De Wereld vóór de schepping van den mensch
Chapter 21
Bij de plantdieren merkt men op, dat het beperkte aantal soorten van zeeleliën als het ware wordt goedgemaakt door de buitengewone menigte individuen van den encrinus liliiformis, wier kalkplaatjes dikke en uitgestrekte lagen vormen in de schelpkalk der triasformatie. Wij hebben die wezens reeds leeren kennen, toen wij den oorsprong der soorten in de silurische periode bestudeerden (blz. 157). Thans is dat type in verval. Andere soorten zijn geheel verdwenen. De beroemde trilobieten zijn voorgoed uitgestorven. Daarentegen verkrijgen de _ammonieten_, gedurende de permische periode ontstaan, eene verbazende uitbreiding. De ammonieten waren koppootige weekdieren, wier spiraalvormige schelpen de grootste verscheidenheid in grootte en in vorm aanboden. Zij hebben gedurende de geheele secundaire periode geheerscht, en zijn daarna verdwenen. In de triasperiode hadden de ammonites Aon en de ceratites nodosus de overhand. Hunne voorouders waren de nautiliden, die wij in de devonische periode hebben ontmoet of het ééne of andere nog oudere weekdier, waarvan dan de nautiliden en de ammonieten afstamden. In de triasperiode geraken de nautiliden in verval: men vindt alleen nog den orthoceras en de goniatiden.
Men kent de ammonieten reeds langen tijd, en reeds de oudheid had door de beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen der aarde en der zeeën geraden. Zij ontleenen hunnen naam aan de overeenkomst hunner kronkelingen met de ramshorens, die men vindt op de symbolische voorstellingen van Jupiter Ammon.
Vooral in de Juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht. Op het einde dier periode vindt men er, die de grootte hebben van een wagenrad.
Ook de armpootigen komen evenals de koppootigen in verschillende soorten voor. Behalve den spirifer der devonische periode (blz. 260) en den productus der steenkoolperiode (blz. 315) vindt men nog terebratulae en rynchonellae, die wij vooral in de Juraperiode zullen leeren kennen. Al die schelpen vindt men thans in de tweede laag der triasformatie, de schelpkalk, eene zeevorming.
De koplooze zoowel als de buikpootige weekdieren zijn nog sterker vooruitgegaan; van nu af aan hebben die twee klassen de overhand onder de weekdieren. Zij verdienen nog te meer onze aandacht, omdat het voornamelijk de schelpen der verschillende soorten van weekdieren zijn, die de formaties kenmerken, daar die schelpen zeer talrijk en zeer verspreid zijn, en gewoonlijk ongeschonden bewaard zijn gebleven, terwijl de beenderen van groote dieren zeldzaam en meer of minder beschadigd zijn. De familie der ostraceën (oesters) treedt tegelijkertijd op met de pectineën, de posidonia, cardita, lima enz. De oesters, voor het eerst optredend in de triasperiode, zullen van geslacht tot geslacht blijven voortleven en zullen de tijdgenooten der menschheid worden. Zij zullen zelfs één zijner eerste voedingsmiddelen uitmaken aan den oever der zee.
Bij de gelede dieren vindt men nu onder de schaaldieren de schaalkreeften of tienpootigen, waartoe de macruren (langstaarten) behooren. Men heeft geheele goed bewaarde schilden van kreeften gevonden. Het grootste verschil tusschen die kreeften en die van onzen tijd is in hare kracht gelegen. Hare scharen, van scherpe tanden voorzien, waren hare natuurlijke verdedigingsmiddelen, die zij noodig hadden tegen de vraatzuchtige monsters, die de wateren onveilig maakten.
De visschen schijnen weinig vooruit gegaan te zijn. Zij behooren bijna uitsluitend tot de placoïden en de glansschubbigen.
Onder de visschen der triasperiode kunnen wij den ceratodus als type der periode beschouwen, een vreemd type, van kieuwen voorzien als de gewone visschen en van longen, zooals de in de lucht ademende dieren, en van platte, aan de kanten diep ingesneden tanden. Het merkwaardigst is, dat die visch nog in onzen tijd bestaat, en onlangs is teruggevonden in de rivieren van Australië, waar hij eene lengte van 1,20 meters bereikt.
