waren er geene tanden aanwezig; zelfs werden de tandholten gemist. De geleerde paleontoloog stelt voor, de nieuwe hagedis "Sauranodon" of tandlooze hagedis te noemen.

Hoewel men reeds, zooals wij zagen, sedert 1708 fossiele overblijfselen van ichthyosauren had onderzocht, heeft men ze eerst sedert 1814 bestudeerd; in dat jaar gaf Sir Everard Home zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen, die in het lias van Dorset gevonden waren. In 1816 en 1818 werden nieuwe stukken op dezelfde plaats gevonden en in 1819 een geheel skelet. In 1824 gaf Cuvier eene volledige verhandeling over dat merkwaardige wezen in het licht. Na dien tijd heeft men er verscheidene gevonden in verschillende lagen der lias- en Juraformatie, maar nooit meer na het midden der krijtperiode. Men onderscheidt vier soorten: den ichthyosaurus communis, den grootsten van alle (12 meters), met gegroefde en kegelvormige tanden; den ichthyosaurus platyodon, bij welken de tanden ingedrukt zijn; den ichthyosaurus tenuirostris, met eenen langen, dunnen muil; en den ichthyosaurus intermedius, die op de eerste soort gelijkt, maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft.

Nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren, waren de plesiosauren, hunne tijdgenooten in de periode, waarvan wij thans de geschiedenis schrijven. Hun vorm is bijzonder vreemd; men stelle zich eenen walvisch voor, wiens romp eindigt in eenen hals, die op het lichaam van eene slang gelijkt, en waarop een kop rust, die merkwaardig klein is in vergelijking met de grootte van het dier; ziedaar den plesiosaurus, die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil, in andere opzichten op eene hagedis, eene schildpad en eenen walvisch, met bijzondere karaktertrekken, hem alleen eigen. Enkele dikke en korte soorten gelijken weder op ichthyosauren. De plesiosauren moeten een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben: hunne tanden zijn meer dan een meter lang, en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch van middelmatige lengte! Niet minder geducht waren de cetiosauren; hun dijbeen was meer dan 1 1/2 meter lang, en de dieren moeten dus eene lengte gehad hebben van 18 meters. Onze tegenwoordige kruipende dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier oude tijden!

Die koningen der Jurazeeën bewoonden de groote zeeën, hunne ledematen, vier in getal, en afgeplat als roeiriemen, waren als het ware voor het zwemmen geschapen; hun dikke ineengedrongen staart diende hun tot roer. Daar zij in de lucht ademden, zwommen zij niet in de diepte, maar aan de oppervlakte van het water, evenals de zwaan en de watervogels. Terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar achteren bogen, schoten zij van tijd tot tijd met hunnen sterken en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit, om de visschen te grijpen. Waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld, evenals de ichthyosauren; zij leefden van de levende prooi, die zij met hunne talrijke en scherpe tanden konden grijpen.

De eerste plesiosauren zijn ook in het lias van Engeland gevonden. In 1821 gaven Conybeare en De la Bêche de eerste beschrijving van die dieren. Een volkomen skelet werd in 1824 ontdekt. Zij leefden, evenals de ichthyosauren, in de lias- en Juraperiode, tot aan het midden der krijtperiode: zij komen voor in de oude zeeën van Europa, en in die van Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Men kent reeds 73 verschillende soorten, waarvan 24 in de krijtformatie. De bovenste helft der Juraformaties in Frankrijk heeft 14 soorten geleverd, die voor het meerendeel in de omstreken van Havre en Boulogne gevonden zijn.

In 1839 ontdekte de Engelsche natuuronderzoeker Richard Owen een even groot kruipend dier als den plesiosaurus, waaraan hij den naam van pliosaurus gaf, en die van den vorigen daarin verschilt, dat zijn hals minder gerekt en veel korter is, evenals bij den ichthyosaurus. Toch behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren.

In dienzelfden tijd leerde de Duitsche geleerde Hermann Meyer kruipende dieren kennen, die afkomstig zijn uit de benedenste lagen der secundaire formatie en die in het trias gevonden zijn. Die dieren, bekend onder de namen van nothosauren, pistosauren, simosauren, hebben vele punten van overeenkomst met de plesiosauren. Men ziet hieruit, zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd, die onderling zóózeer in vorm en grootte verschillen, hoe moeilijk het is, de grens te trekken tusschen soortverschillen en rasverschillen.

Onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen rekenschap kunnen geven van het voorkomen der ichthyosauren en plesiosauren, indien zij fig. 212 blz. 370 beschouwen, en vooral bij het bestudeeren van de titelplaat van dit werk: op die plaat zijn de plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst, vergezeld van niet minder vreemde wezens, die wij thans zullen beschrijven.

De laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen, dat de dieren, waarvan wij gesproken hebben, nog niet de vreemdsoortigste wezens zijn van die periode. Wij mogen beweren, dat de vreemdste wezens, die ooit op onze planeet bestaan hebben, de _dinosauren_ der Juraperiode geweest zijn.

Zooals hun naam aanwijst (deinos, verschrikkelijk), waren het vreeselijke wezens, die de zoogdieren voorafgingen, op het land en in de zee leefden, en eene uitbreiding verkregen, die vergeleken kan worden met die der thans levende zoogdieren. Enkele waren vleeschetende, andere grasetende dieren; zij voedden zich met de planten, die in de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden. Van het trias af tot aan het einde der krijtperiode, beheerschten zij de wereld, en waren zij na elkander tijdgenooten van de ichthyosauren, de plesiosauren, de teleosauren, de mosasauren enz. De ontdekkingen van den laatsten tijd stellen ons thans in staat, den weg te vinden in die fossiele overblijfselen, de voornaamste soorten weder op te bouwen, en in die vreemde bevolking der secundaire periode groepen vast te stellen.

Het ligt voor de hand, ze eerst in twee klassen te verdeelen: de grasetende en de vleeschetende dieren. In ieder dier klassen zullen wij de voornaamste soorten opgeven:

Dinosauren.

Grasetende Dieren.

I.--Sauropoden (Hagedispootigen).

Voornaamste soorten: Atlantosaurus, Brontosaurus.--Diplodocus.--Morosaurus.--Cetiosaurus.

II.--Stegosauri (Schildhagedissen).

Voornaamste soorten: Stegosaurus communis, Diracodon, Omosaurus.--Scelidosaurus, Hylaeosaurus.

III.--Ornithopoden (Vogelpootigen).

Voornaamste soorten: Iguanodon, Camptonotus.--Hypsilophodon.--Hadrosaurus.

Vleeschetende Dieren.

IV.--Theropoden (Met pooten van vleeschetende dieren).

Voornaamste soorten: Megalosaurus, Allosaurus.--Ceratosaurus.--Labrosaurus.--Zanelodon.-- Amphisaurus.--Coelurus.--Compsognathes.

Wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven:

In de eerste serie vinden wij vooreerst de atlantosauren en de brontosauren, reuzen der secundaire fauna. De eerste waren 30, de tweede 16 meters lang. Het waren reusachtige grasetende, viervoetige dieren, de grootste viervoetige dieren, die er ooit bestaan hebben. Fig. 222 geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus en den olifant. De brontosaurus was een zooltreder en had aan de vier pooten vijf teenen; zijn kop was zeer klein, en wel kleiner dan bij eenig bekend gewerveld dier; zijn hals was lang en buigzaam, zijn romp kort. Waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier. De Amerikaansche paleontoloog Marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd (fig. 223). Naar alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier, dat 30000 kilogram woog. Het liep zooals de tegenwoordige beren loopen, en de indruk zijner stappen was bijna een vierkante meter groot.

De diplodocus was 14 meters lang en geleek in ledematen en gang veel op den brontosaurus; de kop was klein, hij leefde in het water, en de tandvorming was onvolkomen, achter in de kaak ontbraken de tanden; het was een grasetend dier. De schedel was klein, _zooals bij alle dinosauren_.

De cetiosaurus had dijbeenderen van 1,70 meters lengte; de kop en de wervelkolom bedroegen te zamen 12 meters, zoodat het dier 16 tot 17 meters lang was! Hij kon op het vaste land leven, en kon zich in de moerassen of aan de monding der groote rivieren terugtrekken; gewoonlijk leefde hij te midden der varens, der cycadeën en de naaldboomen, en bewoog hij zich in de bosschen, die door insecten en kleine zoogdieren bevolkt waren. Hij behoorde tot de grasetende dieren.

Onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren. Ook Sauvage schat de lengte van sommige op _vijf-en-dertig meters_.