De hoogst ontwikkelde gewervelde dieren der triasformatie zijn de amphibiën en de kruipende dieren. Men heeft nog geen flauw vermoeden van den hond, den aap of den mensch. De labyrinthodonten, die wij tijdens de permische periode hebben leeren kennen, blijven de heerschers der wereld: het chirotherium, de trematosaurus, de mastodontosaurus enz., vergezeld van de vischhagedissen: den placodus, den nothosaurus, den simosaurus enz. De dinosauren treden op. Die reusachtige kruipende dieren hadden zeer sterke achterste ledematen, en hoewel zij aan hunne voorste ledematen handen hadden met vijf duidelijk te onderscheiden vingers, hadden zij aan hunne ontzaglijke voeten slechts drie vingers (de beide andere vingers blijven verborgen) Tot die groep van kruipende dieren der triasperiode, die in vertikalen stand liepen, behooren de megadactylus, de clepsysaurus, de bathygnathus enz. en waarschijnlijk ook het brontozoön, waarvan wij zoo aanstonds (blz. 359) een afdruksel geven, tegelijk met regendroppels, die zeker juist gevallen zijn op het oogenblik, dat het dier daar voorbijtrok, en dus tegelijk versteend zijn. Dat afdruksel is gevonden in de zandsteen der bovenste triasformatie. Die schijnbaar niets bijzonders vertoonende steen is dus voor ons als het ware eene photografie van een tooneel uit een reeds lang vervlogen tijd. Het is, als zag men het ontzaglijke kruipende dier reusachtige stappen doen, en door den storm overvallen, langs de oppervlakte van de kust voortrennen, het afdruksel zijner stappen achterlatend op de zachte klei, die het tot leering van de geologen der toekomst bewaart.
Die pooten met drie teenen hadden oorspronkelijk doen denken aan reusachtige vogels, en men was er zoo toe gekomen, aan te nemen, dat de vogels reeds in de triasperiode voorkwamen. Dit wordt dan ook in een aantal handboeken der geologie medegedeeld, waarin die sporen dan ook afdruksels van de stappen van _vogels_ genoemd worden. Maar men heeft in die lagen geenen enkelen versteenden vogel gevonden, en bovendien kent men de tweepootige kruipende dieren, welke die sporen van hunnen doortocht kunnen hebben nagelaten. Trouwens anders zoude uit de grootte dier afdruksels volgen, dat de vogels reeds bij hun ontstaan eene verbazende grootte moeten gehad hebben. De vogels treden eerst in de Juraperiode op.
Onder de kruipende dieren der triasformatie vindt men de theriodonten, de voorloopers der vogelbekdieren.
De dinosauriërs en de vischhagedissen zullen als vorsten heerschen gedurende de Juraperiode, en wij zullen dan ook in het hoofdstuk over de Juraperiode eene afzonderlijke studie aan die dieren wijden. Toch kunnen wij reeds nu tot leering onzer lezers diegenen onder deze bespreken, welke tot de triasperiode behooren. Onder andere zal men in fig. 205 de capitosauren vinden, die in voorkomen en gang evenals de overige labyrinthodonten het midden hielden tusschen de krokodillen en de salamanders. Die diersoort kwam zeer veel voor van de permische tot aan de keuperperiode. De belodon, één der eerste krokodilachtige dieren, onderscheidde zich door zijne zijdelingsche afplatting en de hoogte der bovenkaak, waarvan het uiteinde haakvormig omgebogen was. De tanden waren vertikaal en kegelvormig, terwijl het lichaam voorzien was van een schild, dat nog veel sterker was dan dat der krokodillen. Hij is alleen gevonden in de bovenste keuperformatie van Wurtemberg.
De nothosauren, de voorloopers der plesiosauren, komen gedurende de geheele triasperiode voor. De nothosaurus mirabilis wordt vooral in de schelpkalk gevonden. Het is waarschijnlijk, dat hij, hoewel een zeedier, steeds de kusten naderde en de stroomen opzwom.
De dicynodonten hebben eenigszins overeenkomst met de schildpadden door den vorm van den kop, met uitzondering van de snijtanden, die aan die der zoogdieren herinneren. In verschillende opzichten naderen zij evenveel tot de zoogdieren als tot de kruipende dieren.
De zanglodon, tijdgenoot van den belodon en de labyrinthodonten der keuperperiode, was een reusachtige vleeschetende dinosaurus en tamelijk rijzig van gestalte. Volgens Kapff en anderen zou de kop, onder den naam teratosaurus bekend en in dezelfde formaties gevonden, tot eenen zanglodon behooren.
De dieren der triasperiode vertoonden voor het meerendeel vormen, die geheel vreemd waren aan die van onze tegenwoordige wereld. Het waren in de eerste plaats tweevoetige dieren, die in grootte en gedaante zeer veel verschilden van het type der tegenwoordige vogels, doch die bijna alleen bekend zijn door de afdruksels hunner voetstappen, die wel viermaal zoo groot zijn als die van den struisvogel. Het aantal en de schikking der vingers wijzen bij andere weder op zóó groote onregelmatigheden, dat men waarlijk niet weet, hoe ze te verklaren, nu het geraamte niet tot ons is gekomen. Onder de kruipende dieren herinneren sommige aan de schildpadden, andere aan hagedisssen of krokodillen, of wel vertoonen zij evenals de dicynodonten, wier kaken met omgebogen slagtanden voorzien waren, de gemengde kenmerken van die verschillende groepen.
De dolichosauren, die gedeeltelijk tot de hagedissen, gedeeltelijk tot de slangen behoorden, wijzen het tijdstip aan, waarop de laatste zich van den gemeenschappelijken stam der hagedisachtigen hebben afgescheiden. Verder teruggaande, zijn de hagedissen geene afzonderlijke orde en vindt men typen, die de hagedissen met de leguanen, en de monitors met de krokodillen verbinden. Ook de krokodillen wijzigen hun skelet, om andere kenmerken aan te nemen, die men thans alleen in de ongeboren vrucht terugvindt. De labyrinthodonten naderen tot de kikvorschen en zelfs tot de visschen en behooren, zooals wij zagen, tot de oudste, merkwaardigste en meest weifelende der oorspronkelijke dierenwereld. De grootte van hun lichaam, hunne bedekking van beenderige platen, hun gepantserde kop maken het ons onmogelijk, daarin kikvorschen te zien. Zij ademden op volwassen leeftijd door longen, liepen op den grond, en waren de opvolgers van andere kruipende dieren, die meer in het water leefden. Waarschijnlijk vertegenwoordigen zij eenen bijzonderen toestand, dien alle kruipende dieren doorloopen hebben vóórdat zij landdieren werden.
Wij moeten hier het volgende opmerken: de permische periode heeft ons de geboorte der kruipende dieren doen bijwonen; de triasperiode vertoont ons, naast de ontwikkeling der hagedissen, die van nu af als heerschers optreden, de geboorte der zoogdieren, die zich door de komst der buideldieren aankondigen.
De geboorte der zoogdieren!... De eerste trede van de ladder, die tot de menschheid voert.
De kruipende dieren, de reuzenhagedissen der secundaire periode, vertegenwoordigen de kracht. Met de zoogdieren begint de periode van het gevoel.
Al die ontzaglijke hagedissen zijn gedoemd te sterven; zij dragen de vlam van de verstandelijke ontwikkeling niet met zich; geen dier soorten zal tijdgenoot worden van den mensch. De nederige buideldieren, die op dit oogenblik het daglicht aanschouwen onder de zon der triasperiode, zijn de eerste dieren, die de liefde kennen. Tot nu toe bestond de liefde nog niet op de aarde: plantdieren, weekdieren, schaaldieren, de oorspronkelijke insecten, visschen, kikvorschen, kruipende dieren hebben niet bemind. Zij hebben alleen eieren kunnen leggen, die zij zelfs niet eens zelf uitbroeden, en waarvoor zij de zorg aan de natuur overlaten. De eerste zoogdieren leggen bijna geene eieren meer. Wij zeggen _bijna_, want de ornithorhynchus legt nog eieren. Doch geleidelijk brengen de dieren levende jongen voort in plaats van eieren te leggen.
Nederig begin! Zoogdieren zonder melkklieren. Jongen, die ter wereld komen als het ware als eieren zonder schaal en die eerst na hunne geboorte voldragen zijn! De natuur wil ons ook hier weder de langzame ontwikkeling der schepping doen kennen. Het eerst zijn fossiele overblijfselen van zoogdieren uit de secundaire periode ontdekt in het jaar 1818 in de Juraformatie van Stonesfield bij Oxford. Men vond daar eene kaak, die door Cuvier herkend werd als te behooren tot een klein zoogdier van de klasse der buideldieren; die ontdekking verwekte de algemeene verbazing der geologen, daar deze het onmogelijk geacht hadden, dat er vóór de tertiaire periode zoogdieren zouden bestaan hebben. Owen merkte op, dat de soort, waartoe die kaak behoord had, groote verwantschap had met een Australisch buideldier, den myrmecobius. In diezelfde formatie te Stonesfield vindt men evenzoo eene kaak van eenen opossum, en in 1854 werd daar nog eene andere ontdekt, die tot eene geheel verschillende soort had behoord, waaraan men den naam van stereognathus gaf. In 1847 vond men in de bovenste triaslaag van Stuttgart den tand van een klein zoogdier, microlestes genaamd. Sedert dien tijd heeft men zoowel daar, als in het bovenste trias van Somersetshire en in Noord-Carolina eenige andere fossiele kaken gevonden, die hadden toebehoord aan kleine buideldieren of aan lager staande insecteneters. De kaak van een diomatherium silvestre (een klein buideldier) is door den Amerikaanschen geoloog Emons in de roode zandsteen van Noord Amerika gevonden. Onze lezers weten, dat de buideldieren tot de meest onvolkomen en de oudste klasse der zoogdieren behooren, en dat de laagste orde der zoogdieren, de vogelbekdieren, thans nog slechts vertegenwoordigd worden door twee soorten, die in Nieuw-Holland en Van-Diemensland gevonden worden: den ornithorhynchus en de echidna hystrix. Zij zijn de laatst overblijvenden van eene eertijds talrijke groep, die tijdens de secundaire periode de eenige vertegenwoordigster was van de zoogdieren, en waaruit door langzame ontwikkeling en splitsing alle latere zoogdieren zijn voortgekomen.
De buideldieren hebben hunnen naam te danken aan eenen buidel of zak, dien het wijfje aan de onderzijde van den buik draagt, en waarin de jongen nog langen tijd na hunne geboorte blijven. In dien zak bevinden zich twee melkklieren, waaraan zich de jonggeborenen vasthechten. De jongen komen bij de buideldieren veel onvolkomener ter wereld, dan dit gewoonlijk bij de zoogdieren het geval is. Zij zijn naakt, blind en doof en blijven zóólang in dien buidel, totdat hunne ledematen en hunne zintuigen voldoende ontwikkeld zijn. De buidel is dus als het ware eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling voltooid wordt. Als de jongen eene zekere ontwikkeling verkregen hebben, laten zij de melkklieren los zonder daarom nog den buidel te verlaten. Indien zij dien van tijd tot tijd verlaten, keeren zij daarin weder spoedig terug, en men mag zeggen, dat zij in dien buidel hunne geheele kindsheid doorbrengen. Bij verscheidene dieren van die orde duurt de zwangerschap niet langer dan ééne maand, terwijl het jonge individu nog zeven tot acht maanden in den buidel blijft vertoeven. Bij de reuzenkangoeroe verloopen er zeven maanden van het oogenblik, waarop het jong in den zak wordt neergelegd tot dat, waarop het voor het eerst den kop te voorschijn brengt; en eerst negen weken later komt het voor het eerst uit den zak. De volgende negen weken leeft de jeugdige kangoeroe nu eens buiten, dan weder in den buidel.
Het jong komt den 39sten dag ter wereld. De moeder neemt het in den bek, opent den buidel met hare voorpooten en hecht het jong aan één der melkklieren vast. Twaalf uren na de geboorte is de jonge kangoeroe nog slechts 32 millimeters lang, en kan het nog vergeleken worden met de ongeboren vrucht der overige dieren. Het is eene weeke, doorschijnende, op eenen worm gelijkende massa; de oogen zijn dicht; de neus en de ooren nauwelijks aangewezen, de ledematen nog lang niet ontwikkeld. Het jong gelijkt nog in het minst niet op de moeder. De voorste ledematen zijn een derde langer dan de achterste; de staart is kort en tusschen de achterpooten omgebogen. Het hangt aan de melkklier als eene levenlooze massa, en kan zelfs nog niet zuigen, zoodat de melk op eene zeer eigenaardige wijze uit de klier in den bek gestort wordt; eerst later begint het te zuigen.
Zóó voedt het jong zich gedurende acht maanden met de moedermelk; van tijd tot tijd vertoont het den kop, maar het is nog niet in staat, zich alleen te bewegen. De natuuronderzoeker Owen nam een jong van vier dagen van de moederborst af, om te weten of een zoo onvolkomen wezen haar uit zich zelf kon terugvinden, dan wel of de moeder het weer zelf zou aanleggen. Het resultaat der proefneming was het volgende: Na het wegnemen van het jong, kwam een droppel wit vocht te voorschijn. Wel werd het jong onrustig, maar het scheen geene pogingen te doen, om zich weder aan de moeder vast te hechten, en kon zich volstrekt niet bewegen. Men legde het toen in den zak neder en liet het weder aan de moeder over. Deze was toen erg rusteloos, bukte zich, krabde tegen de buitenzijde van den zak, maakte dien met de pooten los, stak er den kop in en bewoog dien in verschillende richtingen. Eindelijk stierf het jong, zonder dat de moeder het weder had vastgehecht.
Indien de jonge kangoeroe éénmaal eene zekere grootte bereikt heeft, groeit zij zeer snel. Zij steekt dan den kop uit en kijkt met hare oogen naar alle zijden rond, beweegt hare kleine pooten en begint te eten. De moeder verzorgt haar nog steeds zeer teeder, zonder zich echter zoo bezorgd te maken als vroeger. In den eersten tijd duldt zij niet, dat men het ziet of betast. Zij jaagt zelfs den vader weg, zoo deze zijne spruit wil zien. Zoodra het jong echter den kop maar ééns naar buiten gebracht heeft, is de moeder niet meer zoo bang om het te voorschijn te doen treden. De jeugdige kangoeroe is trouwens zeer vreesachtig, de minste aanleiding doet haar weder naar den buidel vluchten, waarin zij alle mogelijke standen inneemt, nu eens komt zij met den kop, dan weder met de achterpooten of den staart naar buiten. Het is een merkwaardig schouwspel, om te zien, hoe de moeder, als zij zich verplaatsen wil, het jong dwingt om zich in de diepten van den buidel te begeven en het daarbij zwakke stooten toebrengt. Na verloop van eenigen tijd verlaat de jeugdige kangoeroe den buidel en springt zij om de moeder heen, maar bij het minste gevaar vliegt zij weder hals over kop in den buidel; in een oogenblik draait zij weder om, en nu zij zeker is tegen elk gevaar beveiligd te zijn, kijkt zij met eenen grappigen blik naar buiten.
Onder de buideldieren vindt men evenals onder alle families van het dierenrijk de grootste verscheidenheid van vorm en verstand. De opossum (eene buidelrat) b.v. schijnt veel meer verstand te bezitten dan de kangoeroe. Audubon geeft van zijne levenswijze de volgende beschrijving:
"Let op, hoe hij aan den voet van dien reusachtigen boom stil staat en ronddraait om den stam, om onder de met sneeuw bedekte wortels eene opening te vinden, waarin hij kan binnensluipen. Na eenige minuten komt hij weder te voorschijn, een eekhorentje medeslepend, dat reeds van het leven beroofd is: hij houdt het in den bek, terwijl hij langzaam den boom opklimt. Blijkbaar vindt hij de laagste takken niet naar zijne gading, want hij klimt steeds hooger, totdat hij eene plek gevonden heeft, waar hij minder in het gezicht komt; daar zet hij zich op zijn gemak neder, rolt zijnen langen staart om de jeugdige takken en verscheurt met zijne scherpe tanden het arme eekhorentje, dat hij met de klauwen zijner voorpooten vasthoudt.
De schoone lentedagen zijn aangebroken; de boomen vormen krachtige knoppen; maar de opossum is bijna naakt en schijnt door vasten uitgeput. Hij zoekt de kreken op en smult nu aan de jeugdige kikkers. Maar de brandnetel begint zijne teere en saprijke knoppen te ontwikkelen, die hem een kostbaar voedsel opleveren. Het morgengeroep van den wilden kalkoen doet hem aangenaam aan, want de sluwerd weet, dat hij nu spoedig de stem van het wijfje zal hooren, en dat hij haar naar haar nest kan volgen om hare eieren te rooven. En terwijl hij door de bosschen zweeft, nu eens op den grond, dan weder op de boomen van tak tot tak springend, hoort hij het gekraai van eenen haan; en zijn hart klopt van genot, als hij zich te binnenbrengt, wat een heerlijk maal hij het vorige jaar gehad heeft op eene nabijzijnde boerderij. Zachtjes, de oogen wijd geopend, gaat hij vooruit en verbergt hij zich in het hoenderhok.
Waarom, eerzame landman, hebt gij het vorige jaar zoovele kraaien en raven gedood? Koop u nu kruit en lood, maak uw geweer schoon, zet uwe vallen gereed en zorg, dat uwe trage honden trouw waken, want de opossum nadert, de strooper is op weg. Hoort gij de kreten van uwe kippen? Eéne der beste is door den sluwen dief medegenomen. Gij loert op vos en uil, en waant u gelukkig, zoo gij hunnen vijand en uwen vriend, de arme raaf gedood hebt. Nog geen week geleden lagen onder deze groote kip een dozijn eieren; zij zijn verdwenen, de opossum heeft ze weggestolen.
Het wijfje van den opossum is een voorbeeld van moederliefde. Sla uwen blik in dien zonderlingen buidel, waar de jongen ieder aan eene melkklier bevestigd zijn. De zorgzame moeder voedt ze niet alleen, maar beveiligt ze ook tegen den vijand; zij neemt ze met zich mede, zooals de zeehond haar kroost medevoert, of verbergt ze onder de bladeren van eenen tulpeboom. Na twee maanden beginnen zij voor zich zelf te kunnen zorgen, met wijze lessen gaan zij de wereld in. Maar als de pachter den opossum op heeterdaad heeft betrapt, terwijl hij éénen zijner schoonste hoenders vermoordde, en zich woedend op het arme dier werpt, rolt het zich tot eenen bal samen. Naarmate de man woedender wordt, blijft het dier rustiger liggen; eindelijk blijft het onder den voet van den pachter liggen zonder eenig teeken van leven te geven, met de tong uit den bek, en de oogen gesloten, totdat zijn beul hem laat liggen in het denkbeeld, dat het dier dood is. Doch neen! het is niet dood. Het hield zich slechts zoo; nauwelijks heeft de vijand de hielen gekeerd, of het dier richt zich weer op en vlucht in het bosch.
Eene andere soort, de Philander Aeneas (Aeneasrat), leeft alleen op de boomen en komt alleen op den grond voor de jacht. Hij kan door middel van zijnen langen staart gemakkelijk klimmen en zich daarmede overal aan vasthechten, en zoodra hij gaat rusten, begint hij met dien om eenen tak te rollen. Op den grond loopt hij langzaam en moeilijk; toch kan hij kleine zoogdieren, insecten, schaaldieren, vangen, vooral kreeften, waarop hij verzot is. Op de takken der boomen vervolgt hij de vogels en plundert hij de nesten; ook voedt hij zich met vruchten. Somtijds bezoekt hij de hoenderhokken en doodt hij kippen en duiven.
De jongen worden, als zij half volwassen zijn, op den rug der moeder gedragen, waartoe zij zich met hunnen staart aan dien der moeder vasthouden. Zelfs als zij bijna geheel volwassen zijn, en dus de moedermelk niet meer behoeven, blijven zij nog bij hunne moeder, en vluchten zij op haren rug bij het minste gevaar. Daaraan zijn zij hunnen naam van Philander Aeneas verschuldigd [19]. Als de moeder verschrikt is, laat zij een gesis hooren en verspreidt zij eenen hoogst onaangenamen reuk.
Doch wij mogen niet langer bij die afstammelingen der eerste zoogdieren stilstaan. Het zij voldoende, als wij hebben aangetoond, hoe laag ontwikkeld zij zijn onder de levendbarende dieren, en dat zij toch het rijk der hoogere dieren inwijden. De verstandelijke en zinnelijke vermogens zijn ontstaan, om niet meer te verdwijnen.
TWEEDE HOOFDSTUK
De Juraperiode.
Het Rijk der Reuzenhagedissen.